Adam

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Icoontje doorverwijspagina Zie Adam (doorverwijspagina) voor andere betekenissen van Adam.
Schepping van Adam, fresco in de Sixtijnse Kapel van Michelangelo

Adam (Hebreeuws: אָדָם ’ādām, mens(heid), Arabisch آدم) was volgens het scheppingsverhaal in de Hebreeuwse Bijbel de eerste mens, rechtstreeks geschapen door God. Hij komt ook voor in het Nieuwe Testament, Koran, de Ahadith en het boek van Adam bij de Ginza Raba. Eva was zijn vrouw, hoewel sommige joodse tradities ook melding maken van Lilith als zijn eerste vrouw.

Doorgaans wordt binnen de islam aangenomen dat Adam de eerste profeet was.

1rightarrow blue.svg Zie Adam (profeet) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Etymologie van de naam[bewerken]

De etymologie van de naam "Adam" is niet doorslaggevend verklaard. Onder de talrijke theorieën om de naam te verklaren, blijft een mogelijk verband met de semitische wortel ’dm ("rood zijn") vermeldenswaard. Het verbindende element ligt dan in de roodbruine huidskleur van de mens. Genesis 2:7 en 3:19 lijken een verband te leggen met ’ădāmāh ("aarde", "aardbodem") (vergelijk het Akkadische adamātu, "donkere, rode aarde") en kenmerken de mens daarmee als "aardling".

Adam in de Hebreeuwse Bijbel[bewerken]

Genesis 1[bewerken]

Het boek Genesis kent twee scheppingsverhalen. Het scheppingsverhaal in Genesis 1 is onderdeel van de Priestercodex en ontstond in de tijd van net net na de Babylonische ballingschap, vermoedelijk mede ingegeven door culturele invloeden van de Mesopotamische scheppingstradities. Het verhaalt van de schepping van hemel en aarde en alles wat er op is. Van alle schepsels wordt alleen van de mens - "mannelijk en vrouwelijk" - gezegd dat deze "als Gods evenbeeld" werd geschapen en als heerser van de dieren aangesteld.[1]

Paradijsvertelling in Genesis 2:4b - 3:24[bewerken]

Het scheppingsverhaal in Genesis 2 is het eerste deel van de "Jeruzalemse paradijsoverlevering":

1rightarrow blue.svg Zie voor meer informatie over de paradijsvertelling: Paradijs
Adam en Eva in de Hof van Eden

Volgens de paradijsvertelling schiep God de hemel en aarde, maar was er op de hele aarde nog geen plant of struik opgeschoten, want het had nog niet geregend en er waren nog geen mensen om de aarde te bewerken. Uit de aardbodem maakte Hij de mens en plantte een tuin in Eden in het oosten. In het midden stond de boom des levens en er groeide ook een boom van de kennis van goed en kwaad. Hij zette de mens in de tuin en verbood hem te eten van de boom van kennis van goed en kwaad.

God vond het niet goed dat de man alleen zou blijven en wilde een helper voor hem maken. Daarom maakte God alle in het wild levende dieren en vogels. De mens kreeg als taak alle dieren een naam te geven, dus God bracht alle dieren voor de mens, maar een helper vond deze niet. Daarom liet God de mens in een diepe slaap vallen, nam een rib weg en bouwde daarvan een vrouw. De mens herkende haar als 'zijn eigen gebeente en zijn eigen vlees'. De man en vrouw waren naakt, maar schaamden zich niet.

De slang verleidde de vrouw om - tegen het goddelijk verbod in - van de boom van kennis van goed en kwaad te eten, omdat God zou weten dat de ogen van de mensen open zouden gaan als ze kennis hebben van goed en kwaad. Nadat de vrouw een vrucht gegeten had en ook haar man een vrucht gegeven had, gingen hun ogen open en beseften ze dat ze naakt waren. Ze plukten vijgenbladeren en bedekten zich daarmee. Toen God op het winderige gedeelte van de dag in de tuin kwam wandelen, verborgen de man en vrouw zich tussen de bomen. Toen God de man riep en vroeg waarom hij zich verborg, antwoordde de mens "omdat ik naakt ben". God vroeg daarop aan de mens of hij van de boom had gegeten, waarna de man de vrouw beschuldigde. Deze verklaarde dat ze verleid was door de slang. God vervloekte de slang en verklaarde dat vijandschap zou heersen tussen de nakomelingen van de slang en de vrouw. De nakomelingen van de slang zouden in de hielen van de vrouw bijten en zelf worden vertrapt. De vrouw zou heftige pijnen lijden tijdens de zwangerschap en de bevalling en de man zou heersen over de vrouw. De aarde zou doornen en distels voortbrengen en pas na zware arbeid voedsel voortbrengen. Zweten zou hij voor zijn brood, totdat hij zou terugkeren tot de aarde. "Stof ben je, tot stof keer je terug."

Hierna noemde de man de vrouw Eva. God maakte van dierenvellen kleren voor de man en Eva. Omdat Hij vreesde dat ze van de levensboom zouden eten, verjoeg Hij hen uit de tuin. Ten oosten van de tuin werd een cherub aangesteld die met zijn vlammend zwaard de weg naar de boom des levens bewaakt.

Lilith[bewerken]

Volgens een bepaalde joodse traditie was Lilith de eerste vrouw van Adam. In de kabbalistische geschriften, die ontstaan zijn in de 16e eeuw na Chr. is zij het symbool van zinnelijke begeerte en seksuele verleiding, en verworden tot godin van het kwaad.[2]

Na de verdrijving uit het Paradijs[bewerken]

Na uit de Hof van Eden te zijn verdreven, kregen Adam en Eva zonen en dochters. Drie zoons worden in Genesis met name genoemd. De eerste twee zoons waren Kaïn en Abel. Na de dood van Abel, gaf Eva het leven aan een zoon die zij Seth noemde, want, zei ze, ‘God heeft mij in de plaats van Abel, die door Kaïn is gedood, een ander kind gegeven’. Kaïn was ondertussen vertrokken met een vrouw die zijn zuster moet zijn geweest. Hij bouwde, na een tijd over de aarde te hebben gezworven, de eerste stad. Adam was 130 jaar toen hij Seth verwekte. Hij leefde daarna nog 800 jaar en kreeg met Eva nog veel andere kinderen. Hij stierf toen hij 930 jaar oud was.

De praeadamieten[bewerken]

Volgens de in 1655 verschenen eerste Bijbelkritiek van La Peyrère, Praeadamitae geheten, waren er ook vóór de schepping van Adam al mensen geweest. Deze mensen werden de praeadamieten genoemd. De praeadamieten waren nodig om te verklaren waar de vrouwen van de zonen van Adam werden gevonden.

La Peyrère verwees in zijn boek naar het door Johannes de Laet en Hugo de Groot gevoerde debat.[3]

Zie ook[bewerken]