Christelijke Gereformeerde Kerken

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Christelijke Gereformeerde Kerken
Bethelkerk te Sliedrecht
Bethelkerk te Sliedrecht
Indeling
Hoofdstroming Protestantisme
Richting Gereformeerd calvinisme
Voortgekomen uit Samenvoeging van Chr. afgesch. gemeenten en Geref. Kerken o/h Kruis in 1869
Afsplitsingen 1892: Op drie gemeenten na samengevoegd met de Dolerenden tot de Gereformeerde Kerken in Ned.
1952: Chr. Gereformeerde Gemeenten (in Ned.)
Aard
Locatie 182 kerken in Nederland (2016)[1]
Aantal leden 72.562 (1 januari 2017)[2]
Karakter Zowel bevindelijk als orthodox
Portaal  Portaalicoon   Christendom
Protestantisme

Titelpagina Statenvertaling

in Nederland

..Stromingen

Lutheranisme
Lutheranisme
Vrijzinnig-Protestantisme
Vrijzinnig protestantisme
Midden-orthodoxie
Protestantse Kerk in Nederland
Modern-Gereformeerd
Voortgezette Gereformeerde Kerken in Nederland
Orthodox Protestantisme
Calvinisme
Gereformeerd protestantisme
Orthodox-protestantisme
Orthodox Gereformeerd
Orthodox-gereformeerden
Bevindelijk Gereformeerden
Bevindelijk gereformeerden
Evangelisch
Evangelisch Christendom

Aantal CGK-leden per bestuurlijke gemeente in 2008
Christelijke Gereformeerde Kerk Amersfoort
Christelijke Gereformeerde Kerk Dordrecht Centrum
Christelijke Gereformeerde Kerk Werkendam

De Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) vormen een kerkgenootschap binnen het protestantisme in Nederland dat sinds ontstaan in 1892 bestaat. Het kerkverband telt circa 180 plaatselijke gemeenten en (per 1 januari 2017) 72.562 leden.[2]

Geschiedenis[bewerken]

Ontstaan van de verschillende stromingen in Nederland
Ontstaansgeschiedenis van kerken in Nederland
1rightarrow blue.svg Zie ook Gereformeerd protestantisme in Nederland

Voorgeschiedenis en vorming van het kerkverband[bewerken]

De Christelijke Gereformeerde Kerken zijn met enige tussenstappen voortgekomen uit de Afscheiding van 1834, toen verschillende gereformeerden zich losmaakten van de Nederlandse Hervormde Kerk, de oude volkskerk. Zij verzetten zich tegen de centralistische organisatievorm van deze kerk en tegen modernistische tendensen in het geloofsleven. Na de Afscheiding ontstonden twee kerkelijke groeperingen: de Christelijke afgescheiden gemeenten en de Gereformeerde Kerken onder het Kruis, die zich in 1869 grotendeels samengingen tot de Christelijke Gereformeerde Kerk. Het overgrote deel van deze kerk fuseerde op 17 juli 1892 nogmaals, nu met de Nederduitse Gereformeerde Kerk (Dolerende), tot de Gereformeerde Kerken in Nederland. Drie gemeenten (Teuge, Zierikzee, Noordeloos) wilden de Christelijke Gereformeerde Kerk echter voortzetten.

Het Wekkertje[bewerken]

Het waren de predikanten F.P.L.C. van Lingen (1832-1913) (bekend als bewerker van de Dächsel Bijbelverklaring) en Jacobus Wisse (1843-1921) die de voornaamste woordvoerders waren in de kring van bezwaarden tegen een vereniging met de kerken voortgekomen uit de Doleantie onder leiding van Dr. A. Kuyper. Een belangrijk middel voor de verspreiding van hun boodschap was "Het Wekkertje", waarmee zij het kerkvolk wilde wakker schudden. Al snel voegden zich ook andere predikanten bij hen: ds. J. Schotel (1825-1914), ds. H.M. van der Vegt (1831-1915) en ds. J.W. Drayer (1851-1894).

Op 20 juli 1892 kwam men in Utrecht bijeen in het Militaire Tehuis, en vond men elkaar om te blijven wat men was: 'christelijk- gereformeerd’, een naam die in de tijd van de Reformatie al in gebruik was.

De bezwaren van Van Lingen en Wisse[bewerken]

1. De leer van de veronderstelde wedergeboorte die door dr. A. Kuyper werd voorgestaan, door zijn catechismusverklaring werd uitgedragen in de gemeenten, en onder theologische studenten onderwezen. Volgens Kuyper is de kerk een vergadering van gelovigen op grond van predestinatie (uitverkiezing) en wedergeboorte. De veronderstelling wedergeboren te zijn, is de grond voor de kinderdoop. Nadruk behoort niet te liggen op het individu, maar op het verbond dat God met de mens in de lijn van de geslachten sluit.

De predikanten Van Lingen en Wisse vonden deze leer 'bederfelijk' voor het kerkelijk leven. Zij riepen op tot 'onderscheidenlijke of separerende prediking'. Wanneer er gepreekt wordt moet de scheiding vallen (vandaar de uitdrukking de 'sleutelen van het hemelrijk') tussen het leven en de dood. Het is niet raadzaam de gemeente in de prediking als geheel aan te spreken als 'ware gelovigen', en/of 'broeders en zusters'. Prof. W. Kremer zegt hierover: "We mogen in de prediking de gemeente niet benaderen vanuit een bepaald vooringenomen standpunt. Als zouden bijvoorbeeld alle gedoopten automatisch delen in het heil. Of als zouden allen (vanuit de gedachte van de 'alverzoening') eenmaal wel zalig worden. Het Woord moet beslag leggen met Zijn beloften en eisen".

Drong dr. A. Kuyper in zijn preken nog aan op 'noodzaak van zelfonderzoek' (hij hield staande dat niet allen daadwerkelijk wedergeboren waren), bij zijn volgelingen bleef dit element steeds meer achterwege.

2. De beginselen van de Afscheiding van 1834 en de doleantie van 1886 zijn fundamenteel met elkaar in strijd. De intentie van de afscheiding van 1834 lag volgens hen in het geloof, het hervormde kerkgenootschap – zoals ontstaan in 1816 door toedoen van koning Willem I – verlaten, ziende op Gods gebod, blind voor de toekomst (men wilde geen strijd om de kerkelijke goederen) en terugkeer tot de Gereformeerde Kerk van de Reformatie. In de visie van de afgescheidenen werd de Hervormde Kerk als een 'valse kerk' bestempeld vanwege de leervrijheid. De doleantie-beweging daarentegen was sterk geregisseerd door dr. A. Kuyper, waarbij juist wel felle strijd gevoerd werd om het behoud van de kerkelijke goederen. De bezwaarden waren er van overtuigd, dat door de Vereniging van 1892 het beginsel van de Afscheiding ernstig geweld was aangedaan, en spraken uit: dat men zich niet met kerken mocht verenigen die er 'on-Bijbelse leringen' op na hielden.

3. Kerkrechterlijke bezwaren: de plaatselijke gemeenten waren onvoldoende betrokken in het verenigingsproces, wat men in strijd achtte met het presbyteriale kerkrecht. Daarin zijn de plaatselijke gemeenten tot op zekere hoogte autonoom. Werd men vanuit de Gereformeerde Kerken regelmatig bestempeld als 'scheurkerk', de christelijke gereformeerden vonden dat zij het volste recht hadden zich afzijdig te houden van de Vereniging van 1892 op grond van hun geweten voor God en de mensen.


Periode 1892-1953[bewerken]

Opbouw van de organisatie[bewerken]

Op de eerste synode in Utrecht op 3 en 4 januari 1893 waren er reeds acht gemeenten vertegenwoordigd: Den Haag, Rotterdam, Utrecht, Noordeloos, Dordrecht, Lutten, Teuge en Arnhem. Op 25-27 juli van datzelfde jaar werd opnieuw een synode gehouden waarbij het kerkverband inmiddels 17 gemeenten telde.

Vrijwel direct werd begonnen met de stichting van een eigen theologische school. Op 11 september 1894 kon er door ds. J. Schotel een Theologische School worden geopend, die in eerste instantie bestond uit de consistoriekamer van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Den Haag. Tussen 1899 en 1919 was de opleiding in Rijswijk gevestigd. Kort daarop werd de opleiding definitief in Apeldoorn gevestigd.

Binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk is van meet af aan ook aandacht voor de opbouw van het verenigingsleven en voor eigen kerkelijke zending.

Theologische Universiteit Apeldoorn

Prediking[bewerken]

De Christelijke Gereformeerde Kerk profileerde zich naast de Gereformeerde Kerken voornamelijk in haar 'doorstartperiode' als 'bevindelijk-gereformeerd' (getuige ook de vooroorlogse jaargangen van de Prekenserie 'Uit de Levensbron') maar wel met de nodige aandacht voor gedegen en verantwoorde theologie.

In 1933 benadrukte Prof. Leendert Huibert van der Meiden het belang van een 'Schriftuurlijk-bevindelijke prediking'. Hij beklemtoonde "dat men niet alleen moet preken wat Christus voor de Zijnen deed, maar ook wat Hij door Woord en Geest in hun harten werkt", een zinsnede die uit de Institutie van Calvijn te herleiden is.

Prof. G. Wisse (1873-1957) benadrukte in zijn boekje 'de ambtelijke bediening in de gelovigen' "dat wie de ware en volle Christus wil verkondigen, ook deze zijde (namelijk het bevindelijk functioneren van de drie ambten van Christus) naar voren zal brengen".

Prof. Willem Kremer (1896-1985) schreef in de bundel 'Priesterlijke Prediking' in 1954 "dat de terechte kritiek op veel prediking is, niet dat ze te weinig exegetisch, te weinig dogmatisch, zelfs niet te weinig actueel is, maar dat zij te weinig geestelijk is".

Gods soevereiniteit en de menselijke verantwoordelijkheid moeten beide in de prediking ten volle gehandhaafd worden: "Er mag niet vrijblijvend voor toeschouwers gepreekt worden. We worden eenzijdig waar we óf alleen maar de soevereiniteit van God prediken in Zijn uitdeling van het heil en waar de verantwoordelijkheid van de hoorder wordt verzwegen óf waar alleen de verantwoordelijkheid wordt gepreekt en het lijkt alsof de mens het heil binnen eigen bereik heeft en er voor het werk van de Heilige Geest in ons geen plaats en noodzaak meer lijkt te zijn".

Prof. F. Lenkeek (1871-1932): “Hebben wij de Heilige Geest ontvangen? Die vraag bedoelt in de eerste plaats, of wij uit de dood zijn overgegaan in het leven, en krachtens deze overgang onze doodstaat van nature kennen en onze zaligheid buiten onszelf in Jezus Christus zoeken. Mogelijk zijn er onder ons, voor wie deze vraag niet klemmend is. Zij hebben genoeg aan wat zij zijn, hebben, weten, kunnen en zullen. Ze zijn min of meer godsdienstig, nemen min of meer hun plichten waar, leven niet berispelijk, zijn in menig opzicht voorbeeldig, maar daar blijft het bij. De vraag of zij de Heilige Geest ontvangen hebben, is er één die in de prediking zeker op z’n plaats is, maar die persoonlijk tot hen gericht wrevel opwekt. Dezulken kunnen zich dan ook uitnemend daarin vinden, waar men uitgaat van de stelling, dat de Heilige Geest zeven weken na de offerande van Christus is uitgestort en toen gemeengoed van de kerk geworden is. Wie dus tot de kerk behoort, heeft de Heilige Geest. Wij achten dit een misleidende, verderfelijke stelling, waarvoor nergens in de Heilige Schrift enige grond gevonden wordt. Vergeten wij toch niet, dat er geen collectief, geen gemeenschappelijk oordeel zal zijn, maar een particulier, een persoonlijk. Ieder voor zich zal eenmaal aan God rekenschap te geven hebben. En zo wij persoonlijk de Heilige Geest niet ontvangen hebben, zo zullen wij ook geen deel hebben aan het zijn in Christus”.

Zoeken naar verbinding[bewerken]

De Christelijke Gereformeerden voelden zich van meet af aan geroepen tot vereniging van alle gereformeerden die ten volle willen leven naar Schrift en Belijdenis. Zo was er al snel aandacht voor een vereniging met de inmiddels in 1907 ontstane Gereformeerde Gemeenten. In 1919 schopte de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk echter tegen het verkeerde been door de uitspraak: "dat alle Gereformeerden uit alle kerken, naar eis van de Heilige Schrift en Formulieren van Enigheid geroepen zijn zich tot de Christelijke Gereformeerde Kerk te voegen". In 1922 zwakte de synode deze uitspraak af en spraken uit dat zij ook in de Gereformeerde Gemeenten een gelijkwaardige en wettige openbaring van het lichaam van Christus wilden erkennen. Op dezelfde wijze en in dezelfde geest zoals de Christelijke Afgescheidenen en de Kruisgemeenten elkaar in 1869 vonden, stond men open voor een vereniging met de Gereformeerde Gemeenten. Andersom bleek echter enige gereserveerdheid. Ds. G.H. Kersten verweet de Christelijke Gereformeerde Kerk 'gebrek aan beginsel'.


Binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk waren vanaf het beginstadium verschillende 'stromingen' waar te nemen, (overigens al vanouds onder de afgescheidenen: De Cock vs. Scholte) met aan de ene zijde ds. J.J. Van der Schuit (1882-1965) en aan de andere kant ds. P.J.M. de Bruin (1868-1942). Na de Wereldoorlog is deze scheidslijn scherper geworden in een stroming die zich in de richting bewoog van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en een stroming die verwant bleef aan de rechterflank van de Gereformeerde Gezindte: de Gereformeerde Gemeenten etc.

voormalig kerkgebouw Christelijk Gereformeerde kerk van Lutjegast

Ontwikkelingen na de Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Na de Tweede Wereldoorlog werd de roep om zich losser te maken van het verleden sterker. De prediking die als vanouds gestempeld werd door 'bevinding', 'nadruk op noodzaak ellende kennis, ‘standen in het geestelijke leven’ (in de preken aangeduid als ‘bekommerden’, ‘meer verzekerden’ etc.). Velen komen niet tot ‘heilszekerheid’ en daarom moest meer nadruk gelegd worden op 'verbond', 'belofteprediking' in plaats van 'bevinding'. Men sprak als kerkverband uit: van een sterk subjectieve inslag naar een meer objectieve belofteprediking te zijn gegroeid.

Deze koerswisseling verklaart de steeds grotere sympathie die ontstond voor de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en aanverwante kerken, waar vanouds al vooral 'verbondsmatig' gepreekt wordt en niet zozeer ‘bevindelijk’.

Mede hierdoor hebben de Christelijke Gereformeerde Kerken door de jaren heen nogal te maken gehad met predikanten of gemeenten die zich losmaakten en over gingen naar andere (meer bevindelijke) kerkverbanden, met name de Gereformeerde Gemeenten.

Andersom echter, was het juist ds. R. Kok (1890-1982) die zich met zijn gemeente aansloot bij de Christelijke Gereformeerde Kerken (1956), nadat hij geschorst was in 1950 als predikant in de Gereformeerde Gemeenten vanwege 'vereenzelviging van de beloften van het evangelie en het aanbod van genade'.

De kanselboodschap van 1953[bewerken]

In 1952 verlieten ds. E. du Marchie van Voorthuysen als ds. J. G. van Minnen de Christelijke Gereformeerde Kerken. Daarnaast kreeg de synode van 1952 te maken met een kritisch rapport van de classis Dordrecht onder leiding van ds. M. Baan. Naar aanleiding van hiervan kwam het in 1953 zover dat er een 'kanselboodschap' werd uitgegeven op aandrang van Prof. Gerard Wisse. De kanselboodschap was voornamelijk uit zorg rondom de prediking, “de ernst in de behandeling der ons toebetrouwde zielen”.[3]

De kanselboodschap die in alle Christelijke Gereformeerde Kerken werd voorgelezen, was gericht aan alle predikanten, hoogleraren, ouderlingen, jeugdleiders, gemeenteleden en riep op: "in de prediking te blijven benadrukken: Dat zalig worden een wonder blijft, en de noodzakelijkheid van wedergeboorte door de Heilige Geest niet uit het oog mag worden verloren. Nodig is dat wij in de bevindelijke weg leren, dat wij God kwijt zijn, en van nature in een verbroken werkverbond liggen, dood door de misdaden en de zonden, en wij alleen door een oprecht geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig kunnen worden".

Latere ontwikkelingen[bewerken]

De uitwerking van de kanselboodschap (die ging vooral over de prediking) is evenwel beperkt gebleven, want de ontwikkelingen gingen door. De generale synode benoemde in 1953 Prof. B.J. Oosterhoff als opvolger van Prof. L.H. Van der Meiden. Tegen deze aanstelling leefde bezwaren in de rechterflank. In 1963 gaf de generale synode de Nieuwe Vertaling vrij voor gebruik. Dit en andere zaken leidde opnieuw tot grote verontrusting.

Stromingen binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken[bewerken]

Heden ten dage kenmerken de Christelijke Gereformeerde Kerken zich door een zeer grote verscheidenheid op het gebied van levensstijl en theologie. Naast de hieronder meer in detail beschreven 'rechtervleugel' en 'linkervleugel' bestaat er in de Christelijke Gereformeerde Kerken ook nog een flinke 'middengroep'.

Bewaar het pand[bewerken]

Door een bezorgde groep predikanten werd – ook om te voorkomen dat nog meer 'behoudende' predikanten het kerkverband zouden verlaten – in 1966 de Stichting Bewaar het Pand opgericht. De 'panders' willen vast houden aan de oorspronkelijke CGK prediking en men handhaaft het gebruik van de Statenvertaling zoals die recent onder andere is uitgegeven door de Gereformeerde Bijbelstichting. Bezwaren tegen moderne vertalingen bestaan voornamelijk hierin, dat men van mening is dat deze vertalingen de geest van een andere theologie ademen. In deze gemeenten wordt de traditionele psalmberijming gezongen (1773) omdat men in nieuwere psalmberijmingen tot op heden nog geen volwaardig alternatief ziet. Het feit dat de bewoordingen hier en daar wel verouderd zijn wordt door weinigen binnen deze groep als een probleem ervaren.

Roep om verdergaande theologische opvattingen en liturgische vernieuwing[bewerken]

De linkervleugel van de Christelijke Gereformeerde Kerken staat voor progressieve theologische opvattingen (vrouw in het ambt, acceptatie homoseksuele relaties in liefde en trouw etc.).

Daarnaast is er vanuit de progressieve hoek de roep om steeds verder gaande liturgische vernieuwing. Door velen van hen wordt de Nieuwe Bijbelvertaling uit 2004 gebruikt, hoewel dit door de landelijke synode is ontraden. In de progressieve gemeenten wordt uit het Liedboek voor de Kerken gezongen, terwijl ook wel andere liederen, bijvoorbeeld uit de bundel van de Stichting Opwekking of Op Toonhoogte, worden gezongen. Dit is mogelijk omdat er sinds 2004 de vrijheid is om liederen te zingen die wat betreft de inhoud passen bij de theologische opvattingen van de kerken, en wat betreft de vormgeving passen binnen de gereformeerde liturgie. Niet alle (oude én nieuwe!) liederen uit de genoemde bundels voldoen aan deze voorwaarden, daarom heeft men plaatselijk de verantwoording voor de selectie van liederen.

Kerkelijke organisaties[bewerken]

De kerken hebben een eigen Theologische Universiteit te Apeldoorn. Hier studeren rond de honderd studenten. Daarnaast zijn er ongeveer dertig mensen die een eigen studieroute volgen. Ook zijn er rond de 25 promotiestudenten, die deels uit het buitenland komen. De Theologische Universiteit heeft nauwe contacten met de Theologische Universiteit te Kampen, onder andere door middel van een gezamenlijke onderzoeksgroep (BEST, Biblical Exegesis and Systematic Theology).[4]

Recent gaf de synode geen groen licht voor fusie tussen de eigen Theologische Universiteit Apeldoorn met de universiteit van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt te Kampen en de predikanten opleiding van de Nederlands Gereformeerde Kerken. Dit is opmerkelijk omdat de CGK-synode zelf opdracht heeft gegeven tot een onderzoek naar een intensieve vorm van samenwerking. Op de achtergrond van dit besluit spelen de ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt mee, zoals de recente openstelling van 'de vrouw in het ambt' als gevolg van moderne hermeneutische inzichten (Bijbeluitleg).

Jeugdwerk[bewerken]

De beide vleugels kennen hun eigen jeugdwerk. De progressieve koers van de traditionele jongerenorganisatie CGJO leidde in de jaren tachtig tot de oprichting van een conservatieve tegenhanger, het LCJ, die inmiddels in omvang niet meer onderdoet voor het CGJO.

Bladen[bewerken]

De officiële publicatie van de Christelijke Gereformeerde kerken is De Wekker, die tweewekelijks verschijnt. Daarnaast zijn er het blad Doorgeven (dit geeft een beeld van het werk in de zending, evangelisatie en hulpverlening) en Vrede over Israël.

Recente ontwikkelingen[bewerken]

Met de Nederlands Gereformeerde Kerken hebben de Christelijke Gereformeerde Kerken inmiddels al jaren een nauwe betrekking, evenals met de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. Plaatselijk is er vaak sprake van samenwerking op enkele plaatsen ook met de voormalige Gereformeerde Kerken in Nederland (nu onderdeel van de Protestantse Kerk in Nederland).

In 2010 besloot de CGK-synode kanselruil met predikanten uit de Hersteld Hervormde Kerk mogelijk te maken. De synode van de Hersteld Hervormde Kerk besloot in 2012 dat ook in omgekeerde richting toe te staan.[5]

In 2013 gaf de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken toestemming om predikanten uit de Protestantse Kerk Nederland met een Gereformeerde Bond signatuur in kerkdiensten te laten voorgaan. Van een brede openstelling van kansels voor predikanten vanuit de Protestantse Kerk Nederland is echter geen sprake, ook niet van elkaars attestaties zonder meer te erkennen.

1rightarrow blue.svg Voor een overzicht van alle gereformeerde kerken, zie gereformeerd.

Secularisatieproces

De secularisatie gaat aan de Christelijke Gereformeerde Kerken niet voorbij. Sinds de jaren negentig laat het ledental een dalende lijn zien. Het zondagse kerkbezoek neemt af, met name van de tweede dienst op zondag. Het ledenaantal is in de jaren 2014, 2015 en 2016 in totaal met meer dan 1000 verminderd.[2] Het aantal gemeenten van de Christelijke Gereformeerde Kerken neemt ook af, van 189 in het jaar 2000 naar 180 begin 2014. In de laatste jaren zijn er een aantal plaatselijke gemeenten, bijvoorbeeld in Zwartsluis, Rotterdam-West en Vlissingen verdwenen of ze zijn samengegaan met bijvoorbeeld gemeenten van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, zoals in Doesburg.

Anderzijds komen er in de grote steden steeds meer gemeenten die een 'doorstart maken', dit zijn zogenaamde zendingsgemeenten. Deze zendingsgemeenten zijn liturgisch wat vrijer en hebben vaak een evangelist in plaats van een predikant. Op 13 december 2012 is in Renswoude een christelijke gereformeerde ”preekplaats” geïnstitueerd als zelfstandige gemeente.

Invloed evangelische beweging

Predikanten, gemeenteleden, en jongeren geven aan losser te staan van het traditionele gereformeerde gemeentelijke leven en de belijdenisgeschriften. Er is steeds meer invloed van de evangelische beweging (overigens ook bij andere traditionele gereformeerde kerkverbanden). Het is een zeer actieve beweging die volop naar buiten treedt en de seculiere medemens enthousiast wil maken voor het christelijk geloof. Men spreekt veelal in populaire en algemene termen over God (Jezus als ‘vriend’) over de verzoening (stierf voor allemaal) en over de zonde. De nadruk ligt op de keuze voor Jezus. De alpha-cursussen die bedoeld zijn om buitenkerkelijken kennis te laten maken met het christelijke geloof, worden niet zozeer meer door de gereformeerde geloofsleer bepaald, maar zijn veelmeer door het evangelische gedachtegoed geïnspireerd. Men beleeft het christelijke geloof op een nieuwe manier, zonder dat men in conflict hoeft te komen met de moderne cultuur.

Bekende leden[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Geels, Prof. J.W., Bruin, Prof. P.J.M. de, Salomons, ds. G., Schuit, Prof. J.J., Jongeleen, ds. J., Hilbers, ds. A.H., Janssen, ds. H., Meiden, ds. L.H. van der., Wisse, Prof. G. Gedenkboek Afscheiding (1834-1934)
  • Ham, H. van der. Ambtsbroeders, uit het leven van ds. F.P.L.C. van Lingen (2016)
  • Ham, H. van der. Sions heil en troost, overdenkingen van Christelijke Gereformeerde Predikanten (F.P.L.C. van Lingen, J. Wisse Czn., F. Lenkeek, H. Janssen, P.J.M. de Bruin, P. de Groot, R. Kok (1997)
  • Velema, J.H. Wat is christelijk gereformeerd? (1947)
  • Veenendaal, J. Wat is Christelijke Gereformeerde prediking? (1997)
  • Hovius, J., Kremer, W. 'k Zal gedenken 1894-1954, geschiedenis van de Theologische School, Dordrecht 1954
  • Drayer, M. e.a. En toch niet verteerd. Uit de geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Kerken sinds 1892, Kampen (1982)
  • Baars, Prof. dr. A., Koffeman, G.. Weerd, Ds. A. van de, Liefde voor het Woord, Leven en werk van ds. L.H. van der Meiden (2011)
  • Meiden, L.H. van der. Het bevindelijk element in de prediking, referaat
  • Tanis, M.C. Hoe staat we tegenover het getuigenis van 1953? in: Bewaar het Pand 25 jan. 1973
  • Spijker, W. van 't. Een eeuw Christelijk Gereformeerd (1892-1992)

Externe links[bewerken]

Referenties[bewerken]