Warenfetisjisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
"De rijkdom van de maatschappijen, waarin de kapitalistische productiewijze heerst, heeft de vorm van een ‘kolossale opeenhoping van waren’" — Openingszin van Het kapitaal.

In de werken van Karl Marx is warenfetisjisme het fenomeen dat onder het kapitalisme de maatschappelijke verhoudingen tussen mensen zich voordoen als verhoudingen tussen dingen. Het concept vormt de basis van Marx' verwerping van de marktvrijheid als een vorm van dwang.

Overzicht[bewerken]

Marx bespreekt het warenfetisjisme in deel één van Het kapitaal, in een paragraaf die aanvankelijk een appendix was maar vanaf de tweede editie achteraan het eerste hoofdstuk verschijnt. Hij bespreekt hierin de "mysterieuze" eigenschappen die de producten van menselijke arbeid onder het kapitalisme krijgen.

Het wezenskenmerk van het kapitalisme is namelijk dat het (koop-)waren produceert: producten dienen voor de producent enkel om verhandeld te worden. Op de markt doen deze waren zich aan de consument voor als gebruiksartikelen (gebruikswaarde) met een prijs (ruilwaarde), maar de consument ziet niet de arbeid die met het productieproces is gemoeid (waarde). Met name ziet hij niet de arbeidsomstandigheden, de machtsverhoudingen (wie werkt voor wie) e.d. die aan de waar ten grondslag liggen. In plaats daarvan lijkt het voor de consument alsof de prijzen een verhouding tussen de dingen zelf voorstellen, zoals in primitieve religies een fetisj aangezien wordt voor een macht buiten de mens.[1]

Vanuit deze analyse lanceert Marx zijn aanval op de markt. De vrijheid daarvan, meent hij, is een illusie die uit het warenfetisjisme voorkomt. In werkelijkheid is in het kapitalisme noch de producent, noch de consument vrij, maar zijn beiden onderworpen aan de grilligheid van de onzichtbare hand.[2]

Referenties[bewerken]

  1. Karl Marx (1867): Het Kapitaal
  2. (en) David Harvey, A Companion to Marx's Capital, Verso, 2010, pp. 39-43. ISBN 9781844673599.