Warenfetisjisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
"De rijkdom van de maatschappijen, waarin de kapitalistische productiewijze heerst, heeft de vorm van een ‘kolossale opeenhoping van waren’" — Openingszin van Het Kapitaal.

Warenfetisjisme is bij Marx het verschijnsel dat, in een markteconomie, relaties tussen mensen onderling zich voordoen als relaties tussen mensen en dingen, namelijk tussen mensen en koopwaar.

Wie op de markt een product koopt, staat in relatie tot de producent, de toeleveranciers, de vervoerders, enz.: al deze mensen werken voor de koper. De markteconomie verbergt echter al deze relaties achter de verkochte waar en de prijs daarvan. Bij Marx is deze prijs een afspiegeling van de waarde van de geleverde arbeid (arbeidswaardeleer), maar de arbeid is niet meer als zodanig herkenbaar. De koper ziet enkel het product en de prijs daarvan en maakt op basis daarvan de keuze om al dan niet te kopen.

Dit verbergen van de arbeidsrelatie tussen producent en consument is een illusie, maar een die consequenties heeft in de echte wereld, of men zich ervan bewust is of niet. Zeker in een vergevorderde markteconomie móet de producent produceren voor de marktwaarde, zonder te weten wie de koper van zijn product is, en of er zelfs een koper zal zijn. Tegelijk is de consument niet bij machte de gehele productieketen te overzien.

Presentatie in Het Kapitaal[bewerken]

Marx bespreekt het warenfetisjisme in deel één van Het Kapitaal, in een paragraaf die aanvankelijk een appendix was maar vanaf de tweede editie achteraan het eerste hoofdstuk verschijnt.[1] Hij bespreekt hierin de "mysterieuze" eigenschappen die de producten van menselijke arbeid onder het kapitalisme krijgen, in opmerkelijk poëtische termen, zeker vergeleken met de boekhouderstaal in de omringende tekst.

Voor Marx' negentiende-eeuwse publiek had fetisjisme nog niet de seksuele connotatie die het sinds Freud heeft. Het riep veeleer het beeld op van de fetisjen, de afgodsbeelden en andere magische voorwerpen die bekend waren van beschavingen buiten West-Europa: net als het 'primitieve' fetisjisme is de markt voor Marx een sociaal construct, dat macht krijgt over mensen. Door de marktsamenleving te vergelijken met dergelijke 'primitieve' religieuze gebruiken, wees Marx zijn lezers op de beperkingen van hun begrip van de eigen maatschappij, en op het historisch gebonden karakter daarvan.

Vanuit dit idee lanceert Marx zijn aanval op de markt en het begrip van de markt dat de economen van zijn tijd daarvan hadden gevormd. De marktvrijheid, meent hij, is een illusie die uit het warenfetisjisme voorkomt. In zijn visie is in de kapitalistische productiewijze noch de producent, noch de consument vrij, maar zijn beiden onderworpen aan de grillen van de onzichtbare hand.[2]

Andere fetisjen[bewerken]

Naast de warenfetisj wijst Marx in Het Kapitaal nog andere fetisjen aan, hoewel niet zo expliciet als hij bij de waren doet. Een voorbeeld hiervan is de geldfetisj: de focus van kapitaalbezitters op het vermeerderen van hun geldbezit, dat de harde concurrentiestrijd verbergt waaraan zij onderworpen zijn en die dit verzamelen noodzakelijk maakt.[3]

Een soortgelijk verschijnsel is de kapitaalfetisj: het idee dat winst voortkomt uit kapitaal, in plaats van de arbeid die op dit kapitaal werkzaam is. Mechanisering en automatisering kunnen de winst van een investering vergroten, maar doen dit volgens Marx alleen omdat ze de efficiëntie van arbeid opvoeren (en leiden uiteindelijk tot een dalende winstvoet). De ultieme uitdrukking van de kapitaalfetisj is de rente. Rentedragend kapitaal is immers geld dat uit zichzelf lijkt te groeien, maar deze groei is een afspiegeling zijn van de door arbeid geproduceerde meerwaarde.[4]

Latere auteurs hebben het fetisjbegrip gebruikt om de rol van marketing in de hedendaagse economie te duiden, zoals de manier waarop de sweatshoparbeid die in sportkleding steekt verborgen wordt door de reputatie van succesvolle sporters op de kleding te projecteren.[5] Ook Naomi Kleins boek No Logo is in dit licht te lezen, als analyse van het beeldmerk als fetisj.[6]

Zie ook[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. Harvey 2010:45.
  2. Harvey 2010:39-43.
  3. Harvey 2010:257-260.
  4. Marx 1894, hoofdstuk 24.
  5. Sue Collins. "E" Ticket to Nike Town. Counterblast: e-Journal of Culture and Communication 1(1) (2001)
  6. Matthew Sharpe. The Logo as Fetish: Marxist Themes in Naomi Klein's No Logo. Cultural Logic 6 (2003)

Bronnen[bewerken]

  • David Harvey, A Companion to Marx's Capital, Verso, 2010.
  • Karl Marx, Het kapitaal, Deel I: Het productieproces van het kapitaal. Vert. I. Lipschits, 1967 [1867], heruitgave Marxists Internet Archive, 2008.
  • Karl Marx, Het kapitaal, Deel III: Het totale proces van de kapitalistische productie. Vert. David C.A. Danneels en Adrien Verlee, 1894, heruitgave Marxists Internet Archive, 2017.