Lilith (mythologie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Samenvoegen van Ten minste één Wikipediagebruiker vindt dat de tekst van Lilitu in dit artikel ingevoegd zou moeten worden, of dat er een duidelijkere afbakening tussen deze artikelen dient te worden gemaakt. Als de tekst wordt ingevoegd, dient dat artikel een redirect te worden (hier melden).
Lilith door John Collier, The Atkinson Gallery, Southport, Engeland

Lilith (Hebreeuws: לילית), Lilit of Lilitu is een vrouwelijk demonisch figuur uit de joodse en Mesopotamische religie uit de oudheid. Ze wordt in het 3e millennium v.Chr. voor het eerst vermeld, maar ontwikkelde zich in middeleeuwse joodse literatuur tot Eva's voorganger als eerste vrouw van Adam. Haar precieze voorstelling verschilde, maar globaal werd ze geassocieerd met ziekte, de nacht, het kwaad, het verleiden van mannen, en kindermoord. In de joodse folklore werd haar rol de verpersoonlijking van de angst voor buitenechtelijke aantrekking en seks, en het prematuur overlijden van kinderen. In de moderne tijd werd Lilith positief gewaard als vrijgevochten vrouw in feministische kringen.

Soemerisch[bewerken]

De vroegste vermelding van deze vrouwelijke demon stamt uit het Soemerische epos Gilgamesj, Enkidu en de onderwereld uit het 3e millennium v.Chr. Daarin wordt verhaald hoe de godin Inanna de huluppu-boom plant om er later een bed en troon uit te kunnen vervaardigen. Naarmate de boom groeit, gaan een slang, de stormvogel Anzu en de demon ki-sikil-líl-lá [Lilith] erin wonen. Het is aan de held Gilgamesj om ze te verdrijven. Nadat hij de slang doodt, slaan de vogel en de demon op de vlucht. Zo kan het hout aan Inanna worden gegeven. De naam ki-sikil-líl-lá bevat het Soemerische woord voor 'wind', líl, zodat het om een winddemon gaat.

Akkadisch[bewerken]

Sumerische Lilith (1800-1750 v.Chr.) De figuur werd door een verouderde vertaling van het Gilgamesh-epos fout geïnterpreteerd. Modern onderzoek identificeert de figuur als ofwel Eresjkigal of Ishtar.

In Akkadische bronnen komt een drietal demonen voor met namen die zijn afgeleid van líl, namelijk IiIû, liIîtu en (w)ardar lilî. Zij hebben twee aspecten. Ten eerste vormen ze een groep stormwinddemonen. Men stelde bijvoorbeeld dat ze konden vliegen als de wind of als een vogel. Ten tweede zijn ze uitgesproken seksueel actief. Ze zijn op jacht naar mannen om ze te verleiden of glippen via het raam naar binnen om mannen te belagen. Hun seksualiteit is echter niet orthodox. In de teksten staat dat ze geen echtgenoot hebben, niet met mannen slapen zoals de echtgenotes dat doen, dat ze geen kinderen kunnen baren, en dat ze geen moedermelk maar enkel gif kunnen geven. De lilitu kreeg een mannelijke tegenhanger, ardat lili, die vrouwen verleidde in hun slaap. De mannelijke en vrouwelijke demon zouden beiden ooit mensen zijn geweest, die echter vroegtijdig overleden en sindsdien naar een partner op zoek waren.

Qua seksualiteit vertoont hun gedrag in de literatuur enige overeenkomsten met de godin Isjtar, die nieuwe partners zocht en doodde, en met Lamasjtoe, een vrouwelijke demon die kinderen doodde. In de middelbabylonische periode vond syncretisme plaats tussen de demonen en Lamasjtoe tot één figuur, waarop haar bekendheid zich verspreidde richting Syrië. Ze is een meisje dat voortdurend bevrediging zoekt van mannen en hen poogt te verleiden. Aramese, Mandese en mogelijk Fenicische bronnen vermelden haar als vrouwelijke demon.

Jodendom[bewerken]

Oudheid[bewerken]

In het Oude Testament wordt eenmaal gesproken van een Lîlît, namelijk in Jesaja 34:14. Door volksetymologie werd haar naam verbonden met laylâ, 'nacht'. Het woord is echter ontleend aan het Akkadische lilitu.

In Jesaja wordt geprofeteerd dat Edom een woestenij zal worden waar allerlei demonen zullen wonen, waaronder Lilith. In de verschillende versies en vertalingen van het Oude Testament werd de naam Lilith echter geherinterpreteerd. Zo vertaalden Symmachus en Hiëronymus de naam met Lamia, een demon uit de Griekse folklore en volgens Hiëronymus een van de Erinyen. In de vakliteratuur is voorgesteld dat Lamia kan zijn afgeleid van Lamasjtoe, omdat beide (iconografisch) zijn geassocieerd met ezels. Dat verklaart de vertaling van Lilith in een versie van het Oude Testament als onokentauros, 'ezel-centaur'.

In na-bijbelse joodse geschriften zoals de Talmoed en in vroege christelijke geschriften staan verwijzingen naar lilin, een groep van mannelijke en vrouwelijke demonen. Lilith, een van hen, wordt beschreven als een demon met lang haar en vleugels, die 's nachts actief is en mannen dwingt tot copulatie als die alleen in een huis slapen. Een enkele keer geldt zij als de partner van Ahriman, de kwaadaardige tegenstrever van de oppergod Ohrmazd uit het zoroastrisme. In de Midrasj staat voorts dat Lilith een kindermoordenaar is. In Aramese magische, exorcistische en andere teksten is geen sprake van een groep lilin, maar van een groep liliths. Ze worden nu eens weergegeven met vleugels, veren en wild puntig haar, dan weer als mannen die op vrouwen lijken en andersom.

Middeleeuwen[bewerken]

Door het eerste van de twee scheppingsverslagen in Genesis (1-2) te herinterpreteren, ontstond het idee dat Adam vóór Eva een gelijk geschapen vrouw had, Lilith. Als duidelijk beschreven persoon verschijnt Lilith pas in het Alfabet van Ben Sira uit de 7e of 8e eeuw. Ben Sira beschrijft de legende dat God naast Adam een vrouw uit leem schiep, Lilith. Zij ging in op Adams voorstel om seks te hebben, maar ze krijgen ruzie omdat ze weigerde onderop te liggen, aangezien ze (te)gelijk waren geschapen. Na de ruzie en het achterhalen van Gods onuitsprekelijke naam vluchtte ze weg naar de woestijn. Daar had ze orgies met woestijngeesten en baarde ze veel demonen. Daarop zond God drie engelen om haar terug te halen, onder het dreigement dat elke dag honderd van haar kinderen zouden sterven als ze weigerde. De engelen vonden haar bij de Rode Zee. Ze weigerde, en zwoer dat ze elk mannelijk kind zou kwellen tot zijn achtste dag, en vrouwelijke kinderen tot hun twaalfde dag. Wel zou ze wegblijven zodra ze een amulet tegenkwam met daarop de namen van de engelen.

Middeleeuwse rabbijnen namen Ben Sira's verhaal over. In Genesis 1 zou Lilith zijn geschapen, en in Genesis 2 de meer gehoorzame Eva. Er bestonden alternatieve verhalen, ook in het christendom. In de middeleeuwen groeide het volksgeloof dat ze de grondlegger van hekserij en de grootmoeder van de duivel of de duivel zelf was. Ze zou bijvoorbeeld de slang zijn geweest die in het Paradijs Eva verleidde om van de verboden vrucht te eten. Dit begon met het kabbalistische Traktaat over de emanaties aan de linkerzijde (1265), waarin staat dat Lilith de echtgenote was van de aartsdemon Samaël en dat ze de tegenhangers waren van al het goede. Deze voorstelling werd in andere kabbalistische literatuur zoals de Zohar overgenomen. In latere kabbalistische bronnen werd de koningin van Sheba met haar gelijkgesteld, net als een van de twee koninginnen uit 1 Koningen 3:16-28.

Men geloofde dat men zich tegen haar kon beschermen met spreuken en amuletten. Sinds de middeleeuwen werden zulke amuletten gepubliceerd. Zo bestond tot in de 18e eeuw de traditie om jonge moeders met pasgeboren kinderen te beschermen tegen Lilith met zo'n amulet. Men veronderstelde dat Lilith voornamelijk 's nachts actief was.

Moderne tijd[bewerken]

Het geloof in de demon Lilith bestond tot in de 20e eeuw. Amuletten ter bescherming van bijvoorbeeld kinderen worden nog altijd gedrukt in Israël. Onder feministische invloed groeide Lilith als eerste vrouw van Adam in de jaren 70 echter ook uit tot een voorbeeld van de vrijgevochten vrouw die niet zwichtte voor tradities en vrouwenonderdrukking. Sindsdien komt ze voor in de popcultuur en literatuur, en verschijnt onder andere het joods-Amerikaanse tijdschrift Lilith.

Bronnen[bewerken]

Voor het schrijven van dit artikel zijn de volgende bronnen geraadpleegd:

  • Dan, J. 'Samael, Lilith, and the Concept of Evil in Early Kabbalah.' In: AJS Review, Vol. 5 (1980), blz. 17-40.
  • Hutter, M. 'Lilith.' In: Dictionary of Deities and Demons in the Bible. Red. K. van der Toom, B. Becking & P.W. van der Horst. Leiden: Brill, 1999, blz. 520-521.
  • Lesses, R.M. Encyclopedia of Religion. Volume 8. Red. L. Jones. Detroit: MacMillan, 2005, blz. 5458-5460.
  • Monaghan, P. Encyclopedia of Goddesses and Heroines. Volumes I & II. Santa Barbara: Greenwood, 2009.