Verlichting (stroming)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Antoine Laurent Lavoisier en Marie-Anne Pierrette Paulze door Jacques-Louis David 1788, Metropolitan Museum of Art, New York.
De filosoof geeft uitleg bij een model van het zonnestelsel door Joseph Wright of Derby

De Verlichting of Eeuw van de Rede begon volgens sommigen al omstreeks 1630[1], volgens anderen rond 1687 en duurde tot aan de Franse Revolutie, omstreeks 1789.[2][3] In deze periode ontstond een culturele stroming of beweging van intellectuelen in Europa met als doel het gebruik van de rede en het filosoferen te bevorderen. De rede gaat alleen maar af op feiten, hoe verborgen die ook zijn.[4] Verlichting stond aldus voor bevordering van de wetenschap en intellectuele uitwisseling. De propagandisten van de Verlichting bestreden het bijgeloof, misbruik van recht in kerk en staat, intolerantie en kwamen op voor zekere grondrechten.

De Verlichting wordt gezien als een van de pijlers van de westerse beschaving. Ze wijzigde het denken over de politiek, de wetenschap, de economie, de cultuur, de opvoeding en de religie in de westerse wereld.[5] De Verlichting gaf aanleiding tot modernisering van de samenleving door middel van individualisering, emancipatie, feminisme, secularisering en globalisering. Het gelijkheidsbeginsel, de mensenrechten en de burgerrechten vinden er hun wortels, net zoals het 'vrijdenken', het klassiek-liberalisme, het socialisme, het anarchisme.

De Verlichting kent een kritische en een constructieve zijde. De kritische zijde neemt het (geïnstitutionaliseerde) geloof en onredelijkheid op de korrel. De constructieve kant zoekt kennis (wetenschap) en nieuwe samenlevingsvormen met als idealen rechtvaardigheid en democratie.

Niet alle 17e- en 18e-eeuwers beschouwden hun tijd als verlicht, als een tijd waarin men het duistere verleden achter zich had gelaten.[6] Het was eerder een tijd van redelijkheid dan van rede; meer een houding, een doel of een streven dan een filosofisch stelsel.

De filosofen[bewerken]

René Descartes was een uitgesproken rationalist, maar verwierp het geloof niet.

In de tijd van de Verlichting hadden geleerden en amateurs grote belangstelling voor de natuur. Het ging hun om het ontdekken van de wetmatigheden. In de zeventiende eeuw en nog lang daarna werd het begrip 'filosofie' gewoonlijk gebruikt voor wat wij nu natuurwetenschap noemen.[7] De filosofen uit de Renaissance hadden voornamelijk aandacht besteed aan God en de mens, en de natuur was daarbij verwaarloosd.[8]

René Descartes legde met de uitspraak Cogito ergo sum het fundament voor de Verlichting. Alleen door het gebruik van de rede en het gezonde verstand komt men tot waarheid.[9] Baruch Spinoza, die voortbouwde op het denkwerk van Descartes, accepteerde als een van de eersten geen andere verklaring dan die gebaseerd op de rede. Spinoza kreeg navolgers in Duitsland, zoals Gottfried Wilhelm Leibniz en Ehrenfried Walther von Tschirnhaus. Zijn boeken werden al snel vertaald in het Frans, maar zijn filosofie bleef een heikel punt: ze zou leiden tot atheïsme en fatalisme, en is in bijna alle landen van Europa fel bestreden.

In Engeland werd Spinoza volledig genegeerd. Daar ontwikkelde zich het empirisme met het inzicht dat niet de rede, maar waarneming ten grondslag lag aan nieuwe kennis. In Frankrijk ontwikkelde zich met Diderot, Holbach en Melchior Grimm een radicale richting. Deze zette zich af tegen gematigde verlichters als Rousseau en Voltaire, die een bepaalde vorm van religie accepteerden in hun filosofie. In Duitsland ontstond een nog gematigder richting, zich baserend op de voorzichtige Leibniz en zijn navolger Christian Wolff.

Afhankelijk van de staatsvorm en de invloed van de vorst of kerk is deze vraag ook de kern van het debat geweest in andere Europese landen, waar ofwel het katholieke, de anglicaanse, de calvinistische, de lutherse of Russisch-orthodoxe geloof werd beleden. Volgens de invloedrijke historicus Jonathan Israel spitste de discussie tussen de strijdende partijen zich rond 1740 toe op het belang van en de uitwerking van Spinoza's ideeën. De radicale periode was blijkbaar rond 1750 voorbij, waarna door de filosofen van de Verlichting een brug geslagen werd tussen wetenschap en geloof. "Een christelijke, tolerante of gematigde vorm van Verlichting overheerste."[10] Daarna stond de Verlichting ook voor het ontwikkelen en analyseren van eigen en andermans emoties [11]

In de eerste helft van de achttiende eeuw hielden de filosofen van de Verlichting zich bezig met het populariseren van de wetenschap, het zoeken naar kennis, waarheid, geluk en volmaaktheid.[12] In de tweede helft van de achttiende eeuw werden de grondslagen gelegd voor economie, sociologie, pedagogie, antropologie, en land- en volkenkunde.

Geschiedenis[bewerken]

Fascinatie voor Chinese cultuur. Delftse tegel in het Rijksmuseum

De Verlichting ontstond in de hogere kringen in Engeland en Schotland, Frankrijk, Duitsland en de Nederlanden, en kende invloeden van de Renaissance, de Reformatie en de ontdekkingsreizen naar Azië en Amerika. Door de reisboeken en reisverslagen die Europa eind zeventiende eeuw overspoelden, begon men te twijfelen aan de blanke en christelijke superioriteit, het westerse denken. Men vond dat andersgelovigen, zoals joden of arabieren en Chinezen of Peruanen, waardevolle culturen hadden, ondanks een moraal die niet christelijk is.

In 1687 was Philippe Couplet de leider van een groep jezuïeten die de eerste bekende vertaling van een Chinees literair werk publiceerde, het Confucius Sinarum Philosophus.[13] Het werk handelde over het leven en het denken van de filosoof Confucius en bevatte onder andere een Latijnse vertaling van de Yijing. Gottfried Wilhelm Leibniz kon na het lezen ervan vaststellen dat het binair systeem dat hij uitgevonden had, reeds sinds lange tijd in China bestond. Tussen 1704 en 1708 verscheen in Frankrijk een vertaling van Duizend-en-één-nacht.[14] Het boek werd immens populair, met het gevolg dat ook de kijk op de Arabische wereld veranderde.

In zijn fictieve reisverslag Perzische brieven (Lettres persanes), dat in 1721 anoniem in Amsterdam verscheen, experimenteerde Montesquieu met cultuurrelativistische ideeën.[15] Twee kritische Perzen hielden zich zeven jaar lang in Frankrijk op en staken de draak met de Franse hofcultuur. Ze beschreven de financiële chaos, veroorzaakt door John Law. Het boek had een enorm succes. Voltaire schreef vervolgens zijn Lettres anglaises, een lofrede op de Engelse cultuur, dat in 1734 publiekelijk werd verbrand op de binnenplaats van het Parijse paleis van justitie. De markies d'Argens publiceerde in 1738 in Den Haag zijn Lettres juives, een briefroman waarin verschillende Europese regeringsvormen werden vergeleken.

Uitwerking[bewerken]

De wetenschap en de Encyclopédie[bewerken]

Titelpagina van het eerste deel van de Encyclopédie

Rond 1700 was de helft van alle boeken die werden gepubliceerd, nog gewijd aan de theologie, die steeds meer terrein verloor. Wetenschappers doorbraken met hun empirische kennis, opgedaan door middel van vrij onderzoek, experimenten en waarnemingen, de eeuwenoude hegemonie van de theologie, en vervingen de traditionele kennis en gewoonten. Het idee dat in de natuur wetmatigheden staken die niet met de Bijbel konden worden verklaard, veroorzaakte een wetenschappelijke revolutie. Sir Isaac Newton toonde aan dat in het heelal te ontdekken wetten golden. Voor de filosofen golden die wetten op alle vlakken: van de natuurwetenschappen tot de sociale wetenschappen. Meer wetenschap betekende meer macht en mogelijkheden om de maatschappij te veranderen. Vooruitgang door wetenschappelijk inzicht in natuur en technologie is tijdens de Verlichting een breed gedragen wens. De boekenproductie explodeerde na 1750. Er waren boeken op de markt waarin de verworvenheden werden uitgelegd in een voor iedereen begrijpelijke taal, in het bijzonder voor vrouwen. Het Latijn verloor zijn hegemonie, het gebruik van de landstaal nam toe onder de wetenschappers. Kenmerkend is de poging tot een kritisch en samenvattend overzicht van de stand van het weten via de beroemde Encyclopédie. De encyclopedie kwam tot stand tussen 1750 en 1776 onder leiding van de Franse encyclopedisten Denis Diderot en Jean Le Rond d'Alembert. Voltaire, Rousseau, Charles Montesquieu, Turgot en Cornelis de Pauw leverden artikelen. De Encyclopédie ondervond tegenstand en werd in 1759 verboden. De Encyclopédie bedreigde de aristocratie en de geestelijkheid, en daarmee de staat, door de nadruk op religieuze tolerantie, de vrijheid van gedachten en de democratische geest. De encyclopedisten bestreden de heksenwaan en toonden hoe mechanische wetmatigheden en natuurwetten de wereld sturen. Dat stond haaks op het middeleeuwse magische denken.

Ideeën, ethiek en moraal[bewerken]

Het experiment met de vogel in de luchtpomp door Joseph Wright of Derby

Vóór de Verlichting gaat men ervan uit dat de mens tot het kwade neigt en afhankelijk is van God en de kroon. De verlichte denkers zien de mens als van nature goed, autonoom en onafhankelijk. Nuttigheid, de waardigheid van de mens en zijn streven naar geluk in dit aardse leven (en niet in het hiernamaals) vormden het uitgangspunt in de ethiek. De denkers streven naar een rationele en universele moraal, geldig voor het handelen van alle mensen op aarde en onafhankelijk van een godsdienst, en opdat iedereen de vruchten van de Verlichting zou plukken, hechten ze waarde aan populariserende en pedagogische activiteiten. De nieuwe kennis kon het onderwijs verspreiden, waardoor er sprake zou zijn van morele vooruitgang.

Recht, staat en politiek[bewerken]

De lezer door Jean-Honoré Fragonard

In het recht en de staatsorganisatie werden onredelijke tradities bestreden en hervormingspogingen ondernomen. Verlichtingsdenkers keerden zich tegen macht die alleen op het goddelijke of de traditie berust: de aristocratie, de monarchie en de kerk. De afwijzing van goddelijk gezag introduceert de scheiding tussen kerk en staat.

Omdat iedereen verantwoordelijk is voor zijn leven en omdat men zich verzet tegen overgeërfd en van God gegeven gezag, verliest de monarchie haar legitimiteit. De kritiek op de monarchie leidde doorgaans niet tot afschaffing maar tot aanpassingen van de leiderschapsstijl van de vorsten. Deze stijl, die men verlicht despotisme noemt, werd met name door Frederik de Grote, Catharina de Grote, keizer Jozef II en Adolf Frederik van Zweden gepropageerd.

In plaats van het goddelijke gezag kwam de theorie van het maatschappelijke verdrag - het contrat social van Jean-Jacques Rousseau. De meeste Verlichtingsdenkers bepleitten de vervanging van de standenstaat door de democratie. In 1748 publiceerde Montesquieu zijn De L'Esprit des Lois, waarin hij concludeert dat de scheiding der machten de vrijheid en gelijkheid van de burger garandeert. De trias politica bestaat uit drie elkaar controlerende machten: de wetgevende macht, de uitvoerende macht en de rechtsprekende macht. Het idee was niet nieuw: John Locke formuleerde de scheiding der machten al eerder. Het boek beïnvloedde Catharina II van Rusland. Deze nieuwe ideeën over recht, staat en politiek waren een inspiratiebron voor revoluties zoals de Amerikaanse onafhankelijkheid, de Franse Revolutie en de Belgische Revolutie. De respectievelijke grondwetten zijn voor een groot stuk op deze theorie gebouwd.

Nuvola single chevron right.svg Zie Over de geest van de wetten voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Geschiedschrijving, literatuur, architectuur[bewerken]

Eerste druk van Robinson Crusoe

Montesquieu en Voltaire vernieuwden de geschiedschrijving. Vóór de Verlichting golden de klassieken, zoals Tacitus, als betrouwbare bronnen voor geschiedschrijving. Volgelingen van René Descartes wezen erop dat deze bronnen vaak strijdig waren met archeologische vondsten, de Bijbel en Egyptische bronnen. De literatuur concentreerde zich op de actualiteit en het menselijke. De satire (zowel poëzie als proza) ontwikkelde zich tot het belangrijkste genre en is te lezen in het werk van Alexander Pope en Jonathan Swifts Gulliver's Travels. In de architectuur uitten de idealen van de Verlichting zich in burgerlijke gebouwen, ordelijk, sober streng en neoclassicistisch.

Schilderkunst en muziek[bewerken]

In de schilderkunst richtte Giambattista Tiepolo zich op het werken met pasteltinten of exotische culturen; Watteau op een geïdealiseerd landleven. Stucwerk met wetenschappelijke instrumenten. Al snel zouden echter onder invloed van de Verlichting deze barok en rococo van het hofleven plaatsmaken voor het neoclassicisme.

Het interieur van het Pantheon (Rome) door Giovanni Paolo Pannini

Veel componisten uit het tijdperk van de Verlichting baseerden hun muziek op oosterse verhalen, of uit de Nieuwe Wereld.

Johann Sebastian Bach en Händel lieten zich ook inspireren door het piëtisme, maar met toepassing van wiskundige principes, zoals het contrapunt.

Diverse componisten bootsten natuur- en vogelgeluiden na in hun muziek.

Na 1760 baseerden Tommaso Traetta, Nicolo Piccinni en Christoph Willibald von Gluck zich steeds meer op de Griekse tragedie, terug naar de bron.

Religie en theologie[bewerken]

Religiekritiek is een pijler van de Verlichting. Het proces van secularisering dringt de religie uit de ethiek en de moraal, de politiek en de wetenschap. De 'wetenschap' neemt gaandeweg de plaats in van "God" als essentie der dingen. Toland - een radicale Iers-Britse denker (pantheïst) - beweerde in 1696 met zijn Christianity Not Mysterious dat de Bijbel een gedeeltelijke vervalsing was en dat de kerk het volk misleidde. Pierre Bayle doorprikte het bijgeloof in kometen die onheil voorspelden. Balthasar Bekker deed met de heksenprocessen hetzelfde. Spinoza (eveneens pantheïst) schreef in zijn Theologisch-politiek Traktaat uit 1670 dat jodendom en christendom historische fenomenen waren en niet berustten op iets absoluuts. Hij beschouwde de mens als een extern aangestuurde machine, terwijl de mens zelf zich vrij waant. John Lockes werk Brieven over de Verdraagzaamheid uit 1689 beïnvloedde het idee van de gedachte- en geloofsvrijheid. Hoewel de Verlichtingsdenkers kritiek uitoefenden op religie, bleven de meesten geloven als deïst en zien God als de oorzaak en schepper die niet meer ingrijpt. Isaac Newton en zijn collega's verklaarden het universum steeds nauwgezetter en mysteries die voorheen aan God werden toegeschreven, verklaarden ze mechanistisch. Vandaar dat Voltaire, c.q. het deïsme, God als een horlogemaker ziet die zich na het fabriceren van een kunstig uurwerk had teruggetrokken. De vroege en radicale Verlichting, met Spinoza en Diderot als vertegenwoordigers, werd door tegenstanders beschreven als een a- en antireligieuze of atheïstische stroming. Nauwkeuriger is ze te bestempelen als pantheïstisch of deïstisch. In de gematigde, latere Verlichting moderniseert de religie zich en verloor het zijn centrale plaats en wordt het niet meer gezien als een obstakel voor de vooruitgang, zoals bij de radicale Verlichting.

Zelfvertrouwen, optimisme en vooruitgangsgeloof[bewerken]

De salon van madame Geoffrin. In de Franse salons, waarin ook voor vrouwen een rol was weggelegd, kwamen wetenschappers, letterkundigen en aristocraten bijeen. Sommigen traden op als beschermers voor wie in juridische of financiële moeilijkheden raakte.

De Verlichting distantieerde zich van het verleden en geloofde dat de eigen tijd en de toekomst superieur zijn. De Verlichting zette zich af tegen het middeleeuwse bijgeloof en verloor de bewondering die de Renaissance koesterde voor de Oudheid. De opvattingen van Galenus werden, na 1500 jaar gepraktiseerd te zijn, door artsen aangevallen. Voor de toekomst waren de verwachtingen hooggespannen: een geloof in een constante toename van de rede, het ontdekken van het onbekende en het besef dat de mens meester van zijn lot is, stemden optimistisch. Dit vooruitgangsgeloof uitte zich in het vermogen om de omgeving te veranderen en de maakbaarheid van de maatschappij.

Verspreiding[bewerken]

Megalomaan ontwerp voor een bibliotheek door Étienne-Louis Boullée (1785)

De Verlichting verschilde van land tot land, want er bestonden verschillende ontwikkelingen naast elkaar. "Elkaar bestrijdende filosofische stelsels tuimelden over elkaar heen" [16], maar de Verlichting was overal een poging de heersende religieuze en politieke problemen te lijf te gaan. In Frankrijk was de Verlichting een reactie op het dogmatische absolutisme van Lodewijk XIV. Daar deed de strenge censuur velen vluchten of in de gevangenis belanden. In Amsterdam, Den Haag en Leiden, waar de hugenoten eerder al hun toevlucht zochten, waren er Franse drukkerijen, die hun drukwerk naar Frankrijk lieten smokkelen. Van de bijna dertig wetenschappelijke tijdschriften in Europa werden er achttien in Nederland gedrukt.[17]
Zowel Engeland als Frankrijk waren zeer rijk aan genootschappen, maar telden meer algemene dan literaire genootschappen, terwijl in Nederland het omgekeerde het geval was.[18] De oprichting van de Royal Society of London for the Improvement of Natural Knowledge (1662) en de Académie des Sciences getuigen van de interesse voor nieuw onderzoek om de verouderde standpunten te vervangen. In Duitsland ontstond ook het piëtisme. Beide bewegingen beïnvloedden elkaar. Mogelijk zijn gevoel en verstand geen tegenstellingen, maar vullen elkaar aan.[19] In Spanje drong de Verlichting nauwelijks door; in Rusland bleef zij beperkt tot een deel van de aristocratie, ondanks de inspanningen van de met Voltaire en Diderot bevriende tsarina Catharina de Grote. De beweging verspreidde zich naar de Europese kolonies en inspireerde de voor onafhankelijkheid strijdende Amerikanen Thomas Paine, Benjamin Franklin en Thomas Jefferson.

De aardbeving in Lissabon in 1755 veroorzaakte grote consternatie onder filosofen en theologen en bracht pennen in beweging. Voltaire en Rousseau kregen het met elkaar aan de stok.

De Verlichtingsidealen stonden haaks op de slavernij en droegen bij tot de afschaffing ervan. Ze beïnvloedden de Franse Revolutie in 1789 indirect, omdat de aanhangers eerder optimisten waren die geloofden in geleidelijke hervorming, niet in revolutie.

Vertegenwoordigers van de Verlichting[bewerken]

Pierre Bayle
Voltaire, 1718
Jean-Jacques Rousseau in Armeense kledij door Allen Ramsey (1766) uit de periode dat hij in Engeland verbleef
Jean le Rond d'Alembert

Nederland[bewerken]

  • Franciscus van den Enden was een van de eersten die een democratische staatsvorm verdedigden. Hij was de leermeester van Spinoza;
  • Baruch Spinoza was een filosoof die voor wonderen geen andere verklaringen accepteerde dan die gebaseerd op de rede. Hij was geen atheïst, maar de grondlegger van het deïsme. Volgens Spinoza was God niet de schepper van de wereld, maar de wereld een onderdeel van het goddelijke.[20] Wonderen zijn niet het bewijs van goddelijke macht, maar van menselijke onwetendheid. De aanwezigheid van God wordt niet bewezen door wonderen, maar door de orde in de natuur. Als we de oorzaken van ons handelen niet kennen, spreken we over de vrije wil, maar voor Spinoza was dit ook een gevolg van onwetendheid. Volgens Spinoza is onwetendheid het voornaamste obstakel bij het nastreven van een deugdzaam leven, niet egoïsme.[21] Goed en kwaad moeten volgens hem beschouwd worden als gelijkwaardig aan gezond en ongezond. Overgaan van passiviteit naar activiteit is volgens Spinoza altijd overweldigend, bevrijdend en vreugdevol;
  • Balthasar Bekker bestreed in zijn boek De betoverde weereld het geloof in demonen;
  • Pierre Bayle, de sceptische filosoof uit Rotterdam, probeerde als een van de eersten geloof en wetenschap te scheiden. Bayle stelde zich op als "outsider" en nam afstand van de filosofische en theologische conflicten. Hij vroeg zich af of een samenleving van enkel atheïsten overlevingskansen had. De Chinese samenleving was voor hem het bewijs dat religie voor moraal en deugd niet nodig was.[22] Al zijn boeken waren verboden in Frankrijk; zijn Dictionaire historique et critique was een enorm succes;
  • Anthonie van Dale was een Haarlemse arts, die waarzeggerij en het geloof in orakels onderuithaalde;
  • Adriaen van Beverland was een schrijver van theologische werken en hekelschriften;
  • Adriaen Koerbagh verwierp de kerk en staat als onbetrouwbare attributen. Zijn broer Johannes publiceerde goddeloze boeken;
  • Lodewijk Meyer betoogde dat de Bijbel "duister en twijfelachtig" was;
  • Bernard Mandeville is het bekendst door zijn vaststelling dat de ondeugd de eigenlijke bron van het algemeen welzijn is, terwijl de deugd die juist kan schaden;
  • Burchard de Volder was een hoogleraar in Leiden. Hij verzamelde allerlei instrumenten waarmee hij de werking van de natuurkunde kon demonstreren, onder meer de ontdekkingen van Robert Boyle.
  • Frederik van Leenhof was een Zwolse dominee, die uit zijn ambt werd ontzet nadat hij in 1703 spinozistische ideeën had verkondigd in een publicatie;
  • Bernard Nieuwentijt was een volgeling van Descartes en een tegenstander van Spinoza. Hij schreef Het regt gebruik der werelt beschouwingen, ter overtuiginge van ongodisten en ongelovigen (1715), een boek dat vele herdrukken kende vanwege de wetenschappelijke onderbouwing;
  • Herman Boerhaave was een hoogleraar in Leiden die een tijdlang drie van de vijf leerstoelen van de medische faculteit bekleedde; hij stond bekend als begenadigd docent en was een van de bekendste mannen van Europa; zijn faam was zelfs tot in China doorgedrongen;
  • Justus van Effen gaf een tijdschrift uit waarin hij de strijd aanbond met de schoonmaakwoede van de Nederlandse huisvrouw, de zucht naar titels, overdreven purisme, overmatig eten en drinken, chauvinisme en bekrompen provincialisme;
  • Willem Jacob 's Gravesande gaf als eerste aanschouwelijk onderricht in de experimentele natuurkunde;
  • Isaac de Pinto was een politiek en economisch specialist in staatsschuld. Hij viel Voltaire aan;
  • Allard Hulshoff was een doopsgezinde dominee;
  • Jan Wagenaar, historicus, schreef over de politieke, kerk- en economische geschiedenis van Nederland. Wagenaar concludeerde dat niet van elke ramp gezegd kan worden dat het een straf van God is en ook niet dat elke zegen een beloning van God is;
  • Pieter Burman Junior verzamelde vanaf 1756 zijn vrienden in een gezelschap dat min of meer onbedoeld de trekken kreeg van een politieke beweging;
  • Petrus Camper was een chirurg en bioloog. Hij hield zich bezig met de techniek van het amputeren van ledematen. Zijn onderzoek naar de orang-oetans, zijn publicaties over de kop van een een mosasaurus, die hij voor een walvis hield, en de zang van de kikker maakten hem in heel Europa beroemd;
  • Belle van Zuylen was een schrijfster en componiste, die zich afzette tegen de standenmaatschappij, kerkelijke regels en vrouwendiscriminatie;
  • Joan Derk van der Capellen tot den Pol (1741-1784) was een politicus die kritiek uitoefende op het politieke bestel en regentenstelsel; leider van de Patriottenbeweging;
  • Eise Eisinga was een amateur-astronoom en bouwer van een planetarium.

Zuidelijke Nederlanden[bewerken]

Frankrijk[bewerken]

  • Isaac La Peyrère was een voorloper van de Verlichting in Frankrijk. In 1655 publiceerde hij in Amsterdam zijn ideeën over de geschiedenis, en trok de Bijbel daarbij in twijfel. De zonen van Adam kenden de landbouw en de veeteelt; er moesten dus voorgangers zijn geweest. Het Chinese rijk moest al hebben bestaan vóór de zondvloed. Het werk leverde hem een gevangenisstraf op;
  • François Bernier was een Franse reiziger en lijfarts van shah Aurangzeb die in 1684 als eerste de mensheid in vier rassen onderverdeelde. (Hij kon niet weten dat volkeren genetisch gezien gradueel in elkaar overlopen.)[23]
  • Jean Meslier was een van zijn geloof afgevallen priester met nogal extreme ideeën;
  • Nicolas Malebranche verdedigde Descartes, maar had er ook kritiek op. Hij zag in de Chinese filosofie een vorm van spinozisme;
  • Antoine Arnaulds onuitputtelijke energie wordt het best uitgedrukt door zijn beroemde antwoord aan Pierre Nicole, die klaagde dat hij moe was. "Moe!" herhaalde Arnauld: "Als je de gehele eeuwigheid hebt om uit te rusten?" Zijn energie werd niet uitgeput door alleen theologische vragen. Hij was een van de eersten die de filosofie van René Descartes toepasten, hoewel met bepaalde orthodoxe voorbehouden. Tussen 1683 en 1685 voerde hij een langdurige strijd met Nicolas Malebranche over de relatie van de theologie tot de metafysica. Over het geheel genomen helde de publieke opinie over naar de kant van Arnauld. Toen Malebranche zich beklaagde dat zijn tegenstander hem verkeerd had begrepen, legde Boileau hem het zwijgen op met de vraag: "Mijn beste heer, als mijnheer Arnauld u niet begrijpt, van wie verwacht u dan begrip?". Ook was Arnauld verwikkeld in een uitgebreide correspondentie met Gottfried Wilhelm Leibniz, met betrekking tot diens standpunten, zoals Leibniz deze beschreef in zijn werk Discours de métaphysique (Uiteenzetting over metafysica) (1686);
  • Henri de Boulainvilliers vertaalde de Ethica, een werk van Spinoza, in het Frans.
  • Pierre Bayle schonk in zijn encyclopedie veel aandacht aan Spinoza; Bayles ideeën over Kain, gebaseerd op La Peyrère, waren inmiddels geaccepteerd goed;
  • Bernard le Bovier de Fontenelle schreef een boek over de wetenschappelijke revolutie, waarin bij nachtelijke wandelingen in het park uitleg wordt gegeven aan een markiezin en haar dochter over de wonderen van de sterrenkunde, op basis van Nicolaus Copernicus, Galileo Galilei, Johannes Kepler en René Descartes;
  • Abbé de Saint Pierre verwierp een vrede gebaseerd op machtsevenwicht, en beargumenteerde dat vrede in Europa alleen kon worden bereikt als de Europese vorsten en leiders zich zouden verenigen in een groot congres, waarin geschillen op vreedzame wijze zouden moeten worden bijgelegd;
  • Fénelon uitte onverholen kritiek op de oorlogspolitiek en het absolutisme van Lodewijk XIV;
  • Montesquieu was een van de grondleggers van de sociologie. Hij beïnvloedde Rousseau;
  • François Quesnay was een arts en econoom die in de Encyclopédie artikelen schreef over productie;
  • François-Marie Arouet (vooral bekend als Voltaire) werd in 1717 opgesloten in de Bastille, vanwege zijn aanstootgevende gedichten. Samen met zijn vriendin Émilie du Châtelet publiceerde hij over de ideeën van Isaac Newton. Hij was een gezaghebbend Verlichter, hield zich bezig met toneel, Bijbelkritiek en geschiedenis en maakte een fortuin met zijn boeken, waaronder Candide. Hij schreef studies over Engeland en Frankrijk en een baanbrekend werk over wereldgeschiedenis waarin de joods-christelijke traditie niet centraal was gesteld. Hij kwam tot de conclusie dat geschiedenis een opsomming van misdaden en ellende is.[24] Volgens Voltaire in zijn Filosofisch Woordenboek was het nuttiger er een godsdienst op na te houden, zelfs als het de verkeerde is, dan helemaal geen godsdienst te hebben. Hij was in dienst bij Frederik de Grote en Madame de Pompadour. Hij zette zich in voor Franse protestant Jean Calas;
  • Jean-Baptiste de Boyer, Marquis d'Argens legde het spinozisme uit middels een erotische roman;
  • Pierre-Louis de Maupertuis deed opmetingen in Lapland samen met Anders Celsius en ontdekte dat de polen afgeplat waren;
  • Julien Offray de La Mettrie vond dat de mens niet wezenlijk van een machine verschilt en dat al ons denken en voelen tot eigenschappen van materie zijn te herleiden;
  • Georges-Louis Leclerc, Comte de Buffon kan worden beschouwd als een van de grondleggers van de biologie en de geologie;
  • Jean-Jacques Rousseau was een componist en medewerker aan de Encyclopédie. Hij leefde van zijn pen en schreef briljante verhandelingen over ongelijkheid, veroorzaakt door de toenemende welvaart, en de verhouding van de burger tot de staat. Het maatschappelijk verdrag had veel invloed op de Franse Grondwet van 1793. Emile, of Over de opvoeding is zijn invloedrijkste boek. Het werk is kort na verschijnen in beslag genomen. De controverse draaide om de geloofsbelijdenis van een kapelaan uit Savoie. Rousseau verwerpt centrale dogma's uit de rooms-katholieke en protestantse kerken en bepleit een alternatieve natuurgodsdienst.
    Rousseau wordt meestal tot het tijdperk van de Verlichting gerekend, maar is daarbinnen een afwijkend figuur en een onverteerbare brok.[25] In zijn persoonlijke leven stond hij herhaaldelijk op gespannen voet met zijn omgeving. Rond 1760 had Rousseau gebroken met bijna al zijn voormalige vrienden. De gekwelde Rousseau schreef een autobiografie waarin hij als niemand tevoren zijn zielenroerselen blootlegde.
    Rousseau zette de aanstoot tot de Romantiek. De vijfde brief uit de Overpeizingen van een eenzame wandelaar over zijn verblijf in 1765 aan het Bielermeer is (volgens Cyrille Offermans) een absoluut hoogtepunt in het Franse proza.[26]
  • Denis Diderot was een radicale verlichter, samen met Holbach en Grimm, en de aanzetgever tot de Encyclopédie samen met d'Alembert. Hij kreeg ruzie met zijn oude vriend Rousseau, die onvermurwbaar bleek. In 1765 kocht Catharina de Grote zijn bibliotheek, maar de boeken werden pas na zijn dood verscheept. Veel van zijn werk is pas na zijn dood gepubliceerd;
  • Jean Le Rond d'Alembert was een wiskundige en filosoof;
  • Claude Adrien Helvétius was een uitgesproken atheïst;
  • Baron d'Holbach redigeerde de bijdragen in de Encyclopédie over de metallurgie, de geologie, de geneeskunde, de mineralogie en de chemie. Hij hield twee keer per week open huis, waar geleerden en schrijvers elkaar konden ontmoeten;
  • Anne Robert Jacques Turgot schreef verschillende artikelen voor de Encyclopédie en een pamflet waarin hij de religieuze tolerantie verdedigde. Als minister van Financiën deed hij belangrijke voorstellen tot hervormingen, die werden weggestemd en aldus aanleiding vormden voor de Franse Revolutie;
  • Antoine Lavoisier was de vader van de moderne scheikunde;
  • Jacques Charles was een natuurkundige die als de eerste mens de zon twee keer zag ondergaan, maar maakte nooit weer een vlucht in luchtballon.
  • Jacques-Henri Bernardin de Saint-Pierre was een Franse ingenieur, wereldreiziger, schrijver, botanicus, vegetariër en professor moraalfilosofie. Bernardin was de belangrijkste vertegenwoordiger van Rousseaus ideeën; met zijn "Paul et Virginie", waarin standsverschil, ongehuwd moederschap, voorzienigheid en slavernij werden behandeld, beïnvloedde hij de romantische schrijvers van de negentiende eeuw;
  • Marquis de Condorcet was de meest optimistische Verlichtingsfilosoof. Hij pleitte voor een liberale economie, vrij en gelijk publiek onderwijs, grondwettelijk recht, en gelijke rechten voor vrouwen en mensen van alle rassen. Zijn ideeën en geschriften hebben de Franse en de wereldpolitiek beïnvloed en blijven invloedrijk tot aan de dag van vandaag;
  • Emmanuel Joseph Sieyès was een Franse abbé, politicus, grondwetspecialist en revolutionair;
  • Abbé Raynal schreef samen met Diderot een van de meest gelezen boeken uit de late Verlichting over de handel met Oost- en West-Indië. Het boek werd in 1770 gepubliceerd in Amsterdam. Tien jaar later werd het boek verboden en moest de schrijver zijn land ontvluchten;
  • Ook de Marquis de Sade heeft de ideeën van de Verlichting gepropageerd in zijn pornografische werk;
  • Joseph-Alexandre-Victor Hupay de Fuveau was een schrijver en filosoof, die leefde in een commune, waar de idealen van de Verlichting in praktijk werden gebracht;
  • Étienne Bonnot de Condillac was een filosoof, opvoeder en psycholoog, die zich bezighield met kennistheorie.

Engeland[bewerken]

  • Thomas Hobbes was een politiek filosoof en getuige van de godsdienstoorlogen. Hij was een tijdgenoot van Descartes en Spinoza en legde de grondslag voor het privédomein, waar de overheid niets te zeggen heeft. Hobbes vond dat de mens in de natuurstaat op voet van oorlog leefde en wetten hadden de samenleving er beter op gemaakt. De Oorlog van allen tegen allen kon enkel gestopt worden wanneer alle mensen vrijwillig via een sociaal contract hun vrijheid afstaan. Hobbes ontkende het bestaan van de menselijke vrije wil. Volgens Diderot in zijn artikel in de Encyclopédie [27] was hij het tegendeel van Rousseau, die dacht dat de mens van nature goed is;
  • Robert Hooke was een natuurkundige en architect. Hij introduceerde de term 'cel' in de biologie na zijn microscopische waarnemingen van kurkweefsel en een theorie over de beweging van de planeten;
  • Sir Isaac Newton (1643-1727) was een filosoof, natuurkundige, alchemist en theoloog. Newton beschreef onder andere de zwaartekracht en de drie wetten van Newton, waardoor hij de grondlegger van de klassieke mechanica werd. Hij ontwikkelde een theorie over kleuren, gebaseerd op het prisma, dat van wit licht een zichtbaar spectrum maakt. Hij wordt beschouwd als de grootste geleerde in de hele geschiedenis van de wetenschap;
  • John Toland schreef honderden boeken, waarvan het merendeel is gewijd aan kritiek op kerkelijke instituten. Hij was een van de grondleggers van de natuurlijke godsdienst. Het is onduidelijk in hoeverre dit deïsme is ontstaan uit een confrontatie met de klassieke Chinese filosofie;
  • Anthony Ashley Cooper was op school een matige leerling, maar eenmaal op reis in het buitenland begon hij zich te ontwikkelen en voor van alles te interesseren. Hij was een tegenstander van religies, maar niet geheel areligieus. Lord Ashley woonde jarenlang in Rotterdam;
  • John Locke was een lijfarts van Lord Ashley en politiek filosoof; woonde eveneens in Rotterdam. Hij gaf de achttiende eeuw de naam de Eeuw van de Rede;
  • James Burnett was een filosoof en linguïst, die zich bezighield met de ontwikkeling van de eerste concepten van evolutie, en wordt gezien als de voorloper van het idee van het principe van de natuurlijke selectie;
  • Daniel Defoe schreef Robinson Crusoe over een "wilde" die geaccepteerd zou moeten worden zoals hij was. Het boek werd een van de meest gelezen en vertaalde werken. Voor Jean-Jacques Rousseau was Robinson Crusoe het enige boek dat zijn pupil Emile mocht lezen.
  • George Berkeley betoogde dat de natuur slechts opgevat kan worden als een stel tekens of symbolen die door de Schepper aan de mens ter ontcijfering wordt aangeboden;
  • Samuel Johnson (schrijver) was een Engelse lexicograaf, dichter, essayist en literatuurcriticus;
  • Samuel Richardson was een van de auteurs op de Index librorum prohibitorum, een door de paus vastgestelde lijst van boeken die katholieken niet mochten lezen;
  • Edmund Burke was een Engels parlementslid en de grondlegger van het moderne conservatisme. Hij bestreed de denkbeelden van de Verlichting en de Franse Revolutie;
  • Edward Gibbon was een historicus, die bekend werd vanwege zijn uitzonderlijke beschrijving van de ondergang van het Romeinse Rijk: The History of the Decline and Fall of the Roman Empire;
  • Mary Wollstonecraft was een schrijfster, filosofe en feministe. Ze werd gegrepen door de revolutionaire ontwikkelingen in Frankrijk en in 1792 vertrok ze naar Parijs om de Franse Revolutie van nabij mee te maken.
  • Joseph Addison was een Engelse politicus, die bekend stond om zijn passie voor goed onderwijs. Dit liet hij onder meer blijken door het volgende citaat: Wat beeldhouwwerk is voor een stuk marmer, dat is onderwijs voor de menselijke ziel.

Schotland[bewerken]

  • Francis Hutcheson baseerde zijn morele filosofie niet op de Bijbel, maar op de menselijke natuur;
  • Thomas Reid vond dat je de rede moest gebruiken om Gods openbaring uit te kunnen leggen;
  • Adam Ferguson was een van de grondleggers van de sociologie;
  • David Hume was een politiek filosoof. Hij vond dat absolutisme armoede in de hand werkte. Hume was een agnosticus, maar sloot niet uit dat er een God bestond. Al zijn boeken werden in 1761 door de paus verboden;
  • Adam Smith was de vader van de moderne economie en samen met John Locke promotor van het klassiek-liberalisme;
  • James Boswell was een geniale dagboekschrijver, die de Corsicaanse onafhankelijkheidsstrijder Pasquale Paoli steunde;
  • Richard Price steunde de Amerikaanse revolutie;
  • Joseph Black was een van grondleggers van de atoomtheorie;
  • James Hutton ging in tegen het idee dat gesteenten waren ontstaan tijdens de zondvloed;
  • John Playfair was een geoloog, die over de traagheid van de geologische processen publiceerde.

Duitsland[bewerken]

Schiller is aan het voorlezen in een park buiten Weimar; Wieland en Herder zitten links, Goethe staat rechts bij de pilaar. Schilderij uit 1860 door Theobald von Oer
Een onderwijzer schrikt zijn leerlingen af door te wijzen op de hel, satan, de duivel en Adam en Eva. Gravure door Daniel Niclaus Chodewiecki
  • Gottfried Wilhelm Leibniz was een wiskundige, filosoof, logicus, natuurkundige, historicus, rechtsgeleerde en diplomaat. Hij liep ver vooruit op zijn tijdgenoten en zag als een van de eersten het belang in van de theorie van Newton. Hij was een voorstander van de gematigde vorm van Verlichting en streefde zijn hele leven naar harmonie op zo veel mogelijk fronten. Hij trachtte zo veel mogelijk wetenschappers tot samenwerking te bewegen en ondernam pogingen om alle christelijke kerken nader tot elkaar te brengen;
  • Christian Thomasius droeg door zijn pleidooi voor een humaan strafrecht wezenlijk bij aan de afschaffing van de heksenprocessen in Duitsland; schreef voor alle standen en beide geslachten;
  • Christian Wolff publiceerde over de filosofie van Confucius en vergeleek hem met Mozes, Christus en Mohammed; hij werd daarvoor in 1723 verbannen, maar in 1740 gerehabiliteerd. Hij was voorstander van de meer gematigde Verlichting;
  • Johann Gottfried von Herder leverde recensies voor het tijdschrift de Allgemeine Deutsche Bibliothek, maar werd een van de grondleggers van de Duitse Romantiek, die kritiek uitoefende op de Verlichting;
  • Immanuel Kant hield zich, net als vele andere filosofen voor hem, bezig met de vraag of filosofie even verklarend kon zijn als theologie voorheen; hij geldt als grondlegger van de moderne filosofie en behoort tot de late Verlichting. Kant was een van de eersten die zijn (weliswaar foutieve) gedachten over de oorzaken van de aardbeving op papier zetten;
  • Thomas Abbt werkte aan de popularisering van de filosofie;
  • Moses Mendelssohn pleitte voor scheiding van kerk en staat; stond model voor Nathan de Wijze; woordvoerder van de Haskala, de joodse vorm van de Verlichting;
  • Christoph Martin Wieland was een romanschrijver en vertaler van Shakespeare; hij zocht naar een evenwicht tussen religie en wetenschap, tussen ernst en lichtzinnigheid, en tussen morele plicht en levensgenieten;
  • Gotthold Ephraim Lessing was een schrijver van toneelstukken, o.a. Nathan de Wijze. Zijn werk stond in het teken van de religieuze tolerantie en hij wees fanatisme en onverdraagzaamheid af;
  • Johann Winckelmann was de grondlegger van de (klassieke) archeologie vanwege zijn studies over klassieke kunst (m.n. over de ontdekkingen in Herculaneum);
  • Johann Christoph Gottsched hervormde het Duitse theaterwezen;
  • Adam Weishaupt (1748–1830) pleitte voor het afschaffen van alle georganiseerde religies en alle staten;
  • Georg Christoph Lichtenberg was de eerste Duitse hoogleraar experimentele natuurkunde. Hij perfectioneerde wat hij noemde de angstafleider. Lichtenberg schreef op een luchtiger wijze over de Verlichting dan de meeste Duitse filosofen;
  • Friedrich Melchior Grimm was een schrijver en diplomaat, die voor de Franse Encyclopédie artikelen leverde over muziek en verschillende vorstenhoven inlichtte over het intellectuele leven in Parijs;
  • Christian Felix Weiße was een pedagoog uit de Verlichting en schreef jeugd- en kinderboeken;
  • Friedrich Nicolai was een uitgever (het tijdschrift Allgemeine Deutsche Bibliothek);
  • Christian Garve behoort evenals Kant, zijn tegenstander, tot de late Verlichting.

Overige[bewerken]

Paus Benedictus XIV. Voltaire droeg zijn toneelstuk Mahomed aan hem op
Verenigde Staten
  • William Penn stelde een handvest op waarin de vrijheid van de Amerikaanse kolonisten werd vastgelegd, evenals het recht op een eerlijke berechting, vrije verkiezingen en godsdienstvrijheid;
  • Benjamin Franklin (1706–1790) gaf de belangrijkste krant uit in de Amerikaanse kolonie en richtte een boekenuitleen op; hij is het bekendst als medeopsteller van de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring (1776);
  • Thomas Paine schreef The Age of Reason, een aanval op de georganiseerde religie. Hij verwierp de Bijbel, onder andere omdat hij veel van het bloedvergieten in de Bijbel niet moreel gerechtvaardigd vond;
  • Thomas Jefferson ontwierp de grondslagen van de VS: 'alle mensen zijn gelijk geschapen', volkssoevereiniteit, het recht op verzet tegen de overheid wanneer die zichzelf niet aan de wet zou houden, en het 'natuurlijke' recht op individuele vrijheid, leven en 'the pursuit of happiness', het nastreven van geluk. Deze basiswaarden had hij voor een deel opgedaan uit geschriften van de Engelse liberale Verlichtingsfilosoof John Locke, bij wie hij het principe 'natuurrecht' vond.
Rusland
Elisabeth van Rusland en Lomonosov
Italië
Spanje
Zweden
Linnaeus in Lapse kledij
Polen
  • Ignacy Krasicki (1735–1801) was een dichter en vertaler. Van hem is de bekende zin Het is beter van mening te verschillen in vrijheid dan akkoord te zijn achter de tralies;
  • Hugo Kołłątaj (1750–1812), Polen.
Denemarken
  • Johann Friedrich Struensee zette zich met name in voor de ongehuwde moeders en hun kinderen, en voor de vaccinatie tegen pokken.
Portugal
Zwitserland

Late Verlichting en Kant[bewerken]

Habe Muth, dich deines eigenen Verstandes zu bedienen! Uit het pamflet Wat is Verlichting? van Immanuel Kant.

De drie Kritieken van de Duitse Verlichtingsfilosoof en laatste universalist, Kant, gelden vanwege hun intellectuele diepgang als een mijlpaal in de westerse wijsbegeerte. Zijn meest toegankelijke tekst is het pamflet "Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung?" (De beantwoording van de vraag: wat is de Verlichting?) uit 1784. Het was zijn bijdrage aan een prijsvraag. Uit dat werk komt de bekendste definitie van de Verlichting. Kant zegt:

"Aufklärung ist der Ausgang des Menschen aus seiner selbstverschuldeten Unmündigkeit. Unmündigkeit ist das Unvermögen, sich seines Verstandes ohne Leitung eines anderen zu bedienen."
(Verlichting is het uittreden van de mens uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft. Onmondigheid is het onvermogen zich van zijn verstand te bedienen zonder de leiding van de ander.) [28]

Deze onmondigheid is geen gebrek aan verstand, maar aan een gebrek aan moed en vastberadenheid en het blind vasthouden aan overgeleverde waarden.

De zinspreuk van de Verlichting is 'Sapere aude: Durf je van je eigen verstand te bedienen [29], maar je moest volgens Immanuel Kant, bij het nadenken over alles en bediscussiëren van ieder denkbaar onderwerp, gehoorzaamheid niet uit het oog verliezen.

Kritiek[bewerken]

Max Horkheimer (links vooraan) en Theodor Adorno (rechts vooraan) in 1965.

Zowel in de achttiende, negentiende als twintigste eeuw kwam er fundamentele kritiek. Sommigen hanteren begrippen zoals contraverlichting of tegenverlichting om de kritiek onder een noemer te brengen. Het conservatisme en de Romantiek zijn vroege reacties. In de twintigste eeuw bekritiseerde Louis-Ferdinand Céline in zijn 'Reis naar het einde van de nacht' de vooruitgangsgedachte. Max Horkheimer en Theodor Adorno deden dit met hun De dialectiek van de Verlichting. Recenter positioneert het postmodernisme zich tegenover de Verlichting en verwerpt radicaal de zekere kennis in de wetenschap, de moraal, de politiek en religie en de daarop gebaseerde hoop.

  • Verlichtingsdenkers gaan uit van de redelijke vermogens van de mens, dat kennis op te bouwen is en dat handelen op basis hiervan vooruitgang brengt. Tradities en instituties worden daarom geactualiseerd en dreigen zo te verdwijnen.
  • De kritiek gaat ervan uit dat de rede en het kenvermogen van de mens beperkt is. Ingrijpen in de maatschappelijke werkelijkheid blijft dus moeilijk en kan aldus gevaarlijk zijn.
  • De Verlichting en de moderne wetenschap persen mensen in een keurslijf en leiden tot nieuwe vormen van onvrijheid en onderwerping.
  • Het idee dat de moderne wetenschappelijke kennis tot doorzichtigheid en beheersbaarheid van de maatschappij leidt, is volgens de kritiek niet juist. Rede, kennis en rationaliteit leiden tot vooruitgang op het wetenschappelijke en technische vlak en niet in de moraal, de politiek en het mens-zijn.

Literatuur[bewerken]

De slaap van de rede brengt monsters voort, het bekendste werk uit de Los Caprichos door Francisco de Goya.
  • Ulrich im Hof (1994). Europa en de Verlichting. Europese contouren onder redactie van Jacques Le Goff.
  • Jonathan Israel (2001). Enlightenment Contested. Philosophy, Modernity, and the Emancipation of Man 1670-1752. Oxford: University Press.
  • Jonathan Israel (2005). Radicale Verlichting. Franeker: Van Wijnen.
  • Het licht der rede. De Verlichting in brieven, essays en verhalen. Samengesteld en ingeleid door Cyrille Offermans.
  • Carel Peeters (2008). Gevoelige ideeën; over de andere Verlichting. Amsterdam: De Harmonie.
  • David Sorkin (2008). The Religious Enlightenment. Protestants, Jews and Catholics from London to Vienna. Princeton: University Press.
  • Claire Carlysles artikelen in The Guardian [1]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Stephen Toulmin, Cosmopolis: the hidden agenda of modernity
  2. Het is niet mogelijk om het exacte begin en einde ervan aan te duiden, en de gegeven periode is een indicatie. Het begin zou volgens Stephen Toulmin kunnen liggen bij de ontdekkingen van Galileo Galilei of de boeken van René Descartes. Engelsen zijn geneigd de Verlichting te zien als een gevolg van de publicatie van Newtons Philosophiae Naturalis Principia Mathematica.
  3. http://www.protestant.nl/encyclopedie/themas/filosofie/verlichting
  4. Introductie bij een oosterse speurdersnovelle van de hand van Voltaire De hond en het paard. (1980)
  5. Tijdens de Verlichting werd ze niet gezien als een stroming of als een tijdperk, maar als een maatschappelijk proces waarvan de ontwikkeling kon worden nagestreefd en die nog voortduurt.
  6. Tegenover de Verlichting stond het obscurantisme.
  7. Clark, G. (1959) De zeventiende eeuw, p. 227.
  8. Clark, G. (1959) De zeventiende eeuw, p. 229.
  9. Kennismaking met vreemd gedachtegoed was daarbij niet echt nodig en zijn volgelingen, de cartesianen, hadden weinig belangstelling voor vreemde culturen. In: Leibniz. Over de Natuurlijke Theologie van de Chinezen, p. 42. Vertaald en ingeleid door Karel L. van der Leeuw (2006).
  10. Vries, M. de (2001) Beschaven! Letterkundige genootschappen in Nederland 1750-1800, p. 157.
  11. Vries, M. de (2001) Beschaven! Letterkundige genootschappen in Nederland 1750-1800, p. 314.
  12. Vries, M. de (2001) Beschaven! Letterkundige genootschappen in Nederland 1750-1800, p. 158.
  13. Nicholas Dew, Orientalism in Louis XIV's France. Oxford: Oxford University Press, 2009 (ISBN 978-0199234844), pp. 205-233.
  14. Antoine Galland had een aantal verhalen toegevoegd die niet in het origineel voorkomen.
  15. Het licht der rede. De Verlichting in brieven, essays en verhalen, p. 26. Samengesteld en ingeleid door Cyrille Offermans.
  16. Pierre Bayle. Over Spinoza, p. 23. Bezorgd onder redactie van Henri Krop en Jacob van Sluis. 2006.
  17. Israel, J. (2001) p. 171
  18. Vries, M. de (2001) Beschaven! Letterkundige genootschappen in Nederland 1750-1800, p. 317.
  19. http://www.felix-en-sofie.nl/boeken/726/carel-peeters--gevoelige-ideeen/
  20. http://www.guardian.co.uk/commentisfree/belief/2011/feb/07/spinoza-philosophy-god-world
  21. http://www.guardian.co.uk/commentisfree/belief/2011/mar/21/spinoza-ethics-of-the-self?INTCMP=SRCH
  22. Leibniz. Over de Natuurlijke Theologie van de Chinezen, p. 40. Vertaald en ingeleid door Karel L. van der Leeuw (2006).
  23. Ras als duikelaar
  24. Voltaire (1767) De Argeloze. Een ware geschiedenis ontleend aan de geschriften van pater Quesnel
  25. Beerling, R.F. (1977) Het cultuurprotest van Jean-Jacques Rousseau. Studies over het thema pathos en nostalgie, p. 10.
  26. Het licht der rede. De Verlichting in brieven, essays en verhalen, p. 260-261. Samengesteld en ingeleid door Cyrille Offermans.
  27. Het licht der rede. De Verlichting in brieven, essays en verhalen, p. 186-187. Samengesteld en ingeleid door Cyrille Offermans.
  28. Immanuel Kant: 'Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung?' Essay uit 1784
  29. Arnold Heumakers in de NRC De Verlichting driemaal doorgelicht