Empirisch onderzoek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Empirisch onderzoek omvat elke wetenschappelijke onderzoeksactiviteit die directe, eigen waarnemingen gebruikt.

Historisch gezien begon de empirische wetenschapsbeoefening een grotere rol te spelen met Roger Bacon (1214-1294) net na de 'Renaissance van de twaalfde eeuw', op het snijvlak van hoge en late middeleeuwen. Bacon was, in een tijdperk van vooral speculatieve wetenschapsbeoefening, een vroege aanhanger van het empirisme, dat vanaf de Verlichting als enig aanvaarde natuurwetenschappelijke methode zou overblijven (na de zogenaamde wetenschappelijke revolutie).

Het principe van het empirisme is de inductie: men begint met een waarneming op grond waarvan men vervolgens een algemenere wetmatigheid formuleert. Met behulp van een, op grond van de geconstateerde wetmatigheid, opgestelde hypothese en een toetsing van deze hypothese (experiment), probeert men de eerder geformuleerde wetmatigheid te verifiëren of te falsifiëren.

Bij empirisch onderzoek is het van belang dat er heel precies te werk wordt gegaan en dat de gemeten resultaten teruggekoppeld worden naar de onderzoeksvraag. Het empirisch resultaat is dan ook puur gebaseerd op individueel wetenschappelijk onderzoek, en nooit op een uitgewerkte theoretische onderbouwing vooraf.

Zie ook[bewerken]