Magie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nuvola single chevron right.svg Deze pagina gaat over magie (paranormaal). Voor magie in andere betekenissen zie: Goochelen

Beluister

(info)
Portal.svg Portaal Occultisme
Pentagram als magisch symbool, de tekens zijn astrologisch
Het zegel of pentagram van Solomon uit de Goetia, een grimoire uit de middeleeuwen
Bildlexikon der Kunst: Astrologie, Magie und Alchemie, 1652 (of eerder)
Magisch boek, Museo delle Terme di Diocleziano
Magisch symbool uit IJsland
Wapens gebruikt voor rituele magie, 1674

Magie of toverij is de vermeende kunst van het manipuleren van de werkelijkheid vanuit de gedachte dat men in contact kan treden met het bovennatuurlijke door middel van rituelen en bezweringen. Een van de functies van magie in premoderne maatschappijen was het ongewone duiding te geven of om een houvast te bieden in een onzekere wereld. Praktijken die als magisch worden gezien zijn onder meer voorspellen, astrologie, bezweringen, alchemie, hekserij, tovenarij en spiritisme. Concreet gaat het over het beïnvloeden van de vruchtbaarheid bij planten, dieren en mensen (onder meer via schoonheidscrèmes en een reeks seksuele functies), het genezen van planten, dieren en mensen, het voorspellen van de toekomst en het beheersen van natuurelementen. De wetenschappelijke studie van de magie als cultureel fenomeen binnen primitieve gemeenschappen is onderdeel van antropologie en mentaliteitsgeschiedenis.

Etymologie[bewerken]

Magie stamt etymologisch af van het Griekse magikē (zie mantike), vrouwelijke vorm van magikos (μαγικός), waarmee de magische kunsten worden aangeduid, refererend aan de Magoi, - enkelvoud mágos, (μάγος) - Zoroastrische priesters die astrologische voorspellingen deden. De Griek Heraclitus (6e eeuw v.Chr.) was de eerste die de mágos en hun 'goddeloze rituelen' vernoemde.

Geschiedenis[bewerken]

Oudheid[bewerken]

In de Codex Hammurabi (1780 v.Chr., één van de oudste tot dusver gevonden wetboeken) worden godsoordelen (meer bepaald de waterproef) voorgeschreven bij de rechtszaken over tovenarij.

Klassieke oudheid[bewerken]

Al sinds de Grieks-Romeinse tijd was magie een gespreksonderwerp in intellectuele kringen (de Grieks-Romeinse wetteksten maken duidelijk verschil tussen de magie goedgekeurd door de staat - zoals orakels en vogelvoorspelling - en de magie van het volk, soms meegebracht door slaven en buitenlanders). In de Codex Theodosianus, vele wetteksten verzameld door een commissie in opdracht van Theodosius II, werd het raadplegen van een magiër verboden en magiebeoefenaars kregen de doodstraf opgelegd. Die dubbele houding merken we onder meer ook bij keizer Augustus. Hij liet enerzijds toverboeken verbranden, anderzijds was hij tevreden over de voorspellingen van zijn eigen magiërs. Keizer Claudius liet de magiërs verbannen, tenzij ze op het keizerlijk hof bleven.

Middeleeuwen[bewerken]

In 1320 schreef de inquisiteur Bernardo Gui een standaardafzwering voor iedereen die schuldig bevonden was aan het actief deelnemen aan magische handelingen (of dat had bekend). In die tijden werd een ketter door kerk en staat gelijkgesteld aan een beoefenaar van magie. Paus Eugenius IV vaardigde een bul uit waarin hij schreef dat mensen die verschillende vormen van magie beoefenden moesten worden gearresteerd en volgens het canonieke recht berecht moesten worden. Indien nodig moest de hulp van de seculiere overheid ingeroepen worden. Tot de vijftiende eeuw is magie in Europa relatief probleemloos en wordt het nauwelijks bestraft. De hoeveelheid bronnen toont dat het geen marginaal verschijnsel is, integendeel. De bevolking vindt de gebruiken normaal en gaat te rade bij de mannelijke en vrouwelijke magiërs.

Renaissance[bewerken]

In de periode van het renaissance-humanisme (15e en 16e eeuw) was er een heropleving van hermetiek en neoplatonische varianten van ceremoniële magie. De 'zeven magische kunsten' (artes prohibitae, kunsten verboden bij canonieke wet) zoals geformuleerd door Johannes Hartlieb in 1456 waren:

  1. nigromantie (zwarte magie, demonologie, necromantie)
  2. geomantiek (aardevoorspelling)
  3. hydromantie (watervoorspelling)
  4. aëromantie (luchtvoorspelling)
  5. pyromantie (vuurvoorspelling)
  6. chiromantie (handleeskunde)
  7. scapulimantie (schouderbladlezen)

Zowel de burgerij als de adel van de 15e en 16e eeuw was gefascineerd door deze kunsten die een exotische aantrekkingskracht op hen uitoefenden, vooral doordat ze in verband werden gebracht met Arabische, Joodse en Egyptische bronnen.

In Europese intellectuele kringen verdeelde men magie in drie soorten: natuurlijke, demonische en bedrieglijke magie (goocheltrucs). Bij de eerste vorm onderzocht men de verborgen wetten van de natuur middels techniek, fysica, chemie en biologie. Natuurlijke magie kon gemakkelijk overgaan in demonische magie, omdat men goede engelen of geesten opriep tijdens de esoterische of ceremoniële magie. Bekende voorbeelden zijn John Dee en Heinrich Cornelius Agrippa von Nettesheim. Thomas van Aquino verwierp natuurlijke magie en de discussie ontstond of magie kon samengaan met het christelijk geloof. Een bron om de heksenleer te bestuderen is de Heksenhamer of de Maleus Maleficarum uit 1486 van twee dominicanen. Hendrik Istitoris en Jacob Sprenger schreven deze handleiding voor heksenprocessen. Het boek kende een snelle en massale verspreiding dankzij de boekdrukkunst. Het document maakt Satan tot hoofd van de antikerk en construeert de demonologische heks. Hogere groepen zien hierin het kwade, voor de lagere klassen blijft magie echter een overlevingssysteem. De heksenverbrandingen die de zestiende eeuw zullen doorkruisen, kunnen starten. Een vraag waar historici hun tanden in zetten, is waarom deze heksenverbrandingen net in de Renaissance plaatsgrepen.

Moderne tijd[bewerken]

Westerse magische tradities kennen momenteel een internationale opleving. Gnostiek en de hermetica, de middeleeuwse kabbala, tarot en alchemie, en - meer recentelijk- rozenkruisers en de vrijmetselarij, legden gezamenlijk de basis voor de moderne revival in interesse voor magie. Het beginpunt hiervan ligt voor Europa aan het eind van de negentiende eeuw. Westerse magie is sindsdien steeds meer eclectisch geworden, op basis van uiteenlopende bronnen als klassieke Grieks-Romeinse mythologie, Keltische kosmologie, kundalini yoga en tantra, sjamanisme, chaostheorie, en de spirituele tradities die in verschillende culturen in verband worden gebracht met de universele Godin.

Theorievorming over magie[bewerken]

Antropologische en psychologische bevindingen over haar ontstaan.

Het geloof dat iemand bovennatuurlijke krachten kan manipuleren door gebed, offeren of aanroepingen, dateert vanuit prehistorische religies en is ook aanwezig in de vroegste geschreven cultuurbronnen zoals Egyptische piramideteksten en Indische veda's. Van deze laatste zijn de Atharvaveda magisch te noemen en de Vedische Brahmins zijn vergelijkbaar met die van andere oude priestervoorschriften.

James George Frazer oordeelde dat magie een bedrieglijk systeem was en dat magische observaties niet meer waren dan verkeerde interpretaties, veroorzaakt door een verwarring van eigen ideeën en de externe wereld. Anderen, zoals N. W. Thomas en Sigmund Freud, verwierpen deze verklaring. Frazers visie op magie is gebaseerd op zijn theorie van de 'Sympathische Wet". Daarbij wordt ervan uitgegaan dat dingen elkaar vanop een afstand kunnen beïnvloeden doordat 1) er een zekere gelijkaardigheid is tussen hen (homeopathische of mimetische magie) of 2) ze ooit met elkaar in contact zijn geweest (contactmagie)[1] of 3) ze deel uitmaken van elkaar. Een van de meest bekende 'toepassingen' van de mimetische[2] magie is het 'prikken' van een afbeelding van een vijand om die schade toe te brengen.

Freud vond dat de essentie van magie eerder lag in het vervangen van de natuurlijke wetten door eigen psychologische wetten. De drijvende kracht die iemand beroep deed doen op magie was volgens hem de kracht van de wensen, de wil.

De antropoloog R. R. Marett beschouwt religie en magie als twee vormen van een sociaal fenomeen dat oorspronkelijk een het hetzelfde was. De primitieve mens, zo stelt hij, had een instelling die zich bezighield met het bovennatuurlijke, en die instelling lag aan de oorsprong van zowel magie als religie, die slechts geleidelijk van elkaar onderscheiden werden.[3]

Elementen van de magie[bewerken]

Adepten[4] van de magie verklaren de werking van de magie op basis van de volgende (door hen vooronderstelde) principes:

  • werking van elementaire krachten die niet door de wetenschap gedetecteerd kunnen worden
  • tussenkomst van geesten
  • een 'mystieke kracht' die bestaat in alle dingen, ook in magische objecten zoals ringen en stenen.
  • manipulatie van de 4 elementen (Aarde, Water, Vuur en Lucht) door de wil van de magiër, met symbolen of objecten die de 4 elementen vertegenwoordigen.
  • manipulatie van de energie van het menselijk lichaam door bijvoorbeeld handoplegging en het uitspreken van formules.
  • manipulatie van symbolen; adepten geloven dat symbolen de plaats kunnen innemen van het ding of fenomenen die ze vertegenwoordigen. Door het symbool te manipuleren proberen magiërs de werkelijkheid te veranderen die het symbool representeert.
  • de principes van de sympathische magie van James George Frazer, zoals uitgelegd in zijn The Golden Bough[5] Deze principes omvatten ook de 'Wet van gelijkaardigheid' (law of similarity) en de 'Wet van het contact' of van 'besmetting'. (Law of contact, of contagion). De magische manier van denken gaat er dus volgens Frazer van uit dat het 'gelijke het gelijke aantrekt' en van het ogenblik dat ze met elkaar in contact zijn gebracht ook van op afstand invloed op elkaar kunnen blijven uitoefenen. Anders geformuleerd: het gevolg lijkt op zijn oorzaak.
  • concentratie of meditatie: door zich te concentreren op een al dan niet aanwezig object hoopt de magiër een soort vereniging van subject en object te bewerkstelligen, wat magisch manipulatie mogelijk maakt.[6]
  • de magische kracht die de onbewuste geest kan uitoefenen: magiërs proberen het onbewuste (door o.a. symbolen en rituelen) ervan te overtuigen om veranderingen te bewerkstelligen, door geesten en energieën.
  • verbondenheid met de kosmos, die alles verbindt
  • de eenheid in alles, gebaseerd op het concept van het monisme, poneert de eenheid van het universum

Niet alle theorieën zijn hier opgesomd, en veel praktiserende occultisten zullen deze concepten vermengen.
De sleutelbegrippen voor het gebruik van magie zijn eigenlijk eenvoudig te resumeren: concentratie en visualisatie. Het uitspreken van bezweringen gebeurt vaak onder een "trance", die beschreven wordt als een soort meditatieve toestand om zich beter op het beoogde effect te kunnen concentreren en het doel te kunnen visualiseren.

De nauwkeurig omschreven handelingen kunnen onder andere dansen of lichamelijke oefeningen zijn. Het gebruik van hallucinogene middelen kan bij de uitvoering van magische handelingen soms ook een rol spelen. Sommige mensen beweren dat ze door het beoefenen van meditatie een verhoogde bewustzijnstoestand kunnen bereiken, de materie rechtstreeks denken te kunnen beïnvloeden zonder fysieke hulpmiddelen. In werkelijkheid zijn er dan waarschijnlijk veranderingen in het zenuwstelsel teweeggebracht.

Magie houdt zich bezig met gebeurtenissen, die geen aanwijsbare oorzaken (lijken te) hebben. Magie dient daarbij onderscheiden te worden van illusionisme en goochelen. Een gebeurtenis met een effect zonder waarneembare oorzaak kan namelijk ook het werk zijn van een illusionist of een goochelaar, zoals een vrouw doormidden zagen of kaarten te laten verdwijnen en verschijnen.

Rol van de magie[bewerken]

Over de hele wereld zijn vele volkeren bij wie magie een belangrijke rol speelt in het dagelijks leven. Naast een medische functie heeft magie vaak ook een socialiserende, individualiserende en religieuze functie binnen samenlevingen. In de antropologie wordt onderscheid gemaakt tussen de "instrumentele" en de "expressieve" functies van magie.

Instrumentele functie[bewerken]

De instrumentele functie van magie is gebaseerd op het manipuleren en beïnvloeden van de natuur en het menselijk gedrag en wordt afgemeten aan het al dan niet bereikte gewenste resultaat. Antropologen identificeren bij de instrumentele functie drie belangrijke types: productief, beschermend en destructief.

  • Daarbij wordt productieve magie aangewend om een gunstige afloop te verzoeken of af te dwingen, bijvoorbeeld voor een goede oogst of jacht.
  • Beschermende magie tracht een individu of een gemeenschap te beschermen tegen de grillen van de natuur of het kwaad dat anderen hen willen aandoen. Het gebruik van amuletten om besmettelijke ziekten af te wenden of het reciteren van bezweringen voor de aanvang van een reis zijn voorbeelden van deze beschermende functie.
  • De destructieve magie ten slotte, ook 'tovenarij' genoemd, heeft als functie om anderen kwaad aan te doen. Afgunst en andere motieven maken haar sociaal verstorend, waardoor het aanwenden van een bestrijding van tovenarij - ook door magie - binnen die samenleving noodzakelijk wordt.

Expressieve functie[bewerken]

De expressieve functie van de magie is het resultaat van de symbolische en sociale betekenissen die aan de uitoefening ervan worden gehecht, ook al zijn de beoefenaars zich mogelijk niet bewust van deze functie. Magie bezorgt op deze manier de gemeenschap een samenhorigheidsgevoel en groepsidentiteit door de gemeenschappelijke beleving van de rituelen. Tezelfdertijd kan zij de magiër als bijzondere persoon isoleren van de rest van de gemeenschap. Magie functioneert ook als creatieve uitlaatklep of soort entertainment en is daardoor onlosmakelijk verbonden met het gehele systeem van denken, geloof en gebruiken in een gegeven samenleving.

Magie, ritueel en religie[bewerken]

Vanuit een niet-theïstisch standpunt lijken veel religieuze rituelen en overtuigingen erg op, of zijn identiek aan magische opvattingen. Zo zijn gebed en een magische incantatie te beschouwen als een vorm van een beroep doen op een bovennatuurlijke kracht. Deze god of dit wezen wordt dan gevraagd om te interveniëren ten behoeve van de persoon die het gebed formuleert. Theoretisch is het verschil dat een gebed van een gelovige gericht is aan een godheid met een onafhankelijke wil (die al dan niet het verzoek kan inwilligen), terwijl dit bij magie anders is. Magie wordt geacht effectief te zijn:

  • door uitvoering van de magische handeling zelf;
  • door de kracht van de wil van de magiër;
  • doordat de magiër gelooft dat hij wezens uit de geestenwereld kan bevelen.

Als een gebed in een religie niet helpt dan betekent dat in de praktijk dat de god verkozen heeft om niet in te grijpen. Als magie faalt, dan ligt dit aan een fout in de magische procedure zelf. Vandaar dat magische rituelen exact geformuleerd moeten worden en minder ex-tempore zijn.

Citaat[bewerken]

Een beroemde uitspraak van de sciencefictionschrijver Arthur C. Clarke is :"Any sufficiently advanced technology is indistinguishable from magic." (Elke voldoend gevorderde technologie is niet te onderscheiden van magie).

Zie ook[bewerken]

Hekate, godin van toverij uit de Griekse mythologie, William Blake, 1795

Literatuur[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen[bewerken]

  • The Golden Bough, James George Frazer
  • Encyclopaedia Britannica 2008, Ultimate reference Suite: 'Magic'
  • Encyclopaedia Britannica 11th Edition: 'Magic'
  • Tovenaars, een magische geschiedenis, Tim Dedopulos
Bronnen, noten en/of referenties
  1. 'Contagious'
  2. nabootsend, cfr. mimesis
  3. Encyclopaedia Britannica 11th edition, pagina 305: ‘Magic’
  4. Adept: ingewijde van een kunst of geheime genootschap
  5. The Golden Bough, a study in magic and religion - James George Frazer: Wordsworth Classics pagina 11
  6. Aleister Crowley: Book Four, Part 1: Mysticism)
Wikibooks Wikibooks heeft een studieboek over dit onderwerp: Magie.