Tachtigjarige Oorlog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Tachtigjarige Oorlog
Slag bij Heiligerlee (23 mei 1568)
Slag bij Heiligerlee (23 mei 1568)
Datum 1568 – 1648
Locatie Europa: Nederlanden, Gibraltar
Resultaat onafhankelijkheid Noordelijke Nederlanden
Territoriale
veranderingen
ontstaan van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
Verdrag Vrede van Münster
Strijdende partijen
Nederlandse Opstand (1568–1588)
Prinsenvlag.svg Nederlandse opstandelingen
Flag of England.svg Engeland
(1585–1604)
Flag of Cross of Burgundy.svg Spaanse Rijk
Geregelde oorlog (1588–1648)
Prinsenvlag.svg De Republiek
Flag of England.svg Engeland
(1585–1604, 1624–30)
Royal Standard of the King of France.svg Frankrijk
(1596–8, 1635–48)
Flag of Cross of Burgundy.svg Spaanse Rijk
Portaal  Portaalicoon   Tachtigjarige Oorlog
Geschiedenis van België

Tijdlijn · Bibliografie


..Naar voormalige koloniën

Portaal  Portaalicoon  België
Portaal  Portaalicoon  Geschiedenis
Geschiedenis van Nederland

Tijdlijn · Bibliografie



Portaal  Portaalicoon  Nederland
Portaal  Portaalicoon  Geschiedenis

De Tachtigjarige Oorlog was een strijd in de Nederlanden die in 1568 begon en eindigde in 1648, met een tussenliggende vrede (het Twaalfjarig Bestand) van 1609 tot 1621. De oorlog woedde in een van de rijkste Europese gebieden, de Habsburgse of Spaanse Nederlanden en richtte zich tegen een wereldmacht: het Spaanse Rijk onder koning Filips II, landsheer der Nederlanden, en zijn opvolgers Filips III en Filips IV. De eerste fase van de oorlog kan gekarakteriseerd worden als een opstand en staat bekend als de Nederlandse Opstand hoewel deze benaming soms voor de hele oorlog wordt gegeven. Vanaf 1588 veranderde het karakter in een geregelde oorlog.

Aanvankelijk trokken de Lage Landen of de Zeventien Provinciën gezamenlijk op tegen de Spaanse overheerser. Na 1576 groeiden de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden uit elkaar, doordat de Reformatie in het noorden dieper wortel schoot dan in het zuidelijke deel. De opmars van het Spaanse leger vanuit het zuiden leidde in 1585 tot de val van Antwerpen dat de scheiding van noord en zuid markeerde. Na Antwerpen zette het Spaanse leger door tot het grote delen van de in 1588 gevormde Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in handen had. Rond 1590 keerde het tij ten gunste van de Republiek en kwam het noorden en oosten terug in Staatse handen. In 1609 werd een wapenstilstand gesloten, het Twaalfjarig Bestand, hoewel de oorlog indirect werd voortgezet in Duitsland. Na het hervatten speelde de oorlog zich voornamelijk af in het zuiden van de Republiek. Moegestreden werd in 1648 de Vrede van Münster getekend.

Voorgeschiedenis[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Zeventien Provinciën voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
In groen het Habsburgse Rijk onder Karel V in 1547.

De Lage Landen waren in de 16e eeuw een verzameling van landen die in de voorafgaande eeuwen door de Bourgondiërs en later de Habsburgers waren verworven door vererving, huwelijken en verovering. De laatste toevoeging was het hertogdom Gelre in 1543, na de verovering ervan door keizer Karel V. De enige overeenkomst die deze landen, ook de Zeventien Provinciën genaamd, hadden, was de landsheer die zij deelden. De inwoners van de landen voelden dan ook geen enkele binding met andere landen in deze verzameling. Zij identificeerden zich voornamelijk met de eigen stad of streek en ten hoogste met het eigen gewest.

Doordat de landen een eigen ontwikkeling hadden doorgemaakt, hadden ze verschillende gebruiken, privileges en wetgeving. Voor de landsheer was het bestuur door deze verschillen niet gemakkelijk en daarom probeerde hij al vanaf de Bourgondische periode meer grip te krijgen door taken te centraliseren. Dit leidde regelmatig tot botsingen tussen de centrale regering in Brussel en de landen, omdat centralisatie altijd gepaard ging met het inperken van verworven privileges.

Belastingen konden niet centraal opgelegd worden. Het was een privilege van de gewesten om een verzoek tot geld, een bede, aan de landsheer toe te kennen. De landen konden vervolgens allerlei eisen stellen aan de besteding ervan. Dit was niet bevorderlijk voor de slagkracht van het centrale bestuur en leidde soms ook tot botsingen. Door kostbare oorlogen en toenemende bureaucratie zat de landsheer erg om geld verlegen, maar tot het instellen van een centraal opgelegde belasting was hij nog niet in staat geweest.

Hoewel het katholicisme de enig toegestane religie was, vonden de ideeën van de reformatie ook in de Lage Landen aanhang. De landsheer duldde geen afwijking in de eenheidsgedachte en protestanten werden hierom overal vervolgd.

In 1555 trad de toenmalige landsheer Karel V af. Het enorme rijk dat hij achterliet, werd verdeeld tussen zijn zoon Filips II en zijn broer Ferdinand. Spanje, de Nieuwe Wereld en de Nederlanden gingen naar Filips, Ferdinand kreeg de Oostenrijkse landen en de keizerskroon.

Toenemende spanningen[bewerken]

Filips II, koning van Castilië en Aragon (Spanje) en heer der Nederlanden.

De harde aanpak van protestanten, de toenemende centralisatie, bureaucratisering en de economische achteruitgang onder delen van de bevolking zorgden voor toenemende onvrede in de Zeventien Provinciën.

Door de economische malaise in de tweede helft van de zestiende eeuw en de afkeer tegen het katholicisme nam aanvankelijk vooral in het zuiden de populariteit van het calvinisme toe, een protestantse stroming die was overgewaaid uit Frankrijk. De reactie van Filips II was het nog harder aanpakken van deze 'ketters'. In 1559 vertrok hij voorgoed naar Spanje en benoemde hij zijn halfzus Margaretha van Parma tot landvoogdes van de Nederlanden.

De landvoogdes liet zich adviseren door een paar vertrouwelingen, waaronder kardinaal Granvelle. De normaal zo invloedrijke hoge edelen uit de Raad van State, zoals Oranje en Egmont, zagen hun macht ingeperkt worden. Zij waren ontevreden over het gevoerde beleid van toenemende centralisatie en tegen de strenge aanpak van protestanten, omdat die veel onrust veroorzaakte in de gewesten. Granvelle werd verantwoordelijk gehouden voor dit beleid en in 1561 verenigden de hoge edelen zich om de kardinaal weg te krijgen – wat in 1564 ook lukte. Nu zij de invloed weer terug dachten te hebben, wilden zij zich inzetten voor een ander beleid. Egmont vertrok naar Spanje om de wensen mondeling toe te lichten, maar Filips wilde niet van de genomen besluiten afwijken.

Naast de hoge edelen waren ook de lage edelen, waaronder zich aanhangers van het calvinisme bevonden, ontevreden. Ook zij waren het niet eens met het gevoerde beleid: het vervolgen van protestanten en de toenemende bureaucratisering en centralisatie. Zij verenigden zich in het Eedverbond der Edelen en middels een smeekschrift, dat door een paar honderd edelen was ondertekend en onder leiding van Hendrik van Brederode werd aangeboden aan de landvoogdes, pleitten zij voor de afschaffing van vervolgingen op calvinisten. Bij die gelegenheid zou raadsman Karel van Berlaymont tegen Margaretha de beroemde woorden N'ayez pas peur Madame, ce ne sont que des gueux ("Wees niet bang mevrouw, het zijn slechts bedelaars") gezegd hebben, waarna de edelen dit overnamen als erenaam en geuzenpenningen en bedelnappen gingen dragen. Margaretha schortte de vervolgingen op, in afwachting van een reactie van Filips. Calvinisten, die eerder nog in het geheim samenkwamen, gingen zich nu openlijk manifesteren. De geest was uit de fles en zou er niet meer in gaan. De polarisatie nam toe en ontaardde in de beeldenstorm.

Opstand[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Nederlandse Opstand voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Traditioneel wordt de Slag bij Heiligerlee op 23 mei 1568 gezien als startpunt, maar eigenlijk hadden vanaf 1566 al meerdere gebeurtenissen plaatsgevonden die ook als beginpunt gezien kunnen worden. Vanaf 1588 veranderde het karakter van opstand naar een geregelde oorlog.

Beeldenstorm en eerste gewelddadigheden[bewerken]

Vernieling van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen op 20 augustus 1566. (gravure gemaakt door Frans Hogenberg)

De ontevredenheid onder de calvinisten kwam tot uitbarsting met de Beeldenstorm. Het geweld begon op 10 augustus 1566 in West Vlaanderen na aansporing door calvinistische predikanten. In grote delen van de Nederlanden werden vernielingen aangericht in kerken en kloosters door rondtrekkende groepjes. Het vandalisme was gericht tegen de rijkdom van de katholieke kerk en de beeldenverering. Vooral heiligenbeelden, altaren en monstransen moesten het ontgelden. De golf van geweld verspreidde zich door Vlaanderen, Artesië en Brabant naar Holland en Zeeland en Utrecht. Willem van Oranje en zijn medestanders, waaronder de hoge edelen Egmont en Horne veroordeelden het geweld, omdat zij godsdienstvrijheid in de Zeventien Provinciën voor ogen hadden, ook voor de katholieken. De steun hiervoor van gematigde katholieken kwam met deze actie op het spel. De gedachte van godsdienstvrijheid was niet uniek. In Frankrijk was op dat moment deze vrijheid in een milde vorm ingevoerd na jaren van oorlog tussen katholieken en protestanten. Oranje en zijn medestanders beloofden Margaretha van Parma de rust te herstellen in ruil voor het toestaan van het protestantisme waar deze voor de beeldenstorm voorkwam. Margaretha kon niet anders dan instemmen. In de tussentijd liet zij echter een leger oprichten om de opstandig geworden steden Doornik en Valenciennes te veroveren. Een geuzenleger wilde de steden te hulp schieten, maar werd verslagen bij Oosterweel op 13 maart 1567. Het regeringsleger veroverde Valenciennes en Doornik en smoorde de opstand. Egmont en Horne legde Margaretha de eed van trouw af en Oranje vertrok naar het buitenland. Even leek het erop alsof de opstand voorbij was.

Komst van de hertog van Alva[bewerken]

Titiaan: De hertog van Alva, Spaans legeraanvoerder, eerste helft 16e eeuw.

Filips II was geschokt en gekwetst toen hij hoorde van de beeldenstorm. Hij besloot dat de harde lijn gevolgd moest worden – ook om te voorkomen dat het voorbeeld gevolgd zou worden in de Spaanse gebieden in Italië – en op 29 november 1566 stelde hij de hertog van Alva aan als landvoogd van de Nederlanden om de opstand te beteugelen. De bijnaam van Alva was de ijzeren hertog,[1] een naam die hij eer aandeed gezien zijn brute optreden.

Toen Alva in augustus 1567 in Brussel aankwam, was er door de tolerante politiek een goede kans dat de opstand zou bedaren. In plaats van de opstand te onderdrukken, was de legering van tienduizend vreemde troepen in de Vlaamse en Brabantse steden door Alva dan ook eerder een provocatie. Hij voerde meteen de drie opdrachten van Filips uit, namelijk de opstandelingen straffen, ervoor zorgen dat alleen het katholieke geloof in de Nederlanden beleden zou worden en centralisatie van het bestuur invoeren. In de praktijk kwam dit neer op een bestraffing van de Beeldenstormers, het instellen van nieuwe bisschoppen in bepaalde bisdommen en het doorvoeren van de besluiten van het Concilie van Trente.

Hij nodigde de edelen van de opstandige gebieden uit voor een gesprek. De meeste edelen doorzagen dat het een list was. Op 9 september werd de op de vlucht geslagen Antoon Van Stralen opgepakt en later ter dood veroordeeld. Een dag later werden Egmont en Horne gevangengenomen toen zij wel op kwamen dagen bij Alva. Later werden beiden, evenals Van Oranje, op beschuldiging van hoogverraad door de Raad van Beroerten ter dood veroordeeld. De laatste was inmiddels naar zijn slot in Dillenburg gevlucht. Nadat op 1 juni de eerste achttien edelen waren onthoofd op de Grote Markt van Brussel, volgde op 5 juni 1568 de onthoofding van Egmont en Horne, wat tot grote onrust onder de bevolking leidde.

Oranjes eerste invasie[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Oranjes eerste invasie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Willem van Oranje probeerde in 1568 Alva te verdrijven uit Brussel. Het ging hier nadrukkelijk om een opstand tegen Alva en niet tegen de koning. Het vers uit het Wilhelmus, dat omstreeks deze tijd geschreven werd, herinnert hieraan: De koning van Hispanje heb ik altijd geëerd. Oranje en zijn bondgenoten deden dat jaar drie verschillende invallen. In april werd de Slag bij Dalheim door Jan van Montigny verloren. Maar de Slag bij Heiligerlee op 23 mei 1568 was de eerste overwinning van de troepen van Willem van Oranje (aangevoerd door Lodewijk van Nassau) op die van Alva.

Er was echter nog weinig steun voor Oranje – geen enkele stad verkoos zich aan te sluiten bij de opstand. Bovendien liet Alva op 5 juni de edelen Egmont en Horne onthoofden om het volk schrik aan te jagen, waarna hij naar het noorden trok en Lodewijk van Nassau versloeg in de Slag bij Jemmingen. Na deze nieuwe nederlaag deed Willem van Oranje in oktober zelf nog een inval, maar Alva vermeed een directe confrontatie, uitgezonderd een achterhoedegevecht (de Slag bij Geldenaken), en sneed hem af van de toevoer van levensmiddelen en de steun van de lokale bevolking, waarna Oranje in november vanwege geldgebrek het leger moest ontbinden.[2] Dit beëindigde voorlopig zijn pogingen om de Nederlanden te bevrijden, terwijl Alva de orde herstelde.

Alva's maatregelen en de Geuzenplunderingen[bewerken]

Allegorie: Spanjaard bedreigt de Nederlandse maagd in de Tachtigjarige Oorlog, prent uit Johannes Gysius: Oorspronck ende voortgang der Neder-landtscher beroerten ende ellendicheden, 1616

Behalve de Raad van Beroerten voerde Alva ook belastingen in. De kosten van het bestuur en de verdediging van de Nederlanden werden namelijk voor een groot deel gefinancierd door Spanje, en Filips II wilde dat de Lage Landen deze kosten zelf gingen dragen. Onder dreiging van Alva stelden de provinciale staten voor om een aantal nieuwe belastingen in te voeren, zoals de Honderdste Penning, de Twintigste Penning en de controversiële Tiende Penning, die veel weerstand opwekte. De watergeuzen, op dat moment een stel zeerovers met een kaperbrief van Willem van Oranje, profiteerden hiervan. Bij gebrek aan een eigen marine zag Willem in de Geuzen een nieuwe mogelijkheid de troepen van Alva te verslaan en verleende hun het recht zijn oranje-wit-blauwe vlag te voeren. Kaperij was in die tijd een gebruikelijke aanvulling op de financiering van de maritieme macht van veel vorsten.

De watergeuzen zorgden voor de bevoorrading van de troepen tijdens de Slag bij Heiligerlee en kaapten Hollandse schepen. Daarop gaven Alva en Maximiliaan van Hénin-Liétard, de graaf van Bossu, opdracht om schepen uit te rusten om tegen de geuzen op te trekken. Tijdens de eerste zeeslag van de opstand die volgde, behaalde de sterkere geuzenvloot een overwinning op het Hollandse eskader van viceadmiraal François van Boshuizen in de Zeeslag op de Eems. Aangezien de commandant van de watergeuzen, Louis de Bergues, de broer van Adriaan de Bergues, de heer van Dolhain, tegen de afspraken in neutrale schepen bleef overvallen, benoemde Willem van Oranje in augustus 1570 Lumbres uit Artesië als admiraal, de eerste van de gehele geuzenvloot. Lumbres had contacten met Elizabeth I van Engeland. De geuzen mochten ook gebruikmaken van Engelse havens. Lumbres was geen zeeman, maar moest met zijn diplomatieke gaven van de geuzen een eenheid maken. Ondanks plannen voor een grootscheepse aanval kwam men niet verder dan de verovering van Texel onder leiding van Lancelot van Brederode, broer van Hendrik van Brederode.

In het voorjaar van 1571 plunderden de geuzen Monnickendam, Schellingwoude en omgeving. Als reactie hierop werd een deel van de Spaanse soldaten in Utrecht naar Holland overgebracht en op 21 mei liet Alva elf schepen uitvaren onder Boshuizen, die een maand later de geuzen versloeg bij Emden. De hoofdmacht van de geuzen in het Kanaal ontvluchtte naar Dover.

Voor de tweede keer waren er plannen voor een grote aanval met behulp van Karel IX van Frankrijk, de Hugenoten en Elizabeth I, waar echter niets van kwam, doordat veel kapiteins meer voordeel zagen in de kaapvaart. Lumbres trok zich daarom terug en werd opgevolgd door Willem van der Marck, bekend als Lumey.

De Geuzenopstand en Oranjes tweede invasie[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Geuzenopstand en Oranjes tweede invasie voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.
De in 1572 door Geuzen en Oranjes huurlingen ingenomen steden.

Ondertussen wilde Elizabeth de relaties met Spanje verbeteren en verdreef de geuzen uit de Engelse havens. Een van de gevolgen was de inname van Den Briel op 1 april 1572, door de watergeuzen onder aanvoering van Lumey en Bloys van Treslong door de Noordpoort. In de daaropvolgende maanden zouden vele steden in Holland en Zeeland zich vrijwillig en onvrijwillig aansluiten bij de opstandelingen.

Op 14 april deed Willem van Oranje een oproep aan de inwoners van de Nederlanden om in verzet te komen tegen het bestuur van de hertog van Alva.[3] Hij had intussen zijn broer Lodewijk aangesteld tot leider van de geuzen. De bedoeling was dat de geuzen enkele steden innamen en dat tezelfdertijd een nieuw invasieleger de Nederlanden binnenviel. Eind mei 1572 vielen de steden Valencijn en Bergen in Henegouwen in handen van de Geuzen.

Een maand later, juni 1572, sloot Enkhuizen zich aan bij de opstandelingen. Later volgden de meeste steden in Holland en Zeeland. Middelburg, Goes en Amsterdam bleven trouw aan Alva. Brugge werd door de Geuzen wel aangevallen, maar ze slaagden er niet in de Vlaamse stad te veroveren. Bovendien zorgde de Bartholomeusnacht op 24 augustus te Parijs dat men voorlopig niet meer op Franse steun hoefde te rekenen.

De zoon van Alva, Fadrique Álvarez de Toledo, zette een tegenoffensief in. De steden Mechelen en Zutphen werden met harde hand heroverd: de Spaanse Furie van Mechelen en het Bloedbad van Zutphen. De innames gingen gepaard met zware mishandelingen, martelingen, verkrachtingen, grootschalige moord en brandstichting. De strafexpeditie bereikt een dieptepunt in het bloedbad van Naarden. Slechts zestig burgers zouden de slachtpartij hebben overleefd.[4]

Alva en Don Frederik richtten zich vervolgens op de belegering van Haarlem, terwijl Willem van Oranje en de Watergeuzen Amsterdam blokkeerden in een poging om de Haarlemse belegering te breken. Er werd gevochten in Diemen (Slag op de Diemerdijk), op de Zuiderzee (Slag op de Zuiderzee) en het Haarlemmermeer (Slag op het Haarlemmermeer) en bij Muiden (Aanval op Muiden).

Doordat Den Briel, Vlissingen en Enkhuizen zich bij de opstand hadden aangesloten, hadden de rebellen de controle over de handelsroutes. Een ander gevolg was dat de watergeuzen niet meer hoefden rond te zwerven. Daarentegen vielen ze nu onder de magistraten van deze steden, die zorgden voor de financiering van de opstand. Tijdens de eerste vrije vergadering van de Staten van Holland – waar Willem van Oranje werd bevestigd als stadhouder – werd besloten alle commissiebrieven in te trekken. Ook probeerde men zich te ontdoen van de ongedisciplineerde elementen die de opstand schade berokkenden door hun gedrag. Op grote schaal werden namelijk katholieke burgers en geestelijken vermoord en kloosters geplunderd, dit alles tot woede van Willem van Oranje. Uiteindelijk liet hij Lumey ontslaan voor zijn aandeel in de moord op de Martelaren van Gorcum. Een gevolg van de terreur was dat er van een volksopstand al snel geen sprake meer was en katholieken steeds meer terugkeerden naar het Spaansgezinde kamp. Dit alles zorgde ervoor dat in 1573 de watergeuzen niet meer als één groep bestonden.

In een vergadering van de Staten van Holland werd nogmaals bevestigd dat Willem van Oranje stadhouder van de koning was. Nog altijd was de opstand alleen gericht tegen Alva en niet tegen het koninklijke gezag. Willem van den Bergh, een zwager van Willem van Oranje, veroverde ondertussen grote delen van Gelderland en het graafschap Zutphen en Overijssel, waaronder Doesburg (Inname van Doesburg), Bredevoort (Inname van Bredevoort (1572)), Doetinchem (Inname van Doetinchem (1572)), Zutphen (Inname van Zutphen), Harderwijk (Inname van Harderwijk), Zwolle (Inname van Zwolle) en Kampen (Beleg van Kampen (1572)). Ook Friesland schaarde zich geheel achter Oranje. Later dat jaar volgde nog de inname van steden als Mechelen, Dendermonde en Leuven.

Door Alva werd het verzet getypeerd als een opstand, niet als een oorlog. In 1572 berichtte Lodewijk van Nassau aan zijn broer Willem dat de hertog van Alva zeer verbaasd is ... dat de steden zo in opstand komen (les villes se revoltent ainsi). In brieven, kronieken en dagboeken uit die tijd wordt gesproken over verzet, afzwering van de landsheer enzovoorts.

Na de zes jaar durende harde lijn van Alva, bleek deze averechts gewerkt te hebben. De opstand was niet neergeslagen, maar de repressie had wel gezorgd voor een groeiende onvrede onder aanvankelijk nog gematigde onderdanen. In 1573 werd Alva dan ook teruggehaald naar Spanje. Hij werd op 17 oktober opgevolgd door de gematigder Requesens.

Externe invloed[bewerken]

"Liever Turks dan paaps". Penning in de vorm van de Turkse halve maan door geuzen gedragen en symbool voor de calvinistische harde kern van de opstand tegen de rooms-katholieke landvoogd.

Voor het verloop van de Opstand was niet alleen de situatie in de Nederlanden van belang; Spanje stond in het Middellandse Zeegebied onder druk van het Ottomaanse Rijk, dat net als Spanje in die tijd op het hoogtepunt van zijn macht was. Een oude vriend van Willem van Oranje uit Antwerpen, de jood Josef Nasi, was adviseur geworden van de sultan in Istanboel.[5] Toen in 1566 de Beeldenstorm Antwerpen bereikte, stuurde Süleyman I in oktober een brief aan de vergadering te Antwerpen, waarin hij de opstandelingen financiële en militaire hulp aanbood, opdat zij samen tegen de Spanjaarden zouden strijden. Kort daarna stierf hij. De Turkse vlaggen van de Watergeuzen en hun geuzenpenningen met de tekst 'Liever Turks dan paaps', die zij ook vanaf het jaar 1566 droegen met een Turkse halve maan, verwijzen naar dit aanbod. In 1568 stuurde Willem van Oranje een delegatie naar de nieuwe sultan, Selim II, om de samenwerking voort te zetten. De Turken hadden op dat moment echter al hun krachten nodig tegen Ivan de Verschrikkelijke in de Russisch-Turkse Oorlog, die duurde tot 1570. In dat jaar wist Nasi met de hulp van Lala Kara Mustafa Pasha Selim te bewegen Cyprus te veroveren, tegen de wil van grootvizier Mehmet Sokollu in, de machtigste man aan het hof. Het Ottomaanse Rijk leed in 1571 een grote nederlaag in de Slag bij Lepanto tegen de Heilige Liga, die bestond uit Spanje, de republiek Venetië, de Kerkelijke Staat, de republiek Genua, Savoye en de orde van Malta. Dat was echter geen definitieve nederlaag, want de Heilige Liga viel al in 1573 weer uiteen. In datzelfde jaar verloren de Venetianen Cyprus aan de Ottomanen. In 1574 heroverden de Ottomanen Tunis op de Spanjaarden. Het zou nog meer dan een eeuw duren voordat het Ottomaanse Rijk definitief tot de terugtocht werd gedwongen. De Ottomaanse druk verhinderde Spanje zich volledig te richten op het neerslaan van de opstand in de Nederlanden.

Mookerheide, Alkmaars en Leidens ontzet, vredesoverleg[bewerken]

Otto van Veen (1556-1629): Leidens ontzet nadat de stad vanaf 1573 een jaar lang werd belegerd door Spanje.

Vrijwel direct na hun nederlaag bij Alkmaar omsingelden de Spanjaarden Leiden. Tijdens dat beleg werd door de legers van de prins van Oranje Middelburg ingenomen (9 februari 1574). Ook werd wederom een vlootoverwinning op de Spanjaarden behaald, ditmaal op wat nu de Westerschelde is (zie Slag bij Vlissingen). De legers van de prins konden echter niets doen om Leiden te ontzetten. Lodewijk van Nassau probeerde met financiële steun van zijn broer Jan en de Fransen een Duits invasieleger op de been te brengen. Het Spaanse leger rondom Leiden gaf tijdelijk de omsingeling op, om het nieuwe leger tegen te houden. Op 14 april 1574 vond op de Mookerheide een slag plaats tussen het leger van Lodewijk van Nassau en het Spaanse leger. Lodewijk van Nassau en zijn broer Hendrik van Nassau sneuvelden.

De verslagenheid over de nederlaag op de Mookerheide en het sneuvelen van twee van Willems broers was groot. Leiden sloeg het advies van Willem van Oranje in de wind om voedselvoorraden aan te leggen, omdat de Spanjaarden terug zouden kunnen keren. De Spanjaarden hervatten het beleg van Leiden, de schansen lagen er nog zo bij als ze hen hadden achtergelaten. De Leidenaren weigerden zich over te geven, waarna opnieuw besloten werd de dijken door te steken. Na twee maanden, op 3 oktober 1574 stond het water rondom Leiden zo hoog dat de Spanjaarden hun beleg moesten opgeven. De Geuzen werden op platte schuiten over het ondergelopen land als overwinnaars binnengehaald, daarbij haring en wittebrood uitdelend aan de uitgehongerde bevolking. Tot op de dag van vandaag wordt het ontzet zowel in Alkmaar als in Leiden jaarlijks gevierd. In Leiden werd op initiatief van Willem van Oranje kort daarna, op 8 februari 1575, de universiteit gesticht, die overigens wel was opgedragen aan Filips II. Deze was immers nog niet afgezworen als staatshoofd; de opstand ging in principe slechts over herstel van geschonden autonome rechten van de provincies. Tijdens de belegering maakte predikant Adriaen Taling bezwaar tegen de spreuk op de noodmunt, haec libertatis ergo (dit is om de vrijheid). Hij vroeg zich af waarom daar geen haec religionis ergo (dit is om de religie) op stond. Duidelijk bleek dat er onenigheid was over het doel van de opstand.

De Spaanse bevelhebber Don Requesens probeerde een vredesverdrag te sluiten. Om de opinie gunstig te stemmen, schafte hij de Tiende Penning en de Raad van Beroerten af. Ook werd de opstandelingen amnestie beloofd, maar omdat hierop weer driehonderd uitzonderingen werden gemaakt, was dit vermoedelijk geen serieus aanbod. Op 3 mei 1575 vonden in Breda onderhandelingen plaats. Hier bleek echter hoe sterk de opstand het karakter van een godsdienstoorlog had gekregen: de onderhandelingen liepen stuk op godsdienstige eisen. Zo eisten de Spanjaarden dat de protestanten het land zouden verlaten en eisten de opstandelingen dat alle bisschoppen zouden vertrekken. Na het mislukken van de onderhandelingen werd de strijd in alle hevigheid voortgezet. Oudewater en Schoonhoven werden door de Spanjaarden veroverd. In de herfst van dat jaar viel ook Zierikzee. De stad Woerden werd door de Spanjaarden belegerd, maar door het doorsteken van de dijken werden de Spanjaarden, na elf maanden, verdreven.

Algemene opstand (1576-1579)[bewerken]

Pacificatie van Gent[bewerken]

De Spaanse Furie, de plundering van Antwerpen door muitende Spaanse troepen vanwege het uitblijven van soldij.

Door het verlies van de steden leek de situatie voor de opstandelingen hopeloos. Maar vrij onverwacht keerden de kansen: op 1 september 1575 werd Spanje voor de tweede keer bankroet verklaard, en hierdoor moest er bezuinigd worden op de soldij van de troepen. Bovendien overleed Requesens onverwacht op 1 maart 1576 zonder een opvolger te hebben aangewezen. Door de achterstallige soldij en het ontbreken van een leider, begonnen Spaanse troepen te deserteren en te muiten. Zierikzee en Aalst werden door plunderende troepen leeggeroofd, Mechelen en Brussel werden bedreigd. De Staten van Henegouwen en Brabant riepen begin september de Staten-Generaal van de Nederlanden bijeen en knoopten onderhandelingen aan met de opstandige gewesten Holland en Zeeland. Dit was uitzonderlijk omdat de Staten-Generaal niet op eigen initiatief mochten vergaderen, en bovendien trachtten de gematigden en radicalen samen te werken. In Gent werden eind oktober afspraken gemaakt tussen de opstandige en de koningsgetrouwe gewesten over het verdrijven van de muitende Spaanse troepen. De godsdienstige meningsverschillen hoopte men later op te lossen.

Op 4 november trokken Spaanse troepen moordend en plunderend Antwerpen binnen. Achtduizend Antwerpenaren vonden de dood en duizenden gebouwen gingen in vlammen op in de Spaanse Furie. Een storm van verontwaardiging over deze gruweldaad raasde door de Nederlandse steden, waar nu in grote omvang opstanden uitbraken. Na deze zoveelste plundering werd de Pacificatie van Gent meteen ondertekend en op 8 november 1576 afgekondigd. De Nederlanders leken zich weer verenigd te hebben in hun verzet. Op 9 november werden de Spanjaarden verdreven uit Gent, waarop vele andere steden volgden: in 1577 maakten opstandelingen zich meester van de steden Antwerpen, Brussel, Breda, Eindhoven, Groningen, Goes, Haarlem, Maastricht, Steenbergen, Utrecht en Valencijn. De regeringstroepen moesten zich in veel plaatsen op bevel van de nieuwe landvoogd don Juan van Oostenrijk terugtrekken.

Unie van Brussel[bewerken]

Don Juan, die de Ottomanen bij Lepanto had verslagen, bond nu de strijd aan met de Nederlandse opstandelingen.
Bij Gembloers behaalden de Spanjaarden een grote overwinning die de rebellen diep verdeelde.
Illustratie uit Den spiegel der Spaensche tijrannije, gheschied in West-Indien

Filips II stuurde zijn halfbroer Don Juan – een bastaardzoon van Karel V, die in 1571 tijdens de Slag bij Lepanto de Turkse vloot had verslagen – naar de Nederlanden. De Staten-Generaal probeerden met hem tot een overeenkomst te komen. Op 7 januari 1577 werd de Unie van Brussel gesloten tussen de gewesten die de Pacificatie erkenden (alle Nederlanden behalve Luxemburg). Zij stelden de eisen van de Pacificatie samen in het Eeuwig Edict, en legden deze voor aan de nieuwe landvoogd Don Juan. Deze besloot op 12 februari het edict te tekenen vanwege de ernst van de situatie en erkende hiermee de Pacificatie van Gent. De Staten-Generaal erkenden op hun beurt nogmaals de koning en beloofden zich sterk te maken voor het behoud van het rooms-katholieke geloof in de provincies. Don Juan zou landvoogd worden en de Spaanse troepen zouden zich (tegen betaling) terugtrekken. Op 6 april tekende ook Filips II de overeenkomst, echter niet uit overtuiging. In feite betekende het edict een wapenstilstand van enkele maanden.

De Spaanse troepen begonnen zich eind april 1577 terug te trekken. Maar na enkele maanden, op 24 juli, nam Don Juan de Citadel van Namen in, wat een breuk met het edict was. Het begon ernaar uit te zien dat er geen vreedzame oplossing zou komen en op 31 augustus beval Filips II bovendien dat de Spaanse troepen terug moesten keren naar de Nederlanden.

Willem van Oranje liet zich op 24 september 1577 triomfantelijk binnenhalen in Brussel, om het volk zijn steun te betuigen tegen de Spanjaarden. Dit was een vrij revolutionaire daad, maar het volk steunde hem en bood hem zelfs de titel 'Ruwaard van Brabant' aan, die vroeger werd gegeven aan een plaatsvervanger van de hertog, als deze niet in staat bleek (goed) te regeren.

De Staten-Generaal moesten snel vergaderen over wat te doen tegen het nieuwe offensief van Don Juan, maar dat was niet gemakkelijk: men was onderling vooral verdeeld over godsdienstige kwesties, en het vormen van één gezamenlijk leger ging uiterst moeizaam. Op 28 oktober vond er bovendien een staatsgreep van radicale calvinisten plaats in Gent, die begonnen aan gewelddadige bekeringen onder de bevolking, wat katholieken en gematigde protestanten afschrikte en het Willem van Oranje nog moeilijker maakte eenheid te smeden.

In januari 1578 kwam Alexander Farnese, zoon van Margaretha van Parma en de latere hertog van Parma, met verse troepen Don Juan ondersteunen. Op 31 januari behaalde Farnese een verpletterende overwinning op het Staatse leger in de Slag bij Gembloers, ten zuidoosten van Brussel. Na de slag werd Leuven ingenomen. Hierdoor werden de Staten-Generaal nog verder verdeeld tussen voor- en tegenstanders van de opstand.

Don Juan schreef aan Filips II dat Oranje feitelijk de macht had in de Nederlanden. De gewesten erkenden hem niet meer als landvoogd, maar stelden in zijn plaats de aartshertog Matthias van Oostenrijk, neef van Filips II, aan. Dit was tegen de zin van Filips II, voor wie Don Juan nog gewoon landvoogd was. Matthias van Oostenrijk was nog erg jong en politiek onervaren, zodat hij in de praktijk weinig in te brengen had tegen Willem van Oranje. In de volksmond werd hij spottend de griffier van de prins genoemd. De Spaanse troepen bedreigden Brussel en de Staten-Generaal besloten zich terug te trekken naar Antwerpen. Op 1 oktober 1578 overleed Don Juan in zijn legerkamp nabij Namen op 33-jarige leeftijd aan tyfus, nadat hij Farnese aangewezen had als zijn opvolger.

Intussen werd op 26 mei 1578 in Amsterdam de Alteratie ingevoerd, waarmee de katholieke stadsregering werd afgezet. Amsterdam was in 1578 een belangrijke stad die nog niet tot de prins was overgegaan. De oorlog was kostbaar en een aantal steden dreigde af te haken. Tijdens de Satisfactie verzoende de stad zich met de overige steden van Holland.

Hoewel indianen bij wet als onderdanen van de koning gelijk waren aan Europeanen, had de eigenlijke behandeling van de indianen in de Nieuwe Wereld in Spanje zelf al voor kritische geluiden gezorgd. In de Nederlanden werd dit gebruikt om de opstand te rechtvaardigen. In 1552 verscheen Brevíssima relación de la destrucción de las Indias van de hand van Bartolomé de las Casas, bedoeld om de Spaanse koning aan te zetten tot het sturen van meer ambtenaren om de wet overzees beter te handhaven. In 1578 werd dit ontdekt in de Nederlanden en nog dat jaar vertaald. Het boek speelde een belangrijke rol in het versterken van de negatieve beeldvorming van de Spanjaarden, ook doordat het was geschreven door een Spaanse geestelijke. In Den spiegel der Spaensche tijrannije, gheschied in West-Indien, een uitgave uit 1620, zijn gravures van Theodoor de Bry toegevoegd die het beeld versterkten.

Parma's negen jaren (1579-1588)[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Parma's negen jaren voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De scheuring: Atrecht en Utrecht[bewerken]

Het doel van de Pacificatie van Gent was het verenigen van de Nederlanden in de strijd tegen Spanje. Echter, al vrij snel begonnen de meningsverschillen op te spelen. Behalve de godsdienstige conflicten, speelde ook mee dat ieder gewest vooral voor zijn eigen belangen opkwam. Zo werd de toegangsweg naar de Antwerpse haven door Zeeland en Holland geblokkeerd: alleen tegen betaling werden schepen doorgelaten.

De zuidelijke gewesten Artesië en Henegouwen en de Franstalig-Vlaamse stad Dowaai sloten op 6 januari 1579 de Unie van Atrecht, waarin zij zich weer onder het gezag van de koning schaarden. In de Unie van Atrecht werd wel afgesproken dat de buitenlandse troepen zich terug dienden te trekken. In het traktaat van Atrecht van 17 mei 1579 erkenden dezelfde gewesten Farnese als landvoogd. Deze begon het 'Project van Reconciliatie', waarbij hij onderzocht of de gewesten zich werkelijk wilden overgeven, en nog enkele praktische zaken. Dit rondde hij af op 4 oktober waarmee de Waals-Picardische gewesten weer onder Spaans gezag waren.

Op 23 januari 1579 tekenden Gelderland, Holland, Zeeland, Utrecht en de Ommelanden een eigen verdrag, de Unie van Utrecht. In de daaropvolgende maanden sloten ook de andere noordelijke provincies en veel steden in Brabant en Vlaanderen zich daarbij aan. De Gentse, Brusselse en Antwerpse Republiek werden als "calvinistische republieken" bestuurd. Willem van Oranje was aanvankelijk tegen deze Unie, omdat het in feite een afscheuring was en hij nog altijd geloofde in een verenigd Nederland. Feitelijk vielen ook de Staten-Generaal van de Nederlanden uiteen in een noordelijke ("Utrechtse") en een zuidelijke ("Atrechtse") vergadering. Op 3 mei 1579 ondertekende Willem echter een steunverklaring aan de Unie van Utrecht. Deze wordt gezien als de oprichting van de Verenigde Provinciën, die overigens pas na de Vrede van Münster op 15 mei 1648 internationaal werd erkend.

Vredesoverleg in Keulen[bewerken]

Op uitnodiging van keizer Rudolf II begonnen in mei 1579 vredesonderhandelingen in Keulen. De Spanjaarden eisten dat de protestanten zich terugtrokken uit de Nederlanden en dat de politieke situatie van voor 1559 werd hersteld. Van de kant van de koning verwachtte men niet dat de opstandelingen hierop in zouden gaan, maar hoopte men hen op het slagveld te dwingen. Parma veroverde intussen in juni 1579 Maastricht (Beleg van Maastricht) en de stadhouder van Groningen, Friesland en Drenthe, de graaf van Rennenberg, sloot zich in 1580 weer aan bij de koning. Hiermee gingen Coevorden, Groningen, Grol en het toch al weerspannige katholieke Oldenzaal verloren (Beleg van Groningen en van Steenwijk, 1580-1581). Alleen in Friesland konden de opstandelingen hun posities behouden. Toen Rennenberg in 1581 overleed, werd hij vervangen door de Spanjaard Francisco Verdugo.

Gesteund door deze militaire successen besloot Filips II zich te richten op de oorlog tegen Portugal. Hij liet Willem van Oranje op 15 juni 1580 vogelvrij verklaren: hiermee raakte Willem van Oranje definitief vervreemd van de Spaanse troon. Op 13 december bood Oranje daarop zijn Apologie aan de Staten-Generaal aan, waarin hij zich voor het eerst openlijk afzet tegen Filips II in plaats van tegen diens landvoogd.

De Apologie werd onder meer beïnvloed door Vindiciae contra tyrannos uit 1579 van Mornay of Languet. Dit was een belangrijk werk van de monarchomachen, Franse hugenoten die ook de volkssoevereiniteit en het recht van opstand benadrukten.

Door het uitblijven van steun van Spanje en doordat Alexander Farnese, de hertog van Parma, de buitenlandse troepen zoals afgesproken terugtrok, stokte zijn militaire campagne. In twee jaar tijd werd alleen Doornik veroverd, op 29 november 1581.

Hertog van Anjou en Plakkaat van Verlatinghe[bewerken]

Intocht van de hertog van Anjou in Antwerpen in 1582.

Willem van Oranje zocht al in 1573 een buitenlandse partner. Engeland, met als staatshoofd de protestantse Elizabeth I, leek voor de hand te liggen, maar Elizabeth aarzelde om zich in een oorlog met Spanje te storten en de onderhandelaars keerden met lege handen terug.

In 1580 hadden de opstandelingen meer succes: de hertog van Anjou, broer van de Franse koning, zou de opstand met 10.000 man steunen, al was hij katholiek. Anjou eiste wel dat de noordelijke gewesten definitief de Spaanse koning zouden afzweren, en op 26 juli 1581 werd de Plakkaat van Verlatinghe aangenomen. Op 10 februari 1582 kwam Anjou aan in Vlissingen en op 19 februari werd hij ingehuldigd als hertog van Brabant. De hertog was niet populair onder de bevolking en toen in 1582 een mislukte moordaanslag op Willem van Oranje werd gepleegd, dachten velen ook dat hij hierachter zat.

Op 4 juli werd Oudenaarde veroverd door de hertog van Parma. Pas toen in de herfst van 1582 de 10.000 man versterking kwamen (voornamelijk Zwitserse huurlingen) keerden de kansen in de strijd. Uit frustratie over zijn ondergeschikte positie ten opzichte van Willem van Oranje, besloot de hertog van Anjou tot een aanval op Antwerpen en andere Brabantse steden om daar zijn gezag te vestigen. Deze gebeurtenis staat bekend als de Franse Furie. Op 17 januari 1583 raakte hij binnen de Antwerpse stadsmuren maar stuitte op hevig verzet van de bevolking, waarna de Fransen op de vlucht sloegen. De Franse politiek van Willem van Oranje had hiermee definitief afgedaan. Ondanks een verzoeningspoging verliet Anjou in juni 1583 de Nederlanden.

De hertog van Parma kreeg door deze ontwikkelingen opnieuw ruimte, en hij veroverde in hoog tempo steden aan de Vlaamse kust. De grote Vlaamse steden Brugge, Gent en Ieper werden ingesloten en veroverd en in september 1583 viel ook Zutphen.

Oranje vermoord[bewerken]

Op 10 juni 1584 overleed de hertog van Anjou. Voor de Staten-Generaal en Willem van Oranje was dit een reden om opnieuw met Frankrijk te onderhandelen over steun in de strijd. Frankrijk ging daar echter niet op in en de moord op Willem van Oranje, op 10 juli 1584 door Balthasar Gerards, maakte definitief een einde aan de gesprekken. Bovendien verloor de opstand met Oranjes dood zijn leider. Maurits van Nassau, zijn 16-jarige oudste in Nederland verblijvende zoon, was wel zijn beoogde opvolger als stadhouder, maar speelde in het begin nog nauwelijks een rol.

Val van Antwerpen[bewerken]

De Spaanse legeraanvoerder Alexander Farnese, hertog van Parma.

Die maanden leek het einde van de opstand nabij. Het leger van de hertog van Parma begon een nieuwe opmars in Brabant. Op 27 augustus 1585 viel Antwerpen, na een beleg van ruim veertien maanden, weer in Spaanse handen. Eerder dat jaar hadden Parma's troepen ook al Brussel (Beleg van Brussel (1584-1585)) en Mechelen ingenomen. Parma had bij het beleg van Antwerpen de toevoerwegen naar Antwerpen één voor één afgesloten, met als technisch hoogtepunt een 730 meter lange brug van schepen dwars over de Schelde. Op 27 augustus op het kasteel van Beveren tekende de protestantse burgemeester Filips van Marnix van Sint-Aldegonde de overgave van de uitgehongerde stad.

De val van Antwerpen was de militaire bezegeling van de scheuring van de Nederlanden in een noordelijk en een zuidelijk deel, die al politiek vorm had gekregen in de Unie van Utrecht en de Unie van Atrecht. Het betekende ook de door Willem van Oranje ongewilde scheiding van de Nederlandse natie: de Vlamingen (behalve de Zeeuws-Vlamingen), de zuidelijke Brabanders en de inwoners van Opper-Gelre en Limburg zouden tot 1815 gescheiden blijven. Grote delen van de bevolking, vooral (protestantse) kooplui en intellectuelen vertrokken naar het Noorden, waar zij en hun nakomelingen in grote mate bijdroegen aan de zogenaamde "Gouden Eeuw" van de Noordelijke Nederlanden.

Engelse steun[bewerken]

Op 14 augustus 1585 weigerde de Engelse koningin Elizabeth de soevereiniteit over de Nederlanden te aanvaarden, omdat de relaties met Spanje toch al slecht waren, maar ze beloofde wel graaf van Leicester met een troepenmacht van 6000 man naar de Nederlanden te sturen. Leicester kwam in december 1585 in Vlissingen aan. Even voordien, in november 1585, was Willem van Oranjes tweede zoon, graaf Maurits van Nassau, op 18-jarige leeftijd benoemd tot stadhouder van Holland en Zeeland. Op 4 februari 1586 liet Leicester zich uitroepen tot landvoogd en kapitein-generaal van de Nederlanden, maar Elizabeth gelastte hem die titel op te geven omdat zij de al aan de gang zijnde Spaans-Engelse Oorlog (1585-1604) niet verder wilde laten escaleren. Vanaf februari 1586 regelde Johan van Oldenbarnevelt, landsadvocaat van Holland, de interne zaken binnen de Unie van Utrecht. Graaf Leicester behield de leiding over de militaire operaties. Maar de Engelse militaire steun was halfslachtig: twee Engelse officieren, William Stanley en Rowland York, gaven Deventer en de schans voor Zutphen over aan de Spanjaarden. Al kon graaf Maurits Axel op 17 juli 1586 op de Spanjaarden veroveren (zijn eerste wapenfeit), het beleg van Zutphen mislukte in oktober 1586 en ook Sluis viel in Spaanse handen in augustus 1587. Leicester bleek echter op last van koningin Elizabeth op een vrede met Spanje aan te sturen. In december 1587 werd hij gedwongen te vertrekken.

De Spaanse Armada, bedoeld voor de invasie van Engeland, werd verpletterend verslagen.

Maurits en Van Oldenbarnevelt besloten na de debacles met de Franse en Engelse hulp geen pogingen meer te ondernemen om een soevereine vorst voor de Nederlanden te vinden. In de Justificatie of Deductie werd bepaald dat de politieke macht bij de Staten-Generaal zou komen te liggen. Daarmee was zonder formeel besluit de Republiek der Verenigde Provinciën geboren. Dat een land bestuurd werd zonder vorst, was een nieuw verschijnsel in Noordwest-Europa.

Spaanse Armada[bewerken]

Mede als reactie op deze halfslachtige Engelse inmenging besloot Filips II niettemin een invasievloot te sturen, om eindelijk de volgens hem illegitieme koningin Elizabeth van de troon te stoten en daarna definitief met de opstandelingen in de Nederlanden af te rekenen. Hoewel admiraal hertog van Medina Sidonia geen maritieme ervaring had, werd de vloot vanwege haar omvang als onoverwinnelijk beschouwd. De oorlogsvloot, armada invencible (gewapende onoverwinnelijke) of kortweg Armada genaamd, was 130 schepen en 30.000 man (waarvan 20.000 soldaten) groot. Er moesten voor de invasie ook troepen van Parma uit Vlaanderen worden opgehaald en over het Nauw van Calais gezet. De megaoperatie liep echter op een drama uit voor de Spanjaarden: in juli 1588 werd al een deel van de armada bij Grevelingen, tussen Calais en Duinkerken, zwaar toegetakeld door de beter manoeuvreerbare Engelse schepen, waarbij ook 30 Nederlandse 'kromstevens' betrokken waren. Daarna draaide ook nog de wind ongunstig voor een invasie in Engeland. De overgebleven schepen moesten, achtervolgd door de Engelsen, om Schotland en Ierland terug naar Spanje, maar door stormen en stromingen verging nogmaals een groot aantal schepen. Minder dan de helft van de vloot keerde terug in Spanje. De hertog van Parma kreeg de schuld van deze nederlaag.

Noord-Nederlandse tegenaanval (1588–1598)[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Tien jaren (Tachtigjarige Oorlog) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Maurits van Nassau vergrootte en versterkte de Republiek aanzienlijk, door Michiel Jansz van Mierevelt, tussen 1607 en 1613.

Na de nodige tegenslagen volgde een periode waarin de situatie voor de Republiek sterk verbeterde, door Fruin de Tien jaren genoemd. De Nederlandse Opstand ontwikkelde van vrijwel hopeloos in 1588 tot vrijwel gewonnen in 1598. Deels was deze ontwikkeling toe te schrijven aan internationale factoren zoals de Spaanse inmenging in de Franse Hugenotenoorlogen, deels echter ook aan de politieke bekwaamheid van Johan van Oldenbarnevelt en de militaire bekwaamheid van Maurits van Nassau, de latere prins van Oranje.

Geïnspireerd op klassieke werken van de Romeinen en Byzantijnen werd het Staatse leger door Maurits en zijn neef Willem Lodewijk van Nassau hervormd. Zo werd het leger verdeeld in kleinere eenheden waardoor het wendbaarder werd. Ook kwam er een stelsel van verstaanbare bevelen en werd een strenge discipline afgedwongen. Met deze en andere hervormingen was het leger lange tijd dé militaire leerschool van Europa.

In 1589 wist Parma Geertruidenberg in handen te krijgen doordat het muitende garnizoen zich liet omkopen. Hij zette door naar Zaltbommel maar wist deze stad niet te bemachtigen door een muiterij van zijn eigen troepen. Tijd om dit op te lossen en de Republiek de genadeklap te geven kreeg Parma niet. Het plan veranderde en hij werd door Filips II naar Frankrijk gezonden.

In Frankrijk was opnieuw de Hugenotenoorlog uitgebroken. De oorlog ging tussen de koning Hendrik van Navarre en de Franse katholieken verenigd in de katholieke Liga. De vorige Franse koning Hendrik III was kinderloos overleden en had zijn zwager de protestantse Hendrik van Navarre aangewezen als troonopvolger. Voor Filips II was een protestants Frankrijk een te grote dreiging voor het katholicisme in Europa. Filips II steunde daarom de Liga. Dit was voor hem belangrijker dan de strijd tegen de opstandige Nederlanders. Hij gaf de hertog van Parma daarom opdracht zich op Frankrijk te richten. Hierdoor moest de strijd in het noorden opgegeven worden omdat strijd leveren op twee fronten financieel onhaalbaar was. Na drie invallen in Frankrijk raakte Parma in 1592 gewond en overleed. Hij werd opgevolgd door Ernst van Oostenrijk die een jaar later ook al overleed. Een ander probleem ontstond toen Spanje de hoge leningen niet meer kon afbetalen en bankroet ging.

Met de inname van Groningen in 1594 was het noorden weer terug in Staatse handen nadat het in 1580 overging op Spanje met de overgang van Rennenberg.

Het noorden kreeg rust omdat het sinds lange tijd geen doelwit meer was van Spanje. De gelegenheid brak aan om in plaats van een defensieve oorlog, een offensieve oorlog te voeren. De verovering van Breda in 1590 via een list met een turfschip, zorgde voor de overtuiging van de eigen kracht. Plannen werden voorbereid en de financiën verhoogd voor het voeren van een offensieve oorlog. De Republiek was omsingeld met steden in het oosten, noorden en zuiden die in Spaanse handen waren. Iedere provincie zag daarom graag de steden veroverd worden in of dichtbij zijn provincie. Van Oldenbarnevelt kreeg het voor elkaar om iedereen te overtuigen het eigen belang opzij te zetten en eerst de steden in Gelderland en Overijssel te veroveren, omdat die de grootste dreiging voor het hart van de Republiek vormde. Daarna zou het mogelijk worden in het noorden en in het zuiden door te pakken. Zo geschiedde en de jonge republiek boekte hierop een reeks militaire successen. In 1591 begon Maurits een veldtocht in het oosten van het land. Hij veroverde achtereenvolgens Zutphen, Deventer, Delfzijl, Hulst en Nijmegen. In 1592 werden in het noorden Steenwijk en Coevorden heroverd. In 1593 volgde de inname van het Brabantse Geertruidenberg, in 1594 vond de 'reductie' van het hele gewest Groningen plaats.

Albrecht van Oostenrijk arriveerde in 1596 in de Nederlanden als nieuwe landvoogd en veroverde kort na zijn aankomst Calais en Hulst. Engeland en Frankrijk gingen een alliantie aan in 1596 mede door de Spaanse verovering van Calais. Door de korte afstand tot Engeland werd de Spaanse inname gezien als een pistool op de borst van Engeland. De Republiek werd gevraagd zich aan te sluiten en zo ontstond de Triple Alliantie. In de praktijk veranderde er weinig na het sluiten van het verbond. Iedere partij bleef zijn eigen strategie volgen. Toen Albrecht dus in 1597 naar Frankrijk trok om Amiens te belegeren, zagen de Nederlanders kans voor een nieuwe veldtocht in plaats van Frankrijk te hulp te schieten. In het oosten werden Rijnberk, Meurs, Grol nu Groenlo, Bredevoort, Enschede, Ootmarsum, Oldenzaal en Lingen ingenomen.

Maurits' overwinningen betekenden een enorme opsteker voor de Republiek. Het gebied van de Unie van Utrecht was weer in Staatse handen waarmee zogezegd de Tuin van de Republiek was gesloten.

De strijd voortgezet (1598–1609)[bewerken]

De Slag bij Nieuwpoort in 1600 werd gewonnen door Maurits, echter zonder dat hij de stad kon innemen, door Sebastiaen Vrancx, 1640.

In de periode van 1599 tot 1604 heeft de Republiek getracht de offensieve oorlog voort te zetten, maar het lukte hen niet de kracht van de Spaanse koning te breken. Financieel uitgeput sloten Frankrijk en Spanje de Vrede van Vervins in 1598. Hiermee werd de Triple Alliantie (1596) verbroken. Spanje kon zich hierdoor weer volledig richten op de Republiek. Omdat Filips II zijn eigen einde voelde naderen, bepaalde hij in 1598 dat zijn dochter Isabella zou trouwen met Albrecht om samen als 'soevereine vorsten' over de Nederlanden te regeren. De voltrekking van het huwelijk heeft hij niet meer meegemaakt. Op 13 september van datzelfde jaar overleed Filips II en werd opgevolgd door zijn niet al te bekwame zoon Filips III. Spanje zette de Republiek militair en economisch onder druk om hen een vredesvoorstel te laten accepteren. Met een groot leger veroverde Francesco de Mendoza Rijnberk en Doetinchem. Maurits beschikte over een veel kleiner leger maar kon door handig manoeuvreren een verdere opmars voorkomen. Op economisch gebied werd de handel tussen het Iberisch schiereiland en de Nederlanders verboden. Ondanks de druk vertrouwden Oldenbarnevelt en Maurits Spanjes bedoelingen niet en gingen niet op het vredesaanbod in.

Opnieuw in 1599 zette Spanje een grote aanval in. Mendoza viel de Bommelerwaard binnen en sloeg het beleg om Zaltbommel. Weer kon Maurits beschikken over een veel kleiner leger maar wist de stad desondanks succesvol te verdedigen. Het beleg werd afgebroken en kort daarop kreeg het Spaanse leger weer te maken met muiterijen.

Oldenbarnevelt wilde gebruik maken van de muiterijen in het Spaanse leger. Vanuit de Vlaamse kuststeden Nieuwpoort en Duinkerken waren kapers actief die voor veel schade zorgden aan de Nederlandse handelsvloot en visserij. In een gewaagd plan werd Maurits met het leger diep vijandelijk gebied in gestuurd om deze steden aan te vallen. Albrecht kon echter op tijd de muiterij bedwingen en snelde naar Nieuwpoort waar hij Maurits verraste. De slag bij Nieuwpoort die volgde kon maar net gewonnen worden door Maurits. De overwinning was een keerpunt in de oorlog nu bewezen was dat het Staatse leger zich prima kon meten met het Spaanse leger. Na de slag trok het Nederlandse leger zich terug.

Het beleg van Oostende, een stad die na een belegering van drie jaar werd veroverd door Ambrogio Spinola, door Peter Snayers.

Albrecht begon in 1601 met het beleg van Oostende dat zou verworden tot een van Europa's bloederigste en langstdurende belegeringen. In een poging het Spaanse leger weg te lokken van Oostende belegerde Maurits andere steden. Tussen 1601 en 1604 veroverde hij Rijnberk, Grave, Aardenberg en Sluis en tweemaal deed hij een vergeefse poging om 's-Hertogenbosch te veroveren. Albrecht boekte weinig vooruitgang ondanks de enorme uitgaven in geld en mensenlevens. In 1603 werd, in ruil voor financiering van de belegering, het bevel over de troepen overgedragen aan Ambrogio Spinola. Spinola, een Genuese bankier bleek een militair talent en kreeg Oostende in 1604 in handen. De nieuwe Engelse koning Jacobus I sloot vrede met Spanje waardoor de Republiek zijn laatste bondgenoot verloor.

Het jaar erop stootte Spinola met zijn versterkte leger razendsnel door de verdedigingsgordel van de Republiek tijdens zijn veldtocht. Dat jaar werden Oldenzaal en Lingen veroverd. Door de snelheid was Spinola de Nederlanders iedere keer een stap voor. De terreinwinsten van Spinola verplichtte Maurits om steeds meer manschappen in te zetten in garnizoenen waardoor minder man overbleef voor het veldleger. Een jaar later in 1606 vielen Lochem, Groenlo en Rijnberk. Lochem kon naderhand nog heroverd worden maar de herovering van Groenlo mislukte. Een impasse ontstond doordat beide partijen financieel uitgeput waren. In 1607 werd een wapenstilstand afgesproken zodat in de tussentijd over een vrede onderhandeld kon worden.

Op zee had de Republiek evenwel nog weinig te vrezen van Spanje. Bijna tegelijkertijd met het sluiten van de tijdelijke wapenstilstand, vernielden op 25 april 1607 Nederlandse oorlogsschepen onder leiding van Jacob van Heemskerck een Spaanse vloot, nog gedeeltelijk in aanbouw in de haven van Cádiz. Deze zeeslag staat bekend als de Zeeslag bij Gibraltar. Een andere winst was het intrekken van de handelsboycot die Spanje had opgelegd tegen Nederlandse handelsschepen. Spanje bleek teveel afhankelijk van de Nederlandse handel. Tot slot was de Vereenigde Oostindische Compagnie mede opgericht om de Spanjaarden ook in Indië afbreuk te doen.

Tijdens de besprekingen kon geen overeenstemming bereikt worden over een definitieve vrede. Wel werd op 9 april 1609 in Antwerpen besloten tot een bestand, dat uiteindelijk twaalf jaar zou duren.

Twaalfjarig Bestand (1609-1621)[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Twaalfjarig Bestand voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Afkondiging van het Twaalfjarig Bestand aan het Antwerps stadhuis. (Michiel Collijn)

Na het sluiten van de wapenstilstand werd het leger en de vloot aan beide zijden drastisch ingekrompen om de financiële lasten te verlichten. De vrede tussen de Republiek en Spanje bleef twaalf jaar gehandhaafd ondanks de conflicten in binnen- en buitenland.

Een van die conflicten was de Gulik-Kleefse Successieoorlog. In 1609 overleed Johan Willem, de laatste hertog van Gulik, Kleef en Berg. Verschillende Duitse vorsten maakten aanspraak op de erfenis, waarvan de paltsgraaf van Neuburg en de keurvorst van Brandenburg de belangrijkste waren. Omdat de landen waar het om ging dicht tegen de Nederlandse oostgrens lagen was het een conflict van Europees belang. De keizer liet Gulik bezetten, maar dit was een te grote dreiging voor de Republiek. Samen met Frankrijk verjoeg Maurits daarop de keizerlijken uit Gulik. De strijd laaide opnieuw op in 1614 en Maurits versterkte Gulik en bezette met een Staats leger Rees. Onverwachts trok Spinola met een Spaans leger eveneens op en veroverde Aken en Wezel. Beide generaals bezetten vervolgens meerdere steden zonder de confrontatie met elkaar aan te gaan. De wapenstilstand werd zodoende niet geschaad. Met het verdrag van Xanten kwam definitief een oplossing voor het conflict en kwamen de gebieden Kleef en Mark toe aan de keurvorst en Gulik en Berg aan de paltsgraaf. Zowel de Republiek als Spanje mochten tevens garnizoenen houden in de door hen veroverde steden als vooruitgeschoven posten ter verdediging van de eigen gebieden.

De Republiek was na het sluiten van het bestand een feitelijk erkende onafhankelijke mogendheid. Binnen de Republiek ontstond tijdens dit Treves, zoals het bestand ook genoemd werd, nieuwe godsdienstige en politieke verdeeldheid. Volgelingen van de geestelijke Jacobus Arminius, de remonstranten, kregen een conflict met de volgelingen van Franciscus Gomarus, de contraremonstranten. Behalve een godsdienstig meningsverschil, speelde er vooral een politiek conflict. De remonstranten waren meer republikeins dan de contraremonstranten, die meer zagen in een sterke positie van het Huis van Oranje. Daarnaast waren de remonstranten voor de wapenstilstand geweest en de contraremonstranten tegen de wapenstilstand. Johan van Oldenbarnevelt stond aan de kant van de remonstranten en Maurits koos partij voor de contraremonstranten. Het conflict escaleerde met het plegen van een staatsgreep door Maurits en zijn leger. Van Oldenbarnevelt werd gearresteerd en veroordeeld wegens hoogverraad. Op 13 mei 1619 werd hij op het Binnenhof in Den Haag onthoofd en was Maurits naast militair leider nu ook de onbetwiste politiek leider van de Republiek.

Ondertussen was in Duitsland een oorlog uitgebroken nadat in 1618 protestantse edelen in Bohemen de koning uit het huis Habsburg afzetten. De afgezette koning Ferdinand II, tevens twee jaar later de keizer van het Heilige Roomse Rijk, riep de hulp in van de Spaanse koning Filips III. De protestantse edelen riepen op hun beurt de hulp in van andere Duitse protestantse vorsten en boden de keurvorst van de Palts de kroon van Bohemen. De Republiek werd bij de oorlog betrokken door het bondgenootschap die zij had met de Duitse protestanten. Zodoende ontaarde een lokale strijd in een Europese oorlog die bekend zou staan als de Dertigjarige Oorlog.

Voor de Zuidelijke-Nederlanden braken onder het bestuur van de aartshertogin Isabella en haar gemaal Albrecht in het algemeen jaren van relatieve rust en welvaart aan. In deze periode kwam het tot een opbloei van de kunsten en werd de positie van de Rooms-Katholieke Kerk verstevigd. Nadat in 1621 aartshertog Albrecht overleed, kwamen de Zuidelijke Nederlanden conform de Akte van Afstand weer rechtstreeks onder de Spaanse troon, met Isabella van Spanje als landvoogdes.

In 1620 overleed Willem Lodewijk, op dat moment stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe. Hij werd opgevolgd door zijn jongere broer Ernst Casimir.

Hervatting van de strijd (1621-1648)[bewerken]

Op 9 april 1621 liep de wapenstilstand tussen de Republiek en Spanje af en meteen werd de strijd hervat. In Spanje was Filips IV zijn overleden vader opgevolgd. Hij zag de wapenstilstand als een vernedering voor Spanje en wilde de Spaanse grandeur herstellen met het aangaan van een offensieve strijd. Maurits, die sinds de val van Oldenbarnevelt praktisch de leiding had in de Republiek, was net als de meerderheid in de Staten-Generaal voor voortzetting van de oorlog. Na het aflopen van het bestand overleed Albrecht van Oostenrijk. Isabella volgde hem op als soeverein van de Zuidelijke Nederlanden, maar omdat hun huwelijk kinderloos was gebleven, kwam de macht bij Spanje te liggen.

Maurits in de verdediging[bewerken]

De overgave van Breda, door Velazquez.

Spanje verhoogde de geldzendingen naar de Zuidelijke Nederlanden tot 900.000 guldens per maand. Niet alleen moest de Republiek op het land bestreden worden, ook moest zij op het water dwarsgezeten worden aangezien de Republiek daar economisch gezien veel te verliezen had. De Spaanse vloot werd uitgebreid en de vanuit Duinkerke opererende kapers werden gesteund.

Deze tactiek zorgde er inderdaad voor dat de Republiek in de verdediging gedwongen werd. Spinola had in februari 1622 Gulik veroverd, waarbij Maurits niet in staat bleek de stad te ontzetten. Dat lukte hem wel bij Spinola's beleg van Bergen op Zoom. De fout die Spinola bij Bergen op Zoom maakte was dat hij de stad niet volledig afsloot waardoor die bevoorraad kon blijven worden. Deze gebeurtenis inspireerde het (strijd)lied Merck toch hoe sterck van Adriaen Valerius.

In augustus 1624 sloeg Spinola het beleg rond Breda. Het was een gewaagde onderneming omdat het al laat in het seizoen was. Spinola verwachtte de stad voor de winter in te kunnen nemen, maar dit was een misrekening: het zou tot juni 1625 duren voor hij Breda innam. Maurits was ziek en niet bij machte de stad te ontzetten. De belegering was een aanslag op de Spaanse schatkist en had veel levens gekost. Tegelijkertijd was er voor Spanje weinig bereikt. Een sterke stad was nu in handen, maar de Republiek was niet naar de onderhandelingstafel gedwongen.

Eerder dat jaar, op 23 april, was prins Maurits overleden. Beide gebeurtenissen hadden grote symbolische en morele waarde voor de Spaansgezinden; Breda was immers eigendom van de Nassaus en Maurits was de sterkste vijand die ze tijdens de oorlog hadden gekend. De Spaanse schilder Velázquez schilderde De Overgave van Breda dat tegenwoordig in het Museo del Prado hangt.

Frederik Hendriks vroegste successen[bewerken]

Maurits werd opgevolgd door zijn halfbroer Frederik Hendrik. Vanaf 1626 begon Frederik Hendrik samen met zijn neef Ernst Casimir met een veldtocht, waarin hij verschillende successen boekte. Zo werden de inmiddels door de katholieke Contrareformatie stevig beïnvloede steden Oldenzaal (1626) en Groenlo (1627) heroverd. In 1628 veroverde de kaper Piet Hein in de Baai van Matanzas in naam van de Republiek een Spaanse Zilvervloot, die tot op de dag van vandaag nog bezongen wordt. Plotseling was er geld in overvloed.

Een jaar na de verovering van de Zilvervloot sloeg Frederik Hendrik het Beleg van 's-Hertogenbosch. In een poging de Staatse troepen weg te lokken probeerden de Spaanse troepen onder leiding van Ernesto Montecuccoli Amersfoort en de Veluwe in te nemen. Dit mislukte echter na een Staatse aanval op een Spaans voedseldepot, waarna 's-Hertogenbosch zich overgaf.

Hierna kwam steeds meer gebied in handen van de Republiek. In 1632 liepen hoge Zuid-Nederlandse edelen over, waarna Frederik Hendrik zijn Veldtocht langs de Maas begon, waarin hij vrijwel probleemloos de steden Roermond en Venlo in kon nemen. Maastricht werd na een belegering in datzelfde jaar ingenomen. Ernst Casimir overleed bij het beleg van Roermond. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Hendrik Casimir I.

Vredespogingen en bondgenootschap met Frankrijk[bewerken]

Plundering van Tienen op een prent uit 1635.

Landvoogdes Isabella probeerde in 1633 op eigen gezag (zonder de koning in Madrid te raadplegen) vrede te sluiten met de Republiek. De onderhandelingen liepen echter op niets uit. Datzelfde jaar overleed Isabella.

Op 15 april 1634 sloot Frederik Hendrik met Frankrijk een geheim principeakkoord ter verdeling van de Zuidelijke Nederlanden. Op 4 november 1634 werd Ferdinand van Oostenrijk (Don Ferdinand) de nieuwe landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden. Don Ferdinand ging voortvarend te werk en veroverde de steden Sierck-les-Bains en Trier. Hierop verklaarde Frankrijk Spanje de oorlog. De Franse troepen versloegen de Spanjaarden in de Slag bij les Avins. Samen met het leger van de Republiek veroverden ze enkele steden in de Zuidelijke Nederlanden, waaronder Tienen, Diest en Aarschot, gevolgd door een maandenlange belegering van de Schenkenschans.

Op 8 februari 1635 formuleerden kardinaal Richelieu namens Frankrijk en Frederik Hendrik namens de Republiek de definitieve verdeling van de Zuidelijke Nederlanden. De bedoeling was dat de Waalse Nederlanden bij Frankrijk en de Vlaamse Nederlanden bij de Republiek gevoegd zouden worden. Het plan werd opgenomen in een verdrag, het Traité de Partage, maar de uitvoering pakte anders uit dan verwacht. De gezamenlijke troepen van Frankrijk en Nederland misdroegen zich bovendien zo, dat na de inname van Tienen de publieke opinie in sommige van de Zuidelijke Nederlanden zich fel tegen de Republiek keerde. Het beleg van Leuven mislukte. In 1636 vonden opnieuw vredesonderhandelingen plaats, maar wederom zonder resultaat.

Spaans tegenoffensief[bewerken]

De Staatse vloot bij Duins.

In 1637 werd het leger van Frederik Hendrik verslagen bij het Zeeuws-Vlaamse Hulst, waarna hij Breda belegerde. Don Ferdinand begon een campagne in Limburg en nam Venlo in op 7 augustus 1637 en op 4 september Roermond. Ook heroverde hij enkele steden op de Fransen. Hij kon echter niet voorkomen dat Frederik Hendrik Breda innam.

In juni 1638 probeerde het Staatse leger Antwerpen te veroveren. Om de stad te kunnen omsingelen trok Frederik Hendrik op door Brabant. Het legeronderdeel van Willem Jonker van Nassau, zoon van Willem van Nassau, zou de stad van de Vlaamse kant benaderen, maar werd verpletterend verslagen in de Slag bij Kallo. De belegering van Antwerpen werd daardoor verijdeld. De Spanjaarden ondernamen vervolgens een tweede poging om met een armada de zeemacht van de Republiek te breken. Op deze tweede armada behaalde Maarten Harpertszoon Tromp zijn vermoedelijk grootste overwinning, in de Zeeslag bij Duins, vlak onder de Engelse zuidkust.

In 1640 deed men een hernieuwde poging Hulst te veroveren op de Spanjaarden. Ook deze poging mislukte; op 4 juli sneuvelde Hendrik Casimir in de Slag bij Hulst en de Spanjaarden hielden stand. Hendrik Casimir werd door zijn broer Willem Frederik opgevolgd als stadhouder van Friesland en Hulst zou nog tot 1645 in Spaanse handen blijven.

Op een ander front leed Spanje een gevoelige nederlaag: Portugal werd onafhankelijk.

Ingesloten tussen Republiek en Frankrijk[bewerken]

De verovering van Hulst.

Don Ferdinand werd in 1641 vervangen door Francisco de Melo als landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden. In datzelfde jaar nam Frederik Hendrik Gennep in. Francisco de Melo richtte zich aanvankelijk op de strijd tegen de Franse troepen. In 1642 maakte hij grote delen van de Franse gebiedswinsten ongedaan en hij behaalde grote overwinningen. De Republiek vocht in dat jaar nauwelijks, maar een aanbod tot onderhandelingen over vrede werd door Frederik Hendrik afgewezen. Na zijn aanvankelijke successen tegen de Fransen, werd Francisco de Melo op 16 mei 1643 echter vernietigend verslagen in de Slag bij Rocroi. Op 20 september 1644 werd hij opgevolgd door Manuel de Castel Rodrigo. Inmiddels hadden de Fransen Grevelingen (in het huidige Frans-Vlaanderen) veroverd op de Spanjaarden en had Frederik Hendrik Sas van Gent veroverd.

Door de opeenvolgende nederlagen tegen de Republiek en ook in de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) en door de interne spanningen nam de kracht van het Spaanse leger snel af. In 1645 veroverden de Fransen enkele steden en herwon Frederik Hendrik Hulst. In 1646 sloeg Frederik Hendrik opnieuw (vergeefs) het beleg voor Antwerpen: de Fransen konden daardoor enkele steden in het zuiden veroveren, waaronder Duinkerke en Kortrijk. Frederik Hendrik overleed in 1647 nadat zijn gezondheid al geruime tijd achteruit was gegaan. Hij werd opgevolgd door zijn zoon stadhouder Willem II. Landvoogd van de zuidelijke Nederlanden werd aartshertog Leopold van Oostenrijk.

Vrede van Münster[bewerken]

Met de Vrede van Münster in 1648 kwam een einde aan de Tachtigjarige Oorlog.

Inmiddels was het oorlog in grote delen van Europa, de Dertigjarige Oorlog. In 1641 begonnen de vredesonderhandelingen tussen de strijdende partijen. Afgesproken werd dat in Münster en Osnabrück onderhandeld zou worden. Via Frankrijk ontving ook de Republiek een uitnodiging.

Hoewel er rond die tijd enorme militaire successen werden geboekt, was er binnen de Republiek steeds meer sprake van een vredesstemming. De langdurige oorlog kostte veel geld en mensenlevens. Alleen de provincies Zeeland en Utrecht, en de stad Leiden, bleven tot het einde toe voorstander van de oorlog.

De Republiek slaagde erin als volwaardige staat aan de onderhandelingen mee te mogen doen; zelfs Spanje stemde ermee in. In januari 1646 kwamen acht vertegenwoordigers van de Staten aan in Münster om te onderhandelen met de Spanjaarden over vrede. De onderhandelingen zouden plaatsvinden in het Huis van het Kramersgilde, tegenwoordig het Haus der Niederlande genoemd. De Spaanse onderhandelaars hadden uitgebreide volmachten meegekregen van koning Filips IV, die al jaren vrede zocht. Tijdens de onderhandelingen werden de Republiek en Spanje het snel eens: de tekst van het Twaalfjarig bestand werd als uitgangspunt genomen en de Republiek werd door Spanje als soevereine staat erkend. De vrede leek snel nabij. Frankrijk gooide echter roet in het eten door steeds met nieuwe eisen te komen. De Staten besloten hierop buiten Frankrijk om vrede te sluiten met Spanje. Op 30 januari 1648 werd de vredestekst vastgesteld. Deze werd ter ondertekening naar Den Haag en Madrid gestuurd. Op 15 mei werd de vrede definitief getekend.

De vluchtelingenstroom uit de Zuidelijke Nederlanden[bewerken]

De binnenplaats van het Rubenshuis
1rightarrow blue.svg Zie Migratiestroom in de Nederlanden voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De godsdienstige onverdraagzaamheid en de ellende die de oorlog meebracht, leidden tot migratiestromen in de Nederlanden, onder meer die van protestanten gericht naar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (reeds in de jaren 1578-1588 toen deze formeel nog niet bestond), maar ook de andere omringende landen, en omgekeerd van katholieken naar het zuiden.

De grootste beweging naar het noorden (vooral Holland) vond plaats in de jaren 1583-1585 tijdens de herovering door het regeringsleger van de grote Vlaamse en Brabantse steden (Ieper, Brugge, Gent, Brussel, Mechelen en vooral Antwerpen). Dankzij de instroom van deze veelal kapitaalkrachtigen en/of intellectuelen ging het economische en militaire overwicht verschuiven van de Zuidelijke naar de Noordelijke Nederlanden.

Terwijl in het noorden de Nederlandse 'Gouden Eeuw' aanbrak, waarvan veel uitgeweken zuiderlingen aan de basis lagen, kende het zuiden een Gouden Eeuw van Antwerpen. Zo werd bijvoorbeeld tussen 1611 en 1627 het Rubenshuis in Antwerpen gebouwd, door renovatie van een deels verwoest woonhuis uit 1550.

De massale inwijking van vluchtelingen, die in de Republiek een grote demografische verschuiving veroorzaakte, bracht naast economische, culturele en wetenschappelijke verrijking, ook sociale spanningen met zich mee.

Latere visies op de Tachtigjarige Oorlog[bewerken]

Door diverse geschiedschrijvers is de Opstand verschillend beoordeeld. De eerste van hen was P.C. Hooft met zijn werk De Nederlandsche Historiën (1642-1647), dat de Opstand van 1555 tot 1587 beschreef. Hij poogde onpartijdig te schrijven door ook Spaanse bronnen te raadplegen.

In de 19e eeuw werd de Tachtigjarige Oorlog weer uitgebreid onderzocht. Tot die tijd werd vooral gesproken van De Opstand of De Nederlandse Opstand.[bron?] De naam Opstand slaat vooral op de eerste fase van de Tachtigjarige Oorlog, toen de Republiek nog niet bestond. In een studie uit 2004 spreekt historicus Arie van Deursen over De Opstand van 1572-1584. Robert Fruin merkte echter al in 1861 op dat geschiedschrijvers geneigd zijn slechts deze beginperiode uitvoerig te beschrijven tot de moord op Willem van Oranje in 1584, terwijl dit geenszins het keerpunt van de oorlog was, dat pas in 1588 kwam met de oprichting van de Republiek en de nederlaag van de Spaanse Armada, en na de Tien jaren daarna pas de Opstand (althans voor het Noorden) vrijwel gewonnen was.[6]

Volgens de gereformeerde antirevolutionair Guillaume Groen van Prinsterer ging de Opstand om hoe door Gods leiding het Nederlandse volk onder het huis Oranje-Nassau zijn vrijheid wist te verwerven. Dit kwam het duidelijkst naar voren in zijn Handboek der geschiedenis van het vaderland (1846).[7]

De door Rankes historisme en Mills liberalisme beïnvloede Fruin, die als eerste de leerstoel vaderlandse geschiedenis van de Universiteit Leiden bekleedde, betrachtte een wetenschappelijke benadering van de Opstand, in tegenstelling tot de louter verhalende geschiedenis die tot dan toe gebruikelijk was. Fruin richtte zich daarbij hoofdzakelijk op twee perioden: Tien jaren uit den Tachtigjarigen Oorlog (1857) over 1588-1598 en Het voorspel van de Tachtigjarigen Oorlog (1859) over 1555-1568. In zijn werk is aanvankelijk wel enige staatsgezindheid te merken, later daarentegen orangisme.[8]

De eveneens liberale Reinier Cornelis Bakhuizen van den Brink heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het onderzoek door het opzetten van het Rijksarchief. In 1857 vertaalde hij The Rise of the Dutch Republic (1856) van de Amerikaanse puriteinse historicus John Lothrop Motley.[9]

Het katholieke antwoord op de protestantse en liberale geschiedschrijving kwam van Willem Jan Frans Nuyens, die stelde dat ook katholieken goede vaderlanders konden zijn en velen van hen ook meevochten tegen de Spanjaarden tijdens de Opstand. Nuyens werk Geschiedenis der Nederlandsche Beroerten in de XVIe eeuw (Amsterdam, 1865-70, 8 delen) was belangrijk voor het (her)vinden van de rol van de Nederlandse katholieken in de Opstand en daarmee in de Nederlandse staat en droeg bij aan hun emancipatie.

De sociaaldemocraat Pieter Geijl bracht begin 20e eeuw een vernieuwende visie op de Opstand, door te stellen dat deze inging tegen de logische loop der geschiedenis, waarin uiteindelijk elk volk zijn eigen staat zou moeten kunnen vestigen, terwijl dit voor een deel van wat Geijl zag als de Nederlandse stam, namelijk het zuidelijke oftewel de Vlamingen, niet opging. Geijl meende dat de Republiek door had moeten vechten om ook de Nederlandstalige gewesten van het latere België te veroveren, die in de jaren 1579-1585(-1604) verloren waren gegaan, zodat er een Dietse volksstaat zich had kunnen vestigen. Hij pleitte in de Groot-Nederlandse gedachte (1925, 1930) om de tijdens de Opstand verloren gegane Vlaams-Nederlandse eenheid te herstellen. Daarvoor moest de geschiedenis worden herschreven in Groot-Nederlandse zin, en Geijl trachtte dat in zijn werk Geschiedenis van de Nederlandsche Stam (1939-1962), waarin hij echter niet verder kwam dan het jaar 1798.[10]

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Briels, J. Zuid-Nederlanders in de Republiek 1572 - 1630. Een demografische en cultuurhistorische studie ISBN 90 6467 062 5
  • Cruyningen, Arnout van, De Opstand 1568-1648. De strijd in de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden, 2018, ISBN 9789401912662
  • Deursen, A. Th. De last van veel geluk. Geschiedenis van Nederland 1555-1702 ISBN 9035126270 (eerste uitgave 2004)
  • Fruin, R. Het voorspel van de 80-jarige oorlog (eerste uitgave 1859)
  • Fruin, R. Tien Jaren uit de 80-jarige oorlog 1588-1598 (eerste uitgave 1857)
  • Graaf, R. de. Oorlog, mijn arme schapen. Een andere kijk op de Tachtigjarige Oorlog, 1565-1648 ISBN 9051942729 (eerste uitgave november 2004)
  • Groen, P. (red.), De tachtigjarige oorlog. Van opstand naar geregelde oorlog, 2013, ISBN 9789461054753
  • Groenveld, S. [et al.]. De Tachtigjarige Oorlog : opstand en consolidatie in de Nederlanden (ca. 1560-1650) / Zutphen: Walburg Pers, cop. 2008. - 432 p.; ill.; 31 cm. Oorspronkelijk uitgegeven in 2 delen: De kogel door de kerk? : de opstand in de Nederlanden 1559-1609. - 1983 en De bruid in de schuit : de consolidatie van de Republiek 1609-1650. - 1985. - Met index, lit. opg. ISBN 90-5730-537-2 geb. ISBN 978-90-5730-537-5 geb.
  • Groot, H. de. Kroniek van de Nederlandse Oorlog. De Opstand (1559-1588), ISBN 978 94 6004 156 3, vertaald door J. Waszink, 2014
  • Israel, J.I. De Republiek 1477-1806, Franeker: Wever, 1996 (vertaling van The Dutch Republic: its rise, greatness and fall 1477-1806, Oxford 1995)
  • Lem, A. van der. De opstand in de Nederlanden, 1568-1648, 2014, ISBN 9789460041921
  • Presser, J. e.a. De Tachtigjarige Oorlog (Amsterdam: Elsevier, eerste druk 1941, 304 blz., tweede druk 1942 (door de Duitse bezetter verboden); de eerste twee drukken verschenen niet onder de naam Presser in verband met zijn Jood-zijn) - 3de druk, onder eigen naam 1948; 6de druk 1978; 378 blz.
  • Schiller, F. Geschichte des Abfalls der vereinigten Niederlande von der Spanischen Regierung, 1788-1809, 3 dln. (vertaald als De Opstand der Nederlanden, 2005, ISBN 9789085061168)
  • Zijlmans, Roel, Grens-, scheepvaart- en waterstaatskwesties in de Nederlanden tot 1800 (Hilversum, 2017), hoofdstuk 4-6, ISBN 978-90-8704-637-8.

Externe link[bewerken]

Etalagester
Etalagester Dit artikel is op 1 februari 2004 in deze versie opgenomen in de etalage.
Wikisource Bronnen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Hoofdportaal:Tachtigjarige Oorlog op Wikisource
Eerste opstand (1567-1570):Valencijn · Wattrelos · Lannoy · Oosterweel · Eerste invasie (Dalheim · Heiligerlee · Groningen · Eems · Jemmingen · Geldenaken · Loevestein)
Tweede opstand (1572-1576):Den Briel · Vlissingen · Tweede invasie (Valencijn · Bergen · Saint-Ghislain · Roermond · Diest · Leuven · Mechelen · Dendermonde · Zutphen · Bredevoort · Zwolle · Kampen · Steenwijk) · Oudenaarde · Stavoren · Dokkum · Don Frederiks veldtocht (Mechelen · Diest · Roermond · Zutphen · Naarden · Geertruidenberg · Haarlem · Diemen · Alkmaar) · Vlissingen · Borsele · Zuiderzee · Alkmaar · Leiden · Reimerswaal · Derde invasie · Mookerheide · Lillo · Zoetermeer · Buren · Oudewater · Schoonhoven · Krimpen aan de Lek · Woerden · Bommenede · Zierikzee · Muiden · Aalst · Slag bij Vissenaken · Maastricht · Antwerpen · Spanjaardenkasteel (Gent)
Algemene opstand (1576-1578):Utrecht · Steenbergen · Breda · Amsterdam · Gembloers · Zichem · Beleg van Limburg · Inname van Dalhem · Nijvel · Kampen · Rijmenam · Aarschot · Deventer
Parma's 9 jaren (1579-1588):Maastricht · 's-Hertogenbosch · Baasrode · Kortrijk · Delfzijl · Oldenzaal · Groningen · Mechelen · Zwolle · Hardenbergerheide · Coevorden · Halle · Steenwijk · Kamerijk · Doornik · Noordhorn · Breda · Aalst · Oudenaarde · Punta Delgada · Lochem · Eindhoven · Gent · Aalst · Terborg · Antwerpen · Zutphen · Kouwensteinsedijk (Antwerpen) · Amerongen · IJsseloord · Boksum · Axel · Neuss · Rijnberk · Grave · Zutphen · Warnsveld · Venlo · Sluis · Bergen op Zoom · Grevelingen
Maurits' 10 jaren (1588-1598):Zoutkamp · Breda · Steenbergen · Veldtocht van 1591 (Zutphen · Deventer · Delfzijl · Knodsenburg · Hulst · Nijmegen) · Steenwijk · Coevorden · Luxemburg · Geertruidenberg · Coevorden · Groningen · Hoei · Grol · Calais · Hulst · Veldtocht van 1597 (Turnhout · Venlo · Rijnberk · Meurs · Grol · Bredevoort · Enschede · Ootmarsum · Oldenzaal · Lingen · Rijnberk · Zaltbommel)
11 jaren strijd (1598-1609):Nieuwpoort · Rijnberk · Sluis · Oostende · Spinola 1605-1606 (Oldenzaal · Lingen · Bergen op Zoom · Mülheim · Wachtendonk · Kasteel Krakau · Bredevoort · Berkumerbrug · Grol · Rijnberk · Lochem · Grol · Gibraltar
Twaalfjarig Bestand (1609-1621):Gulik-Kleefse Successieoorlog (Gulik) · Wezel · Antwerpen
Eindstrijd (1621-1647):Gulik · Steenbergen · Bergen op Zoom · Veluwe · Breda · Oldenzaal · Grol · Baai van Matanzas · 's-Hertogenbosch · Veluwe · Wesel · Veldtocht langs de Maas (Venlo · Roermond · Maastricht) · Rijnberk · Maastricht · Philippine · Tienen · Schenkenschans · Breda · Venlo · Maastricht · Kallo · Duins · Sint-Vincent · Hulst · Antwerpen · Venlo · Puerto de Cavite