Ontologie (filosofie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De ontologie (van het Grieks ὀν = zijnde en λόγος = woord, leer) of zijnsleer is onderdeel van de metafysica, de filosofische tak die het wezen onderzoekt dat achter de waargenomen werkelijkheid schuilgaat. De ontologie onderzoekt en beschrijft de eigenschappen, of breder: het zijn van het geheel van dingen, "entiteiten" of zijnden, waarvan aangenomen wordt dat ze bestaan of beter: zijn. De klassieke ontologie probeert, op grond van hun eigenschappen, de entiteiten vervolgens te in te delen in fundamentele categorieën. Daarom wordt de ontologie soms ook wel 'categorietheorie' genoemd.

Van de klassieke oudheid tot en met de middeleeuwen waren metafysica en ontologie volledig synoniem aan elkaar. Met Christian Wolff (1679-1754) begonnen in de moderne tijd allerlei afsplitsingen van de algemene metafysica, te beginnen met (toentertijd) de kosmologie, de psychologie en allerlei apologetische stromingen binnen de theologie. De kosmologie was in de 17e en 18e eeuw breder begrip dan wat er tegenwoordig onder wordt verstaan. Ze omvatte alle beschikbare kennis omtrent de wereld, dat wil zeggen het wereldse afgezet tegen bijvoorbeeld het goddelijke.

Een voorbeeld van een ontologische insteek betreft de beginselen van empirisch onderzoek. Bij empirisch onderzoek wordt de aard van een onderzoeksobject ontologisch gezien als:

Met name de eerste term is van belang omdat zonder een onveranderlijke structuur experimenten op het object geen zin hebben. In het geval van veranderlijke objecten wordt de onveranderlijke wetmatigheid daarin gezocht.

Een ontologie fundeert een theorie over de werkelijkheid. Binnen een wetenschappelijk kader maakt een ontologie een zinvolle meting van die werkelijkheid mogelijk. De metingen kunnen weer leiden tot revisie van de theorie en zo tot nieuwe metingen. Crises in de wetenschap, zoals die in de kwantummechanica, waarbij theorie noch meting een eenduidig antwoord geven, dwingen een nieuwe ontologie af (zie ook Albert Einstein en Werner Heisenberg).

Van het begrip ontologie uit de filosofie is later het specifieke begrip ontologie binnen de informatica afgeleid.

Bewijs voor het bestaan van iets[bewerken | brontekst bewerken]

De vraag: "is er -'iets'-; wát dan ook?" dient te worden beantwoord.

De radicale en fundamentele twijfel (kan alles in twijfel worden getrokken?) hieromtrent wordt weggenomen door het antwoord: "ja: er is deze vraag", en daarmee een vraagsteller. Daaruit wordt dan een conclusie getrokken, uitgaande van de aanname dat de vraagsteller niet onbestaand is: Ergo: ik ben.

Deze laatste aanname: dat de vraagsteller, het subject, niet onbestaand kan zijn is een zwak punt. Men gaat er dus van uit, dat alleen het "zijnde" "IS" en dat het "niet zijnde", niet bestaat. Als zodanig kan men deze bewijsvoering zien als een cirkelredenering. Dat kan men al vaststellen bij Parmenides. Het uitgangspunt van Parmenides is dat de rede leert dat je alleen een Zijn kunt denken, niet een niet-Zijn. Tegenover het Zijnde staat niets, dus ook niet het denken. "Denken en Zijn is één en hetzelfde." Deze opvatting van Parmenides kan gezien worden als de basis van de huidige opvatting dat de mens een intelligibel wezen is. Kitaro Nishida, die een brug tracht te slaan tussen het westerse en oosterse denken, publiceerde De Logica van de Plaats van het Niets en de Religieuze Wereldbeschouwing. Daarin ziet hij het zijnde en het niet-zijnde als dualistisch en elkaar bepalend. Men zou kunnen stellen dat de ontologie alleen binnen het denken bestaat, maar niet daarbuiten.

Ontologen[bewerken | brontekst bewerken]

Onder meer de volgende denkers hielden zich bezig met ontologie:

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Externe links[bewerken | brontekst bewerken]

Zie de categorie Ontology van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.