Geschiedenis van Europa

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Geschiedenis van de wereld

Theatrum Orbis Terrarum



Portaal  Portaalicoon  Geschiedenis

Dit artikel is een overzicht van de (menselijke) geschiedenis van het werelddeel Europa. Deze valt ruwweg chronologisch in te delen in de prehistorie, de klassieke oudheid, de middeleeuwen, de nieuwe tijd, de moderne tijd en de eigentijdse tijd.

Een Europese economische eenheid bestond in de oudheid in de vorm van het Romeinse handelsnetwerk; dit besloeg vooral het zuidelijk deel van het continent. Vanaf de middeleeuwen is een groeiende culturele eenwording waar te nemen, die hand in hand ging met de verspreiding van het christendom over het gehele continent; dit verdrong langzaamaan vrijwel alle andere religies, zij het dat het noordelijk deel veel langer aan de oude cultus[noten 1] vasthield. Enige mate van economische samenhang, vergelijkbaar met die in de Romeinse tijd, werd pas weer bereikt in de 16e eeuw met de opkomst van het kapitalisme. Desondanks werd Europa nooit een staatkundige eenheid, maar was het toneel van een bloedige strijd, die zijn dieptepunt vond in de Eerste en Tweede Wereldoorlog; deze beide Europese conflicten verspreidden zich tevens naar andere delen van de wereld.

Vanaf de 16e eeuw begonnen Europese koloniale mogendheden andere delen van de wereld in onderlinge rivaliteit te overheersen, hetgeen in de 19e eeuw leidde tot een Europese hegemonie op het wereldtoneel. In de wetenschappelijke en industriële revoluties ontstane nieuwe ideeën en technieken konden door deze hegemonie vanuit Europa over de rest van de wereld worden verspreid.

De opkomst van de Verenigde Staten (van oorsprong een Europese kolonie) en de Sovjet-Unie (die deels in Europa lag) en de twee wereldoorlogen verdeelden het continent in de tweede helft van de 20e eeuw grofweg in twee gescheiden economisch-politieke blokken. Tegelijkertijd begon een groeiende groep landen door middel van economische en politieke samenwerking aan een proces dat de Europese eenwording wordt genoemd, vanuit de wens verdere oorlogen te voorkomen.

Inhoud

Pre- en protohistorie[bewerken]

De prehistorie (de tijd voor de geschiedschrijving) wordt ingedeeld in grofweg: steentijd (vanaf 2 miljoen jaar terug tot ca. 5.000 jaar geleden), bronstijd (vanaf ca. 3.000 v.Chr. tot 1.200 jaar voor het begin van de christelijke jaartelling) en wordt dan gevolgd door de protohistorische ijzertijd. In noordelijk Europa begon de ijzertijd pas rond 800 v.Chr.

Het vroegste met zekerheid te dateren materiaal dat door mensachtigen in Europa bewerkt is, stamt uit Isernia La Pineta in het zuiden van Italië, waar stenen werktuigen en dierlijke beenderen werden gedateerd op ongeveer 730.000 v.Chr. De mensensoort die daar leefde werd door de archeologen Homo Aeserniensis gedoopt. Tegen 375.000 v.Chr. waren de meeste gebieden, behalve Scandinavië, de Alpen en het noorden van Eurazië bewoond.

Steentijd[bewerken]

De geschiedenis van Europa begint met de komst van de mens, of een voorloper daarvan. De eerste periode in de geschiedenis van Europa is de steentijd. In de steentijd maakte de mens gebruiksvoorwerpen van steen, maar waarschijnlijk ook van hout, hoorn en been. De steentijd wordt ingedeeld in 'oude steentijd' (Paleolithicum) en 'nieuwe steentijd' (neolithicum). Daartussenin geldt vooral voor noordelijk Europa een 'tussensteentijd' (Mesolithicum).

Paleolithicum[bewerken]

De oudste menselijke resten zijn ongeveer twee miljoen jaar oud: Homo georgicus.[1]

Uit de periode van Homo erectus, tegenwoordig vaak als Homo ergaster ingedeeld, zijn in Europa slechts een klein aantal materiële vondsten en geen skeletvondsten bekend.

Duidelijker wordt het beeld vanaf Homo antecessor en met name bij Homo heidelbergensis, waarvan tot in Noord-Europa meerdere vondsten zijn gedaan.

Vanuit Homo heidelbergensis ontwikkelde zich in Europa de neanderthaler. Schedels en zelfs hele geraamtes hiervan werden in heel Europa ontdekt. Hij maakte hier twee ijstijden door, waarna de anatomisch moderne mens Europa rond 45.000 BP zou bereiken.[2] Deze eerste moderne Europeanen zijn binnengekomen vanuit Afrika, zonder omweg langs Azië.[3] Deze populatie heeft weinig genetische verwantschap met de huidige Europeanen.[2] Ze werd 37.000 jaar geleden opgevolgd door een bevolking die archeologisch tot het Aurignacien behoort en waarvan het oudste specimen tot nog toe leefde in de Belgische Grotten van Goyet.[4] Deze cultuur werd later verdrongen door nieuwe migratie van een genetisch onderscheiden Gravettienbevolking, maar rond 25.000 jaar geleden doken haar nazaten terug op in Spanje als dragers van een Magdaleniencultuur. Naarmate de ijskappen smolten, verspreidden ze zich vanaf 19.000 BP terug over Europa.[5]

De Neanderthaler en Homo Sapiens kwamen een tijdlang samen voor en verwekten ook gemengde nakomelingen. Alle nu levende mensen hebben 1 tot 4 procent van hun DNA overgehouden aan Neanderthalers die in het verre verleden in de stamboom terug te vinden zijn.[6] Bij de vroegste moderne Europeanen was dit zelfs 3 tot 6 procent, maar door natuurlijke selectie is dit later verminderd.

Een volgende migratiegolf begon rond 12.000 v.Chr. Vanuit het Nabije Oosten kwam een bevolking binnen die onder meer het gen voor blauwe ogen meebracht. Tot dan toe hadden de Europeanen een donkere huid en ogen.[7]

In Zuid-Europa brengt de Homo sapiens grotschilderingen aan en maakt beeldhouwwerken, waarvan de Venus van Laussel in de Dordogne het bekendste is.

Mesolithicum[bewerken]

Het Mesolithicum (middensteentijd) is de aanduiding voor de cultuurperiode in Noord-Europa die begint na het aflopen van de laatste ijstijd ca. 10.500 v.Chr. en eindigt wanneer een samenleving overschakelt op landbouw en veeteelt en tal van nieuwe technologieën ontwikkelt of overneemt (neolithicum). Jagen, vissen en verzamelen waren de middelen van bestaan van de mensen in Mesolithische culturen, die doorgaans als rondtrekkende jagers-verzamelaars leefden; nederzettingen zijn zeldzaam en meestal tijdelijk. Vondsten uit het Mesolithicum tonen aan dat steenbewerkingstechnieken verfijnder werden en dat magisch-religieuze gebruiken veelvuldiger voorkwamen.

Neolithicum[bewerken]

Europa in het late neolithicum.
Vrouwelijk figuur met kind van terracotta, Sesklocultuur

In het neolithicum, de nieuwe steentijd, bestonden er in het algemeen matrilineaire, samenlevingsvormen van plaatselijke volksstammen, die soms enige samenhang vertoonden, waardoor er van een "cultuur" sprake kon zijn. Het neolithicum begon in Centraal-Europa al in het 6e millennium v.Chr., terwijl het vanwege de zich terugtrekkende ijstijd pas duizend jaar later in Noord-Europa zou aanbreken.

Na het einde van de ijstijd leefden de mensen in het noorden van Europa nog lange tijd overwegend van jagen en verzamelen. Meer in het zuiden van Europa begon het neolithicum - gekenmerkt door de overgang op landbouw en veeteelt - al vroeg. De eerste vaste huizen die zijn gevonden, bij Sesklo in Griekenland, dateren uit het 7e millennium v.Chr: de Sesklocultuur.

Bronstijd[bewerken]

Zonnewagen van brons met bladgoud, Trundholm, ca. 1000-1400 v.Chr., Nationalmuseet, Kopenhagen

Na de steentijd volgde rond 3000 v.Chr. de bronstijd, al begon die niet overal op hetzelfde moment. In Midden-Europa en Anatolië was er tussen de nieuwe steentijd en de bronstijd nog een kopertijd. Brons verving vanuit Zuid-Europa geleidelijk vuursteen als belangrijkste materiaal voor gereedschap en wapens en werd ook gebruikt voor sieraden.

Cycladenidool van een staande zwangere vrouw gevonden op Kreta en nu in het archeologisch museum van Iraklion, 2600–2300 v. Chr.

In de bronstijd zagen de eerste beschavingen het licht. Op de Cycladen kwam de Cycladische beschaving tot bloei. De eerste geletterde beschaving in Europa die we op dit moment kennen is de Minoïsche beschaving op Kreta, die daar ontstond rond 3000 v.Chr.[10] Daar werd het Lineair A ontwikkeld. De sedentaire culturen rond het Middellandse Zeegebied breidden naar alle kanten even snel uit en behielden Kreta als centrum. Het was daar een centrum van intens handelsverkeer over zee met de Cycladen, Anatolië, Mesopotamië, het Oude Egypte en, via het eerste Suezkanaal (dat van oost naar west liep en de Nijl verbond met de Rode Zee) ook met het Verre Oosten via Elam tot de bloeiende Indusbeschaving toe.

Rond 2200 v.Chr. kwamen de Indo-Europeanen vanuit hun stamgebied in de Oekraïne Europa binnen. Zo'n twee eeuwen later splitsten zij op in afzonderlijke volkeren en trok een westelijke groep richting Balticum (later bekend als de Letten en Litouwers). Een subgroep trok nog westelijker en vestigde zich in Centraal-Europa (de latere Italiërs, Germanen, Slaven en Kelten). Na ca. 1900 v.Chr. begonnen enkele Indo-Europese stammen die zich in Griekenland hadden gevestigd, die samen de Achaeërs worden genoemd, een Griekse identiteit te vormen.

Rond 1800 v.Chr. begon de kolonisatie van West-Europa door de (nog altijd mysterieuze) Liguriërs. Zij kwamen ofwel voort uit de klokbekercultuur in de regio, ofwel waren dit Indo-Europeanen uit Zuid-Rusland die lang vóór de uittocht van de andere Indo-Europeanen naar westelijk Europa trokken.

Slangengodin uit het paleis van Knossos op Kreta werpt slangen als bliksemschichten, Minoïsche beschaving, ca. 1600 v.Chr.

Voor 1600 v.Chr. hadden de Achaeërs het schiereiland Peloponessus bereikt en er de Pelasgen de oorspronkelijke voor-Griekse bevolking onderworpen. Voortaan zouden de Achaeërs de Myceners genoemd worden. De Myceners woonden aanvankelijk naast de Minoïsche en Cycladische beschaving en ze zouden veel van de oorspronkelijke bewoners van Griekenland overnemen. De Myceners waren echter een krijgsvolk, ze woonden in burchten, vestingen boven op akropolissen. Hun rijk bestond uit verschillende kantons en sub-kantons met elk een eigen hoofdplaats, en een hiërarchie geleid door een militaire aristocratie.

De Myceners leefden vooral van landbouw en veeteelt, handel maar ook plunderingen van buurvolken. Zo kwamen zij in conflict met de Minoïsche beschaving. Ze hebben veel op het eiland Kreta geplunderd en waren verantwoordelijk voor de ondergang van deze beschaving, die ergens in de 14e of 15e eeuw v.Chr. plaats vond, al namen zij er veel van over. De Myceners zouden tegelijk de Cycladische beschaving ten val brengen. Tussen 1400 en 1200 v.Chr. kende het Myceense rijk een periode van expansie en had het door intensief scheepvaartverkeer zijn invloed in het oostelijke deel van de Middellandse Zee en tot in Italië vergroot. In dit hele gebied hadden de Myceners handelscontacten met andere volken; plunderen deden ze daarnaast nog steeds. De Myceners werden tussen 1200 en 1000 v.Chr. door de eveneens Griekse Doriërs onderworpen, waarmee de Griekse klassieke oudheid begon.

De Fenicische en Filistijnse handelaars, ook wel 'Zeevolken' genoemd, betrokken bij de uitwisseling van goederen en cultuurelementen ook Spanje en Portugal, en zelfs het zuiden van Engeland. Ook te land was er vanouds de 'Zijderoute' die zorgde voor uitwisseling van goederen, personen en cultuur met India en verder verwijderde streken in Azië.

IJzertijd[bewerken]

Na de bronstijd volgde de ijzertijd. Deze begon in Europa niet overal op hetzelfde moment. In West-Europa was dat pas rond de 8e eeuw v.Chr., in Zuid-Europa was dat al 400 jaar eerder. De uitvinding van de ijzerbewerking wordt wel toegeschreven aan de Doriërs maar was al eerder ontwikkeld in Anatolië en Noord-Syrië. Wat het gebruik van ijzer lange tijd bemoeilijkte, is dat het in tegenstelling tot koper weinig als zuiver metaal, dus in gedegen vorm voorkomt. Oorspronkelijk kende men alleen het gebruik van het zeldzame meteoritisch ijzer, en het smeltpunt van ijzer ligt aanzienlijk hoger dan dat van koper. Het duurde lang voordat men leerde het ijzer uit zijn erts vrij te maken. Daarna verdrong dit metaal al snel het gebruik van brons, omdat het op veel meer plaatsen kon worden gevonden dan koper. Bovendien is het sterker en harder dan koper, wat vooral voor de wapenfabricage een voordeel is. De gevestigde machtsgroepen, die tot dan het gebruik van koper en tin hadden beheerst, kregen steeds meer concurrentie van min of meer losse groeperingen en benden, die vaak als huurlingen voor nieuwe leiders optraden. De oude aristocratische orde verloor hierdoor steeds meer macht[bron?].

Klassieke oudheid[bewerken]

Archaïsch Griekenland[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Oude Griekenland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

IJzerbewerking woei naar Griekenland over vanuit Cyprus[bron?], waar voorheen reeds de koperontginning en -bewerking hoogtij had gevierd. Pas in 900 v.Chr., 300 jaar na het begin van de IJzertijd in Griekenland was de techniek echter overal in Griekenland goed bekend en benaderden ijzeren voorwerpen de kwaliteit die bronzen voorwerpen 300 jaar eerder kenmerkten. De Myceense beschaving werd, samen met andere beschavingen aan de Middellandse Zee, verwoest tijdens de brandcatastrofe. De Doriërs drongen met hun ijzeren wapens door naar Peloponnesos. Dit zou het begin zijn van de Duistere eeuwen, die rond 800 v.Chr. gevolgd zouden worden door de archaïsche periode, waarin de meest typische staatsvorm van Hellas zich ontwikkelde: de polis.

In verscheidene stadstaatjes namen tirannen de macht in handen. Vaak stonden ze aan de kant van het gewone volk tegenover de aristocratie en bereidden ze een democratische regeringsvorm voor. Er groeide een rivaliteit tussen de zeemogendheid Athene, die de Delisch-Attische Bond voorzat en overheerste, en de landmogendheid Sparta, die op haar beurt de Peloponnesische Bond voorzat en overheerste. Het is waarschijnlijk dat er in de Archaïsche periode een bevolkingsgroei heeft plaatsgevonden. Er werd nieuwe landbouwgrond ontgonnen en er kwam een grote variëteit aan gewassen, waardoor vee steeds minder belangrijk werd. Ook waagden de Grieken zich in navolging van de Feniciërs steeds meer op zee om in hun levensonderhoud te voorzien. De dorpen groeiden uit tot steden. De meeste stadsbewoners waren boeren, die hun land buiten de stad hadden liggen.

Van de 8e eeuw tot de 6e eeuw begonnen de Grieken de kusten van de Middellandse Zee en de Zwarte Zee te koloniseren. Het was een uitlaatklep voor de bevolkingsgroei en de oplossing voor interne conflicten binnen de stedelijke elites. Het schiep de mogelijkheid voor een bedreigde groep om een nieuw bestaan op te bouwen. Ook bevorderde het de Griekse handel, scheepvaart, kennis van de geografie en ruimdenkendheid. Het woord kolonisatie is in dit verband misleidend. De Griekse kolonie was geen wingewest, maar een nieuwe onafhankelijke polis.

De Grieken ontwikkelden de filosofie en dan vooral de natuurfilosofie. Er werd nagedacht over hoe de natuur in elkaar steekt en er werden veelal natuurfilosofische discussies gehouden. Er werden weinig experimenten uitgevoerd om te controleren of beweringen op waarheid berustten, in tegenstelling tot later in de West-Europese ontwikkeling van de wetenschap, het experimenteel testen van hypotheses standaard zou worden. Aan deze aversie tegen het praktische en empirische werk lagen wellicht ten grondslag dat de Grieken die konden lezen en schrijven sowieso weinig ophadden met handwerk, aangezien dat werd geassocieerd met slavenwerk. Verder bestond het idee dat de natuur een evenwicht was, en dat bevindingen die je deed wanneer je de natuur uit haar evenwicht bracht, niet noodzakelijkerwijs ook zouden gelden wanneer de natuur in evenwicht zou zijn gebleven. Als grondleggers van de Griekse filosofie worden de Zeven Wijzen genoemd, al is het niet precies duidelijk wie er tot de Zeven Wijzen behoorden. Grote Griekse filosofen die later kwamen zijn Plato en zijn leerling Aristoteles.

Het begin van de Europese literatuur wordt gemarkeerd door de epische dichtwerken Ilias en Odyssee, vermoedelijk in de 8e eeuw v.Chr. geschreven door Homerus aan de oostkust van Klein-Azië.

Verspreiding Kelten over Europa
1: Oorsprongsgebied ten noorden van de Alpen
L: La Tène
H: Hallstatt
2: Grootste verspreiding in ongeveer 400 v.Chr.
B: Britse eilanden
G: Galatië in Klein-Azië
I: Iberisch Schiereiland

Etrusken[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Etrusken voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Vier duifjes vliegen rond het hoofd van de halfnaakte liefdesgodin Turan (vergelijkbaar met Aphrodite). Op de rand van het wierookbekken staat een korte inscriptie die aangeeft dat het voorwerp voor het graf van een vrouw met de naam Ramthu Tepia bestemd was, ca. 550-450 v. Chr.

Van 9e eeuw tot ca. 650 v.Chr. bloeide in Italië de Villanovacultuur, een cultuur die zeer verwant is met de Hallstatt-cultuur. De rijkdom van de Villanovacultuur berustte op de rijke koper- en ijzerertsen van Toscane. De ijzerindustrie produceerde wapens en werktuigen, de bronsindustrie verlegde het accent naar vaatwerk, helmen en sieraden. Deze rijkdom legde de basis voor de Etruskische beschaving. Dit was een beschaving die al in 850 v.Chr. ontstond, maar de Villanovacultuur pas in 650 v.Chr. compleet zou verdringen.

De Etrusken vormden een bevolkingsgroep die het gebied tussen de rivieren de Arno en de Tiber in Italië bewoonde. Rond 850 v.Chr. vestigden Griekse kolonisten zich in Campanië. Ze kwamen in contact met de Etrusken omdat die de ijzermijnen op Elba bezaten. Gestimuleerd door de Grieken ontwikkelden de Etrusken zich tot een hoogstaande cultuur. Dit kon ook door de al genoemde rijkdommen van de Villanovacultuur. De Etrusken zijn groot geworden door hun zeehandel, maar waren ook beruchte zeerovers. Ze handelden voornamelijk in keramiek, wijn en ijzer.

In de 7e eeuw v.Chr. bouwden zij op hun beurt hun zeemacht uit en stichtten verschillende havensteden. De 6e eeuw v.Chr. was hun belangrijkste periode: zij breidden hun "rijk" uit, in noordelijke richting tot aan de voet van de Alpen, en in het zuiden tot Campanië. Op zee bereikten zij de oostkust van Corsica, en zij sloten met de Carthagers een bondgenootschap tegen de Grieken van Magna Graecia. De stad Rome werd misschien niet door hen "gesticht", maar alleszins toch beheerst (de eerste Romeinse koningen waren Etrusken) en zij begonnen met de urbanisatie van Rome.

Toch konden zij in Italië géén eenheid bewerken: de Etruskische steden vormden een zeer losse federatie zonder een sterke leider. Tegen het einde van de 6e eeuw v.Chr. begon hun machtspositie af te takelen. Eerst leden zij in 474 v.Chr. een nederlaag tegen de Grieken onder Hiëro I van Syracuse. Zij verloren langzaam hun greep op Campanië en Latium, en de Tarquinii werden uit Rome verjaagd. Pas rond 400 kwam het einde nader: hun machtige stad Veii werd in 396 v.Chr. door de Romeinen veroverd. Kort daarop kregen zij de genadeslag door de invallende Galliërs, zoals de Romeinen de Kelten noemden, in 390 v.Chr. De Romeinen veroverden toen, na de uitdrijving van de Galliërs, langzaam maar zeker het territorium dat eens aan de Etrusken had toebehoord.

In 256 v.Chr. capituleerde de laatste stadstaat Volsinii en in 90 v.Chr. kregen de Etrusken het Romeinse burgerrecht, waardoor zij definitief in het Romeinse Rijk werden geïntegreerd en hun identiteit als volk langzaam verloren ging.

Klassieke Periode[bewerken]

Griekenland[bewerken]

Zie voor meer informatie hierover ook: Klassieke periode (geschiedenis).
De Lange Muren van het oude Athene, de vestingwerken en de Lange Muren moesten afgebroken worden na de Dekeleïsche Oorlog (413 tot 404 v.Chr.)
Een oude slavenvrouw (een voedster) houdt een boorling vast, terracottabeeldje, ca. 325–300 v.Chr., Louvre

De Grieken stichtten overal langs de kust van de Middellandse Zee en de Zwarte Zee koloniën. In de Griekse stadstaten (poleis) en ook wel in die koloniën kwam de klassieke Griekse cultuur tot bloei, vooral in de 5e eeuw v.Chr.. De overwinning op de Perzen voorkwam de verovering van het Griekse schiereiland. De coalitie van Griekse stadstaten die hiervoor nodig was, viel echter snel weer uit elkaar en onderlinge rivaliteit leidde tot de Peloponnesische Oorlog, die pas in 404 v.Chr. afgelopen was. De grote rivalen Athene en Sparta waren hierdoor beide ernstig verzwakt. De belangrijkste stadstaten waren Sparta, Athene, Korinthe, Thebe en Syracuse op Sicilië. Deze hadden sterk van elkaar verschillende politieke structuren. Zo had Athene, de belangrijkste polis, al een door Clisthenes bedachte directe democratie, waarbij het stemrecht echter voorbehouden was aan vrije mannen. Vrouwen bezaten er geen politieke rechten. In die democratie stemde men vooral volgens het eigen belang, iets waar Socrates verandering in probeerde te brengen. Het eerste georganiseerde rijk in Europa was het Macedonische Rijk, dat in de 4e eeuw v.Chr. opkwam doordat koning Philippus II van Macedonië de meeste tot dan toe onafhankelijke Griekse stadstaten onderwierp.

Zijn zoon Alexander de Grote startte een veroveringsoorlog tegen de Perzen, bedoeld als een vergelding voor de Perzische oorlogen, en bracht met zijn militair genie inderdaad het Perzische rijk ten val. Hij bereikte zelfs de Indus, waar weer een heel andere beschaving dan de Perzische opdoemde: India. Vanuit Grieks gezichtspunt was dat de grens van de bekende wereld. Zijn mannen weigerden verder op te marcheren. Niettemin werd de Griekse cultuur over een groot gebied verspreid. De op Alexanders veroveringen volgende periode wordt aangeduid met Hellenisme. Na Alexanders dood (323 v.Chr.) viel zijn rijk uiteen in elkaar bestrijdende diadochenrijken. Deze hellenistische rijken zouden stand houden tot zij veroverd werden door de Romeinen.

Het Oude Griekenland heeft grote namen voortgebracht, zoals de wetenschappers Eratosthenes, Archimedes, Aristarchus van Samothrace, Aristarchus van Samos en Euclides, filosofische scholen als die van de Epicuriërs, de Stoïcijnen en het neo-platonisme, en de grote en belangrijke bibliotheken van Alexandrië en Pergamum. Grote veranderingen vonden plaats in de literatuur, zoals in de poëzie, romanverhalen, reisverhalen en avonturenverhalen.

Kelten[bewerken]

Tegen 800 v.Chr. ontstond de Hallstatt-cultuur in het oosten van de Alpen, wat het begin zou zijn van de Keltische beschaving, een cultuur met veel gemeenschappelijke elementen. De Kelten maakten gebruik van prehistorische bouwwerken (nemetonen) en heilige bomen om er hun feestelijkheden te houden en hun religie te bedrijven.

De Keltische cultuur breidde zich uit over West-Europa en onderhield aanvankelijk goede handelsbetrekkingen met het Oude Griekenland. Rond 500 v.Chr. was de verspreiding op haar hoogtepunt. Vanaf dat moment spreekt men van de La Tène-periode. Waarschijnlijk gingen de niet-Indo-Europese volkeren die ze tegenkwamen na verloop van een paar generaties in de Kelten op. Zij onderhielden aanvankelijk ook goede contacten met de Etrusken, met wie ze handel dreven via de Griekse kolonie aan de Gallische zuidkust Massilia. In de 3e eeuw v.Chr. vielen Kelten Griekenland en Turkije binnen, op het moment dat ook de Etrusken het al met de Grieken aan de stok hadden en met hen een zeeslag hadden geleverd die de Grieken hadden gewonnen. Daar werden de Kelten bekend als de Galaten. In de 4e en 3e eeuw v.Chr. bezetten de Kelten Noord-Italië en bedreigden de toen nog kleine Romeinse Republiek. Een Keltische stam onder leiding van Brennus bezette in 387 v.Chr. de stad Rome en was slechts bereid te vertrekken nadat de Romeinen een grote afkoopsom aan hem betaald hadden. Een eeuw later, in 279 v.Chr. leidde een andere Brennus een veldtocht naar het Griekse Delphi.

Vanaf 100 v.Chr. begonnen de Romeinen de meeste Keltische gebieden in Europa te veroveren, behalve de uiterst westelijke delen in het tegenwoordige Ierland en Schotland. In afgelegen streken op het minder dichtbevolkte platteland wist de Keltische identiteit zich langer dan een paar generaties te handhaven. Maar de invloed van de Romeinse cultuur was dusdanig, dat spoedig sprake was van de Gallo-Romeinse periode, waarin de La Tène periode overging.

Germanen[bewerken]

Germaanse stammen voor de volksverhuizingstijd.

In de 6e eeuw v.Chr. leefden in Scandinavië en rond de Oostzee de Germanen. Hier verdreven ze wellicht de eerder gearriveerde Saami, Kelten en Baltische stammen, maar waarschijnlijker is dat ze zich er gedeeltelijk mee vermengden. Dat de Germanen toen nog niet erg talrijk waren lijkt te kunnen worden afgeleid van de veronderstelling dat een aanzienlijk aantal woorden in de Germaanse 'oertaal' overgenomen is van de vroegere niet-Indo-Europese bevolking van rond de Oostzee (zie Germaanse-substraathypothese).

De Dejbjerg wagen, Nationalmuseet

Hun overwicht bestond eerder uit betere wapens, zoals de strijdwagen, dan uit grotere aantallen krijgers. Na verloop van eeuwen ontstond er in deze streken toch een zekere overbevolking en velen van hen migreerden steeds verder naar het zuiden (het huidige Duitsland), om zich van daaruit geleidelijk naar het oosten, zuiden en het westen te verspreiden. Er ontstonden op die manier vele verschillende volksstammen, die op verschillende tijdstippen en plaatsen met andere namen werden aangeduid zoals de Friezen, Toxandriërs, Chatten en Cananefaten.

Leven en cultuur van al deze volken verschilden onderling niet zo veel, zeker niet in de tijd dat de Romeinen een groot deel van Europa veroverden. In hoofdzaak leefden zij in agrarische nederzettingen niet groter dan kleine dorpen. De westelijke volksstammen bestonden voornamelijk uit landbouwers, de oostelijke voornamelijk uit schaapherders en veehoeders (nomaden). De Germanen waren erg gesteld op hun onafhankelijkheid en hadden geen sterke stamverbanden. De Germanen waren waarschijnlijk constant in kleine, weinig serieuze oorlogjes betrokken. Het schrift was dat van de runen. Echt veel werd er door de Germanen niet opgeschreven, en er was geen uitgebreide literatuur. Wel hadden de Germanen waarschijnlijk een rijke orale cultuur, waarin voorgedragen poëzie een belangrijke rol speelde, zoals die nog deels tot ons is gekomen in de Germaanse mythologie. Over de godsdiensten die de Kelten en Germanen aanhingen is echter weinig bekend. De Romeinse beschrijvingen zijn oppervlakkig en gekleurd en het is onwaarschijnlijk dat de Germaanse mythologie van die tijd, rond het begin van de westerse jaartelling, nog sterk overeenkwam met de Noordse en Germaanse mythologie zoals die in de dertiende eeuw door Snorri Sturluson in Proza-Edda beschreven werd.

Bij dit alles moet worden opgemerkt dat het onderscheid tussen Kelten en Germanen niet goed duidelijk is. De benamingen werden gegeven door de oude Grieken en Romeinen en worden tegenwoordig vooral als taalkundig begrippen beschouwd, die onafhankelijke volken beschrijven zonder gezamenlijke identiteit.

Romeinse Rijk[bewerken]

Romeinse republiek[bewerken]

Rome werd vanaf de 8e eeuw geregeerd door koningen, maar na het schrikbewind van Lucius Tarquinius Superbus werd rond 500 v.Chr. de Romeinse republiek uitgeroepen. Het was toen nog niet veel meer dan een stadstaat. Nadat de Romeinen eerst de omliggende steden hadden veroverd, versloegen ze de in de 4e eeuw v.Chr. de Etrusken ten noorden van Rome en in de 3e eeuw v.Chr. de Samnieten en de Griekse koloniën in het zuiden. Zij kregen uiteindelijk het gehele Italiaanse schiereiland onder controle, door onderlinge verdeeldheid van hun tegenstanders uit te buiten en aantrekkelijke voorwaarden te bieden als zij bondgenoot wilden worden.

Punische oorlogen[bewerken]

In de 3e en 2e eeuw v.Chr. werden de Punische oorlogen tegen de stad Carthago uitgevochten. In de 3e eeuw v.Chr. was Carthago, een zelfstandig geworden Phoenicische kolonie, de gevaarlijkste rivaal van Rome. Carthago was vooral in de westelijke helft van de Middellandse Zee de dominante maritieme en commerciële mogendheid. De Eerste Punische oorlog werd vooral op Sicilië en ter zee uitgevochten; met zeeslagen moesten de Romeinen toen nog ervaring opdoen. De Carthaagse generaal Hannibal verwierf roem en beruchtheid in de Tweede Punische oorlog door met zijn grote leger, met krijgsolifanten, vanuit Hispania via Gallië over de Alpen te trekken en in heel Italië zware nederlagen toe te brengen aan Rome, evenwel zonder de stad zelf te kunnen belegeren. De Romeinen bestreden de Carthagers nog het effectiefst op hun eigen gebied in Hispania en later in Noord-Afrika, zodat Hannibal onverrichter zake naar Carthago moest terugkeren, waar hij verslagen werd bij Zama in 202 v.Chr. Toen beheerste Rome de westelijke helft van de Middellandse Zee. In 146 v.Chr. werden zowel Carthago als Korinthe door de Romeinen verwoest, waarmee Rome de hegemonie in het Middellandse Zeegebied verwierf. Veel oorspronkelijk Carthaagse en Griekse koloniën in Africa, Frankrijk en Spanje behoorden nu tot het Romeinse Rijk.

Gallië[bewerken]

1rightarrow blue.svg Gallische Oorlog

Onder leiding van Julius Caesar onderwierp Rome tussen 60 en 50 v.Chr. de Kelten in Gallië, die op dat moment bezig waren een stedelijke beschaving te ontwikkelen. Caesar werd vooral dankzij dit succes dictator voor het leven. Omdat de senaat vreesde voor een nieuwe koning, werd Caesar vermoord in 44 v.Chr.

Mare Nostrum[bewerken]

Met de veroveringen door de Romeinen van de landen rond de Middellandse Zee komt Europa in contact met Afrika en Azië. Sicilia (212 v.Chr.), Hispania (197 v.Chr.), Macedonia (147 v.Chr), Carthago (nu Africa) (146 v.Chr.), Anatolië (nu Asia) (129 v.Chr.), Syria (63 v.Chr.), Gallia (58 v.Chr.) en de rest van Noord-Afrika, Numidië (46 v.Chr.) en Egypte (30 v.Chr.).

Romeinse Keizerrijk[bewerken]

Het Romeinse Rijk op zijn hoogtepunt, onder keizer Trajanus

Caesar werd opgevolgd door Augustus, die het principaat stichtte. Keizer Claudius zou 80 jaar later Britannia aan het rijk toevoegen. Trajanus was de laatste grote veroveraar. Hij veroverde aan het begin van de 2e eeuw Dacië en grote delen van het Parthische rijk, al moest dat gebied al snel weer opgegeven worden. Rond 110 n.Chr. strekte het grondgebied zich uit van Noord-Engeland tot Egypte, een omvang die het nooit meer zou overtreffen. Alle pogingen om de Germanen noorden van de Donau en ten oosten en noorden van de Rijn te verslaan en hun grondgebied permanent te bezetten mislukten, waarna een lange periode van vrede aanbrak. De Romeinen verspreidden het Latijn en hun cultuur over hun rijk. Germaanse stammen werden aan de grenzen toegelaten en mochten in het rijk wonen, als ze zich maar aan de Romeinse wetten hielden. De crisis van de derde eeuw, toen het rijk in het oosten en in het westen grote stukken dreigde te verliezen, werd effectief bezworen.

De natuurwetenschappen maakten weinig ontwikkeling door. Het empirische onderzoek, waar de oude Grieken toch al niet erg de nadruk op legden, kwam vrijwel volledig stil te liggen; de ontwikkelingen vonden in het Romeinse Rijk vooral plaats op het technische, praktische vlak. Een gedeelte van de geschriften van de Griekse natuurwetenschappers, die eigenlijk meer natuurfilosofen waren, werd vertaald in het Latijn, maar die vertalingen waren dikwijls niet meer dan uittreksels.

Het christendom ontstond in de 1e eeuw en had bijna drie eeuwen lang te kampen met vervolging, zij het in wisselende mate. Een aantal martelaren uit die tijd zijn later heilig verklaard. Rond het jaar 300 was niettemin ongeveer acht tot tien procent van de bevolking christen. In 313 stond keizer Constantijn de Grote het christendom echter toe en werd zelf christen. Keizer Theodosius de Grote ging nog een stap verder en riep het christendom in 380 uit tot staatsgodsdienst. Daarmee was het christendom de belangrijkste godsdienst in Europa en rond het jaar 1000 zou het in vrijwel heel Europa dominant worden.

Omdat het Romeinse Rijk zo'n grote omvang had, ging de samenhang verloren en was het niet goed te verdedigen; het werd uiteindelijk opgedeeld in twee verschillende rijken, het West-Romeinse en het Oost-Romeinse Rijk. In 330 verhuisde Constantijn de Grote de hoofdstad van Rome naar Byzantium dat hij Nova Roma noemde, maar al gauw als Constantinopel bekendstond. Aan het begin van de 4e eeuw kwam ook de Grote Volksverhuizing op gang als gevolg van invallen van de Hunnen uit Azië via de Zuid-Russische vlakten. Dit zorgde ervoor dat Germaanse en andere barbaarse volkeren de Romeinse grens overstaken en de volken die daar al woonden verdreven of onderwierpen. Dit leidde tot grote onrust en al snel trokken de Romeinen zich uit Noordwest-Europa terug. De macht van het West-Romeinse Rijk was duidelijk in verval en de laatste keizer werd door een Germaan in Romeinse dienst in 476 afgezet.

Vroege middeleeuwen (± 500 - ± 1000)[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook artikelen in hetzelfde tijdvak als Vroege middeleeuwen en Invasies in Europa (793-1000)

Na het uiteenvallen van het West-Romeinse Rijk begonnen de vroege middeleeuwen. West-Europa bleek na de val van het West-Romeinse Rijk totaal te vervallen. Germaanse volkeren liepen het, samen met de Hunnen, onder de voet, terwijl het Oost-Romeinse Rijk nog duizend jaar zou bestaan als het Byzantijnse Rijk. Er waren vele volkeren op drift die alles plunderden wat ze tegenkwamen. Dit zou als de grote volksverhuizing de geschiedenis ingaan. De Oostelijke Germanen (de Vandalen, Sueven en Alamannen) staken de Rijn over en rukten op naar het zuiden, terwijl de Visigoten de Balkan binnenvielen. De Vandalen trokken plunderend door Gallië en staken de Pyreneeën over, maar werden daar verdreven door de Visigoten. Veel volkeren zouden zich in het veroverde gebied vestigen. De Ostrogoten vestigden zich in Ravenna, de Angelen en Saksen vestigden zich ten koste van de Kelten in Groot-Brittannië en de Salische Franken zouden Frankrijk stichten. De Hunnen, die het Romeinse Rijk ook binnenvielen, zouden nooit een rijk stichten in Europa, mede doordat Germaanse volkeren tegen de Hunnen in opstand kwamen na de dood van Attila de Hun. Het Byzantijnse Rijk, onder leiding van Justinianus, veroverde in een poging om het Romeinse Rijk te herstellen het Italische schiereiland van de Ostrogoten, maar verloor dat weer aan de Longobarden. Vanaf 711 veroverden de Moren in korte tijd bijna heel Iberië op de onderling ruziënde Visigoten. De Moren zouden daarna de Pyreneeën oversteken, maar uiteindelijk in de Slag bij Poitiers gestopt worden door Karel Martel, de hofmeier van de Franken.

Door de plunderingen die gepaard gingen met de grote volksverhuizing zou de levensstandaard en het bevolkingsaantal in West-Europa behoorlijk dalen in vergelijking met de voorafgaande Romeinse periode. Veel van de barbaren kwamen in contact met de vroegere Romeinse bevolking en cultuur en zouden bepaalde elementen, zoals het christendom, dat door keizer Theodosius rond 380 tot staatsgodsdienst was gemaakt[12], overnemen. Er is weinig schriftelijke informatie overgeleverd over de toestanden in die chaotische periode.

Het enige instituut dat de val van het West-Romeinse Rijk had overleefd, was de Rooms-Katholieke Kerk. De bisschop van Rome, beter bekend als de Paus, was de leider van de kerk. Zuidelijk West-Europa was in de Romeinse tijd gekerstend. Invallende volken, zoals de Visigoten in Iberië en de Franken in Gallië, pasten zich daarbij aan: de Franken bekeerden zich onder koning Clovis I rond 496 tot het christendom, de Visigoten waren al ariaans-christelijk en werden rond 600 katholiek-christelijk. In de 8e eeuw kwam echter bijna heel het Iberisch Schiereiland onder heerschappij van de islamitische Moren, die de islamitische cultuur daar tot bloei brachten en daarmee ook elders in Europa invloed uitoefenden.

Karel de Grote bracht als leider van de Franken een groot gedeelte van het vroegere West-Romeinse Rijk (en grote gebieden die erbuiten lagen) onder zijn heerschappij. In 800 werd hij door Paus Leo III gekroond tot keizer van het West-Romeinse Rijk, een titel die al sinds 476 niet meer was gebruikt. Na de dood van Karels zoon Lodewijk de Vrome (840) werd het rijk eerst in drieën gedeeld, maar enkele jaren later werd het middelste rijk herverdeeld en werd het een splitsing tussen West-Francië, de basis van het Franse Koninkrijk dat vanaf 987 Frankrijk genoemd wordt, en Oost-Francië, dat in 962 het Heilige Roomse Rijk genoemd zou worden.

In het late Karolingische rijk ontstond een standenmaatschappij, waaruit het feodalisme zou groeien. De Frankische koningen baseerden hun macht oorspronkelijk vooral op de jaarlijkse veld- (lees: plunder-) tochten. De koning kon zijn mannen belonen uit de buit die daarbij behaald werd. Toen Karel de Grote een groot deel van Europa veroverd had, en er buiten zijn landsgrenzen eigenlijk geen rijke gebieden over waren om te plunderen, moest hij een andere methode bedenken om zijn mannen aan zich te verplichten. Bovendien was het rijk veel te groot voor de primitieve communicatiemiddelen van die dagen. De koning was gedwongen eindeloos rond te reizen om plaatselijk zijn gezag af te kunnen dwingen en zijn belastingen ter plaatse op te eten, want deze werden veelal in natura voldaan. Hij had daarom plaatselijke vertegenwoordigers nodig en uit deze - aanvankelijke - ambtenaren is de adelstand ontstaan.

In Noord-Spanje ontstonden in de 8e tot 10e eeuw kleine christelijke rijkjes, die probeerden de islamitische macht weer uit Spanje te verdrijven, maar pas vanaf 1085 zouden ze daarmee belangrijke vorderingen gaan maken.

Militair, economisch en politiek beleefde Europa een diepe crisis in de 9e en de 10e eeuw. De Vikingen, die op zee zeer vaardig met hun drakkars om wisten te gaan, vielen binnen vanuit het noorden, de Magyaren vanuit het oosten en de Saracenen vanuit het zuiden. Al deze volkeren lieten een spoor van verwoesting na. Het centrale gezag van de twee Frankische rijken wist geen weerstand te organiseren, waardoor de bevolking het vertrouwen in hun heersers verloor. Lokale machtige individuen zagen nu hun kans schoon om het machtsvacuüm op te vullen. Dikwijls waren dat kinderen van medewerkers van Karel de Grote.

In Centraal- en Oost-Europa ontstonden in de 9e eeuw een aantal nieuwe rijken. Het Groot-Moravische Rijk ontstond rond 833 ongeveer op de plek van het huidige Tsjechië en Slowakije, maar werd in 908 alweer ingenomen door de Hongaren, die als nomadenvolk vanuit de Zuid-Russische steppe Europa plunderend binnentrokken en zich vestigden in het Karpatenbekken. Het Kievse Rijk ontstond rond 880 door het samengaan van de gebieden der Waregers in Oost-Europa. In de 10e eeuw was het rijk op zijn hoogtepunt, toen vorst Svjatoslav I het rijk van de Chazaren vernietigde en vervolgens gebieden in de noordelijke Kaukasus innam en doordrong tot de Zee van Azov. Ook veroverde hij grote delen van de Balkan, met als laatste grote wapenfeit het Bulgaarse koninkrijk aan de Donau.

De Europese bevolking, die bij het begin van de jaartelling ongeveer 70 miljoen zielen telde (ter vergelijking: China 60 miljoen), kromp in de vroege middeleeuwen in tot 20-30 miljoen. Dit kwam niet door bloedige oorlogen of grote hongersnoden, hoewel die er ook wel waren, maar door voorheen onbekende epidemische ziektes, die de invallende steppevolkeren met zich meebrachten. De Europese bevolking had hiertegen nog geen enkele weerstand opgebouwd en het sterftepercentage bij besmetting kon oplopen tot meer dan 50%.

Het dagelijks leven in de vroege middeleeuwen[bewerken]

In de vroege middeleeuwen was bijna iedereen boer. De mensen waren erg arm en vaak ondervoed. Bijna iedereen leefde op het platteland. Edellieden en de Kerk hadden heel veel macht. Omdat iedereen lid was van de Kerk, konden de geestelijken iedereen via de preekstoel beïnvloeden. Het aardse bestaan was in de middeleeuwen van ondergeschikt belang en het hele leven was gericht op het hiernamaals. De angst om in de hel te komen, maakte de mensen zeer onderdanig aan de machthebbers. In de vroege middeleeuwen lag het in de meeste gevallen al bij de geboorte vast of men tot de groep van de boeren of van de edelen zou horen. Men kon alleen uit zijn stand komen door geestelijke te worden.

Byzantijnse kunst en de Karolingische renaissance[bewerken]

Een mozaïek in de Hagia Sophia

De kunst in de vroege middeleeuwen was voornamelijk gebaseerd op de Klassieke Oudheid. Het zou tot het einde van de hoge middeleeuwen duren tot er een echt vernieuwende kunststroming zou komen (de gotiek).

In Oost-Europa, waar het Byzantijnse Rijk een voortzetting was van het Romeinse Rijk, ontstond in de 4e eeuw al de Byzantijnse kunst. De Byzantijnse kunst was een voortzetting van het Hellenisme. Er waren veel landen met nauwe banden met het Byzantijnse Rijk, zoals Bulgarije, Servië, het Kievse Rijk, Republiek Venetië en Koninkrijk Sicilië, die de Byzantijnse kunst overnamen. Byzantijnse mozaïekkunstenaars decoreerden verscheidene kerken en andere belangrijke gebouwen in Italië[noten 2].

In West-Europa duurde het tot 750 totdat er weer een opbloei kwam van de kunst. Onder invloed van de regeerperiode van Karel de Grote ontstond de Karolingische renaissance, die gebaseerd was op de Byzantijnse kunst. Dit was een opleving van cultuur en wetenschap tussen ca. 750 en ca. 950, onder invloed van de regeerperiode van Karel de Grote. Ze werd vooral gecultiveerd aan diens hof en gedragen door de clerus. Tijdens de regeerperiode van de Karolingen was er sprake van een hernieuwde belangstelling voor de klassieke cultuur. Byzantijnse invloeden, culminerend in het afbeelden van de menselijke figuur, werden versmolten met de Germaanse, grotendeels abstracte, ornamentiek. Zo zijn veel klassieke teksten in het Latijn tot in onze tijd bewaard gebleven in de vorm van kopieën die in de Karolingische tijd zijn vervaardigd. Dit gebeurde vooral in kloosterbibliotheken, waarvan het aantal en de omvang sterk toenam tijdens en vlak na de regeerperiode van Karel de Grote.

Hoge middeleeuwen (± 1000 - ± 1270)[bewerken]

De hoge middeleeuwen duurden van de 10e tot de 13e eeuw. Langzamerhand begonnen de oude steden, veelal daterend uit de Romeinse tijd, weer te groeien en werden er nieuwe steden en dorpen gesticht om de groeiende bevolking te huisvesten. In de landbouw vonden er belangrijke verbeteringen plaats (drieslagstelsel), waardoor meer geproduceerd kon worden. De handel kende zijn eerste bloeiperiode sinds de val van het West-Romeinse Rijk. In Vlaanderen, het Rijnland en Noord-Italië maakte de handel een explosieve groei van de welvaart in de steden mogelijk. De steden werden vooral door hun muren een machtsfactor van belang en dit leidde uiteindelijk vooral in Vlaanderen en Italië tot het ontstaan van machtige steden die in verzet konden komen tegen de alleenheerschappij van de adel en de geestelijkheid. Dit werd het begin van de afbraak van het feodale stelsel. De eerste scholen en universiteiten werden gesticht. De onder Karel de Grote begonnen Karolingische renaissance werd aldus voortgezet.

Bij aanvang van de hoge middeleeuwen was de kerstening ook tot het noorden van Europa doorgedrongen. De oude Germaanse en noordse mythologie werd nu ook in het noorden bijna geheel verlaten en als 'heidendom' beschouwd. De IJslandse dichter Snorri Sturluson heeft de restanten van de mondelinge overlevering uit de heroïsche tijd vastgelegd in de Edda, samen met de voorschriften die de skaldische dichtkunst regelden, welke anders ook verloren was gegaan.

Een detail van het tapijt van Bayeux, een tapijt dat de Slag bij Hastings beschrijft. Bij die slag veroverde Willem de Veroveraar Engeland
Kaart van Europa rond 1097 met routes van de eerste kruistochten

Engeland werd vanaf 1066 in korte tijd veroverd door Willem de Veroveraar, hertog van Normandië. Zijn opvolgers beheersten in de hierop volgende eeuwen nog steeds ook grote delen van Frankrijk, hetgeen talloze conflicten veroorzaakte met de Capetingen.

De Slag bij Bouvines kan beschouwd worden als de eerste pan-Europese oorlog. Deze slag werd in 1214 geleverd tussen keizer Otto IV van het Heilige Roomse Rijk en zijn bondgenoten en koning Filips Augustus van Frankrijk. Otto IV werd, alhoewel hij numeriek in de meerderheid was, verpletterend verslagen. Als gevolg van deze overwinning nam de macht van de Franse koning sterk toe.

Ondanks kleine overwinningen van christelijke staatjes in het noorden, zouden Spanje en Portugal deze eeuwen, overwegend in handen van de islamitische Moren blijven.

De Rooms-Katholieke Kerk liet veel schitterende kathedralen bouwen. De Mariaverering nam toe en het huwelijk kreeg een volwaardige sacramentele betekenis. Er vond een breuk plaats tussen de oosters-orthodoxe en de rooms-katholieke kerk. Deze scheuring staat ook wel bekend als het Oosters Schisma. Hoewel de breuk gewoonlijk gedateerd wordt in 1054, toen Paus Leo IX en de patriarch van Constantinopel, Michaëlis Caerularius, elkaar wederzijds excommuniceerden, was het oost-west schisma feitelijk het resultaat van een hieraan voorafgaande eeuwenlange periode van vervreemding tussen het Latijnse westen en het Griekse oosten.

De paus kreeg steeds meer macht, riep op tot verscheidene kruistochten naar het Heilige Land en vervolgde verscheidene ketterse bewegingen, zoals de katharen. Ook de Joden hadden van vervolgingen te lijden, al werden die niet door de Kerk op touw gezet. De kruistochten begonnen als een poging van de christenen om Jeruzalem op de moslims te heroveren. Het verlies van het Byzantijnse leger tegen de Seltsjoekse Turken in de Slag bij Manzikert in 1071 zorgde voor de eerste verzoeken om hulp en troepen uit het westen.[noten 3] Christelijke pelgrimage was in de voorgaande periode wel mogelijk geweest, hoewel het gebied toen ook onder islamitisch bestuur stond.

In de eerste helft van de 13e eeuw probeerden kerkelijke leiders zichzelf meer macht toe te eigenen en een waarachtig christelijk leven te bevorderen. Hiertoe moest de zeggenschap van wereldlijke leiders over de benoeming van kerkelijke ambten ongedaan gemaakt worden. Paus Innocentius III begon verschillende oorlogen en slaagde erin zijn invloed op de vele koninkrijken en vorstendommen in Europa te laten gelden. De bedelorden die aan het begin van de 13e eeuw ontstonden, leverden een bijdrage aan de opleving van een nieuwe vroomheid in de steden.

De zogeheten "renaissance van de 12e eeuw" ging op geestelijk gebied gepaard met een sterke opleving van de wetenschap. Na 1200 leerden ook koopmanszonen op de kloosterscholen lezen, schrijven en rekenen. Veel van deze niet-geestelijke geschoolde burgers kregen een baan in de handel of het bestuur. Halverwege de 12e eeuw ontstonden uit de kathedraalscholen van Bologna en Parijs de eerste universiteiten. Studenten konden zich daar specialiseren in geneeskunde, recht of theologie. Deze opleving van de wetenschap zorgde ervoor dat in korte tijd de hoofdwerken van Arabische en Griekse filosofen en zuiver wetenschappelijke teksten in het Latijn werden vertaald. Tegen 1200 beschikte men in het Westen slechts over een beperkt aantal van de hoofdwerken van Aristoteles in vertaling, die als de tolk van de natuurlijke orde werd beschouwd. De dominicaan Willem van Moerbeke en anderen vertaalden in de eerste helft van de 13e eeuw de rest van Aristoteles' oeuvre.

Vanaf ongeveer 1000 kwam in christelijk Europa Jodenvervolging op gang[bron?]. Met het begin van de kruistochten in 1095 nam die Jodenvervolging gruwelijke vormen aan. Men breidde namelijk deze strijd tegen de islamieten uit tot de strijd tegen de evenmin christelijke joden. In islamitisch Spanje en Portugal kenden de joden in deze eeuwen ook goede en slechte tijden, hoewel men hier wel toleranter was.[noten 4]

De romaanse en vroeggotische stijl[bewerken]

Caen: Kerk van de Vrouwenabdij

De hoge middeleeuwen begonnen op het gebied van de kunst eigenlijk al rond 900[bron?] met de romaanse stijl. Ondanks de benaming is het romaans als bouwstijl slechts indirect gebaseerd op de bouwstijl van de Romeinen. Feitelijk komt deze stijl voort uit de Karolingische bouwkunst, waarin principes uit de Romeinse architectuur werden herontdekt.

De romaanse stijl werd gekarakteriseerd door kleine rondboogvensters en decoraties met eveneens ronde bogen. De stenen muren droegen het grootste deel van het gewicht van het gebouw op zich, waardoor grotere ramen niet mogelijk waren. Omdat veel gebouwen in die tijd van hout gemaakt werden, bleven feitelijk vrijwel alleen kerken en kloosters in de romaanse bouwstijl bewaard. Hoewel de kenmerken vrij algemeen zijn, kent de romaanse stijl grote regionale verschillen. Bovendien maakte de stijl een geleidelijke ontwikkeling door die uiteindelijk, door de grootschalige toepassing van het kruisribgewelf, zou leiden tot het ontstaan van de gotische bouwstijl, waardoor de romaanse stijl werd verdrongen.

De vroeggotiek was de eerste vernieuwende kunststijl sinds de val van het West-Romeinse Rijk en begon als bouwstijl in het jaar 1122. In de abdij van Saint-Denis bij Parijs, zette abt Suger een grote verbouwing in gang. Dit resulteerde in het eerste vroeggotische bouwwerk.

Het verschil tussen de gotiek en het romaans is dat de gotiek voorheen noodzakelijke bouwelementen weglaat. Dit was mogelijk door de toepassing van kruisribgewelf, spitsboog en pilaren. Buitenwaartse krachten, die de neiging hebben de muren naar buiten te drukken, waren in de romaanse architectuur met haar dikke muren geen probleem, maar moesten bij deze veel lichtere constructie op de een of andere manier afgevoerd worden. Hiervoor werd de luchtboog verder ontwikkeld. Hierdoor ontstond een sterke constructie die in de romaanse stijl onmogelijk was en die een grotere verticaliteit toeliet. Dit zorgde ervoor dat de kerken veel hoger konden worden en dat er ruimte vrijkwam in de kerk, door het weglaten van dragende onderdelen. De vroeggotiek werd gevolgd door de hooggotiek, een stijl die zich vooral kenmerkte doordat de gotiek nog meer werd toegepast.

Wetenschap en cultuur[bewerken]

Thomas van Aquino

Thomas van Aquino was de eerste theoloog die onderscheid maakte tussen het goddelijk en het menselijk recht, tussen geestelijke en wereldlijke macht. Hij stelde dat "het goddelijk recht dat op genade gebaseerd is, het menselijk recht dat uit de rede voortkomt niet uitsluit."

De kracht van de menselijke rede werd ontdekt: Anselmus van Canterbury opende de deur voor de 'redenerende theologie'. Het grote vertrouwen in de menselijke rede leidde tot de scholastieke methode: een rustige, objectieve benadering waarbij de auteur geheel in dienst staat van het zoeken naar de waarheid. De scholastiek gebruikt gezaghebbende auteurs: in de Summa theologiae van Thomas staan 25.000 citaten uit de Bijbel, 2500 van Augustinus, en 2500 uit de werken van Aristoteles, naast vele aanhalingen uit Dionysius de Areopagiet en anderen, onder wie ook joodse schrijvers als Maimonides en islamitische auteurs als de filosofen Avicenna en Averroes.

Late middeleeuwen (± 1270 - ± 1500)[bewerken]

Europa in 1328
Verspreiding van de pest over Europa tussen 1347-1351

Na de afzetting van Keizer Frederik II in 1245, viel het Heilige Roomse Rijk in verdeeldheid. De Rooms-Duitse koningen werden compromisfiguren van de keurvorsten. De invloedrijkste staat werd Frankrijk, vooral onder Filips IV van Frankrijk (1285-1314). Toen Paus Bonifatius VIII met zijn bul Unam Sanctam beweerde, dat hij na God de machtigste persoon ter wereld was, lieten de staatshoofden hem vallen. Paus Clemens V, een Fransman, verhuisde in 1309 de apostolische stoel van Rome naar Avignon. Filips had hem overtuigd om in Avignon te blijven, wat de macht van de Franse koning over de Kerk nog vergrootte. Het was het begin van de Babylonische ballingschap der pausen.

Eind 13de eeuw werd de band met het Oosten verbroken, wat economisch en cultureel een verarming betekende. Het Beleg van Akko (1291) betekende het einde van het kruisvaarderstijdperk in de Levant. In 1295 bekeerden de Mongolen zich tot de islam en in 1299 ontstond er een nieuw imperium, het Ottomaanse Rijk.

Veertiende eeuw[bewerken]

Ook de verslechtering van het klimaat kan een rol gespeeld hebben. De grote hongersnood van 1315-1317 was het gevolg van een uitzonderlijk natte zomer, dit leidde tot een langdurige en diepe economische depressie.

Toen Filips VI van Frankrijk, eerste koning van het Huis Valois, de titel van hertog van Guyenne, van Eduard III van Engeland afnam, verklaarde Eduard, dat hij en niet Filips de rechtmatige koning van Frankrijk is. Het begin van de Honderdjarige Oorlog (1337-1453). Engeland zou Frankrijk tijdens deze oorlogen plunderen, maar uiteindelijk zou het Franse leger, onder leiding van Jeanne d'Arc, de Engelsen uit Frankrijk verdrijven.

In 1342 begon men met de bouw van het nieuwe Pausenpaleis in Avignon, daarvoor was er veel geld nodig. De verkoop van de aflaten was voor de Kerk een grote bron van inkomsten. Kritiek brak los, van onder anderen John Wyclif, die stelde dat Christus het hoofd van de Kerk is en niet de paus. Dit zou uiteindelijk de basis leggen voor de protestantse leer van Maarten Luther.

Ergens in Tartarije waarde de Zwarte Dood rond. Hij deed zijn intrede in Europa met een Genuees schip in 1347.[13] Ongeveer een derde van de Europese bevolking stierf aan de pest (1347-1351). Deze pestepidemie maakte een einde aan een periode van stabiele bevolkingsgroei en het wankele evenwicht tussen de oogst en de voedselbehoefte. Omdat een derde van de plattelandsbevolking was gestorven en veel land daarom onbebouwd bleef, konden de horigen en boeren in 1352 viermaal zoveel voor hun graan vragen, wat zorgde voor een forse loonstijging en meer rechten voor de arbeiders. De vraag naar graan was echter sterk gedaald als gevolg van de afgenomen bevolking. Hierdoor daalde de graanprijs, waardoor veel boeren noodgedwongen hun plattelandsleven opgaven en naar de steden trokken om daar een ambacht uit te oefenen. Ook waren er veel roofridders en plunderaars. Volgens sommige historici werden bepaalde delen van Europa – zoals de Midlands, de Povlakte, Bohemen en het huidige Zuid-Duitsland – niet door de depressie getroffen. Daar waar de pest minder hard toesloeg, begon het normale leven sneller en bloeide de handel terug op. De eerste Hanzadag vond plaats in Lübeck in 1356.

De vader en de moeder van Peter I van Castilië bezweken aan de pest, Spanje geraakt betrokken in de honderdjarige oorlog en er brak een burgeroorlog (1351-1369) uit. De Joden kregen de schuld voor alle onheil. De Spaanse Inquisitie deed veel Joden uit Iberië op de vlucht slaan naar Frankrijk, Vlaanderen en Holland, maar ook naar Noord-Afrika.

De jodenvervolging was in christelijk Europa vooral op gang gekomen tijdens de kruistochten vanaf 1095. Toen dan eenmaal het vervolgen en vermoorden van Joden vanuit christelijke motieven bezig was, vond men al snel nog extra 'redenen' om de Joden te haten. In de late middeleeuwen moest de Joodse bevolking het bijvoorbeeld ook ontgelden wegens de pest en de eerdergenoemde economische crisis. De Joden hadden een groot deel van het bankverkeer in handen gekregen door kerkelijke renteverboden (die alleen voor christenen golden) en omdat Joden uit andere beroepen geweerd werden. In tijden van economische crisis en pest werd het aantrekkelijk om woede en onmacht op de Joodse schuldeisers en hun families af te reageren. De toch al geminachte en in christelijke ogen 'ongelovige' Joden werden vermoord omdat ze ervan beschuldigd werden waterbronnen te hebben vergiftigd met pestkiemen.[14]

Tijdens een zware aardbeving in 1354 werd het fort van Gelibolu vernietigd en zo konden de Ottomanen bij de Dardanellen doordringen naar Europa. Langzaam maar zeker rukten ze verder op. Onder sultan Murat I veroverden zij gebieden in Macedonië, Bulgarije en Servië, waarmee ze een zeer sterke aanwezigheid in Europa kregen. Sofia werd in 1385 veroverd, Thessaloniki in 1387, later werd ook Albanië veroverd. In de 15e eeuw gingen de veroveringen door, meer gebieden in onder andere Servië werden veroverd en in 1453 viel de Byzantijnse hoofdstad Constantinopel, die de nieuwe hoofdstad van het Ottomaanse Rijk werd. Zelfs in Italië hadden zij voor korte tijd een basis in 1480 na de Ottomaanse aanval op Otranto.

Onder druk van de publieke opinie en de overtuigingskracht van twee mystica, Birgitta van Zweden en Catharina van Siena keerden de pausen terug naar Rome. Het resultaat was nog erger dan van te voren. Er waren nu twee pausen, één Avignon en één in Rome. Deze periode kreeg de naam, het Westers Schisma (1378-1417). Een poging de patstelling te doorbreken, eindigde met drie pausen.

Rond 1385 ontstonden er twee nieuwe vorstendommen. De Lage Landen werden tussen 1384 en 1443 samengevoegd tot de Bourgondische Nederlanden. De Unie van Krevo verbond, door een koninklijk huwelijk, Polen en Litouwen. De Unie van Kalmar in 1397 verenigde Scandinavië.

De veertiende eeuw eindigde met een zware nederlaag van een gezamenlijk Europees leger tegen de Ottomanen in de Slag bij Nicopolis in 1396.

Humanisme[bewerken]

Francesco Petrarca, zelf priester, wordt traditioneel de vader van het humanisme genoemd en werd door velen beschouwd als de 'vader van de renaissance'. In zijn werk Secretum meum wijst hij erop dat de vrije wil niet noodzakelijkerwijs een authentieke relatie met God in de weg staat. Petrarch beweerde dat God, de mens heeft voorzien van enorme intellectuele en creatieve mogelijkheden en de mens aanzet, die te gebruiken. Hij inspireerde de humanistische filosofie die leidde tot de intellectuele bloei van de renaissance. Hij geloofde in de immense morele en praktische waarde van de studie van oude geschiedenis en literatuur.

De renaissancistische humanisten vormden een eerste groep; die zich verzette dat men zich baseerde op klassieke werken, die op bepaalde punten foute vertalingen vanuit het Grieks (of voor het Oude Testament het Hebreeuws) in het Latijn bezaten. Om deze te corrigeren moesten de gezaghebbende teksten in hun oorspronkelijke taal worden bestudeerd, bij voorkeur in een versie die het origineel zo dicht mogelijk benaderde. Latere toevoegingen en uitleggingen werden veel minder belangrijk gevonden. Daarnaast wilden de humanisten ook meer schrijvers en geleerden aan de canon toevoegen.

Vóór de renaissance was de wetenschap vrijwel geheel gebaseerd geweest op een relatief klein aantal traditionele boeken en schrijvers, zoals de Bijbel en een aantal Griekse en Romeinse schrijvers zoals Plato, Aristoteles en Galenus. Het werk van de wetenschappers bestond uit het geven van commentaren op deze boeken en het toepassen van deze werken op actuele situaties.

Vijftiende eeuw[bewerken]

Begin de vijftiende eeuw zag men de opkomst van nieuwe staten, die zich ontpopten tot welvarende ministaten, zelf tot wereldmacht. De zeeslag bij Modon in 1403 betekende het einde van de Republiek Genua en ook de dominantie van de Republiek Venetië over de Middellandse Zee. Vanaf nu regeerde het Koninkrijk Aragon over het westelijk deel en het Ottomaanse Rijk over het oostelijk deel van de Middellandse Zee.

In de geest van de kruistochten en op zoek naar Pape Jan, zochten de Portugezen naar een manier om de islamitische veroveraar te contourneren. Dit zal leidden tot de Europese ontdekkingsreizen.

Frankrijk, zwaar geteisterd door burgeroorlog en stuurloos door de mentale ontreddering van koning Karel VI, werd een gemakkelijke prooi voor de Engelse koning Hendrik V, die van het machtsvacuüm gebruik maakte om het Franse leger verpletterend te verslaan bij Azincourt (1415). Karels losbandige echtgenote Isabella van Beieren had aanvankelijk de Armagnacs gesteund en had toen zelfs een openlijke relatie met Lodewijk I van Orléans, maar later, na de dood van Lodewijk, koos ze partij voor de Engelsen en voor Jan zonder Vrees, die echter op zijn beurt vermoord werd in 1419. Dit alles leidde tot een Engels-Bourgondische coalitie, met de zoon van Jan, Filips de Goede, die bezegeld werd door het Verdrag van Troyes in 1420. Koningin Isabella bewoog haar zwakzinnige echtgenoot Karel VI ertoe zijn dochter Catharina uit te huwelijken aan Hendrik V, die Karel in Frankrijk zou opvolgen na diens dood - wat erop neerkwam dat Karel VI met dit verdrag zijn eigen zoon, Karel VII, onterfde.

Rooms koning Sigismund van Luxemburg slaagde erin het kluwen van het Westers Schisma te ontwarren tijdens het Concilie van Konstanz (1414-1418). De nieuwe en enige paus werd Martinus V. Koning Sigismund had er wel een groot offer voor nodig, namelijk de veroordeling van zijn landgenoot Jan Hus.

Rond 1430 herrees Europa uit zijn as. Eerst via de kleine vorstendommen, via meester-tacticus Filips de Goede, hertog van Bourgondië, bankier Cosimo de' Medici de Oude, heer van Florence, verspreiders van kunst en cultuur. De Portugeze ontdekkingsreizigers voeren voorbij de mythische Kaap Bojador, de zuidelijk eindgrens.

Een andere mythische figuur was Jeanne d'Arc. Mede dank zij haar verwierf het verschrompelde Frankrijk zijn status terug. Karel VII van Frankrijk, zoals andere tijdgenoten, was een hervormer. Belangrijker nog dan het territoriale herstel was zijn reorganisatie van leger en financiën, de basis van het latere vorstelijk absolutisme. Op militair gebied werkte hij aan de oprichting van een staand beroepsleger, dat de uitspattingen van de vroegere ongedisciplineerde legerbenden moest uitschakelen. Om deze onderneming te financieren, creëerde Karel belastingen (tailles) die niet onderworpen waren aan de voorafgaande toestemming van de Staten. Op kerkelijk terrein betekende de Pragmatieke Sanctie van Bourges (1438) eveneens een stap in de richting van het vorstelijk absolutisme, omdat daardoor de Franse kerk rechtstreekser onder het gezag van de koning werd geplaatst.

Tijdens de 15e eeuw verloor het feodalisme veel invloed in West-Europa. Steeds meer lenen vervielen in de handen van steeds minder adellijke families door het proces van vererving. Zo hadden Vlaanderen, Holland en Luxemburg oorspronkelijk ieder hun eigen graaf of groothertog, maar uiteindelijk was dat dezelfde persoon. Uiteindelijk ontstonden daardoor meestal twee grote bondgenootschappen in de vorm van een lappendeken die elkaar de macht bestreden zoals de Hoeken en Kabeljauwen. Rond 1500 was het feodalisme tot zijn bloedige eindstrijd gekomen en waren er weer koningen die trachtten hun absolute macht te herstellen. De adel bleef wel bestaan, maar werd tot hofadel gereduceerd. De landen zouden bijvoorbeeld een eigen taal ontwikkelen in plaats van het Latijn. Er kwamen steeds meer parlementen.

De huisnijverheid groeide uit tot grootschalige industrie, in handen van kooplieden, die de grondstoffen en eindproducten in heel Europa verhandelden. De schaalvergroting had verregaande gevolgen voor de steden. In hoog tempo verrezen er kantoren voor handelscompagnieën, beursgebouwen, banken, wisselkantoren en koeriersdiensten. De prijs voor deze snelle stedelijke groei was vervuiling van de stad, ongevallen, brandgevaar en epidemieën.

Na de verkiezing van Albrecht II tot Rooms-koning in 1438, leverden de Habsburgers, met uitzondering van Karel VII, alle keizers van het Heilige Roomse Rijk tot eind 1806.

Het scharnierjaar 1453 begon met een aanslag op Paus Nicolaas V, in mei viel Constantinopel, wat het einde van het Byzantijnse Rijk betekende. Met de Slag bij Castillon eindigde de Honderdjarige oorlog. De drukpers van Johannes Gutenberg luidde een nieuw tijdperk in.

De nederlaag in de Honderdjarige Oorlog zorgde voor veel beroering in Engeland. Edelen onder leiding van Richard van York, afstammeling van de rechtmatige erfgenaam van Richard II, gaven de regerende Lancasters de schuld van de nederlaag en beschuldigden de regenten van Hendrik VI, die inmiddels zwakzinnig geworden was, van machtsmisbruik. Uiteindelijk slaagde Richard erin zelf regent (Lord Protector) te worden. Toen Richard in 1455, na het herstel van Hendrik VI, het hof gedwongen moest verlaten, startte hij de Rozenoorlogen (1455-1485).

De opmars van de Ottomanen in Europa werd gestuit door twee veldheren in het bijzonder, Skanderbeg en Johannes Hunyadi. De Slag bij Vaslui is ook het vermelden waard.

Vanaf Paus Paulus II deed het nepotisme zijn intrede. De ene Renaissancepaus was al gortiger dan de andere. De lege pauselijke schatkist moest worden aangevuld met nieuwe middelen, die sterk verzet uitlokten; verhoogde premies voor het verkrijgen van prebenden, het koopbaar maken van ambten (simonie) en het uitschrijven van nieuwe aflaten.

Het huwelijk van Ferdinand II van Aragon met Isabella I van Castilië in 1469 legde de basis van een nieuw wereldrijk. De reconquista eindigde met de val van Granada op 2 januari 1492. Kort hierna tekenden Ferdinand II en Isabella het zogenoemde verdrijvingsedict, waarin alle Joden werden gedwongen zich te bekeren tot het christendom of het land, met achterlating van hun goud, zilver en geld, te verlaten.

Het huwelijk tussen hertogin Maria van Bourgondië, met Oostenrijkse kroonprins Maximiliaan van Oostenrijk leidde tot Bourgondische Successieoorlog (1477-1482), het begin van de strijd tussen de Habsburgers en het huis Valois.

De Rozenoorlogen eindigden met de Slag bij Bosworth (1485). Richard III van Engeland sneuvelde en Hendrik Tudor, de Earl van Richmond greep de macht en liet zich tot koning kronen als Hendrik VII. Hiermee kwam het huis Tudor aan de macht, ten koste van het huis York.

Litouwen, Polen, een deel van Pruisen, Koninkrijk Bohemen, Hongarije en een deel van Kroatië waren eind 15de eeuw in handen van het Huis Jagiello en daarmee een van de machtigste vorstenhuizen van Europa.

Laat-gotiek en Renaissance[bewerken]

Laat-gotiek[bewerken]

De late middeleeuwen waren een overgang tussen de periode van de Gotische kunst en de renaissance, behalve in Italië waar de gotiek nooit echt voet aan de grond heeft gekregen en de renaissance al rond 1450 begon. De gotiek zat tijdens de late middeleeuwen duidelijk in haar laatste fase. Het begin van de late middeleeuwen was de periode van de internationale gotiek. De internationale gotiek verspreidde zich vanuit Bourgondië over andere Europese landen. Zij wordt gekenmerkt door een verbinding van middeleeuwse stijlelementen met meer realistische uitvoeringen van landschappen en kostuums. De motieven kwamen vooral uit de hoofse wereld. Daarbij komt een sterk gevoel van diepte en een ornamentele gedetailleerdheid.

De internationale gotiek behelst alle kunstvormen, zoals boekverluchting, schilderkunst (Vlaamse Primitieven), beeldhouwkunst, glasramen.... In de architectuur spreekt men van de flamboyante gotiek, de laatste fase van de gotiek. In figuurlijke zin betekent flamboyant fonkelend of schitterend. De flamboyante stijl is een stijl met vlamvormige elementen zoals de buitendecoraties die op vele bouwkundige onderdelen werden aangebracht. Een bekend voorbeeld is het stadhuis van Leuven.

Aan het einde van de late middeleeuwen werd de gotiek, voor zover ze al in Italië was, aldaar verdrongen door de vroege renaissance, doordat de Italianen zich gingen verdiepen in de Klassieke Oudheid. Het zou in de rest van Europa nog tot 1500 duren voordat de renaissance zou beginnen.

Renaissance[bewerken]

De Renaissance kan beschouwd worden als een overgangsperiode tussen de middeleeuwen en de 'nieuwe tijd'. Deze periode begon al tijdens de late middeleeuwen toen verschillende ontwikkelingen die vooruitwezen naar de volgende periode zich aankondigden. In Italië zijn deze nieuwe ontwikkelingen traceerbaar vanaf de veertiende eeuw. Er was geen politieke eenheid in Italië. Paus Martinus V keerde na de Babylonische ballingschap der pausen, in 1420 naar Rome terug. Eenmaal in Rome verordonneerde Martinus de heropbouw van de stad en liet de vervallen kerken, paleizen, bruggen, aquaducten en andere publieke werken opknappen met behulp van Toscaanse architecten en kunstenaars, waaronder Pisanello, Masaccio en Lorenzo Ghiberti. [15]

De stadstaten waren feitelijk zelfstandig, Florence, Venetië, Milaan en Genua. De elite in de steden van Italië ging zich richten op de klassieke oudheid, omdat meer en meer Romeinse en Griekse kennis en kunst werd teruggevonden en er een grote interesse was voor de Romeinse cultuur. Aldus kwam het tot een herontdekken van de Romeinse en Griekse beschaving: recht, dichtkunst, architectuur, kunst en cultuur.

De renaissance verspreidde zich langzamerhand over West-Europa. Van 1300 tot 1450 beperkte de renaissance zich vrijwel geheel tot in Italië, daarna beïnvloedde ze tot ~1600 heel West- en Midden-Europa. Hoewel algemeen bekend als een opleving in de kunsten, is de renaissance vooral belangrijk doordat veel kennis uit de oudheid nu opnieuw bekend werd in Europa, waaronder die van de wiskunde.

Leonardo da Vinci's Vitruvische Mens, een voorbeeld van de synthese van kunst en wetenschap tijdens de renaissance

Belangrijk voor de renaissance was de uomo universale, die thuis was in alle kunsten en wetenschappen. Dit ideaal stamde ook uit de oudheid; zo was Aristoteles een belangrijke uomo universale. Voorbeelden van een uomo universale zijn Leon Battista Alberti en Leonardo da Vinci.

De uitvinding van de boekdrukkunst met losse letters was een mijlpaal in de Europese geschiedenis. In het begin van de 15e eeuw werden zogenaamde 'blokboeken' gemaakt. Tekst en afbeeldingen werden in hout uitgesneden, waarna ze handmatig konden worden afgedrukt. De nieuwe techniek voorzag duidelijk in een behoefte en verbreidde zich snel. In de halve eeuw die volgde werden op diverse plaatsen in Europa drukkerijen ingericht. De opkomst van het humanisme en de renaissance werd gestimuleerd door de uitvinding van de boekdrukkunst.

Renaissancekunst[bewerken]

De nieuwe tijd begon met de Italiaanse renaissance en inspireerde gelijksoortige ontwikkelingen elders, zoals de Spaanse renaissance, de Engelse renaissance, de Duitse renaissance, de Franse renaissance en de renaissance in de Nederlanden. In de periode van de renaissancekunst waren heel wat kunstschilders actief met het maken van schilderijen. Door economische vooruitgang was het ook mogelijk om onder patronaat realistische schilderijen te laten maken. Deze schilderijen waren zeer kostbaar omdat het veel tijd kostte om ze te maken. Vooral in Italië was er een periode van artistieke hoogtepunten. Het waren tijden van opvallende technische inventiviteit; de olieverftechniek werd uitgewerkt tot een ultieme verfijning, houtsnede en kopergravure waren veelgebruikte nieuwe technieken, de boekdrukkunst nam een hoge vlucht door de uitvinding rond het midden van de 15e eeuw van de lettergieterij, en het wiskundig en esthetisch uitwerken van het lineair perspectief. In de Lage Landen, vooral in Brussel, verschoof de belangstelling naar het uitbeelden van het alledaagse leven. Wat ook heel kenmerkend was voor de Renaissance was dat kunstwerken gesigneerd werden, een uiting van het opkomend individualisme. In de middeleeuwen werd dit nooit gedaan, omdat men vond dat de kunstenaar het werk deed in de naam van God en niet in de naam van zichzelf. In de beeldhouwkunst kwamen een aantal aan de oudheid ontleende ontwikkeling op: de portretbuste en het ruiterstandbeeld. Prominente figuren uit de Italiaanse renaissance zijn Donatello, Michelangelo en Leonardo Da Vinci. Te onderscheiden is de vroegrenaissance en de hoogrenaissance. De gebouwen van de voorbije eeuwen moesten verdwijnen: Constantijns hoofdkerk boven Petrus' graf moest plaatsmaken voor een nieuwe kerk. De herleefde belangstelling voor de oudheid kwam vooral naar voren in de architectuur. Men bestudeerde de verhandeling van de Romein Vitruvius en mat antieke gebouwen op om zich vertrouwd te maken met de 'taal' van die architectuur (met vormen zoals frontons, eierlijsten, Dorische, Ionische, Korinthische zuilen; met de 'grammatica', de regels voor het bijeenvoegen van de onderdelen). Italiaanse architecten waren onder anderen Filippo Brunelleschi, Palladio en Donato Bramante. Ook in andere landen is de renaissancearchitectuur terug te zien in vele grote Franse kastelen, vooral in het departement Loire. Het bekendste renaissancekasteel in Frankrijk is het kasteel van Fontainebleau, dat vanaf 1528 aanzienlijk uitgebreid en verfraaid werd door koning Frans I.

Nieuwe Tijd (± 1500 - ± 1800)[bewerken]

Rond 1500 liepen de middeleeuwen af en begon de Nieuwe Tijd. Historici zijn het er niet over eens wanneer de Nieuwe Tijd precies begon, maar er zijn verschillende gebeurtenissen rond 1500 die aangemerkt kunnen worden als het begin van de Nieuwe Tijd. Gebeurtenissen die dikwijls als beginpunt worden genomen zijn onder andere de val van Constantinopel (1453), de ontdekking van Amerika door Columbus (1492) en het begin van de Reformatie (1517).

Een nieuwe wereld, een nieuwe tijd. Christoffel Columbus ontdekte Amerika en daar was Johan II van Portugal niet mee opgezet, hij verwees naar het verdrag van Alcáçovas. Paus Alexander VI, een Spanjaard, kon de twee partijen, Portugal en Spanje bedaren, met het Verdrag van Tordesillas in 1494 waar hun invloedssferen werden afgebakend. Spanje kon zich richten op Amerika en Portugal op Afrika en Azië.

Toen Gian Galeazzo Sforza, Hertog van Milaan, in 1494 stierf, eiste koning Karel VIII van Frankrijk, via de lijn van het Huis Anjou-Sicilië en koning Alfons II van Napels, via zijn vrouw Ippolita Maria Sforza, de troon op, het begin van de Italiaanse Oorlogen (1494-1559).

De grondwet van het Heilig Roomse Rijk was begin 15e eeuw nog niet vastgelegd. Hoewel enkele procedures en instellingen vastlagen, gedroegen de hertogen zich onafhankelijk. Het oude regeringsorgaan, de Hoftag, viel uit elkaar. De Rijksdag bestond nog niet, waardoor het rijk onbestuurbaar werd. Uiteindelijk ontstonden zelfs interne oorlogen. Tijdens deze drastische veranderingen gingen dan ook stemmen op om de structuur van het Rijk te veranderen. Regels uit een ver verleden waren niet meer relevant; een versterking van het gecentraliseerd bestuur werd noodzakelijk geacht. Tijdens de Rijksdag van Worms (1495) werd de Reichstag voor het eerst samengebracht. De Rijkshervorming werd goedgekeurd, hierdoor kreeg het Rijk een nieuwe structuur.

Zestiende eeuw[bewerken]

De zestiende eeuw was de tijd van de reformatie en de koloniale expansie. Gedurende de 16e eeuw was Spanje, dat geregeerd werd door de Habsburgers, de dominante macht in Europa. Ook het Ottomaanse Rijk was een macht van betekenis.

Het jaar 1500 was een Heilig Jaar, voor de pelgrim een bonusjaar. Paus Alexander VI liet de vier Heilige Deuren openen. Paus Julius II haatte de Borgia's, maar niet hun territoriale veroveringen. Toen de veroverde gebieden hulp vroegen aan de Republiek Venetië brak de Oorlog van de Liga van Kamerijk (1508-1513) uit.

Met het Concordaat van Villafáfila in 1506, kwam Spanje en met het Eerste Wener Congres in 1515, kwam Oost-Europa in het Huis Habsburg en legde zo de basis van een rijk waar de zon nooit ondergaat.

Reformatie[bewerken]

De reformatie was een baanbrekende ontwikkeling die de Nieuwe Tijd inluidde. Het was aanvankelijk een beweging die de Katholieke Kerk wilde hervormen.[16] Maarten Luther leidde vanaf 1517 in Duitsland de reformatie[17], Huldrych Zwingli deed dat in Zwitserland[18] en de een generatie jongere Fransman Johannes Calvijn leidde de reformatie in Frankrijk en Zwitserland.[19] Door de Rooms-Katholieke Kerk werd de hervorming afgewezen en bestreden, met de steun van katholieke vorsten onder leiding van de jonge keizer Karel V.[17] De aanhang van de reformatoren groeide echter snel, onder andere dankzij de verbreiding van de, in de middeleeuwen uitgevonden, boekdrukkunst[17]. De reformatie voedde de politieke tegenstellingen tussen Europese vorsten en edelen, met als gevolg verschillende godsdienstoorlogen en opstanden. De Kerk zette een contrareformatie in, die zich onder meer richtte op verbetering van priesteropleidingen, rechtzetten van misstanden, invloed op het onderwijs, geloofspropaganda en bestrijding van de protestantse ketterij.[20] Vooral dominicanen en jezuïeten waren de oprichters en leiders van de Inquisitie, een instituut dat de verdediging van de katholieke leer tegen ketterijen organiseerde, vaak in samenwerking met wereldlijke machthebbers.[21][22] De reformatie maakte een einde aan de religieuze eenheid van West- en Midden-Europa. Niet alleen werden de staten verdeeld door religie, maar sommige staten werden ook intern verscheurd door oorlogen tussen katholieken en protestanten.

Monarchia Universalis[bewerken]

Als zijn grootvader langs moederszijde en zijn grootvader langs vaderszijde stierven werd Karel van Habsburg respectievelijk, Carlo I van Spanje (1516) en Karl V van het Heilige Roomse Rijk (1519). Zijn eeuwige rivaal Frans I van Frankrijk had zichzelf als tegenkandidaat bij de keurvorsten, naar voren geschoven. Karel erfde een hele lijst aan titels en gebieden, waaronder het machtige Spanje met een enorm koloniaal rijk, zodat hij vanaf circa 1540 naar schatting over de helft van de bevolking van het westelijk halfrond heerste. De Habsburgse macht in Europa was ongeëvenaard, hooguit Frankrijk kwam in de buurt. Dit land voelde zich omsingeld door de Spaanse en Duitse gebieden van de Habsburgers en probeerde die te doorbreken, de voortzetting van de Italiaanse Oorlogen. Na de Slag bij Pavia (1525) moest Frans I de Vrede van Madrid ondertekenen en moest hij zijn aanspraken op Milaan, het Koninkrijk Napels, Franche-Comté, Kroon-Vlaanderen en Artesië opgeven. Slecht verliezer, startte hij onmiddellijk de Oorlog van de Liga van Cognac (1526-1530). Na een nieuwe nederlaag moest hij deze maal de Damesvrede van Kamerijk ondertekenen. Karel had nog een eitje te pellen met Paus Clemens VII, die de kant van Frankrijk had gekozen. De plooien werden gladgestreken met de keizerskroning op 24 februari 1530 te Bologna.

In Oost-Europa verscheen een andere dreiging. Sinds 1520 was de nieuwe sultan van Ottomaanse Rijk, Süleyman I. In 1521 veroverde hij Belgrado. De reactie van de zwakke Lodewijk II van Hongarije was traag. Gestaag veroverden de Ottomanen terrein, richting Budapest. Beiden partijen troffen elkaar in de Slag bij Mohács (1526), waarbij Lodewijk het leven liet en de Ottomanen, Budapest veroverden. Johan Zápolya, woiwode van Transylvanië, nam de vrijgekomen plaats in . Aartshertog Ferdinand van Habsburg heroverde Budapest en verdreef Johan Zápolya, die vluchtte naar het Ottomaanse kamp. De tegenreactie zal niet lang op zich laten wachten, wat volgde is het Beleg van Wenen (1529), wat mislukte en een tweede maal in 1532.

Aangezien Paus Clemens bleef talmen om een concilie bijeen te roepen, om het Christelijk vraagstuk op te lossen, deed Karel het dan maar zelf. Tijdens de Rijksdag van Augsburg (1530) probeerde hij de eenheid in de kerk te herstellen. De uitkomst zal juist de tweespalt duidelijk stellen, beginnende met de oprichting van het Schmalkaldisch Verbond, een alliantie van protestantse vorsten en steden . Het verbond werd steeds sterker en zal uiteindelijk leiden tot de Schmalkaldische Oorlog. Ook het onhandige optreden van Paus Clemens in de echtscheiding van Hendrik VIII van Engeland, die hij in 1533 excommuniceerde, leidde ook tot de afscheiding van de Anglicaanse Kerk.

Pact met de duivel. Frans I steunde financieel het Schmalkaldisch Verbond en sloot een Franco-Ottomaanse Alliantie, alles om zijn rivaal te treffen. De dood van Francesco II Sforza, de laatste hertog van Milaan was het startschot voor de Italiaanse Oorlog (1535-1538). Frans I viel aan via land en de Ottomaanse vloot, onder leiding van Barbarossa, via zee.

Contrareformatie[bewerken]

Wat Maarten Luther was voor de reformatie, was Ignatius van Loyola voor de contrareformatie. In 1539 richtte hij de Jezuïetenorde op. Paus Paulus III riep het Concilie van Trente (1545-1563) bijeen. Het had tot doel de misstanden en misbruiken binnen de Katholieke Kerk aan te pakken. Ook moest duidelijkheid worden geschapen omtrent verschillende door de protestanten betwiste geloofspunten. De besluiten van het concilie vatten de positie van de rooms-katholieke kerk ten opzichte van de protestanten samen in 126 Anathema's (vervloekingen). Men kan dit concilie beschouwen als het hart van de contrareformatie.

Keizer Karel had ongelofelijke veel pijn, hij had last van jicht en dacht aan aftreden. Naar al goede Habsburgse gewoonte huwelijkte hij zijn zoon uit aan een strategische partner, Marie Tudor. Voor hij aftrad regelde hij de opvolging. Zij zoon kreeg, Spanje en de koloniën en de Nederlanden en zijn broer, Ferdinand, de titel en het Heilig Roomse Rijk. Ook zocht hij naar een oplossing voor de godsdiensttwisten. Hij hoopte dat de Godsdienstvrede van Augsburg een oplossing zou bieden. In 1556 trok hij zich terug in het Klooster van Yuste, Spanje, waar hij stierf op 21 september 1558.

Midden de 16de eeuw kwam een nieuwe speler op het Europees toneel. Ivan IV van Rusland had zijn rijk ferm uitgebreid en had er een tsaardom van gemaakt. Nu was hij op zoek naar een toegang tot de Oostzee. Graag deed hij mee aan de Noordse Oorlogen.

Absolute monarchieën en godsdienstoorlogen[bewerken]

De Vrede van Cateau-Cambrésis werd bezegeld in 1559 met het huwelijk tussen Filips II en Elisabeth van Valois, dochter van Catharina de' Medici, koningin van Frankrijk en zal het Habsburg-Franse conflict eindigen. Deze twee katholieke mogendheden konden zich nu focussen op het bestrijden van de reformatie. De Hugenotenoorlogen in Frankrijk begon in 1562. Het calvinisme waaide van Frankrijk over naar de Spaanse Nederlanden via Valencijn en Doornik. De instelling van de Raad van Beroerten in 1567 door de hertog van Alva is de druppel en in 1568 brak de Tachtigjarige Oorlog uit.

Na het Beleg van Szigetvár, waar sultan Süleyman I stierf, werd het verdrag van Adrianopel (1568) getekend. Met het verdrag van Adrianopel werd Oost-Europa herverdeeld. In het noorden werd het Pools-Litouwse Gemenebest gecreëerd, het Ottomaans Hongarije bestond uit het Vorstendom Transsylvanië, Vorstendom Walachije en het Vorstendom Moldavië, de Habsburgers hielden nog het Koninrijk Hongarije en het Koninkrijk Kroatië over. Tijdens de Slag bij Lepanto in 1571 werd de Ottomaanse vloot vernietigd, de aanleiding was de verovering van Cyprus door de Ottomanen.

De laatste koning van Portugal uit het huis Aviz, was een kardinaal en tevens de broer van de moeder van Filips II van Spanje. In 1580 werden Spanje en Portugal verenigd in de Iberische Unie. Op papier was Filips II nu de machtigste man ter wereld. Heerser over Spanje en Portugal en al zijn koloniën en handelsposten, heerser over Italië en de Lage Landen en zijn vrouw was de dochter van Keizer Rudolf II van het Heilig Roomse Rijk. Niet alleen politiek zwaaide hij de plak, maar ook religieus. Hij was groot voorvechter van het katholiek geloof en had daarbij de steun van de paus.

De barst kwam uit een kleine hoek. In 1581 scheurden zeven provincies zich af van de Zeventien Provinciën. 1584, het jaar dat Willem van Oranje werd vermoord, stierf ook Frans van Anjou, gekozen Heer der Nederlanden, maar ook broer van de Franse koning. De kinderloze Hendrik III van Frankrijk duidde nu zijn zwager, Hendrik van Navarra leider van de Hugenoten, aan, als mogelijke troonopvolger. De Drie-Hendriken-oorlog (1585-1598) brak uit, Filips II steunde de Heilige Liga.

De inmenging van de Engelsen in de Nederlandse Opstand en de intensieve kaapvaart tegen het Spaanse handelsmonopolie in Amerika leidden tot de Spaans-Engelse Oorlog (1585-1604). Het is in dit conflict dat Spanje in 1588 een derde van zijn Spaanse Armada verloor.

In 1589 werd Hendrik III van Frankrijk vermoord, nu intervenieerde Spanje rechtstreeks in de Franse opvolgingskwestie. Paus Clemens VIII startte vredesonderhandelingen tussen beide partijen. Hendrik van Navarra bekeerde zich in 1593 tot het katholiek geloof. Op 27 februari werd hij gekroond in de kathedraal van Chartres als koning van Frankrijk. Hij zou de woorden "Parijs is wel een mis waard" ("Paris vaut bien une messe") volgens overlevering uitgesproken hebben.[23] De oorlog duurde nog vijf jaar. Het Edict van Nantes regelde het conflict tussen katholieken en protestanten. De oorlog tussen Frankrijk en Spanje eindigde hetzelfde jaar met de Vrede van Vervins.

Filips II stierf in zijn Escorial op 13 september 1598. Hij was een van de sleutelfiguren uit de tweede helft van de 16de eeuw. Zijn bestuurlijke, militaire en economische hervormingen zullen door de Bourbons in de 17de eeuw worden verfijnd.

Maniërisme en vroegbarok[bewerken]

Maniërisme is de kunststijl tussen 1520 en 1580. De maniëristen geven de voorkeur aan "bewegende" figuren, en dan met name aan de figuur "s", de slangvormige figuur die niet binnen geometrische cirkels of vierhoeken kan worden gevangen. Berekenbaarheid en meetbaarheid worden niet langer beschouwd als objectieve criteria en zijn uitsluitend instrumenten voor de verwezenlijking van steeds ingewikkeldere technieken (perspectivische verschuivingen, vertekeningen) en voor het verbeelden van ruimtes waarin niet langer sprake is van een vlakverdeling op grond van de "juiste proporties". De neiging tot een irrealistische weergave van lichamen, ruimten en perspectief. De zogenaamde figura serpentinata is een goed voorbeeld van beide aspecten. De kunstenaars maakten veelvuldig gebruik van lichamen in een zeer onnatuurlijk aandoende, gedraaide pose. Gekende figuren zijn El Greco en Giorgio Vasari.

Paus Sixtus V hervormde het stadsplan van Rome. De hoofdgedachte bij dit plan bestond erin de zeven hoofdkerken van Rome te verbinden door middel van assen. Het wordt beschouwd als een van de effectiefste uitbreidingsplannen van Rome en als het begin van de moderne stadsplanning. De barokarchitectuur vindt hier zijn intrede. De kerk Chiesa del Gesù wordt beschouwd als het eerste barokke gebouw (1584). De stijl werd benut door de Kerkelijke Staat in dienst van de contrareformatie.

Engeland beleefde onder koningin Elizabeth I een periode van grote culturele bloei. Het magistrale werk van William Shakespeare is hiervan slechts één voorbeeld.

Veranderd wereldbeeld en wetenschap[bewerken]

De ontdekking van Amerika en de rondreis om de wereld door Ferdinand Magellaan veranderde ons wereldbeeld. Nieuwe atlassen waren nodig. De Duitse cartograaf Martin Waldseemüller tekende in april 1507 zijn Waldseemüller kaart Universalis Cosmographia, waarop voor het eerst het continent Amerika voorkwam, genoemd naar de ontdekkingsreiziger Amerigo Vespucci.[24] Martin Waldseemuller publiceerde ook gedrukte stroken, om uit te knippen en op een bol te kleven om zo een wereldbol te vormen. Gerardus Mercator (1512-1594) bracht zijn wereldkaart uit en bedacht de mercatorprojectie, die navigatie vereenvoudigde, omdat een vaste koers met een rechte lijn overeenkwam.[25] Abraham Ortelius (1527-1598) bracht de eerste atlas Theatrum Orbis Terrarum uit met telkens een kaart en op de achterkant de uitleg erbij.[26] Ortelius merkte in 1596 in het woord vooraf bij zijn Thesaurus Geographicus al op, dat de westkust van Afrika paste in de oostkust van Zuid-Amerika, wat leidde tot de hypothese dat ze ooit één continent geweest waren.[27].

Een nieuw wereldbeeld, een nieuw hemelbeeld. Copernicus introduceerde het heliocentrisch wereldbeeld. Ook kregen we nieuwe tijdrekening, de Gregoriaanse kalender werd in 1582 ingevoerd.

De vernieuwing in de wetenschap zette door. Andreas Vesalius sneed zelf in lijken ter onderzoek van de anatomie (wat lange tijd taboe was geweest), en kwam tot de conclusie dat Galenus op bepaalde punten fout was geweest.

Langzamerhand drong het besef door dat men de kennis uit de Oudheid waar men zo bewonderend naar opkeek aan het voorbijstreven was. Dit stimuleerde flink het zelfvertrouwen en zelfbewustzijn van de onderzoekers en men ging enthousiast steeds vaker de tot dan toe geaccepteerde 'waarheden' van de autoriteiten uit de antieke cultuur in twijfel trekken en toetsen op waarheid. En zo groeide eind 16e, begin 17e eeuw het besef bij wetenschappers dat niet contemplatie op de historische grootheden van het vakgebied, maar eigen observatie en experiment de sleutels tot kennis waren. De moderne wetenschap was geboren.

Mercantilisme[bewerken]

Met de ontdekking van de Nieuwe Wereld en het ontstaan van het Spaanse Rijk, veranderde de inzichten op de economie. Vooral Martín de Azpilcueta uit de School van Salamanca boog zich over de impact van de zilver en goud instroom uit de overzeese gebieden in de Spaanse economie. De middeleeuwse theorie was gebaseerd op de productiekosten als enige determinant voor een rechtvaardige prijs. Diego de Covarrubias en Luis de Molina ontwikkelden een subjectieve theorie van waarde en prijs, die beweerde dat het nut van een goed, varieerde van persoon tot persoon, zodat alleen de prijzen zouden voortvloeien uit wederzijdse beslissingen in de vrije handel. Monopolie, fraude of overheidsinterventie houden dit tegen. Zij waren de voorlopers van de vrije markt, waar een eerlijke prijs van een goed bepaald wordt door vraag en aanbod.[28]

Een andere bepalende factor, bij het ontstaan van het mercantilisme, is het handelsmonopolie en de daarbij horende kaperij.

Zeventiende eeuw[bewerken]

De belangrijkste machten in het zeventiende-eeuwse Europa waren het koninkrijk Frankrijk, het koninkrijk Spanje, het koninkrijk Engeland en de Nederlandse Republiek. Andere belangrijke machten waren de Habsburgse monarchie, het koninkrijk Zweden en het keurvorstendom Beieren.

Gedurende de zeventiende eeuw begon in West-Europa een ontwikkeling met verstrekkende gevolgen: een geleidelijk steeds snellere toename van wetenschappelijke en technische kennis. Tegelijkertijd nam aan de kusten van de Atlantische Oceaan de welvaart toe. Het nieuwe vooruitgangsgeloof bevorderde kritisch onderzoek en ondermijnde traditionele autoriteiten.

Spaanse en Portugese handelsmonopolie doorbroken[bewerken]

Vanaf het einde van de 16e eeuw gingen Engeland en de Republiek en in iets mindere mate Frankrijk zich bemoeien met de buiten-Europese handel en ook zij vestigden de nodige handelsposten.

De Spaanse bezetting van Portugal (1580-1640) had grote gevolgen voor de Nederlanden. Omdat er geen specerijenhandel met de Portugezen meer kon worden gevoerd werden Nederlanders gestimuleerd zelf de zo gewenste producten in Indië te gaan halen. De overzeese handelsactiviteiten van de Republiek buiten Europa groeiden hierdoor sterk. De in 1602 opgerichte Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) verjoeg de Portugezen uit het overgrote deel van Oost-Indië, Ceylon en een deel van Zuid-Azië, terwijl de West-Indische Compagnie (WIC) een gedeelte van het Portugese bezit in Brazilië en Westelijk Afrika veroverde. De Nederlandse strijd met de Portugezen werd aanvankelijk gelegitimeerd door de Tachtigjarige Oorlog die in Europa woedde tussen de Nederlanden en Spanje.

Eerder hadden de Engelsen de Britse Oost-Indische Compagnie opgericht. In beperkte mate wisten ook Denemarken, Brandenburg-Pruisen en Zweden buiten Europa handelsposten te vestigen.

In Afrika en Azië werd het grondbezit rond de handelsposten steeds groter. De koloniale expansie droeg bij aan de welvaart en rijkdom van de landen met veel bezit en handel buiten Europa, maar kon soms negatief uitwerken op de welvaart in de koloniën (zie ook Moderne tijd, tweede koloniale expansie). Met name monopolies, zoals dat van de Nederlandse VOC op specerijen zoals nootmuskaat en kruidnagelen, bleken zeer winstgevend. De Republiek der Nederlanden liep in het mercantilisme, een variant op het kapitalisme, in de Gouden Eeuw voorop. Hoewel het continent staatkundig geen eenheid ging vormen, begon er wel een Europese economie te ontstaan uit de verbinding van de handelsnetwerken.

Absolute monarchieën en godsdienstoorlogen (vervolg)[bewerken]

Filips III van Spanje sloot vrede met de Engelsen en een Twaalfjarig Bestand met de Zeven Provinciën. In 1615 huwde zijn dochter Anna met Lodewijk XIII van Frankrijk. Eind van hetzelfde decennium kwam hij in aanmerking om Rooms-Duits koning te worden. Goed beseffende dat hij weinig kans maakte om door de keurvorsten te worden verkozen, steunde hij de kandidatuur van zijn zwager, de ultraconservatief Ferdinand II, koning van Bohemen.

Op het grondgebied van het Heilige Roomse Rijk woedde van 1618 tot 1648 de Dertigjarige Oorlog. Deze oorlog ging aanvankelijk tussen de protestanten en de katholieken, maar na verloop van tijd werd het een puur machtspolitieke oorlog. De meeste Europese grootmachten namen deel aan deze oorlog. Kardinaal de Richelieu, eerste minister onder Lodewijk XIII, wou zich ontdoen van de Spaans-Oostenrijkse wurggreep. Hij steunde daarom de vijanden van de Habsburgers, zoals Zweden en de Zeven Provinciën, religie was voortaan niet meer bepalend voor bondgenootschappen binnen Europa. Tegen de Vrede van Praag (1635) was het Roomse Rijk zijn bekwaamste generaals kwijt, Johan t'Serclaes van Tilly en Albrecht von Wallenstein. Spanje nam nu het heft over en Frankrijk besloot nu rechtstreeks in de oorlog te stappen, de Frans-Spaanse Oorlog (1635-1659).

Voor de tweede maal verloor Spanje zijn armada. Deze maal bij Duins. Spanje kon zijn zilvervloot niet meer vrijwaren en was verplicht, om de oorlogskosten verder te kunnen financieren, de belastingen te verhogen in eigen land. Het gevolg was de Catalaanse Opstand (1640-1659) en de Portugese Restauratieoorlog, beide gesteund door Frankrijk.

De Slag bij Rocroi (1643) en de Slag bij Jankov (1645) zijn de keerpunten in de Dertigjarige Oorlog. De slagkracht van de Zweedse troepen was doorslaggevend. Als de Zweedse troepen in 1648 voor de poorten van Praag stonden, was Keizer Ferdinand III gedwongen de Vrede van Westfalen te ondertekenen.

De overwinnaars waren Zweden, die kreeg Pommeren en Bremen, Frankrijk, die kreeg Elzas en Lotharingen en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, die door Spanje als soevereine staat erkend werd. De verliezer was de keizer van het Heilige Roomse Rijk. Het Heilige Roomse Rijk hield de facto op te bestaan; de keizerstitel had nog slechts symbolische betekenis. Duitsland was voortaan een lappendeken van ongeveer 300 onafhankelijke staten en staatjes. Voor de Duitse bevolking was de oorlog een catastrofe: naar schatting een derde van de bevolking kwam om.

Europa in 1648

De Europese en wereldbevolking in deze tijd worden als volgt geschat door Braudel:[29]

Jaar Europa (× 1 mln.) Wereld (× 1 mln.)
1650 100 à 103 470 à 545
1750 140 à 144 660 à 694
1800 187 836 à 916

Dat absolutisme niet zaligmakend was, ondervond Karel I van Engeland, die tijdens Engelse Burgeroorlog werd onthoofd en de monarchie werd vervangen door het Engelse Gemenebest. Ook in Frankrijk rees er een opstand tegen de absolute monarchie van Jules Mazarin, La Fronde.

Het tegenovergestelde van het absolutisme, was de Gouden Vrijheid, een quasi-democratie, in Polen-Litouwen. Ook dit systeem kon een burgeroorlog niet tegenhouden. De buurlanden van Polen-Litouwen roken bloed en vielen het land binnen. De Pools-Russische Oorlog (1654-1667) en de Zweedse Zondvloed verwoestten het land. Oekraïne verschoof van Poolse naar Russische invloedssfeer. De Joden, die in Europa het best in Polen getolereerd werden, waren het grootste slachtoffer.

Tijdens de 17e en 18e eeuw werden de Engels-Nederlandse Oorlogen gevoerd om de controle over de zee- en handelsroutes en in 1654 werd de Frans-Spaanse Oorlog hervat. Deze werd beëindigd met de Vrede van de Pyreneeën en bezegeld met het huwelijk van Lodewijk XIV van Frankrijk met Maria Theresia van Spanje in 1659.

Het Heilige Roomse Rijk mag dan nog een symbolische eenheid zijn, maar de Oostenrijkse tak van de Habsburgse monarchie was nog lang niet afgeschreven. Keizer Leopold I was niet alleen Rooms-koning, maar ook vorst van het Aartshertogdom Oostenrijk, Koninkrijk Hongarije, Koninkrijk Bohemen en Koninkrijk Kroatië. Hij begon zijn lange regeerperiode met het steunen van de Polen in hun rampspoed.

Institutionalisering[bewerken]

Na de dood van kardinaal Mazarin (1661) nam Lodewijk XIV zelf de touwtjes in handen. Lodewijk XIV wordt beschouwd als het prototype van het absolutisme, voornamelijk door zijn eigen propaganda en gekleurde geschiedschrijving. Hierbij werd de macht geconcentreerd in de koning, die steunde op een professionele bureaucratie. Zijn grote verdienste is het vervangen van de noblesse d'épée, die zich tegen de versterking van de koninklijke macht verzette, door de noblesse de robe. [30] De administratieve hervormingen onder het beleid van Jean-Baptiste Colbert, de Franse minister van Financiën en François-Michel le Tellier, oorlogsminister zullen toonaangevend zijn in Europa. Onder zijn bewind voerde Frankrijk een op expansie gerichte politiek. Op cultureel gebied keken alle ogen in Europa bewonderend naar de Franse uitstraling.

Een groot deel van zijn regeringsperiode zal Lodewijk de Spaanse kaart trekken. Toen Filips IV van Spanje, de vader van zijn vrouw in 1665 stierf, kwam de geestelijk als lichamelijk gehandicapte Karel II aan de macht. Lodewijk deed onmiddellijk beroep op zijn devolutierecht. Kort daarna brak de Devolutieoorlog uit, de eerste van de vijf oorlogen van Lodewijk XIV.

Ook in 1667 werd het Bestand van Androesjovo getekend, het einde van de Pools-Russische Oorlog. Een gevolg van dit bestand was het ontstaan van het Ottomaans-Oekranië, die de balans in de regio verstoorde. Gesterkt door de interne ruzie in het Pools-Litouwse Gemenebest vielen de Ottomanen, Polen binnen. De man die Europa zal redden van een nieuwe Ottomaanse inval is Jan III Sobieski.

De magere buit na de devolutieoorlog en de klinkende overwinning van de Republiek tijdens de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog brachten Frankrijk en Engeland samen. Raadpensionaris Johan de Witt, die zijn landleger had verwaarloosd, leek een gemakkelijke prooi voor Lodewijk, het begin de Hollandse Oorlog. De Republiek zou de oorlogen overleven, maar zou veel van de macht verliezen die het tijdens de Gouden Eeuw had opgebouwd.

De oprichting van het Prinsdom Opper-Hongarije, door de protestantse leider Imre Thököly was de aanleiding voor de Grote Turkse Oorlog (1683-1699). Opnieuw stonden de Ottomanen voor de poorten van Wenen in 1683. Wenen werd succesvol ontzet door de keizerlijke en Poolse troepen onder leiding van koning Jan Sobieski van Polen. Onder impuls van Paus Innocentius XI werd een nieuwe Heilige Liga (1684) opgericht. Lodewijk XIV maakte van de gelegenheid gebruik om een nieuwe oorlog tegen Spanje te beginnen.

Het misplaatst opportunisme en het Edict van Fontainebleau, de veroordeling van de Hugenoten in Frankrijk, maakte Lodewijk XIV zeer impopulair binnen Europa. Toen hij via zijn schoonzus, Liselotte van de Palts, aanspraak maakte op Keur-Palts, richtte Keizer Leopold I, de Liga van Augsburg op. Op 27 September 1688 viel Frankrijk de Palts binnen, het begin van de Negenjarige Oorlog (1688-1697).

Willem III, prins van Oranje, had de reputatie verworven als de belangrijkste leider van de protestantse zaak in Europa en groot tegenstander van de Franse expansiepolitiek. Zijn schoonvader, de katholiek Jacobus II van Engeland probeerde in 1687, de Test Act van 1673 af te schaffen, zocht toenadering met Frankrijk en beide sloten in april 1688 een marine-overeenkomst. Genoeg om een invasie te plannen. Op 28 december 1688 trokken de toekomstige nieuwe koning en koningin van Engeland Londen binnen; vijf dagen later vluchtte Jacobus met medeweten van Willem naar Frankrijk, de Glorious Revolution. Wel moest Willem de Bill of Rights van 1689 ondertekenen, deze bewerkstelligde dat de koning voortaan niet kon regeren zonder de toestemming van parlement en volk. In hetzelfde jaar sloten Engeland en de Nederlandse republiek zich aan bij de anti-Franse Liga van Augsburg, de Grote Alliantie.

Europa stond terug in vuur en vlam, de negenjarige oorlog in het westen en de Grote Turkse Oorlog in het oosten. Vanaf 1693-1694 kwam Frankrijk in geldnood. Een nieuwe speler op het toneel was Peter I van Rusland. Na de Azovveldtochten (1695-1696) en de Slag bij Zenta (1697) begonnen de vredesonderhandelingen. De Vrede van Rijswijk beëindigde de negenjarige oorlog en was een overwinning voor Willem III, hij werd erkend als koning van Engeland en de Republiek kreeg het recht om in de zogenaamde barrièresteden in de Zuidelijke Nederlanden militairen te legeren. De Vrede van Karlowitz betekende het officiële einde van de Grote Turkse Oorlog, die de Turken verloren. Zij moesten heel wat terrein prijs geven in Oost-Europa.

Moderne filosofie en moderne wetenschap[bewerken]

Moderne filosofie is de filosofie na de Renaissance, ze bevat ook vanaf eind 17e eeuw de filosofie van de Verlichting en het liberalisme van onder meer Locke. De verlichting, een politieke en filosofische beweging die de opvattingen over politiek, filosofie, wetenschap en religie grondig wijzigde. Het belangrijkste principe van de aanhangers van de verlichting was dat men de waarheid omtrent bepaalde zaken kon vinden met behulp van de ratio, in plaats van wat bijvoorbeeld kerkelijke autoriteiten zeiden zonder meer voor waar aan te nemen. René Descartes ontwikkelde een radicale systematische twijfel en werd de grondlegger van het rationalisme en de wetenschappelijke methode.

Het is ook de eeuw waar belangrijke wetenschappelijk genootschappen worden opgericht. Jean-Baptiste Colbert richtte na de Académie française, de Académie des inscriptions et belles-lettres en de Académie des sciences op. In Engeland werd de Royal Society opgericht. Geleerden als Isaac Newton meenden dat in het heelal wetten golden die door de mens ontdekt konden worden. In 1687 publiceerde Newton zijn belangrijkste werk, "Philosophiae Naturalis Principia Mathematica". Het tegenovergestelde van de visie van de verlichting wordt wel obscurantisme genoemd. Vele aanhangers van de verlichting hebben vanwege hun ideeën in de gevangenis gezeten of moesten vluchten naar het buitenland.

De verlichting deed zich overwegend gelden in West-Europa. In Frankrijk was het vanwege de strenge censuur vooral een tegenbeweging, waardoor velen moesten vluchten. Zo ontstonden er bijvoorbeeld in Amsterdam, waar veel hugenoten naartoe waren gevlucht, enkele Franse drukkerijen, waarvan de producten terug naar Frankrijk werden gesmokkeld.

Hoogbarok en classicisme[bewerken]

De dramatische barok kenmerkt zich door veel pracht en praal te gebruiken in de bouwstijl van de kerken en in de daarin tentoongestelde kunstwerken probeerde de katholieke kerk haar gezag terug te winnen. De bouwkunst uit de barokperiode wordt gekenmerkt door het gebruik van dieptewerking met perspectieven en door veelvuldig gebruik van ovalen. Verder wordt er gebruikgemaakt van rijk en weelderig materiaal, asymmetrie, veel versieringen en ingewikkelde patronen.[noten 5] De schilderkunst tijdens de barok kenmerkt zich door het gebruik van extreem realisme, dramatische effecten en clair-obscur. Belangrijke schilders van de barok zijn Caravaggio en Peter Paul Rubens.

In Frankrijk werd de barok aan het koninklijk hof toegepast. De periode van Lodewijk XIV wordt ook wel het Classicisme genoemd. Lodewijk XIV maakte dankbaar gebruik van deze stijl, die hij leerde kennen dankzij kardinaal de Mazarin, om zijn absolutistische ideeën kracht bij te zetten. Hij liet het kasteel van Versailles bouwen. De barok werd dus vooral gebruikt om het publiek te imponeren en het nietig te doen voelen bij het betreden van het kasteel.

Achttiende eeuw[bewerken]

In deze eeuw hielden het Pools-Litouwse Gemenebest, de Republiek Venetië en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden op te bestaan. Andere landen zoals Rusland, Pruisen en het Britse Rijk werden grootmachten.

Het is ook een eeuw waar vrouwen mede de politiek bepaalden. Elisabetta Farnese, Maria Theresia van Oostenrijk, Madame de Pompadour, Elisabeth en Catharina II van Rusland. Dit zal niet leiden tot minder conflict.

Territoriale- en successieoorlogen[bewerken]

De achttiende eeuw begon met wat het in de zeventiende eeuw eindigde, oorlog. Deze maal begon het in het noorden. De opzet was de Zweedse suprematie te doorbreken, de Grote Noordse Oorlog (1700-1721). In hetzelfde jaar 1700 stierf Karel II van Spanje kinderloos. Terug vochten de Bourbons en de Habsburgers, nu over de Spaanse troonopvolging (1701-1713). 1709 was een kanteljaar. Na de Slag bij Poltava vluchtte Karel XII van Zweden naar het Ottomaanse Rijk en de Slag bij Malplaquet bleek achteraf de bloedigste van de Spaanse Successieoorlog. Bij de Vrede van Utrecht (1713) werd besloten dat Oostenrijk de Spaanse Zuidelijke Nederlanden en de Spaanse gebieden in Italië zou regeren, behalve Sicilië. De Vrede van Utrecht was de eerste vrede die gebaseerd was op het principe van het machtsevenwicht. Een voorwaarde was dat de twee takken van het Huis van Bourbon nooit de tronen van Frankrijk en Spanje zouden combineren en dat Frankrijk eindelijk verlost was van de omsingeling door Duitse, Oostenrijkse en Spaanse Habsburgers.

Een andere successiestrijd vond plaats in het Koninkrijk Groot-Brittannië. Als het huis Stuart werd vervangen door het huis Hannover in 1714, kwam Jacobus III Stuart, The Old Pretender, in opstand.

De Grote Noordse Oorlog eindigde in 1721 met de Vrede van Nystad. De grote verliezer was Zweden, de winnaar was Peter de Grote, die Rusland omdoopte in een keizerrijk.

Toen August II van Polen in 1733 stierf, werd Stanislaus Leszczyński, de schoonvader van Lodewijk XV van Frankrijk terug afgestoft om koning van Polen te worden, het begin van de Poolse Successieoorlog (1733-1738), een nieuwe ronde Bourbons versus Habsburgers. Het Verdrag van Wenen (1738) bepaalde dat Frederik August II keurvorst van Saksen, de nieuwe koning van Polen werd. Het Hertogdom Lotharingen, het Hertogdom Bar, het Koninkrijk Napels en het Koninkrijk Sicilië kwamen in het Bourbon kamp. Ter compensatie kregen de Habsburgers het Groothertogdom Toscane. Een ander heikel punt dat op tafel kwam, was de Pragmatieke Sanctie.

Keizer Karel VI ijverde zijn leven lang, dat ook vrouwelijke nakomelingen als erfgenamen in aanmerking zouden komen. Veel Europese monarchen gingen akkoord met deze Pragmatieke Sanctie, maar toen Maria Theresia de troon wilde bestijgen, vielen Beieren en Pruisen toch aan en begon de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748). Opnieuw kozen de Bourbons partij voor de Habsburgse tegenstanders. Met de Vrede van Aken (1748) verloor Maria Theresia, het rijke en industrieel vooruitstrevend Silezië aan Frederik II van Pruisen en werd haar man Frans III Stefan hertog van Lotharingen erkend als keizer.

George II van Groot-Brittannië was niet alleen koning van Groot-Brittannië, maar ook keurvorst van Hannover. De grenzen van Noord-Amerika waren nog niet getrokken en Britten kwamen in conflict met de Fransen over territoria. Schrik dat de Fransen zijn keurvorstendom in Europa zouden aanvallen, sloot George II een verdrag met Pruisen. Het ondenkbare gebeurde, de erfvijanden, de Habsburgers en de Bourbons, sloten een bondgenootschap, een diplomatieke revolutie. Kort daarna brak de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) uit. De grote overwinnaar was Groot-Brittannië en betekende het begin van de suprematie van het Britse Rijk. Groot-Brittannië veroverde nog meer koloniën op Frankrijk in Noord-Amerika en Zuid-Azië.

Oostenrijk maakte zich zorgen over de Russische opmars, vooral toen Catharina II van Rusland haar stroman Stanislaus August Poniatowski op de Poolse troon zette. De Pruisische koning Frederik de Grote buitte de situatie uit en stelde zich als bemiddelaar op. Hij stelde voor Polen op te delen. Dit gebeurde in drie stappen. Rusland, Oostenrijk en Pruisen verdeelden het land onder elkaar en in 1795 hield het Pools-Litouwse Gemenebest op te bestaan. Veel joden kwamen naar West-Europa, aangezien het tolerante Polen-Litouwen was verslagen en de Jodenvervolging haast niet meer bestond in West-Europa.

Een van de laatste successieoorlogen in de 18de eeuw was de Beierse Successieoorlog. Toen de laatste telg van de Beierse tak van het Huis Wittelsbach uitstierf, deed Oostenrijk aanspraak op de opvolging. Frederik II van Pruisen wilde een verdere machtsuitbreiding van Oostenrijk echter voorkomen en greep in. Een andere maatregel dat hij nam was het oprichten van de Vorstenbond.

Na de 5e en 6e Russisch-Turkse oorlogen ging het bergafwaarts met het Osmaanse Rijk. Het Rijk bleek economisch steeds afhankelijker van het westen te worden (de handelsbalans met Westerse staten was sterk negatief), en het kon ook militair niet meer bijbenen. Rusland drong steeds verder naar het zuiden op. Langzaamaan werden door Europese christelijke staten meer gebieden heroverd op de Ottomanen. Hoewel het Ottomaanse Rijk nog veel invloed zou uitoefenen op Europa, zou het niet meer meestrijden in Oost-Europa.

De Verlichting[bewerken]

Montesquieu: Défense de l'Esprit des loix

De achttiende eeuw was bij uitstek de eeuw van de Verlichting. Men probeerde de ideeën van de moderne filosofen te implementeren. In het recht en de staatsorganisatie werden onredelijke tradities bestreden en hervormingspogingen ondernomen. Verlichtingsdenkers keerden zich tegen macht die alleen op het goddelijke of de traditie berust: de aristocratie, de monarchie en de kerk. De afwijzing van goddelijk gezag introduceert de scheiding tussen kerk en staat.

In 1748 publiceerde Montesquieu zijn De L'Esprit des Lois, waarin hij concludeert dat de scheiding der machten de vrijheid en gelijkheid van de burger garandeert. De trias politica bestaat uit drie elkaar controlerende machten: de wetgevende macht, de uitvoerende macht en de rechtsprekende macht. Het idee was niet nieuw: John Locke formuleerde de scheiding der machten al eerder. Deze nieuwe ideeën over recht, staat en politiek waren een inspiratiebron voor revoluties zoals de Amerikaanse onafhankelijkheid, de Franse Revolutie en de Belgische Revolutie, etc. De respectievelijke grondwetten zijn grotendeels op deze theorie gebaseerd.

In plaats van het goddelijke gezag kwam de theorie van het maatschappelijke verdrag - het contrat social van Jean-Jacques Rousseau. De meeste Verlichtingsdenkers bepleitten de vervanging van de standenstaat door de democratie.

Omdat iedereen verantwoordelijk is voor zijn leven en omdat men zich verzet tegen overgeërfd en van God gegeven gezag, verliest de monarchie haar legitimiteit. De kritiek op de monarchie leidde doorgaans niet tot afschaffing maar tot aanpassingen van de leiderschapsstijl van de vorsten. Deze stijl, die men verlicht despotisme noemt, werd met name door Frederik de Grote, Catharina de Grote, keizer Jozef II en Adolf Frederik van Zweden gepropageerd.

Laatbarok, rococo en neoclassicisme[bewerken]

Als uitloper van de barok ontstond de rococo. Soms wordt rococo echter ook weleens gezien als laatste fase van de barok.[31] Kenmerkend voor de rococo is de genoemde asymmetrie, de nadruk op elegantie en het lieflijke en luchtige karakter. Het kleurgebruik typeerde zich door de zachte tinten, met veel gebruik van pastel. Bekende kunstschilders die in deze stijl werkten waren Jean Antoine Watteau en Canaletto. Met betrekking tot de decoratie zette de beweging van de barok zich in de rococo voort, maar werd op kleinere schaal uitgedrukt. Monumentaliteit werd vervangen door lossere vormen, vrolijkheid en frivoliteit; de onderwerpen worden minder ernstig. Dit viel samen met het minder streng worden van de sociale en morele codes in de samenleving. In de muziekgeschiedenis verstaat men onder rococo de stijl die zich ontwikkelde uit de barokmuziek. Rococo kenmerkte zich door intieme kamermuziek met uiterst verfijnde versieringsvormen. Bekende rococo-componisten waren Johann Christian Bach en Carl Philipp Emanuel Bach.

Tijdens de regering van Karel Bourbon, koning van Napels en van Sicilië (1735-1759) werden de ruïnes van Herculaneum en Pompeï opgegraven. Deze opgravingen zullen de inspiratiebron worden voor een nieuwe kunststijl, het neoclassicisme, waarin opnieuw de vermeende puurheid van de klassieken werd nagestreefd.

Industriële revolutie in Groot-Brittannië[bewerken]

Door verbeterde agrarische technieken, de wetenschappelijke revoluties vanaf de 17e eeuw en een ondernemend klimaat vond er vanaf 1750 in Groot-Brittannië de industriële revolutie plaats; de stoommachine speelde een zeer belangrijke rol, bijvoorbeeld voor het aandrijven van weefmachines. Niet iedereen was het eens met de invoering van sneller werkende machines. Er waren verscheidene boycotacties tegen fabrikanten en zelfs regelrechte opstanden van werkloos geworden thuiswerkers zoals veel kleine wevers. Deze werden veelal uit de markt gedrongen door de goedkoper werkende nieuwe fabrieken. Pas in de loop van de 19e eeuw volgde de rest van Europa het voorbeeld van Groot-Brittannië.

Klassieke economie[bewerken]

Het liberalisme kwam als gevolg van de Verlichting op. John Locke wordt over het algemeen gezien als de grondlegger van het liberalisme. Andere filosofen die bijgedragen hebben aan het liberalisme zijn David Hume, Immanuel Kant, John Stuart Mill en Adam Smith.

Zij waren getuigen van de eerste economische en sociale transformatie teweeggebracht door de Industriële Revolutie: ontvolking van het platteland, onzekerheid, armoede, verschijning van een arbeidersklasse. Ze verwonderde zich over de bevolkingsgroei, mede doordat in Groot-Brittannië in die tijd de demografische transitie was begonnen. Ze stelde ook veel fundamentele vragen over de bron van waarde, de oorzaken van economische groei, en de rol van geld in de economie. Ze steunden een vrijemarkteconomie op grond van het argument, dat het een natuurlijk systeem was gebaseerd op vrijheid en eigendom. Klassieke economen zijn er gedeeltelijk in geslaagd om economische groei en ontwikkeling te verklaren. De klassieke economie heeft tijdgenoten een begrippenkader geboden waarbinnen zij de ontwikkelingen om zich heen konden begrijpen gedurende een lange periode waarin het kapitalisme geleidelijk aan tevoorschijn kwam uit een vervagende feodale samenleving, een periode waarin de industriële revolutie over een perspectief van een generatie tot grote veranderingen in de samenleving leidde. Deze veranderingen deden de vraag rijzen hoe een samenleving georganiseerd kon worden rondom een systeem waarin elk individu zijn of haar eigen (geldelijke) gewin zocht.

Het dagelijks leven in de Nieuwe Tijd[bewerken]

In de nieuwe tijd begon in West-Europa geleidelijk aan de welvaart toe te nemen. Dit uitte zich op allerlei manieren en bevorderde weer de economische activiteit. Het bankwezen begon zich te ontwikkelingen en er ontstonden nieuwe vormen van krediet. De landbouw werd productiever en dankzij technische verbeteringen nam ook de productiviteit in de mijnbouw en de ijzergieterijen toe. Er werden meer zeewaardige schepen gebouwd, evenals grotere havens en pakhuizen. Huizen werden ruimer en comfortabeler, terwijl het voedselaanbod meer divers van aard werd.

Ondanks de toenemende welvaart gingen de leefomstandigheden van de armen er niet noemenswaardig op vooruit. Omdat er meer monden gevoed moesten worden werd een groter deel van het landbouwareaal dan voorheen gebruikt voor akkerbouw. Er werd minder vlees gegeten dan in de middeleeuwen. De tarwe die de boeren verbouwden werd opgegeten door de welgestelden. Zelf aten zij voornamelijk brood gemaakt van rogge, gerst of haver en in tijden van voedselschaarste eikels en wortels. In Frankrijk at men in de achttiende eeuw hoofdzakelijk brood, ongeveer een pond per dag. Het menu werd aangevuld met bonen en kool. Na 1750 konden meer mensen zich witbrood permitteren.

Ook wat betreft hun huisvesting waren de verschillen tussen rijk en arm groot. Het was in de regel ongezond om in de dicht opeengebouwde steden te leven. Alleen de welgestelden konden zich spiegels en vensterruiten van glas veroorloven. Op het platteland was zelfs een schoorsteen een teken van maatschappelijk succes. De armen aten uit houten kommen, die langzamerhand werden vervangen door vaatwerk van tin. Porselein werd in toenemende mate aangeschaft door de welgestelden. Ook meubels waren een luxeartikel. De middenklasse bezat gewoonlijk een bed en stoelen.

In 1600 waren geïmporteerde producten zoals koffie, thee, suiker en tabak een noviteit. Rond 1800 was de consumptie hiervan sterk toegenomen en voor iedereen behalve de allerarmsten betaalbaar. Ook wijn en bier werden goedkoper. Het aantal taveernes en koffiehuizen nam toe. In de grote steden waren dit populaire ontmoetingsplaatsen. De verschillende koffiehuizen hadden elk hun eigen clientèle. In de zeventiende eeuw begon men ook brandewijn, jenever en whisky te verhandelen.

Hierdoor werden -vooral in de steden- drankmisbruik en openbare dronkenschap onder de lagere klassen meer en meer een probleem. Het toenemend aantal onwettige kinderen, die vervolgens vaak te vondeling werden gelegd, zal hierdoor mede veroorzaakt zijn. In 1780 werden in Parijs ongeveer 30.000 kinderen geboren en 7.000 te vondeling gelegd. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat deze deels afkomstig geweest zullen zijn van het omringende platteland.

Bij de maatschappelijke elites kreeg de vrouw een nieuwe positie: talrijker werden de vrouwen die een sociale rol speelden. Tegelijkertijd echter eiste de heksenvervolging ook in Italië slachtoffers onder het volk, alleen de republiek Venetië bleef hiervan gevrijwaard.

Dankzij de toenemende welvaart ontvingen regeringen grotere belastingopbrengsten, zodat zij grotere legers en meer ambtenaren konden bekostigen. De vraag naar boeken en kranten nam toe. Bovendien kon een groter deel van de bevolking dan voorheen zich met andere zaken bezighouden dan het primaire productieproces; meer mensen konden zich toeleggen op bestuur en organisatie, op onderwijs en wetenschap, op het doen van uitvindingen en het maken van ontdekkingsreizen, en op kunst en literatuur.

Moderne tijd (± 1800 - ± 1945)[bewerken]

Rond 1800 begon de moderne tijd. Zoals vaker bij periodisering is er geen algemeen geaccepteerd beginpunt. Jaartallen die vaak gehanteerd worden zijn 1789 (Franse Revolutie), 1815 (nederlaag van Napoleon), 1848 (Revolutiejaar) en 1870 (het begin van de Frans-Duitse Oorlog). Het gebruikelijkst is om de Moderne tijd met de Franse Revolutie te laten beginnen.

De Europese en wereldbevolkingen in deze tijd worden als volgt geschat door Braudel:[29]

Jaar Europa (× 1 mln.) Wereld (× 1 mln.)
1800 187 836 à 916
1850 266 à 274 1091 à 1176
1900 401 à 423 1530 à 1608
1950 594 2416

Franse Revolutie[bewerken]

De bestorming van de Bastille

In juni 1789 werden na meer dan 175 jaar de Staten-Generaal werden bijeengeroepen.[32] Op 14 juli werd de Bastille bestormd.[33] De macht van adel en geestelijkheid werd teruggedrongen en in het derde jaar van de revolutie werd het koningshuis afgeschaft. Frankrijk werd een republiek met een grondwet waarin de burgerij de macht overnam.

De Franse Revolutie werd veroorzaakt doordat de klassenverschillen te groot werden, de situatie van de gewone man structureel niet verbeterde en doordat de Franse staat al twee jaar bankroet was.[34] De verlichting en het liberalisme waren een extra impuls voor de Franse Revolutie.[34] De Franse Revolutie was een opstand tegen het Ancien Régime en zorgde ervoor dat de heerlijkheden werden opgeheven en vervangen door één algemeen lokaal bestuursmodel, de gemeente. Verder zorgde ze voor de invoering van de burgerlijke stand, de opheffing van het leenstelsel en het tiendenstelsel. Daarnaast werden alle ambtelijke en adellijke titels afgeschaft en werd het gewoonterecht vervangen door de Code Napoléon.

Negentiende eeuw[bewerken]

Napoleontische oorlogen[bewerken]

Na de Franse Revolutie kwam Napoleon Bonaparte aan de macht. In 1799 wierp deze generaal de regering omver en verving die door het Franse Consulaat.[35] Op 2 december 1804 kroonde hij zich, na een mislukte aanslag, tot keizer.[36] Napoleon probeerde tevergeefs als onderdeel van de Derde Coalitieoorlog Groot-Brittannië binnen te vallen. Vervolgens werd de Franse vloot verslagen in de Zeeslag bij Trafalgar, die een honderdjarige hegemonie ter zee van Groot-Brittannië inluidde. Op 2 december 1805 wist Napoleon de Derde Coalitieoorlog uiteindelijk in zijn voordeel te beslissen en versloeg hij een in aantallen superieur Oostenrijks-Russisch leger in de Slag bij Austerlitz.[37] Dit zorgde voor de terugtrekking van Oostenrijk uit de Derde Coalitie en de ondergang van het Heilige Roomse Rijk. Napoleon liet in plaats daarvan in 1806 de Rijnbond onder Frans gezag oprichten. In 1806 werd ook een anti-Franse Vierde Coalitie opgericht, maar Napoleon versloeg de Pruisen in de Slag bij Jena-Auerstedt en de Russen in de Slag bij Friedland. De Vrede van Tilsit verdeelde Europa tussen Frankrijk en Rusland. Na de Vijfde Coalitieoorlog (1809) bereikte Napoleons Franse keizerrijk zijn grootste omvang. Bijna heel Europa was nu Frans, een vazalstaat, bondgenoot, vriend of verslagen vijand. In 1810 trouwde Napoleon met de Oostenrijkse aartshertogin Marie Louise, waarmee hij een langdurende vrede tussen Frankrijk en Oostenrijk hoopte te bereiken. Deze vrede hield echter niet lang stand, want de Russen wilden niet meewerken aan het continentaal stelsel, een handelsboycot waarmee de nog altijd weerspannige Britten op de knieën gedwongen moesten worden.

Europa in 1812
Napoleons terugtocht uit Rusland (door Northern)

Napoleon viel met een leger van 500.000 man op 24 juni Rusland binnen vanuit Polen, waarna de Russen de tactiek van de verschroeide aarde toepasten. Er waren betrekkelijk weinig directe confrontaties met het Russische leger; deze werden door Napoleon wel gewonnen, maar een beslissende overwinning bleef uit, terwijl zijn leger door de eindeloze marsen uitgeput en uitgehongerd raakte. Op het moment dat Napoleon Moskou bereikte was hij al de helft van zijn leger kwijt. Moskou werd door de Russen zelf platgebrand; voedsel was er al helemaal niet en de tsaar capituleerde niet. In november zat er voor Napoleon niets anders op dan zich terug te trekken.

Slechts 18.000 soldaten overleefden de winterse terugtocht vanuit Rusland. De rampzalig verlopen veldtocht leidde tot een anti-Franse stemming. In augustus 1813 rukten drie tegen Napoleon verbonden legers op naar Saksen. Napoleon werd verpletterend verslagen in de grote Volkerenslag en verbannen naar Elba.

Congres van Wenen[bewerken]

Nadat Napoleon verslagen was moest Europa opnieuw verdeeld worden. Dit gebeurde op het Congres van Wenen. Dat was een congres in 1814 en 1815 gehouden door de overwinnende mogendheden Pruisen, Oostenrijk, Rusland en Engeland. Reactionaire machten achtten een dergelijke herordening noodzakelijk, om het gedachtegoed van de Franse Revolutie te bestrijden en de natuurlijke hegemonie van Frankrijk in te dammen. Napoleon had veel staatjes en staten samengevoegd en het veelal plaatselijke recht vereenvoudigd en nationaal gelijkgeschakeld.

Het congres van Wenen (tekening door J. B. Isaben)

Europa werd opnieuw verdeeld. Noorwegen kwam toe aan Zweden, Lombardije-Venetië aan Oostenrijk, Polen werd weer verdeeld over Rusland, Pruisen en Oostenrijk. Het Heilige Roomse Rijk werd niet hersteld, maar er werd een Duitse Bond werd opgericht, die onder leiding kwam van Pruisen en Oostenrijk. Noord-Italië ging naar de Habsburgse dynastie, maar in de rest van Italië werden veel oude staten hersteld. Het verenigde Koninkrijk der Nederlanden werd gesticht, waarin de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden voor het eerst een staat gingen vormen, die voldoende sterk zou moeten zijn om Frankrijk in het noorden af te grenzen.

Restauratie en revolutiegolven[bewerken]

Europa na het Congres van Wenen.

Na de val van Napoleon en het Congres van Wenen kwam er in Europa een ontwikkeling op gang die vaak wordt aangeduid als de Restauratie, die een terugkeer behelsde naar de oude aristocratische orde, het Ancien Régime van vóór de Franse Revolutie. In Frankrijk werd de monarchie in ere hersteld en het katholicisme wederom staatsgodsdienst. Lodewijk XVIII nam de macht in Frankrijk over en ging over tot de Witte Terreur om zich te ontdoen van alle resterende aanhangers van Napoleon.

De nieuwe orde zou echter niet lang standhouden. De ideeën van de Franse Revolutie hadden overal al wortel geschoten, en leidden tot staatkundige veranderingen. De eerste revolutiegolf in de jaren 20, vond plaats in Italië (de Carbonari), in Portugal (de eis tot terugkeer van het hof uit Brazilië) en de Griekse Onafhankelijkheidsoorlog.

De tweede golf begon in juli 1830 in Frankrijk en deinde uit naar het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden met de Belgische Revolutie als gevolg. Ook in Polen, Zwitserland en Italië braken er opstanden uit.

Het Osmaanse Rijk werd gekortwiekt, in Servië braken opstanden uit, wat de eerste barst vormde in de nieuwe constellatie.

In het revolutiejaar 1848 werden veel regeringen omvergeworpen of werden aan het wankelen gebracht. In Italië en Roemenië werd een poging gedaan om een eenheidsstaat te stichten. In Pruisen werd het Frankfurter Parlement opgericht. In Nederland zorgde Thorbecke ervoor dat er een constitutionele monarchie kwam. De revoluties die in 1848 in Europa plaatsvonden mislukten veelal, waarna de meeste liberale concessies weer teruggedraaid werden. Enkele verworvenheden, zoals het afschaffen van de lijfeigenschap in de gebieden waar dat nog niet was gebeurd en een grotere rechtszekerheid, bleven echter behouden. De pers won na het versoepelen van de censuur tijdens de revoluties aan invloed.

Er zou voortaan veel centraal bestuurd worden. In Oostenrijk begon na 1849 de periode van het neo-absolutisme en kwam er een centraal bestuur. In 1859 verklaarden Walachije, Moldavië en Roemenië zich niettemin onafhankelijk en in 1862 vormden deze gebieden samen Roemenië; op het Italiaanse schiereiland kwam er, onder leiding van Giuseppe Garibaldi, in 1860 een Italiaanse eenheidsstaat. In Frankrijk maakten de Bourbons, na een kort intermezzo van de Tweede Franse Republiek, in 1852 plaats voor het Tweede Franse Keizerrijk. Otto von Bismarck probeerde door middel van zijn zogeheten Realpolitik een verenigd Duitsland te realiseren. Hij lokte oorlogen uit tegen Denemarken, Oostenrijk en Frankrijk uit, zodat in 1870 het Duitse Keizerrijk kon worden gesticht onder Pruisische leiding, met Berlijn als hoofdstad. De door Frankrijk gevreesde Duitse eenwording vond dus bijna zestig jaar na het Congres van Wenen toch plaats.

Na de Russisch-Ottomaanse Oorlog in 1877 en 1878 zouden Servië, Montenegro en Groot-Bulgarije onafhankelijk worden. Er dreigde een oorlog tussen Rusland en het Verenigd Koninkrijk, omdat Rusland volgens de Britten te veel macht in Oost-Europa kreeg. Bismarck loste dit op met het Congres van Berlijn. Hierin zouden de kleinere landen verdeeld worden over de grootmachten in Europa. Bismarck zorgde ervoor dat de andere Europese grootmachten tegen elkaar werden uitgespeeld. De kans op een anti-Duitse coalitie werd hierdoor kleiner dan ooit; Bismarcks grootste zorg voor de toekomst van het Duitse Rijk was hiermee (voorlopig) bezworen.

Industrialisatie op het vasteland en de arbeidersbeweging[bewerken]

Op het vasteland volgden na 1830 eerst België, Frankrijk en Pruisen, Engeland in de industriële revolutie. Omstreeks 1880 volgde aarzelend pas de rest van Europa. Veel Europese landen bleven voornamelijk agrarisch tot na de Eerste Wereldoorlog. Toen pas zette een grote industrialisatiegolf door.

De gevolgen van de industrialisatie waren te zien in het proces van de snelle verstedelijking van voorheen relatief kleine dorpen en stadjes waar de nieuwe fabrieken kwamen. Verarmde plattelanders stroomden er massaal heen voor werk. Er ontstond daardoor een nieuwe sociale klasse: de arbeiders, oftewel het industriële proletariaat. De industriële revolutie zou versneld worden door de eerste spoorwegen in het begin van de 19e eeuw. De spoorwegen zouden samen met de fabrieken het landschap ingrijpend veranderen. Aan het einde van de 19e eeuw zou ook de auto ontwikkeld worden, waardoor het landschap nooit meer hetzelfde zou zijn. De groei van de arbeidersbevolking, de concentratie in de steden en verbeteringen op het gebied van onderwijs maakten in de loop van de 19e eeuw een politieke beweging mogelijk, op socialistische of anarchistische grondslag. Tegen het einde van de eeuw begon de arbeidersbeweging in sommige staten een serieuze bedreiging voor de gevestigde orde te vormen. Het mercantilisme werd vervangen door het kapitalisme, de handel zou niet meer in dienst staan van de staat, maar in dienst van de bedrijven.

Tweede koloniale expansie[bewerken]

In de 2e helft van de 19e eeuw gingen steeds meer Europese mogendheden er toe over om koloniën onder hun bestuur te brengen.[38] Voortaan zouden de Europeanen niet meer alleen handelsposten op de kust van de koloniën plaatsen, maar de uitgestrekte gebieden zouden ingelijfd worden in het rijk.[38] Deze manier van kolonisatie zou bekend worden als imperialisme.[38] Noord- en Zuid-Amerika waren toen alweer grotendeels gedekoloniseerd, zodat voor de Europeanen nu Afrika, Oceanië en Azië overbleven om te koloniseren. De Verenigde Staten, die zich als ex-kolonie kritisch opstelden tegenover het Europese kolonialisme, vergrootten hun invloed niettemin aanzienlijk ten koste van de overgebleven Spaanse koloniën in het Caribische gebied en in de Filipijnen. Dit wordt wel als Yankee-imperialisme aangeduid. Het imperialisme werd gemotiveerd door de toenemende industrialisering en nationalisering van de handel, waarbij het gevaar aanwezig leek dat grondstoffen- en afzetgebieden onbereikbaar of veel duurder zouden worden. Daarnaast werd imperiumvorming belangrijk. Een kolonie gaf veel aanzien, waardoor er koloniën ontstonden waarvan de kosten hoger waren dan de opbrengsten. De veroveringen werden mede mogelijk door de snelle technische ontwikkeling die in Europa had plaatsgevonden, waardoor moderne snelvuurwapens beschikbaar waren, waartegen een pre-moderne legermacht niet opgewassen was. Dankzij de stoomlocomotief en de telegraaf konden enorme gebieden worden ontsloten en het ijzeren stoomschip maakte de verbindingen met overzeese gebieden veel sneller en betrouwbaarder dan voorheen.

De gevolgen voor Europa waren groot. De koloniën betekenden een uitbreiding van de Europese economie op wereldniveau. Doordat er nieuwe grondstoffen en nieuwe markten beschikbaar kwamen heeft dit het economische leven sterk gestimuleerd. Psychologisch gezien betekende het modern imperialisme dat de superioriteitsgevoelens en het zelfvertrouwen van de Europeanen sterk werden gestimuleerd. Maar ook de gevolgen voor de koloniën waren groot. Vooral vanaf de 19e eeuw zou de westerse uitbuiting van de koloniën de daar bestaande traditionele economische structuren ernstig verstoren, waardoor die gebieden minder goed konden voorzien in de eigen binnenlandse behoeften, afhankelijk werden van importen, en verarmden.

Europa in 1914

Twintigste eeuw[bewerken]

Eerste Wereldoorlog[bewerken]

In 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit. De oorlog had veel aanleidingen en het grootschalige karakter ervan is te verklaren door de vorming van allianties die geleid werden door de grote mogendheden Duitsland en Oostenrijk enerzijds en Frankrijk, Groot-Brittannië en Rusland anderzijds. Het Duitse Keizerrijk was een laatkomer in het imperialisme en voelde zich achtergesteld in de verdeling van de koloniën. Het kreeg er enkele in Afrika en in de Stille Oceaan, maar dat was weinig vergeleken met Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en zelfs Nederland. Verder kwamen er steeds meer sterk nationalistische stromingen op. Veel volken wilden hun eer en/of onafhankelijkheid herstellen. Duitsland had een grote bevolking en had de Britten ingehaald in industriële ontwikkeling en de Fransen achter zich gelaten en het had een sterk en gemoderniseerd landleger. Het was vol vertrouwen in het winnen van een oorlog. Bij sommige landen, zoals Italië en Roemenië, bestond bereidheid om met de meestbiedende zijde mee te gaan. Oorlog werd daarnaast door nationalisten, sociaal darwinisten, militairen en andere groeperingen gezien als "zuivering". Door oorlog zou de sterkste cultuur (de eigen) overwinnen, en zouden "ziektes" als feminisme, homoseksualiteit, marxisme, socialisme en vrijmetselarij worden uitgebannen. Het woord 'militarisme' had nog niet de negatieve klank die tegenwoordig vanzelfsprekend is.

Na de moord op kroonprins Frans Ferdinand van Oostenrijk en zijn vrouw door een Servische nationalist stelde Oostenrijk-Hongarije ultimatums aan Servië. Toen deze niet ingewilligd werden, verklaarde Oostenrijk-Hongarije op 28 juli 1914 aan Servië de oorlog. De gesloten verbonden zorgden ervoor dat de andere landen bij de oorlog betrokken werden.

Soldaten in een loopgraaf

In het westen voerden de Fransen een vergeefse aanval uit richting het Ruhrgebied. Onderwijl trokken de Duitse legers door de Ardennen, volgens het aangepaste von Schlieffenplan, België de oorlog in slepend. De Duitse opmars naar Parijs werd echter door Franse troepen tot staan gebracht. Het Westfront kwam muurvast te zitten in de loopgravenoorlog. Gifgas, prikkeldraad, mitrailleurs, bunkers en artillerie maakten dat elk offensief tot het verlies van tienduizenden soldaten leidde.

Ter zee wist de Duitse marine de numeriek veruit superieure Britse marine in de Slag bij Jutland in juni 1916 en bij kleinere acties stevige klappen te geven, maar kon niet de Britse blokkade doorbreken. De Duitsers begonnen zich toen op de onderzeeboten te richten en begonnen effectief handelsschepen uit te schakelen. Tot afgrijzen van Engeland, waar de voedselvoorraden snel slonken. De Engelse marine kwam met het antwoord dat schepen in konvooien moesten gaan varen, dit bleek erg effectief. Ook bleven de Engelsen de Duitse havens blokkeren en zo de Duitse bevolking uithongeren. De Duitse onbeperkte duikbotenoorlog leidde in april 1917 tot deelname van de Verenigde Staten aan de oorlog. Het zou tot 1918 duren voordat verse Amerikaanse troepen het westelijke front bereikten.

Aan het oostfront sloot de grote frontlengte een loopgravenoorlog zoals in het westen uit. Rusland had wel een groot leger, maar kwalitatief was het veel minder dan het Duitse en het Oostenrijkse en verloor gestaag gebied aan Duitsland; de voortdurende verliezen leidden tot de val van het tsarenregime in de Februarirevolutie (1917). De Voorlopige Regering werd zelf ten val gebracht tijdens de bolsjewistische Oktoberrevolutie. Het nieuwe Sovjet-regime sloot op 3 maart 1918 met Duitsland en Oostenrijk de Vrede van Brest-Litovsk, waarbij het veel grondgebied opgaf. Hierna zetten de Duitsers de vrijgekomen troepen in aan het westfront, waar de Amerikanen de uitgeputte Britten en Fransen te hulp waren gekomen. De Duitse offensieven tussen maart en juli 1918 liepen echter met veel verlies aan manschappen vast, waardoor de westelijke geallieerden in november 1918 een wapenstilstand konden afdwingen en de oorlog in hun voordeel konden beslissen met de Vrede van Versailles (1919). De regimes van de verliezende keizerrijken Duitsland en Oostenrijk kwamen ten val en werden vervangen door republikeinse regimes. Het Ottomaanse Rijk had aan de kant van de Centrale mogendheden meegestreden en in 1915 een Brits-Franse expeditie afgeslagen in de Slag om Gallipoli, maar moest ook tot de verliezers gerekend worden. In 1922 werd het definitief ten val gebracht door het seculiere bewind van Mustafa Kemal Atatürk.

Interbellum[bewerken]

Europa in 1929-1939

De periode tussen de twee wereldoorlogen wordt het interbellum genoemd. In de Vrede van Versailles (1919) straften de winnaars Duitsland hard.[39] De Duitsers kregen een rekening van 66 miljard pond te betalen in gelijke delen, die tot aan de jaren 80 zou moeten worden betaald. Ze perkten het leger van Duitsland enorm in, 100.000 manschappen en geen luchtmacht en een kleine vloot. Ook werd de Volkenbond opgericht en er werden nieuwe staten erkend, zoals Polen, Tsjecho-Slowakije, Hongarije, Oostenrijk, Joegoslavië, Finland, Estland, Letland en Litouwen. Deze landen werden opgericht in gebieden die voordien in handen waren van Rusland, Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. Ze werden opgericht op basis van het zelfbeschikkingsrecht. De meeste van deze landen raakten verstrikt in oorlogen, zoals de Pools-Russische Oorlog. Het Ottomaanse Rijk zou vanaf 1921 Turkije heten. Het zou een seculiere democratie worden met Atatürk als eerste president. De grenzen werden bepaald in de Vrede van Lausanne, die getekend zou worden na de door de Turken gewonnen Grieks-Turkse Oorlog. In Rusland was het communisme aan de macht gekomen, de Sovjet-Unie zou ontstaan. Autoritaire ideologieën zoals het communisme en fascisme kwamen op. Nationalistische leiders wilden het prestige van hun land herstellen. Zij vonden hun heil in diverse knokploegen die zich lieerden aan politieke bewegingen. Gematigden zaten klem tussen deze twee gewelddadige vuren. In veel landen werd de democratie dan ook door een autoritair regime vervangen. Er ontstonden fascistische regimes in Italië (Benito Mussolini; 1922), Duitsland (Adolf Hitler; 1933), Spanje (Francisco Franco; 1939, na de Spaanse Burgeroorlog) en andere landen als Hongarije. Vrouwen hadden de open plaatsen in fabrieken en werkplaatsen moeten invullen, dit vanwege de totale oorlog. Dit leverde hun een vrijheid op die ze vroeger nooit hadden gehad. Ze beseften dat ze veel mannenwerk best zelf konden doen, en kregen meer zelfvertrouwen. Vrouwen gaven na de oorlog hun positie niet op, waardoor het feminisme een enorme impuls kreeg.

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Europa in 1941-42

Nadat nazi-Duitsland met Italië een alliantie vormde door middel van het Staalpact en een non-agressiepact sloot met de Sovjet-Unie onder de naam Molotov-Ribbentroppact, startten Jozef Stalin en Adolf Hitler de Tweede Wereldoorlog. Op 1 september 1939 viel nazi-Duitsland Polen binnen, op 17 september 1939 gevolgd door de Sovjet-Unie.[40] Hitler had in de loop vanaf 1934, terwijl dit in Versailles verboden was, een behoorlijk leger opgebouwd.[40] Nadat Polen, delen van Scandinavië, Frankrijk en de Balkan nog voor 1941 veroverd werden, begonnen de asmogendheden zichzelf te overschatten. Hitlers ideologische tegenstanders waren de communisten in de Sovjet-Unie, maar vanwege het Duitse falen in het Verenigd Koninkrijk en de Italiaanse nederlagen in Noord-Afrika en het gebied rondom de Middellandse Zee, werden de troepen van de asmogendheden verdeeld. De ene helft moest Europa bewaken, terwijl de andere helft Afrika moest aanvallen. Hierdoor bleven er niet genoeg krachten over om de Sovjet-Unie aan te vallen, maar Hitler deed toch een poging in juni 1941, aangezien er weinig tegenslagen waren. Ondanks het aanvankelijke succes van het Duitse leger, werd het leger in december 1941 gestopt voor de poorten van Moskou. Tijdens deze zelfde periode begon Hitler de systematische genocide van elf miljoen mensen in de Holocaust, onder wie het merendeel van de Europese Joden.

In 1943 keerde het tij. De Duitsers werden onder andere verslagen in de Slag om Stalingrad en de Slag om Koersk. In de rest van de wereld barstte de oorlog nu ook los en Duitsland maakte zijn zelfoverschatting compleet door eind 1941 de Verenigde Staten de oorlog te verklaren, nadat deze door Duitslands bondgenoot Japan waren aangevallen. De oorlog liep nu hoog op tussen de asmogendheden en de geallieerden. De geallieerden wonnen in Noord-Afrika en vielen in 1943 Italië binnen. In 1944 werd het bezette Frankrijk binnengevallen. In de lente van 1945 werd Duitsland zelf via het oosten binnengevallen door de Sovjet-Unie. De westelijke geallieerden zouden hierna in maart de Rijn oversteken. Hitler pleegde op 30 april zelfmoord en op 8 mei 1945 werd de oorlog in Europa beëindigd.

Kunst in de Moderne Tijd[bewerken]

Francesco Hayez als voorbeeld van de romantiek.

Vanaf het einde van de 18e eeuw kwam de romantiek op. Dit was een stroming in het westerse denken die zich sterk deed gelden in de kunst en het intellectuele leven van met name Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. In de Romantiek werd, onder invloed van de verlichting en de filosofie van Immanuel Kant, de subjectieve ervaring als uitgangspunt genomen. Hierdoor kwamen introspectie, intuïtie, emotie, spontaniteit en verbeelding centraal te staan.

Portret van Madame de Verninac door Jacques Louis David

Naast de romantiek ontstond ook het classicisme, een beweging tussen 1770 en 1830, die de speelse gratie van de rococo en het statische pathos van de barok afwijst. Tijdens de architectuur van het classicisme wordt gebruikgemaakt van het herleven van de stijl van literatuur, beeldende kunst en architectuur van de Klassieke Oudheid en dus ook van de renaissance.

Als reactie op de romantiek ontstond het realisme. Het realisme streefde naar het weergeven van de (maatschappelijke) werkelijkheid. Dit was een grote verandering ten opzichte van de romantiek. In de bouwkunst uitte het realisme zich doordat men liet zien hoe een bouwwerk is gemaakt, door middel van moeren, bouten en stalen binten.

Als uitloper van het classicisme ontstond het neoclassicisme, een stroming in de kunst waarbinnen opnieuw de vermeende puurheid van de klassieken werd nagestreefd. Waar de grens tussen classicisme en neoclassicisme ligt, is niet altijd even duidelijk. Met neoclassicisme omschrijft men het werk van laat-18e- en 19e-eeuwse kunstenaars als Jean Auguste Dominique Ingres en Jacques Louis David in Frankrijk.

Als reactie op het classicisme en als voortzetting van het realisme ontstond het impressionisme. Qua inhoud en techniek was het impressionisme een reactiebeweging tegen de heersende conservatief-classicistische opvattingen van de salonjury's.

Paul Signac: De haven van Rotterdam, 1907

Als uitloper van het impressionisme ontstond het pointillisme. Het was de bedoeling het licht te accentueren door het analyseren van de kleuren. In het pointillisme werden verfstippen in primaire kleuren op het doek aangebracht. De werking van de menselijke hersenen maakt dan dat er een secundaire kleur wordt waargenomen.

Als reactie op het impressionisme ontstond ook nog de jugendstil. Het jugendstilornament was samengesteld uit motieven die gewoonlijk asymmetrische composities vormen met een tweedimensionaal karakter, zoals men dit ziet op meubels, sieraden, lampen, bedrukte stoffen enz. De jugendstil werd in veel kunstvormen toegepast, omdat het heel gebruikelijk was dat een architect ook meubels, zilver, glaswerken, wandversieringen en affiches ontwierp.

In de 20e eeuw ontstond het modernisme. Het modernisme uitte zich in heel nieuwe vormen op alle culturele gebieden, zoals beeldende kunst, muziek en film. Binnen het modernisme waren er talloze richtingen. De belangrijkste waren expressionisme, dadaïsme, surrealisme, kubisme, futurisme, constructivisme en nieuwe zakelijkheid. De beeldende kunst veranderde hierdoor het meest. Een schilderij hoefde in het modernisme niet meer realistisch te zijn. In de muziekwereld liet een vergelijkbare evolutie zich gelden. In de jaren 20 kwam jazz overwaaien uit de VS, een genre waarin muziek eerder een verzameling van klanken was dan een echte melodie.

Eigentijdse tijd (± 1945 - heden)[bewerken]

De periode na de Tweede Wereldoorlog wordt de eigentijdse tijd genoemd. Deze wordt gekenmerkt door de opkomst van moderne elektronica, een massacultuur in West-Europa, communistische dominantie in Oost-Europa tot circa 1990 en een stapsgewijs proces van Europese eenwording.

De Koude Oorlog[bewerken]

Nog voordat in Europa de Tweede Wereldoorlog op 8 mei 1945 was geëindigd,[41] werd de Conferentie van Jalta gehouden. In de zomer van 1945 volgde de Conferentie van Potsdam. Daar werd Europa in twee delen opgedeeld en Duitsland werd in vier bezettingszones opgedeeld: een Sovjet-Russische in het oosten en drie in het westen: een Amerikaanse, Franse en Britse. Waar het Rode Leger de Duitsers had verdreven kwamen als snel na de oorlog communistische regimes naar Sovjetmodel aan de macht. Tot ergernis van Moskou ontstonden in Joegoslavië en Albanië onafhankelijke communistische regimes, omdat de partizanen daar zichzelf bevrijd hadden. In Griekenland begon al voor de nederlaag van nazi-Duitsland een burgeroorlog tussen het communistische en niet-communistische verzet, die door de communisten verloren werd dankzij westerse steun. Dit conflict kan als het begin van de Koude oorlog worden beschouwd.

De Berlijnse Muur was het bekendste symbool van de Koude Oorlog en de deling van Duitsland

Er ontstond een Oostblok met steun van de Sovjet-Unie en aan de andere kant West-Europa met steun van de Verenigde Staten. West-Europa en de Verenigde Staten werden vanaf 1948 militair verenigd in de NAVO. De communistische machtsovername in Tsjecho-Slowakije gaf hiervoor de doorslag. De West-Duitse herbewapening was in 1955 de aanleiding voor de oprichting van het communistische Warschaupact. Als er in het Oostblok een anti-communistische opstand werd neergeslagen, zoals in Oost-Duitsland in 1953, in Hongarije in 1956 en in Tsjecho-Slowakije in 1968, bleek het Westblok dat te respecteren. Het voorkomen van een Derde Wereldoorlog was het belangrijkst.

In West-Europa begon een proces van politieke en economische integratie. Dit proces zorgde uiteindelijk voor de oprichting van de Europese Unie en de Raad van Europa. In de jaren 1980 verzwakte het communistische regime zichtbaar en Michail Gorbatsjov, vanaf 1985 de leider van de Sovjet-Unie, begon de perestrojka en de glasnost, wat de invloed van de Sovjet-Unie op Oost-Europa drastisch verminderde. In 1990 en 1991 viel de Sovjet-regime en al snel daarna alle daarvan afhankelijke regimes in de lidstaten van het Warschaupact, dat zelf ook uiteenviel. Zelfs de Sovjet-Unie viel in 1991 uiteen, betrekkelijk onverwacht. De grootste staat die uit de splitsing van de Sovjet-Unie voortkwam was de Russische federatie. De voormalige Sovjet-republieken Estland, Letland en Litouwen voegden zich bij de NAVO en de Europese Unie, evenals alle voormalige lidstaten van het Warschaupact. De meest gewelddadige splitsing was in Joegoslavië, gepaard gaand met massale etnische zuivering, waar uiteindelijk Kosovo zich als laatste pas in 2008 van Joegoslavië zou afsplitsen.

De Europese eenwording[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Geschiedenis van de Europese Unie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
De groei van de Europese Unie tussen 1957 tot 2013

In 1985 werden de Akkoorden van Schengen getekend, waardoor vrij reizen in Europa mogelijk werd. In 1992 werd het Verdrag van Maastricht getekend, waardoor de Europese Unie werd opgericht. Voortaan was de samenwerking in Europa niet alleen meer economisch, wat in de tijd van de EEG nog wel was. Er wordt zelfs gestreefd naar een gemeenschappelijk buitenlands beleid, wat overigens niet meevalt.

In 2002 kwam een Europese valuta in omloop; de euro. Maar drie landen (Denemarken, Verenigd Koninkrijk en Zweden) van de 15 leden van de Europese Unie deden niet mee met de euro. In 2004 werden er 10 staten aangesloten bij de Europese Unie, in 2007 nog twee en in 2013 nog één. Voortaan had de Europese Unie 28 lidstaten.

In 2004 werd de Europese Grondwet opgesteld, maar dit verdrag zou nooit van kracht worden, omdat referenda in Nederland en Frankrijk een afwijzing opleverden. Het Verdrag van Lissabon werd toen opgesteld, wat alle bestaande Europese verdragen amendeerde.

Het dagelijks leven in de eigentijdse tijd[bewerken]

Het dagelijks leven in Europa veranderde enorm door een aantal nieuwe technologische ontwikkelingen. Het huishouden werd vooral ingrijpend veranderd door de komst van de magnetron, de televisie, en vanaf de jaren negentig de mobiele telefoon, computer en het internet.

De infrastructuur veranderde door de aanleg van veel snelwegen, waarmee Hitler in zijn eigen land in de jaren dertig begonnen was. De burgerluchtvaart kwam tot bloei en ook het openbaar vervoer verbeterde. Zo werden de spoorwegen enorm verbeterd door de komst van de hogesnelheidstrein. Het Verdrag van Schengen maakte een eind aan de grenscontroles tussen de verschillende EU-lidstaten. Werken of wonen in een ander Europees land is ook steeds makkelijker geworden door de Europese Unie. Er is hierdoor wel een verhevigde discussie ontstaan over een gemeenschappelijk toelatingsbeleid ten aanzien van migranten van buiten Europa.

De gevolgen van de val van het communisme in Oost-Europa waren enorm voor de Oost-Europese landen en verschilden van land tot land. Dit was deels toe te schrijven aan de verschillende transities van een planeconomie naar een markteconomie en deels aan de mate van democratisering na de omwenteling. Zo onderging Polen van alle landen de hardste transitie van een planeconomie naar een markteconomie (shocktherapie) maar koos het bewust om geen algemene zuivering van het communistische apparaat door te voeren. Inmiddels is die zuivering door de huidige rechtse regering wel ingezet. Hongarije en Tsjechië deden dat vrij snel na het ineenstorten van het communisme. Bijna alle landen voerden wel direct democratische vrijheden in, dat wil zeggen persvrijheid, algemeen kiesrecht, enz. De bevolking, die grotendeels achter de omwentelingen stond, was aanvankelijk zeer enthousiast, maar dat enthousiasme werd enigszins getemperd toen ze de gevolgen van de nieuwe markteconomie ondervonden. Desondanks is er weinig nostalgie naar de periode vóór de omwenteling en is er een groeiende middenklasse in de meeste voormalige Oostbloklanden.

Kunst in de eigentijdse tijd[bewerken]

1945 tot het einde jaren 1960[bewerken]

Jardin d'émail door Jean Dubuffet. Een voorbeeld van popart.

De ontnuchtering na de Tweede Wereldoorlog zorgde tevens voor een nieuwe opvatting in de kunst: kunst moest niet alleen maar interessant zijn voor de elite, maar ook voor de 'gewone man'. Een van de eerste stromingen die zich duidelijk profileerde met dit idee was popart, een stroming die was ontstaan in de Verenigde Staten en in het Verenigd Koninkrijk, al enkele jaren na de Tweede Wereldoorlog. De 'handreiking aan de gewone man' werd bereikt door thema's te kiezen die aansloten bij die cultuur, zoals reclame, televisie, kranten en tijdschriften.

De voor de oorlog ingeslagen weg van abstracte kunst werd verder verkend, maar daarnaast werden ook andere soorten kunst belangrijker. In musea kwamen performances, videokunst, lichtkunst en minimal art aan bod, ten koste van de traditionele schilderkunst. In de conceptuele kunst werd de gebruikte techniek minder belangrijk. Deze trend bereikte zijn hoogtepunt tijdens de jaren zestig en zeventig bij conceptuele bewegingen als happening, fluxus, videokunst, en kunstenaars als Joseph Beuys, Nam June Paik, Wolf Vostell en in Nederland Wim T. Schippers.

Hedendaagse kunst[bewerken]

Kunst vanaf de jaren 60 wordt in de kunstgeschiedenis aangemerkt als actuele of hedendaagse kunst. De laatste decennia van de twintigste eeuw werden gekenmerkt door het postmodernisme, een brede culturele stroming (ook in onder andere filosofie, literatuur en architectuur) die zich afzette tegen het modernisme uit het begin van de twintigste eeuw. De 'grote verhalen' en ideologieën waren voorbij: in plaats daarvan moest de kunst zich richten op kleinere gebeurtenissen en onderwerpen en werd subjectiviteit weer belangrijker geacht dan de ratio (tijdens de Romantiek was dat ook al eens gebeurd). De maakbaarheid van de samenleving werd bestreden. De versmelting tussen hoge en lage cultuur was een ander kenmerk van het postmodernisme. Het postmodernisme is overigens niet zo'n duidelijk afgebakende stroming als bijvoorbeeld de barok. Typisch voor de hedendaagse kunst is dan ook het grote pluralisme: het is moeilijk om nog duidelijke kunststromingen te onderscheiden, die zo karakteristiek waren voor de moderne kunst.

Verder lezen[bewerken]