Mennonisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Mennonieten)
Ga naar: navigatie, zoeken
Menno Simons
Protestantisme

Titelpagina Statenvertaling

in Nederland

..Stromingen

Lutheranisme
Lutheranisme
Vrijzinnig-Protestantisme
Vrijzinnig protestantisme
Midden-orthodoxie
Protestantse Kerk in Nederland
Modern-Gereformeerd
Voortgezette Gereformeerde Kerken in Nederland
Orthodox Protestantisme
Calvinisme
Gereformeerd protestantisme
Orthodox-protestantisme
Orthodox Gereformeerd
Orthodox-gereformeerden
Bevindelijk Gereformeerden
Bevindelijk gereformeerden
Evangelisch
Evangelisch Christendom

De mennonieten of menisten, in Nederland meestal doopsgezinden genoemd, vormen de oudste nog bestaande "doperse" kerk. Ze zijn rond 1540 genoemd naar de priester Menno Simons uit het Friese Witmarsum. Hij was een katholiek priester die zich bekeerde tot het anabaptisme.

Geschiedenis[bewerken]

Toen Menno Simons, toen nog katholiek priester, in 1535 zag hoe een anabaptist wordt terechtgesteld omwille van zijn geloof, koos hij de kant van de wederdopers, radicale christenen die zich opnieuw en als volwassene bewust van hun geloof wilden laten dopen. Geïnspireerd door de reformatoren Luther en Zwingli zwoer hij alle geweld af. Een deel van de wederdopers, zoals zij genoemd werden, radicaliseerde en trok vanuit de Nederlanden naar de stad Munster in Westfalen, waar een lutherse burgerij en het katholieke stadsbestuur om de macht streden. Zij kregen de macht in handen en dreven degenen die zich niet conformeerden de stad uit om er met religieuze terreur een 'God's staat' te stichten in afwachting van de wederkomst van de Heer. Verenigde legers van de bisschop en de keizer veroverden de stad en brachten de leidende wederdopers ter dood, waarna hun volgelingen vluchtten. Hier in Münster, en ook in Vlaanderen, Holland en Friesland waar ze talrijk waren, werden mennonieten sindsdien zwaar vervolgd. Om daaraan te ontkomen migreerden velen halverwege de zestiende eeuw vanuit Vlaanderen en Nederland naar afgelegen gebieden in Oost-Europa.

Onder leiding van Dirk Philips werden vele tientallen landbouwcommunes gesticht. Vooral in de Weichseldelta en rondom de Hanzestad Danzig in de Poolse provincie 'Koninklijk Pruisen', die na 1772 als West-Pruisen bij het koninkrijk Pruisen werd gevoegd. Als uitzondering in het contrareformatorische Polen, waarin alleen het katholicisme was toegestaan, werd hen godsdienstvrijheid gegund en vrijstelling van dienstverlening aan de landbezitters gegeven. Dit was mogelijk omdat ze strikt vast hielden aan hun tradities en zich afgezonderd hielden van de katholieke bevolking. Ze bleven tot in de 19de eeuw een eigen taal, het Plautdietsch spreken als een mengsel van Nederduitse dialecten. Pas na 1772 namen ze de Hoogduitse bijbel in gebruik en pasten hun gesproken taal nog verder aan aan de verwante Nederduitse dialecten die in de omgeving werden gesproken. Ze werden door de Polen Weichselmennonieten genoemd. Toen West-Pruisen ten gevolge van de Eerste Poolse Deling in 1772 deel ging uitmaken van het Koninkrijk Pruisen verloren de mennonieten veertien jaar later, bij de troonsbestijging van Frederik Willem II, hun voorrechten omdat ze juridisch met de andere Pruisische staatsonderdanen gelijkgeschakeld werden. Dit betekende dat ze ook onder de militaire dienstplicht kwamen te vallen.

In het Manifesto van juli 1763 nodigde tsarina Katharina de Grote kolonisten, met name uit de Duitse landen en Polen, en daaronder zeker ook mennonieten, uit om zich in het pas veroverde gebied ten noorden van de Zee van Azov, dus in het zuiden van de huidige Oekraïne te gaan vestigen. Degenen die deze uitnodiging aannamen gingen deel uitmaken van de kolonisten die later bekend zouden worden als Ruslandduitsers. Naast hen werden ook Grieken, Roemenen en Bulgaren geworven, omdat dezen met hun geloof dicht bij de Russen stonden. De mennonieten vermeerderden zich snel en elke nieuwe generatie stichtte ook weer nieuwe kolonies, op het laatst breidden deze zich uit naar het westen van Siberië. Aan het einde van de 19de eeuw werden de bijzondere voorrechten voor de mennonieten in Rusland ingetrokken en daaronder ook de dienstplicht. Dat gaf een aantal van hun toen al aanleiding om naar Amerika te emigreren. Voor en in de Tweede Wereldoorlog werden de achtergebleven Ruslandduitsers en daaronder een restant van de mennonieten vanuit de Oekraïne naar Siberië gedeporteerd. De achtergeblevenen in West-Pruisen werden na de oorlog naar Duitsland uitgewezen toen hun woongebied door Polen werd geannexeerd. Een deel van de Oekraïne- en Siberië-mennonieten wist via Amerikaanse connecties te bewerkstelligen dat zij na de oorlog naar Amerika konden emigreren, met name naar Paraguay. De laatsten die nog her en der in de Sovjet-Unie leefden konden na 1990 vrij emigreren en gingen voornamelijk naar Duitsland.

De mennonieten die zich in de 17de eeuw in Pennsylvania vestigden onder leiding van Jakob Amman kwamen uit Zwitserland en de zuidwestelijke gebieden van het Duitse Rijk, de Elzas inbegrepen. Daar splitste een groep puriteinse mennonieten zich in 1693 af van de minder radicale mennonitische hoofdstroom. Amman's discipelen noemen zich amish, een eponiem van Amman. Vanuit Pennsylvania werden later in andere Amerikaanse staten en in Canada nieuwe kolonies gesticht.

Veel mennonieten zijn niet weggetrokken maar, onder de naam doopsgezinden, in de Nederlanden bijven wonen. Vooral in Noord-Holland en Friesland was lange tijd een vierde deel van de bevolking van de 'doperse' denominatie. Ze vormden lokale gemeenten van onopvallende, ijverige, zich buiten politiek en bestuur houdende gelovigen die het vaak tot welstand brachten en een belangrijk aandeel hadden in de bloei van de economie. Op den duur stapten velen over naar de dominante Hervormde Kerk. De doopsgezinde gemeenten in Nederland anno 2016 kenmerken zich door openheid en vrijzinnigheid, dit in contrast met veel mennonitische gemeenschappen elders in de wereld.

Wereldwijd waren er begin 21e eeuw circa 1,5 miljoen mennonieten.[1]

Geloofsleer[bewerken]

De kenmerken van de mennonitische beweging waren de totale scheiding van kerk en staat, de afwijzing van de kinderdoop, het weigeren van de eed, en de persoonlijke belijdenis van mondige mensen in plaats van het onderschrijven van de door de kerk vastgelegde teksten.[2] De doperse non-conformistische uitgangspunten riepen veel weerstand op. In de zestiende eeuw werden de dopers te vuur en te zwaard vervolgd. In die tijd zijn in Nederland zo'n tweeduizend dopers om hun overtuiging omgebracht. Nog steeds gelden bij Doopsgezinden de uitgangspunten van persoonlijke verantwoordelijkheid van ieder lid of vriend van de gemeente. Doopsgezinden kennen geen ambtsdragers. De predikanten worden beschouwd als gewoon lid van de gemeente te midden van alle anderen. Respect voor elkaar en voor elkaars mening is normaal en ook betrokkenheid bij elkaar en de wereld, zonder dat dit tot beklemming leidt: er zijn geen meerderen en geen minderen. Een ander adagium in het kerkgenootschap luidt: niet moeten, maar mogen.

Uitdrukkingen[bewerken]

Menistenbruiloft (de beerput legen)[3] en menistenstreek of menistenleugen (een halve waarheid verkiezen boven de hele waarheid)[4] zijn oude volksuitdrukkingen. Een menistenzusje is een ingetogen vrouw, ofschoon de uitdrukking veelal sarcastisch voor het tegendeel gebruikt wordt.

Trivia[bewerken]

  • Topwielrenner en winnaar van de Ronde van Frankrijk in 2006 Floyd Landis werd geboren en groeide op in de mennonitische landbouwcommune van Farmersville in de Amerikaanse staat Pennsylvania. Gepassioneerd door het fietsen maar bevreesd voor de veroordelende reactie van zijn rigoureuze ouders ging de rebelse Landis vanaf zijn vijftiende stiekem 's avonds laat op een eenvoudige fiets en in een lange jeansbroek trainen, 'zondigen', langsheen de donkere wegen van het landelijke Lancaster County.[5]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]