Demon

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De afbeelding van een demon en een nar, als de munt wordt omgekeerd veranderen de beeltenissen in de paus en een kardinaal, spotmunt voor het Concilie van Trente, ca. 1580
De demon Baäl
Demon met een kop van een ram, Egypte
Een Japanse danser in een demonenkostuur en Oni-masker

Een demon is een bovennatuurlijk wezen dat volgens diverse religies het midden houdt tussen mensen en goden. De demon wordt doorgaans voorgesteld als onzichtbaar wezen dat lang leeft of onsterfelijk is, maar minder machtig dan goden. Soms gelden ze als moreel neutraal, soms ook als bron van alles wat slecht is. Tot de categorie demonen kan men in principe alle geestelijke wezens rekenen die in een bepaalde religie niet als ‘god’ worden aangeduid. De studie naar demonen heet demonologie.

Etymologie[bewerken]

Het Nederlandse demon komt van het Latijnse daemon. Dit is een postklassiek leenwoord uit het Oudgrieks. Het Oudgriekse daimôn betekende in de 8e eeuw v.Chr. nog ‘god’ of ‘goddelijke kracht’, maar ging later verwijzen naar de ziel van een een halfgoddelijk maar moreel ambigu wezen. Het Oudgriekse woord gaat terug op het Indo-Europese *deh2-(i)-, ‘verdelen’.

Oorsprong[bewerken]

De bron van het geloof in demonen is, hoewel speculatief, de verpersoonlijking van verschijnselen in de natuur. Het geloof in onzichtbare, geestelijke wezens is oorspronkelijk dan ook van alle tijden en plaatsen. Door te veronderstellen dat in objecten zoals stenen en bomen een demon huist, kan men proberen om ermee te communiceren. Door magie, offergaven of exorcisme probeert men om bijvoorbeeld ongewenste zaken zoals angst en ziekte te verdrijven, doordat zij worden voorgesteld als demonen.

Algemeen[bewerken]

Demonen zijn onzichtbare, geestelijke wezens die veel machtiger zijn dan mensen, maar minder sterk dan goden. Ze leven heel lang, maar zijn niet altijd onsterfelijk. Goden zijn dat in principe wel. Vaak zijn ze onzichtbaar, en merkt men hen alleen op door de effecten van hun handelen. Zo zou een bries door hen kunnen worden veroorzaakt.

Oorspronkelijk zijn ze vaak verbonden met de natuur. Ze zijn bijvoorbeeld personificaties van de wind of adem. Vaak zijn ze verbonden met bepaalde locaties, zoals bomen, gebouwen of waterbronnen. Tevens kunnen ze de beschermgeest (genius) zijn van een persoon. Tot slot worden de geesten van voorouders in sommige religies ook beschouwd als demonen. Gedragingen en behoeftes van demonen zijn ondanks hun geestelijke karakter meestal menselijk. Zo kunnen ze volgens bepaalde overtuigingen seks hebben met mensen.

In sommige religies worden demonen gezien als brengers van het kwaad. Daarmee staan ze tegenover wezens die het goede vertegenwoordigen. Dit geldt voor het christendom, het jodendom, de islam, het zoroastrisme en het hindoeïsme. In plaats van een beschermgeest zijn ze nu wezens die een mens in bezit kunnen nemen.

Indo-Iraanse religie[bewerken]

In het hindoeïsme onderscheidt men asura’s van deva’s, die met elkaar in conflict zijn. Asura’s waren aanvankelijk ambigue niet-goden maar werden later vooral slechte wezens. Toch is het contrast minder sterk duidelijk dan in bijvoorbeeld het christendom. Ook asura’s reïncarneren. Het hindoeïsme onderscheidt nog andere niet-goddelijke bovennatuurlijke wezens, die vaak wel zijn geassocieerd met duistere fenomenen. Rakshasas, pisacas en vetala’s spoken rond op begraafplaatsen om zich te voeden met lijken. Pitrs zijn voorouderlijke geesten.

Ook in het zoroastrisme uit Iran kende men twee klassen van bovennatuurlijke wezens die in conflict zijn: ahura’s en daeva’s. De ahura’s wonnen ooit de strijd, waarna Ahura Mazda de oppergod van het licht werd. Zijn absolute tegenpool is de duistere Angra Mainyu, die in macht en positie gelijk is aan Ahura Mazda. Hij voert de kwade krachten aan.

Boeddhisme[bewerken]

Volgens het boeddhisme reïncarneert men na een slecht geleefd leven als asura of preta, respectievelijk een demon en een altijd hongerige ziel. Mâra is een diabolisch figuur die illusie verspreidt en onder andere probeerde om Boeddha van zijn weg naar verlichting af te brengen. Er bestaat echter geen verpersoonlijking van het absolute kwaad in het boeddhisme. Het kwaad wordt gedefinieerd als lijden, en dat is noodzakelijk in de boeddhistische levensbeschouwing om te leren.

Klassieke oudheid[bewerken]

Voor de Grieken waren demonen en goden oorspronkelijk geen verschillende klassen van wezens, maar al in de archaïsche periode ontstond het beeld van de demon als lager in macht dan een gewone god. Net als de goden waren demonen niet uitgesproken goed óf slecht. De voorstelling ervan verschilde voor de rest. Plato (Symposium) stelde dat demonen boodschappers van de goden waren, en Socrates beweerde dat hij een persoonlijke beschermdemon had. Vanaf Plato krijgen demonen vaker negatieve connotaties.

Lagere geestelijke wezens werden niet altijd gedefinieerd als demon, maar kunnen tot die groep worden gerekend. Voorbeelden zijn: de keres; de zielen van overleden helden; Lamia, Empousa, Gello, Mormo (alle verantwoordelijk voor kindersterfte); de erinyen en alastor (beide wrekers van de doden). Daarnaast waren enkele wezens uit de mythologie oorspronkelijk wellicht demonen, namelijk de harpijen (winddemonen) en de gorgonen (zee- of onderwerelddemonen).

De Romeinen kenden ook geestelijke wezens: lares, manes, penates en genii. Hun precieze positie ten opzichte van ‘gewone’ goden is vaak onduidelijk. De lamia was dezelfde als de Griekse, en de stryx was een nachtdemon die baby’s belaagde. De Etruskische doodsdemon Charun werd door de Romeinen overgenomen als veerman voor de doden.

Ten tijde van het Romeinse keizerrijk werd door onder anderen christenen en neoplatonisten veel gespeculeerd over het wezen van de demonen. Philo van Alexandrië onderscheidde demonen als slechte wezens duidelijk van engelen, en ook Plutarchus beschouwde ze als kwaadaardig.

Jodendom[bewerken]

In de joodse geschriften van voor de ballingschap is weinig sprake van demonische wezens. In hun optreden zijn ze niet altijd duidelijk te onderscheiden van wezens die Jahweh stuurt om mensen te straffen. De vermelde geesten vinden hun oorsprong vermoedelijk in naburige culturen. Een voorbeeld is de vrouwelijke kindermoordenaar Lilith. Alle woorden voor dergelijke wezens werden in de Griekse vertalingen vervangen door ‘demonen’. De duivel als vorst van al het kwaad ontstond als concept pas tijdens de ballingschap, wellicht onder invloed van het zoroastrische dualisme. Vanaf die tijd worden demonen uitgesproken kwaadaardig, met name in de apocriefe geschriften.

Christendom[bewerken]

Christelijke apologeten vanaf Tertullianus droegen sterk bij aan de definitieve revisie van demonen als zuiver slechte wezens. Zodoende werd het religieuze wereldbeeld dualistisch: goed tegen kwaad.

Volgens het Nieuwe Testament heeft Jezus Christus als Zoon van God macht over demonen. Er wordt verhaald dat hij regelmatig demonen bij bezeten personen uitwierp, en dat ook de apostelen de macht kregen demonen bij bezeten mensen uit te drijven. Ook tegenwoordig kennen verschillende christelijke kerken nog een vorm van duiveluitdrijving, zoals het Rooms-katholieke sacramentalie van het exorcisme. In sommige christelijke gemeenschappen, vooral van evangelicale snit, speelt het geloof in duivelse bezetenheid een belangrijke rol.

In het laatste Bijbelboek uit het Nieuwe Testament, de Openbaring, staat uiteengezet hoe het demonen uiteindelijk zal vergaan. Aan het slot van de zogeheten eindtijd zullen op de dag van het oordeel de demonen met satan, hun leider, en alle onrechtvaardige mensen, als eeuwige straf in een poel van vuur en zwavel worden geworpen.

In de christelijke middeleeuwen bestond een wijdverbreid (volks)geloof in demonen, die ook duivels werden genoemd. Ze verpersoonlijkten onheil in allerlei vormen en konden - zo dacht men - mensen verleiden tot zonde. Twee groepen van demonen die men onderscheidde waren incubi en succubi. Met behulp van magische en religieuze rituelen geloofde men dat demonen konden worden bezworen of zelfs aangeroepen voor bepaalde doeleinden.

Islam[bewerken]

Parallel aan de Griekse en joods-christelijke demonen zijn de Arabische djinn als een soort tussenwezens. In het pre-islamitische Arabië waren ze woestijngeesten zoals nimfen en saters. Ze werden aanbeden in Mekka. Ze werden opgenomen in de islam. Volgens de Koran zijn hun lichamen gemaakt van rookloos vuur. Ze zijn onzichtbaar en zijn van beide geslachten. Ze hebben omgang met mensen en kennen een onderlinge sociale organisatie. Met behulp van magie kunnen ze ingezet worden voor menselijke doeleinden.

Men onderscheidt subgroepen van djinns. Een daarvan zijn de ghouls, gedaantewisselaars die rondwaren bij waterbronnen en reizigers doen afdwalen. Ander groepen zijn de si’lat en ‘ifrît.

Scepsis[bewerken]

Scepsis ten aanzien van het vermeende bestaan van demonen is niet modern. Die ontstond niet meteen als gevolg van de wetenschappelijke revolutie, maar bestond al sinds de klassieke oudheid. De hellenistische epicureeërs, joodse Sadduceeën, de joodse denker Maimonides, de islamitische filosoof Avicenna en de christelijke theoloog Thomas van Aquino zijn enkele voorbeelden van sceptici.

Niet-religieuze opvatting[bewerken]

Soms wordt het woord ‘demon’ in een betekenis gebruikt die nauwelijks met religie of zelfs maar met bijgeloof te maken heeft. Bijvoorbeeld toen Pierre-Simon Laplace zich aan het begin van de 19e eeuw een voorstelling maakte van iets dat aan het begin van de 21e eeuw als een ‘universele supercomputer’ betiteld zou kunnen worden (het was door hem bedoeld als beeldspraak om het atheïstisch determinisme te definiëren), werd dit denkbeeldige voorwerp in christelijke kringen als de Demon van Laplace betiteld.

Ook het afgeleide woord ‘demoniseren’ wordt meestal in een niet-religieuze context gebruikt.

Demonen spelen vaak een rol in verhalen en fictie, vooral van het genre Fantasy. Een voorbeeld hiervan zijn de demonen in de spelserie Warcraft, die enkel uit zijn op chaos en vernietiging brengen over het heelal en daarbij de orde scheppende Titanen tegenwerken.

Zie ook[bewerken]

Bronnen[bewerken]

  • Ahn, G. ‘Demon / Demonology.’ In: Brill Dictionary of Religion. Leiden: Brill, 2006, blz. 503-504.
  • Beekes, R. & L. van Beek. Etymological Dictionary of Greek. Volume 1. Brill: Leiden, 2010.
  • Ellwood, R.S. & G.D. Alles. The Encyclopedia of World Religions. New York: DWJ Books, 2007.
  • Stephens, W. ‘Demons.’ In: Encyclopedia of Religion. Volume 4. Red. L. Jones. Macmillan, 2005, blz. 2275-2282.