Proza-Edda

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Proza-Edda is een handboek voor dichters uit middeleeuws IJsland, door Snorri Sturluson waarschijnlijk in Oddi geschreven. Het bevat mythologische verhalen uit de periode tussen de 9de en 12de eeuw, maar is pas in de dertiende eeuw opgeschreven, onder invloed van de opkomende kerstening. Het beschrijft de handelingen en lotgevallen van de Noordse goden en geeft de oude Noordse kosmogonie van het heelal weer, maar levert ook richtlijnen voor de Skaldische dichtkunst.

Indeling van de Proza-Edda[bewerken]

Voorblad van een IJslands afschrift (18de Eeuw) van de Snorra-Edda

De Oud-IJslandse geleerde Snorri Sturluson verzamelde overal waar dat nog mogelijk was de oraal overgeleverde rijmverhalen uit de oude traditie. Zijn eerste bekommernis was in feite de Noordse en Germaanse dichtkunst van de ondergang te vrijwaren, nadat deze door de kerstening in de verdrukking raakte. Het werd een duidelijke en rijkelijk met voorbeelden geïllustreerde uitleg van de Oudnoordse poëtica. De manuscripten geven ook vele opgetekende verhalen weer en deze bevatten belangrijke gegevens voor godsdienstwetenschap en geschiedenis.

In alle gevonden handschriften bestaat de Edda uit drie hoofddelen en een proloog:

- Proloog - Hier wordt gesproken over het ontstaan van het geloof in goden. In de stijl bespeurt men enige 'vreze gods' en een zekere welwillendheid ten aanzien van de nieuwe God van de christenen.
- Gylfaginning - De begoocheling van Gylfi: bericht over de wereld van de noordse goden. in het bijzonder over hun ontstaan en hun ondergang
- Skáldskaparmál - Over de dichtkunst: bespreekt de taal van de dichtkunst, in het bijzonder de dichterlijke vergelijkingen
- Háttatal - opsomming van dichtmaten: behandelt strofenvormen en het correct gebruik van (begin- en binnen)rijmen in de poëzie

De namen van de drie hoofddelen werden slechts in een van de perkamenthandschriften overgeleverd, en wel in de Codex Uppsaliensís. In de twee andere handschriften lopen de teksten van de verschillende delen zonder nadere aanduiding in elkaar over.
De Codex Trajectinus geeft alleen de naam van Háttatal.

In twee hoofddelen wordt rijk geciteerd uit oudere poëzie: Gylfaginning bevat citaten uit gedichten die ook in de Poëtische Edda voorkomen, met name uit de drie belangrijke godengedichten Völuspá, Vafþrúðnismál en Grímnismál. In Skáldskaparmál vormen honderden skaldenstrofen van met naam genoemde skalden vanaf ongeveer 900 na Christus het materiaal waardoor het betoog ondersteund wordt.
Háttatal bevat een gedicht van Snorrí zelf, een groot lofdicht op koning Haakon I de Oude en jarl Skúlí Bárdarson, dat omstreeks 1220 moet zijn gedicht. De 102 strofen van dit gedicht tonen 102 verschillende dichtmaten of varianten daarvan en het proza eromheen geeft een nadere toelichting op de kenmerken van strofenvorm en rijmschema van iedere variant.

Bronnen[bewerken]

  • Snorri Sturluson – Over de noordse goden – Verhalen uit Edda en Heimskringla – Nederlandse vertaling 1983 door Paula Vermeyden e.a. ISBN 90-290-1901-8 (uitg. Meulenhoff)
  • Edda - Goden- en heldenliederen uit de Germaanse oudheid vertaling dr. Jan de Vries (1953), zesde druk, herzien door Aleid Boon-de Vries en prof. dr. J. A. Huisman - 1978 ISBN 90-202-4878-2 (uitg. Ankh-Hermes)

Externe links[bewerken]