Christelijke Gereformeerde Kerken

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Christelijke Gereformeerde Kerken
Bethelkerk te Sliedrecht
Bethelkerk te Sliedrecht
Indeling
Hoofdstroming Protestantisme
Richting Gereformeerd calvinisme
Voortgekomen uit Samenvoeging van Chr. afgesch. gemeenten en Geref. Kerken o/h Kruis in 1869
Afsplitsingen 1892: Op drie gemeenten na samengevoegd met de Dolerenden tot de Gereformeerde Kerken in Ned.
1952: Chr. Gereformeerde Gemeenten (in Ned.)
Aard
Locatie 185 kerken in Nederland (2018)
Aantal leden 72.394 (1 januari 2018)
Karakter Zowel bevindelijk als orthodox
Portaal  Portaalicoon   Christendom
Protestantisme

Titelpagina Statenvertaling

in Nederland

..Stromingen

Lutheranisme
Lutheranisme
Vrijzinnig-Protestantisme
Vrijzinnig protestantisme
Midden-orthodoxie
Protestantse Kerk in Nederland
Modern-Gereformeerd
Voortgezette Gereformeerde Kerken in Nederland
Orthodox Protestantisme
Calvinisme
Gereformeerd protestantisme
Orthodox-protestantisme
Orthodox Gereformeerd
Orthodox-gereformeerden
Bevindelijk Gereformeerden
Bevindelijk gereformeerden
Evangelisch
Evangelisch Christendom

Aantal CGK-leden per bestuurlijke gemeente in 2008
Christelijke Gereformeerde Kerk Amersfoort
Christelijke Gereformeerde Kerk Dordrecht Centrum
Christelijke Gereformeerde Kerk Werkendam

De Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) vormen een kerkgenootschap binnen het protestantisme in Nederland dat sinds 1892 bestaat. Het kerkverband telt per 1 januari 2018 72.394 leden. Met de nodige schommelingen, is een dalende trend gaande. In 2008, telde het kerkverband nog bijna 75.000 leden. Het aantal gemeenten is de laatste jaren licht toegenomen. Er zijn momenteel 185 plaatselijke gemeenten.

Geschiedenis[bewerken]

Ontstaan van de verschillende stromingen in Nederland
Ontstaansgeschiedenis van kerken in Nederland
1rightarrow blue.svg Zie ook Gereformeerd protestantisme in Nederland

Voorgeschiedenis en vorming van het kerkverband[bewerken]

De Christelijke Gereformeerde Kerken zijn met enige tussenstappen voortgekomen uit de Afscheiding van 1834, toen verschillende gereformeerden zich losmaakten van de Nederlandse Hervormde Kerk, de oude volkskerk. De redenen dat men zich van de Hervormde Kerk wilde afscheiden waren:

1. De gereformeerde belijdenis functioneerde niet meer in de praktijk. Prof. Hofstede de Groot, één van de voornaamste woordvoerders van de toen toonaangevende 'Groninger richting' vond dat de Hervormde Kerk aan de klassiek gereformeerde belijdenisgeschriften niet meer gebonden was. Vooral de 'Dordtse Leerregels' moesten het ontgelden. De 'verzoeningsleer', de 'verkiezingsleer' en de 'leer van de totale verdorvenheid van de mens' werden beschouwd als achterhaald. De theologie van de achttiende eeuw was sterk beïnvloed door de Verlichting. Tegen deze ontwikkelingen kwamen de orthodoxe predikanten in verzet.

2. De gereformeerde kerkregering (de Dordtse kerkorde) was afgeschaft. In plaats daarvan kwam er in 1816 een ‘Algemeen Reglement’ dat voorzag in een hiërarchische kerkstructuur met aan het hoofd de koning.

3. Predikanten die de gereformeerde belijdenis verdedigden in woord en geschrift werden vervolgd en/of afgezet.

Na de Afscheiding ontstonden twee kerkelijke groeperingen: de Christelijke afgescheiden gemeenten en de Gereformeerde Kerken onder het Kruis, die zich in 1869 grotendeels samengingen tot de Christelijke Gereformeerde Kerk. Het overgrote deel van deze kerk fuseerde op 17 juli 1892 nogmaals, nu met de Nederduitse Gereformeerde Kerk (Dolerende), tot de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Drie gemeenten (Teuge, Zierikzee, Noordeloos) wilden de Christelijke Gereformeerde Kerk echter voortzetten.

Het Wekkertje[bewerken]

Het waren de predikanten F.P.L.C. van Lingen (1832-1913) (bekend als bewerker van de Dächsel Bijbelverklaring) en Jacobus Wisse (1843-1921) die de voornaamste woordvoerders waren in de kring van bezwaarden tegen een vereniging met de kerken voortgekomen uit de Doleantie onder leiding van Dr. A. Kuyper. Een belangrijk middel voor de verspreiding van hun boodschap was "Het Wekkertje", waarmee zij het kerkvolk wilde wakker schudden. Al snel voegden zich ook andere predikanten bij hen: ds. J. Schotel (1825-1914), ds. H.M. van der Vegt (1831-1915) en ds. J.W. Drayer (1851-1894).

Op 20 juli 1892 kwam men in Utrecht bijeen in het Militaire Tehuis, en vond men elkaar om te blijven wat men was: 'christelijk-gereformeerd’, een naam die in de tijd van de Reformatie al in gebruik was.

De bezwaren van Van Lingen en Wisse[bewerken]

1. De leer van de veronderstelde wedergeboorte die door dr. A. Kuyper werd voorgestaan, door zijn catechismusverklaring werd uitgedragen in de gemeenten, en onder theologische studenten onderwezen. Volgens Kuyper is de kerk een vergadering van gelovigen op grond van predestinatie (uitverkiezing) en wedergeboorte. De veronderstelling wedergeboren te zijn, is de grond voor de kinderdoop. Nadruk behoort niet te liggen op het individu, maar op het verbond dat God met de mens in de lijn van de geslachten sluit. Wel drong dr. A. Kuyper in zijn preken aan op “de noodzaak van zelfonderzoek”. (Hij hield staande dat niet allen daadwerkelijk wedergeboren waren, maar dat 'het zaad der kerk' ervoor moest worden gehouden tenzij het tegendeel zou blijken).

De predikanten Van Lingen en Wisse vonden deze leer “bederfelijk” voor het kerkelijk leven en in strijd met de Bijbel. Ze riepen op tot “onderscheidenlijke” of “separerende prediking”. Er diende onderscheid gemaakt te worden tussen “het ware zaligmakende geloof” en “niet-zaligmakend geloof”. Op die manier functioneert de prediking als een 'sleutel van het hemelrijk'.

Prof. W. Kremer zegt hierover: "We mogen in de prediking de gemeente niet benaderen vanuit een bepaald vooringenomen standpunt. Als zouden bijvoorbeeld alle gedoopten automatisch delen in het heil. Of als zouden allen (vanuit de gedachte van de 'alverzoening') eenmaal wel zalig worden. Het Woord moet beslag leggen met Zijn beloften en eisen".

2. De beginselen van de Afscheiding van 1834 en de doleantie van 1886 zijn fundamenteel met elkaar in strijd. De intentie van de afscheiding van 1834 lag volgens Van Lingen en Wisse in het geloof, het hervormde kerkgenootschap – zoals ontstaan in 1816 door toedoen van koning Willem I – verlaten, ziende op Gods gebod, blind voor de toekomst (men wilde geen strijd om de kerkelijke goederen) en terugkeer tot de Gereformeerde Kerk van de Reformatie. In de visie van de afgescheidenen werd de Hervormde Kerk als een 'valse kerk' bestempeld vanwege de 'leervrijheid'. De doleantie-beweging daarentegen was sterk geregisseerd door dr. A. Kuyper, waarbij juist wel felle strijd gevoerd werd om het behoud van de kerkelijke goederen. De christelijke gereformeerden die zich in 1982 afzijdig hielden waren er van overtuigd, dat door de Vereniging van 1892 het beginsel van de Afscheiding 'ernstig geweld' werd aangedaan, en spraken uit: "dat men zich niet met kerken mocht verenigen die er 'on-Bijbelse leringen' op na hielden".

3. Kerkrechtelijke bezwaren: de plaatselijke gemeenten waren onvoldoende betrokken in het verenigingsproces, wat men in strijd achtte met het presbyteriale kerkrecht. Daarin zijn de plaatselijke gemeenten tot op zekere hoogte autonoom. Werd men vanuit de Gereformeerde Kerken regelmatig bestempeld als 'scheurkerk', de bezwaarde christelijke gereformeerden vonden dat zij het recht hadden zich afzijdig te houden van de Vereniging van 1892 op grond van hun geweten voor God en de mensen.

Periode 1892-1953[bewerken]

Opbouw van de organisatie[bewerken]

Op de eerste synode in Utrecht op 3 en 4 januari 1893 waren er reeds acht gemeenten vertegenwoordigd: Den Haag, Rotterdam, Utrecht, Noordeloos, Dordrecht, Lutten, Teuge en Arnhem. Op 25-27 juli van datzelfde jaar werd opnieuw een synode gehouden waarbij het kerkverband inmiddels 17 gemeenten telde.

Vrijwel direct werd begonnen met de stichting van een eigen theologische school. Op 11 september 1894 kon er door ds. J. Schotel een Theologische School worden geopend, die in eerste instantie bestond uit de consistoriekamer van de Christelijke Gereformeerde Kerk van Den Haag. Tussen 1899 en 1919 was de opleiding in Rijswijk gevestigd. Kort daarop werd de opleiding definitief in Apeldoorn gevestigd.

Binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk is van meet af aan ook aandacht voor de opbouw van het verenigingsleven en voor eigen kerkelijke zending.

Theologische Universiteit Apeldoorn

Karakter van de prediking[bewerken]

De Christelijke Gereformeerde Kerk profileerde zich naast de Gereformeerde Kerken voornamelijk in haar 'doorstartperiode' als 'bevindelijk-gereformeerd' (getuige de vooroorlogse jaargangen van de Prekenserie 'Uit de Levensbron') maar wel met de nodige aandacht voor gedegen en verantwoorde theologie.

In 1933 benadrukte Prof. Leendert Huibert van der Meiden het belang van een 'Schriftuurlijk-bevindelijke prediking'. Hij beklemtoonde "dat men niet alleen moet preken wat Christus voor de Zijnen deed, maar ook wat Hij door Woord en Geest in hun harten werkt", een zinsnede die uit de Institutie van Calvijn te herleiden is.

“We zijn geen levende lidmaten van Christus, omdat we gedoopt zijn, of omdat we belijdenis deden. Er zijn tal van onherboren bondelingen, die straks als kinderen des koninkrijks buiten geworpen worden. Zij bewijzen in hun leven duidelijk genoeg het leven des Geestes te missen. Werd u ooit schuldenaar zoals de verloren zoon? Riep u ooit uit diepte van ellende? Hebt u de noodzakelijkheid van de Borg leren verstaan?” (Prof. L.H. Van der Meiden).

Prof. G. Wisse (1873-1957) benadrukte in zijn boekje 'de ambtelijke bediening in de gelovigen' "dat wie de ware en volle Christus wil verkondigen, ook deze zijde (namelijk het bevindelijk functioneren van de drie ambten van Christus) naar voren zal brengen".

Prof. Willem Kremer (1896-1985) schreef in de bundel 'Priesterlijke Prediking' in 1954 "dat de terechte kritiek op veel prediking is, niet dat ze te weinig exegetisch, te weinig dogmatisch, zelfs niet te weinig actueel is, maar dat zij te weinig geestelijk is".

'Gods soevereiniteit' en 'de menselijke verantwoordelijkheid' moeten beide in de prediking ten volle gehandhaafd worden: "Er mag niet vrijblijvend voor toeschouwers gepreekt worden. We worden eenzijdig waar we óf alleen maar de soevereiniteit van God prediken in Zijn uitdeling van het heil en waar de verantwoordelijkheid van de hoorder wordt verzwegen óf waar alleen de verantwoordelijkheid wordt gepreekt en het lijkt alsof de mens het heil binnen eigen bereik heeft en er voor het werk van de Heilige Geest in ons geen plaats en noodzaak meer lijkt te zijn".

Prof. J. Hovius (1900-1979) werd in 1947 hoogleraar Kerkrecht en Kerkgeschiedenis aan de Theologische Hogeschool in Apeldoorn: “De 'voorwerpelijke zijde' bestaat in de verzoening door het plaatsbekledend lijden en sterven van Christus. Door de arbeid van Zijn ziel heeft Hij de vergeving verworven en verzoening aangebracht. En mede door deze arbeid heeft Hij de levendmakende Geest verworven, die nu de aangebrachte verzoening zal toepassen en bovendien het hart zal vernieuwen. Dit alles is de voorwerpelijke zijde, waar nu de 'onderwerpelijke zijde' bij moet komen. En de onderwerpelijke zijde is, dat die Geest van Christus de verworven verzoening toepast”.

“Van nature is de mens niet uit God geboren, maar dan is het zoals de Heere Jezus zegt: wat uit vlees geboren is, dat is vlees, of om het nog anders te zeggen: dan zijn wij uit de vader de duivel. Krachtens het werkverbond staan alle mensen schuldig voor God. Krachtens onze geboorte uit Adam hebben wij allen een verdorven natuur”. “Wil het wel met u zijn, dan moet dat u met oprechte droefheid vervullen. Dan moet dat u doen vluchten tot de Almachtige God, die zulk een heerlijke en gezegende verandering kan geven. Het is 'het heerlijk werk van de wedergeboorte van de mens', waardoor hij van dood levend wordt. Het komt openbaar in een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben. In het nodig krijgen van een levende Borg. In het haten en vluchten van de zonden”.

Prof. F. Lengkeek (1871-1932): “Hebben wij de Heilige Geest ontvangen? Die vraag bedoelt in de eerste plaats, of wij uit de dood zijn overgegaan in het leven, en krachtens deze overgang onze doodstaat van nature kennen en onze zaligheid buiten onszelf in Jezus Christus zoeken. Mogelijk zijn er onder ons, voor wie deze vraag niet klemmend is. Zij hebben genoeg aan wat zij zijn, hebben, weten, kunnen en zullen. Ze zijn min of meer godsdienstig, nemen min of meer hun plichten waar, leven niet berispelijk, zijn in menig opzicht voorbeeldig, maar daar blijft het bij. De vraag of zij de Heilige Geest ontvangen hebben, is er één die in de prediking zeker op z’n plaats is, maar die persoonlijk tot hen gericht wrevel opwekt. Dezulken kunnen zich dan ook uitnemend daarin vinden, waar men uitgaat van de stelling, dat de Heilige Geest zeven weken na de offerande van Christus is uitgestort en toen gemeengoed van de kerk geworden is. Wie dus tot de kerk behoort, heeft de Heilige Geest. Wij achten dit een misleidende, verderfelijke stelling, waarvoor nergens in de Heilige Schrift enige grond gevonden wordt. Vergeten wij toch niet, dat er geen collectief, geen gemeenschappelijk oordeel zal zijn, maar een particulier, een persoonlijk. Ieder voor zich zal eenmaal aan God rekenschap te geven hebben. En zo wij persoonlijk de Heilige Geest niet ontvangen hebben, zo zullen wij ook geen deel hebben aan het zijn in Christus”.

Zoeken naar verbinding[bewerken]

De christelijke gereformeerden voelden zich van meet af aan geroepen tot 'vereniging van alle gereformeerden die ten volle wilden leven naar Schrift en Belijdenis'. Zo was er al snel aandacht voor een vereniging met de inmiddels in 1907 ontstane Gereformeerde Gemeenten. In 1919 schopte de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk echter tegen het verkeerde been door de uitspraak: "dat alle Gereformeerden uit alle kerken, naar eis van de Heilige Schrift en Formulieren van Enigheid geroepen zijn zich tot de Christelijke Gereformeerde Kerk te voegen". In 1922 zwakte de synode deze uitspraak af en spraken uit dat zij ook in de Gereformeerde Gemeenten een gelijkwaardige en wettige openbaring van het lichaam van Christus wilden erkennen. Op dezelfde wijze en in dezelfde geest zoals de Christelijke Afgescheidenen en de Kruisgemeenten elkaar in 1869 vonden, stond men open voor een vereniging met de Gereformeerde Gemeenten. Andersom bleek echter enige gereserveerdheid. Ds. G.H. Kersten verweet de Christelijke Gereformeerde Kerk 'gebrek aan beginsel'.

Binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk waren vanaf het beginstadium verschillende 'stromingen' waar te nemen, (overigens al vanouds onder de afgescheidenen: De Cock vs. Scholte) met aan de ene zijde ds. J.J. Van der Schuit (1882-1965) en aan de andere kant ds. P.J.M. de Bruin (1868-1942). Na de Wereldoorlog is deze scheidslijn scherper geworden in een stroming die zich in de richting bewoog van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en een stroming die verwant bleef aan de rechterflank van de gereformeerde gezindte: de Gereformeerde Gemeenten etc.

Discussie over het genadeverbond met de Gereformeerde Gemeenten

Een kenmerkend verschil dat boven water kwam drijven tussen de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Gereformeerde Gemeenten was de uitwerking van de leer over het Genadeverbond. Vanuit de Gereformeerde Gemeenten werden bezwaren naar voren gebracht, hoe deze leer binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk werd verwoord. In dit opzicht stonden de christelijke gereformeerden overigens wel op één lijn. Dit blijkt uit het feit dat zowel Prof. J.J. van der Schuit, ds. J.J. Jongeleen, als Prof. P.J.M. de Bruin de leeruitzetting over het genadeverbond zoals vanouds binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk geleerd, tegenover ds. G.H. Kersten hebben verdedigd. Toen ds. Kersten een poging deed om Prof. G. Wisse aan zijn zijde te krijgen, koos deze publiekelijk voor de zijde van Prof. P.J.M. de Bruin en de christelijke gereformeerde verbondopvatting, hoewel er binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk ook wel 'gematigd twee-verbonders', waren waaronder ds. G. Salomons.

De discussie kwam op het volgende neer: In de Gereformeerde Kerken werd gesteld: alle bondelingen (dopelingen), zijn in principe verkorenen "tenzij....", in de Gereformeerde Gemeenten stelde men: alleen de verkorenen zijn de echte bondelingen (dopelingen), alleen voor hen gelden de beloften van het verbond. Niet-uitverkorenen behoren niet wezenlijk tot het genadeverbond. Voor hen, die wel gedoopt zijn, geldt slechts een "verkeren op het erf van het verbond".

Waar de Gereformeerde Gemeenten verbond der verlossing en verbond der genade vereenzelvigden, benadrukte de Christelijke Gereformeerde Kerk het onderscheid tussen beide. Het genadeverbond behoort tot 'Gods heilsbedeling in de tijd'. Vanuit de verkiezing en vanuit het verbond der verlossing, vanuit het onderhandelen en beraadslagen van de drie Personen in God onderling, treedt God in het genadeverbond naar buiten in de openbaring en bekendmaking van Zijn heil en genade, 'niet slechts aan de uitverkorenen, maar aan gevallen zondaren'.

Zo zijn de volgende verschillen tussen beide verbonden aan te wijzen:

1. Er is verschil in tijd van oprichting. Het verbond der verlossing is door God opgericht in de eeuwigheid "voor de grondlegging der wereld". Het genadeverbond is door God opgericht in de tijd: met dit verbond gaat de Heere in in de historie.

2. Er is verschil tussen partijen in het verbond. In het verbond der verlossing is sprake van de Drie Personen in God als partijen, die een verbond sluiten (ook wel raad des vredes genoemd). In het genadeverbond zijn de partijen enerzijds God en anderzijds Abraham en zijn natuurlijk zaad (onder het Oude Verbond), de gelovigen en hun natuurlijk zaad (onder het Nieuwe Verbond).

3. Er is verschil in de plaats van de mens in beide verbonden. In het verbond der verlossing gaat het over de mens of, beter gezegd, over het geheel van de nieuwe mensheid in tegenstelling tot de verkiezing waarin het gaat over menselijke personen die uitverkoren worden. In het genadeverbond gaat het om Gods handelen met de mens.

4. Er is verschil tussen de plaats van Christus in beide verbonden. In het verbond der verlossing is Christus Hoofd van het verbond, in Wie alle verkorenen en alleen de verkorenen wezenlijk begrepen zijn. In het genadeverbond is Christus de Middelaar van het verbond. In het offer en daarmee in het Borgwerk van de Heere Jezus is het genadeverbond gefundeerd, terwijl het al het heil dat Christus door Zijn Borgwerk verworven heeft en op grond van Zijn Borgwerk nog beheert en ten uitvoer brengt tot inhoud heeft.

5. Er is verschil in duurzaamheid. Het verbond der verlossing, het pact tussen de Drie Personen in God is onverbreekbaar; het genadeverbond is van Gods kant evenzeer onverbreekbaar, (het is niet een verbond van eeuwigheid, wel een verbond tot in eeuwigheid), door de bondelingen van hun kant kan het verbond wel verbroken worden.

Ds. J. Schotel: "Er bestaat een 'groot onderscheid tussen gedoopte en ongedoopte kinderen'. De ongedoopte kinderen liggen 'buiten het verbond Gods' maar de gedoopte kinderen zijn 'bondelingen' zoals de Heidelbergse Catechismus zegt. Dit onderscheid maakt de verantwoording voor kinderen uit christelijke ouders des te zwaarder, in het geval zij onbekeerd sterven. Want het onderscheid verandert onze staat voor God niet. Zonder de toepassing door Goddelijke genade blijven wij onbekeerd voortleven".

"Mogelijk zegt u, het is zo, maar wat moet ik doen? Wat u doen moet, leert u Gods Woord. U moet geloven. Wat? Dat Christus uw Borg is? Dit zegt Gods Woord niet, maar dat God is, die Hij is (Exodus 3: 14), en een beloner degenen die Hem zoeken. Gij moet geloven dat God is zoals Hij Zich in het Evangelie aan zondaren openbaart (Johannes 3: 16). U zegt mogelijk: maar die verzoening die Christus teweeg bracht is toch niet algemeen? Nee, zij geldt slechts de uitverkorenen. Maar wijst mij deze eens aan? Wie weet dat? God laat zondaars roepen tot Zijn gemeenschap, en dus ook u! God roept u, en deze roeping vloeit niet uit de wet, maar uit het Evangelie. De bazuin van de evangelische roeping wordt gehoord op het terrein van het genadeverbond. En tot dat verbond behoort u volgens het doopsformulier. Daarvan draagt gij het teken en zegel aan uw voorhoofd, bij welke doop de Heere beloofd heeft, dat zo u Hem zoekt, Hij zeker door u gevonden zal worden"

voormalig kerkgebouw Christelijk Gereformeerde kerk van Lutjegast

Ontwikkelingen na de Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Na de Tweede Wereldoorlog signaleerden verschillende predikanten binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk (sinds 1947 Kerken) dat binnen het kerkelijke leven wel steeds meer nadruk gelegd werd op de “voorrechten” die de objectieve zijde van het genadeverbond met zich meebrengt, maar de aandacht voor de persoonlijke toepassing (de subjectieve kant), de eis van geloof en bekering en de uiteenzetting hoe de Heilige Geest dit uitwerkt in de gelovige (de heilsweg) minder werd. De roep om zich losser te maken van het 'bevindelijke verleden' werd sterker. De prediking die als vanouds gestempeld werd door 'nadruk op noodzaak van onze ellende kennis', en ‘verschillende standen in het geestelijke leven’ (in de preken aangeduid als ‘bekommerden’, ‘meer verzekerden’ etc.). Velen komen echter niet tot ‘heilszekerheid’ en daarom moet meer nadruk gelegd worden op 'verbond', en 'belofteprediking' in plaats van 'bevinding'. Men sprak als kerkverband uit: van een sterk subjectieve inslag naar een meer objectieve belofteprediking te zijn gegroeid. De band tussen belijdenis doen en deelname aan het Heilig Avondmaal werd aangehaald door aanpassing van de belijdenisvragen. Ook ontstond het verlangen naar het zingen van meer 'nieuwtestamentisch getinte liederen' waarin meer als de Oudtestamentische psalmen (met veel uitingen van klacht en verlangen naar het komende heil) het geluid van de aangebrachte verlossing klinkt.

Deze koerswisseling verklaart de steeds grotere sympathie die ontstond voor de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en aanverwante kerken, waar vanouds al vooral 'verbondsmatig' gepreekt wordt en niet zozeer ‘bevindelijk’.

Overeenkomsten en verschillen met de Gereformeerd Vrijgemaakten

Op het eerste gezicht hebben de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt veel overeenkomsten, zowel theologisch als historisch. Beide kerkverbanden stonden na de Tweede Wereldoorlog te boek als klassiek gereformeerd. Wat Prof. K. Schilder met dr. A. Kuyper gemeen had, was zijn poging om actief een hecht gereformeerd cultuurleven op te bouwen, dat zich niet isoleerde, maar vormend op de maatschappij moest inwerken. In dat opzicht stonden dr. K. Schilder en de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt in de lijn van de neo-calvinisten. Schilder wilde zich echter niet buiten de kaders van 'Schrift en belijdenis' begeven. Hij was wars van een 'inhoudsloos oecumenisch christendom'. Als men hem vroeg naar zijn dogmatiek, haalde hij de Drie Formulieren van Enigheid voor de dag, en zei: dat is mijn dogmatiek (De dogmatische betekenis der Afscheiding). Schilder bestreed de theologie van Karl Barth die kritiek had op de Dordtse Leerregels en noemde Prof. G. Wisse "mijn altijd gerespecteerden filosofisch-dogmatische cursus-leermeester", als het ging om het zoeken naar antwoorden op de moderne theologie en filosofie. Schilder ook stond negatief tegen de heersende opvatting van de 'veronderstelde wedergeboorte' in de Gereformeerde Kerken. Het verschil met de christelijke gereformeerden was dat deze leren dat het heil, zoals dat in de beloften van de doop wordt toegezegd en geschonken, moet worden 'deelachtig gemaakt in de weg van wedergeboorte, bekering en geloof. Bij Prof. K. Schilder en de Gereformeerd Vrijgemaakten heerst het objectieve element. Zij zijn afkerig van in hun ogen 'subjectivistische' of 'bevindelijke prediking'. De Vrijgemaakten laten verbond en vervulling samenvallen. Alle verbondskinderen (gedoopten) worden beschouwd worden als kinderen van God. De leer van bekering en wedergeboorte functioneerde in deze kerken niet. Dit wil niet zeggen dat volgens Schilder en de Vrijgemaakten het geloof geheel buiten de persoon omgaat. Zij wilden echter het bevindelijke element niet op de voorgrond plaatsen.

Toen het bevindelijke element in de Christelijke Gereformeerde Kerken ook teloor dreigde te gaan, waren er regelmatig predikanten of gemeenten die zich losmaakten en over gingen naar andere (meer bevindelijke) kerkverbanden, met name de Gereformeerde Gemeenten.

Andersom echter, was het juist ds. R. Kok (1890-1982) die zich met zijn gemeente aansloot bij de Christelijke Gereformeerde Kerken (1956), nadat hij geschorst was in 1950 als predikant in de Gereformeerde Gemeenten vanwege 'vereenzelviging van de beloften van het evangelie en het aanbod van genade'.

De kanselboodschap van 1953[bewerken]

In 1952 verlieten ds. E. du Marchie van Voorthuysen als ds. J. G. van Minnen de Christelijke Gereformeerde Kerken. Daarnaast kreeg de synode van 1952 te maken met een kritisch rapport van de classis Dordrecht onder leiding van ds. M. Baan. Naar aanleiding hiervan kwam het in 1953 zover dat er een 'kanselboodschap' werd uitgegeven op aandrang van Prof. Gerard Wisse. De kanselboodschap was voornamelijk uit zorg rondom de prediking, “de ernst in de behandeling der ons toebetrouwde zielen”.[1]

De kanselboodschap die in alle Christelijke Gereformeerde Kerken werd voorgelezen, was gericht aan alle predikanten, hoogleraren, ouderlingen, jeugdleiders, gemeenteleden en riep op: "in de prediking te blijven benadrukken: Dat zalig worden een wonder blijft, en de noodzakelijkheid van wedergeboorte door de Heilige Geest niet uit het oog mag worden verloren. Nodig is dat wij in de bevindelijke weg leren, dat wij God kwijt zijn, en van nature in een verbroken werkverbond liggen, dood door de misdaden en de zonden, en wij alleen door een oprecht geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig kunnen worden".

Latere ontwikkelingen[bewerken]

De uitwerking van de kanselboodschap (die ging vooral over de prediking) is evenwel beperkt gebleven, want de ontwikkelingen gingen door. De generale synode benoemde in 1953 Prof. B.J. Oosterhoff als opvolger van Prof. L.H. Van der Meiden. Tegen deze aanstelling leefde bezwaren in de rechterflank. In 1963 gaf de generale synode de Nieuwe Vertaling vrij voor gebruik. Dit en andere zaken leidde opnieuw tot grote verontrusting.

Stromingen binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken[bewerken]

Heden ten dage kenmerken de Christelijke Gereformeerde Kerken zich door een zeer grote verscheidenheid op het gebied van theologie, liturgische gebruiken en levensstijl.

Sinds 2004 is er de vrijheid om liederen te zingen die wat betreft de inhoud passen bij de klassieke gereformeerde belijdenis, en wat betreft de vormgeving passen binnen de gereformeerde liturgie. Deze formulering is opgesteld om te voorkomen dat iedere nieuwe bundel of nieuw lied opnieuw beoordeeld moet worden en vermeld moet worden op een lijst met goedgekeurde liederen of een zwarte lijst. Hierdoor is het mogelijk om selectief gebruik te maken van meerdere bundels, zoals Opwekking, Op Toonhoogte, Weerklank etc.

De wildgroei binnen de kerken is voor een groot deel het gevolg van de vrijheid die de synode gegeven heeft aan de plaatselijke kerken. Veel gemeenten die willen afwijken van de synodale lijn, beroepen zich op deze vrijheid waarbij men aangeeft dat de opbouw en eenheid van de gemeente ermee worden gediend. De laatste jaren klinkt er vanuit de synodale hoek steeds meer protest, daar men van mening is dat sommige kerken de grenzen van het gereformeerde kerkelijke leven en belijden overschrijden.

Naast de hieronder meer in detail beschreven 'rechtervleugel' en 'linkervleugel' bestaat er in de Christelijke Gereformeerde Kerken ook nog een flinke 'middengroep'.

De rechtervleugel, Bewaar het pand[bewerken]

Door een bezorgde groep predikanten werd – ook om te voorkomen dat nog meer 'behoudende' predikanten het kerkverband zouden verlaten – in 1966 de Stichting Bewaar het Pand opgericht. Hierbij waren onder andere betrokken ds. P. Sneep, ds. M.C Tanis, ds. G. Blom, ds. H.C. van der Ent, ds. D. Slagboom, ds. R. Kok, ds. H. van Leeuwen en ds. M. Baan. De 'panders' willen vast houden aan de prediking met aandacht voor de persoonlijke toepassing van het heil, zoals zij menen die verwoord te vinden in de klassiek gereformeerde belijdenis (de Drie Formulieren van Enigheid: de Heidelbergse Catechismus, de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels). Men handhaaft het gebruik van de Statenvertaling, omdat zij van mening zijn dat deze vertaling hoewel oud, nog steeds de meest betrouwbare vertaling uit de grondtalen (Hebreeuws en Grieks) is. Daarnaast wil men niet meegaan in het zingen van nieuwe populaire gezangen en liederen in de eredienst en het gebruik van andere instrumenten dan het orgel. Men vind deze nieuwe vormen in strijd met het karakter van de eredienst, namelijk “het komen voor Gods Aangezicht”.

Het midden[bewerken]

Veel gemeenten behoren niet tot de linker of de rechter vleugel, maar behoren tot het midden. Deze gemeenten zijn niet heel progressief, maar ook niet zo conservatief als de groep rond Bewaar het Pand. In deze gemeenten kan men zowel de Statenvertaling als de Herziene Statenvertaling gebruiken en zingt men uit één of meerdere psalmberijmingen en selectief uit meerdere zangbundels. De bundel Weerklank is in deze middengroep in opkomst. Binnen deze middengroep stelt men zich onvoorwaardelijk achter de klassiek gereformeerde belijdenis zoals verwoord door de Heidelbergse Catechismus, de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels. Een bekende vertegenwoordiger van deze middengroep was onder andere de bekende ds. Jan Hendrik Velema (1917-2007). Binnen deze ‘middengroep’ zijn er ook predikanten die evenals ‘de panders’ de nodige zorgen hebben over de ontwikkelingen binnen de kerken.[2]

De linkervleugel[bewerken]

Binnen de linkervleugel van de Christelijke Gereformeerde Kerken wil men ruimte voor progressieve theologische opvattingen (vrouw in het ambt, acceptatie van gelijkgeslachtelijke relaties in liefde en trouw etc.). Er zijn onder hen veel samenwerkingsgemeenten met (veelal progressieve) gereformeerd-vrijgemaakte kerken of Nederlands gereformeerde kerken. Zo heeft de classis Apeldoorn recent (2018) ingestemd met een verzoek van de samenwerkingsgemeente van de christelijke gereformeerde kerk en de Nederlandse gereformeerde kerk in Arnhem om vrouwen in het ambt toe te laten.

Vanuit de progressieve hoek klinkt de roep om meer vrijheid betreffende liturgische vernieuwing (dans en drama in de eredienst). Door velen van hen wordt de Nieuwe Bijbelvertaling uit 2004 gebruikt, hoewel dit door de landelijke synode is ontraden. Ook klinkt uit deze hoek zo nu en dan kritiek op de klassieke belijdenisgeschriften, met name de Drie Formulieren van Enigheid (Heidelbergse Catechismus, Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels). Een vertegenwoordiger uit de progressieve hoek is dr. B. Loonstra momenteel verbonden aan de Christelijke Gereformeerde Kerk van Gouda. Deze predikant schreef meerdere boeken die opschudding teweeg brachten binnen de kerken. Van zijn hand verscheen ondermeer: ‘Hij heeft een vriend. Homorelaties in de christelijke gemeente’. Mede op grond van de woorden uit 1 Korinthe 10 "Alles is mij geoorloofd", bepleitte Loonstra dat aan "homoseksuele relaties in liefde en trouw" binnen de gemeente van Christus ruimte gegeven zou moeten worden.

Kerkelijke organisaties[bewerken]

De kerken hebben een eigen Theologische Universiteit te Apeldoorn. Hier studeren rond de honderd studenten. Daarnaast zijn er ongeveer dertig mensen die een eigen studieroute volgen. Ook zijn er rond de 25 promotiestudenten, die deels uit het buitenland komen. De Theologische Universiteit heeft nauwe contacten met de Theologische Universiteit te Kampen, onder andere door middel van een gezamenlijke onderzoeksgroep (BEST, Biblical Exegesis and Systematic Theology).[3]

In 2017 gaf de synode geen groen licht voor fusie tussen de eigen Theologische Universiteit Apeldoorn met de universiteit van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt te Kampen en de predikanten opleiding van de Nederlands Gereformeerde Kerken. Dit is opmerkelijk omdat de CGK-synode zelf opdracht heeft gegeven tot een onderzoek naar een intensieve vorm van samenwerking. Op de achtergrond van dit besluit spelen de ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt mee, zoals de recente openstelling van 'de vrouw in het ambt' als gevolg van moderne hermeneutische inzichten (Bijbeluitleg).

Jeugdwerk[bewerken]

De beide vleugels binnen het kerkverband kennen hun eigen jeugdwerk. Vanouds is er het CGJO (Christelijke Gereformeerde Jongeren Organisatie), maar de progressieve koers van de deze jongerenorganisatie leidde in de jaren tachtig van de vorige eeuw tot de oprichting van een conservatieve tegenhanger, het LCJ (Landelijk Contact Jeugdwerk). Deze organisaties werken apart, maar op projectbasis ook samen.

Bladen[bewerken]

De officiële publicatie van de Christelijke Gereformeerde kerken is De Wekker, die tweewekelijks verschijnt. Daarnaast zijn er het blad Doorgeven (dit geeft een beeld van het werk in de zending, evangelisatie en hulpverlening) en Vrede over Israël.

Recente ontwikkelingen[bewerken]

Met de Nederlands Gereformeerde Kerken hebben de Christelijke Gereformeerde Kerken inmiddels al jaren een nauwe betrekking, evenals met de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. Plaatselijk is er vaak sprake van samenwerking op enkele plaatsen ook met de voormalige Gereformeerde Kerken in Nederland (nu onderdeel van de Protestantse Kerk in Nederland).

In 2010 besloot de CGK-synode kanselruil met predikanten uit de Hersteld Hervormde Kerk mogelijk te maken. De synode van de Hersteld Hervormde Kerk besloot in 2012 dat ook in omgekeerde richting toe te staan.[4]

In 2013 gaf de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken toestemming om predikanten uit de Protestantse Kerk Nederland die Schrift en de gereformeerde belijdenis in ere houden voor te laten gaan op de Christelijke Gereformeerde kansels. Van een brede openstelling van kansels voor predikanten vanuit de Protestantse Kerk Nederland is echter geen sprake, ook niet van het erkennen van elkaars attestaties zonder meer.

Gevolgen van de secularisatie en invloed evangelische beweging

De secularisatie gaat aan de Christelijke Gereformeerde Kerken niet voorbij.[5] Sinds de jaren negentig laat het ledental een dalende lijn zien. Het zondagse kerkbezoek neemt af, met name van de tweede dienst op zondag. Het aantal gemeenten van de Christelijke Gereformeerde Kerken neemt ook af, van 189 in het jaar 2000 naar 180 begin 2014. In de laatste jaren zijn er een aantal plaatselijke gemeenten, bijvoorbeeld in Zwartsluis, Rotterdam-West en Vlissingen opgeheven, andere gemeenten zijn (noodgedwongen) samengegaan met een andere gereformeerde kerk in de regio, zoals in Doesburg. Anderzijds zijn er in de grote steden steeds meer gemeenten die een 'doorstart maken', hierdoor ontstaan zogenaamde zendingsgemeenten. Deze gemeenten richten zich vaak op een bepaalde (allochtone) doelgroep en kunnen een evangelist hebben in plaats van een predikant. Vaak zijn deze zendingsgemeenten ook lid van het ICP-netwerk, dat staat voor International Church Plants.

Behalve de ontwikkeling van de secularisatie (of kerkverlating) is er binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken ook de invloed van de evangelische beweging’ zowel wat betreft de vormgeving van de eredienst als de verwoording van het geloof (gebruik Alpha-cursus). Keerden velen zich na de Tweede Wereldoorlog tegen 'bevinding' en 'subjectiviteit' in de prediking, tegenwoordig gaat de ontwikkeling juist de andere kant op, namelijk extra aandacht voor gevoel en ervaring. Deze ontwikkeling is een reactie op enerzijds het rationalisme binnen de kerken met te weinig aandacht voor het persoonlijke geloofsleven en anderzijds het verlangen op een eigentijdse wijze het christelijke geloof te beleven. Motieven spelen een rol dat men de drempel 'kerk en wereld' zo laag mogelijk wil houden om de aansluiting op de seculiere medemens niet te verliezen. [6] [7]

Bekende leden[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Geels, Prof. J.W., Bruin, Prof. P.J.M. de, Salomons, ds. G., Schuit, Prof. J.J., Jongeleen, ds. J., Hilbers, ds. A.H., Janssen, ds. H., Meiden, ds. L.H. van der., Wisse, Prof. G. Gedenkboek Afscheiding (1834-1934)
  • Bruin, P.J.M. de Het voortbestaan van de Christelijke Gereformeerde Kerk (1913)
  • Velema, J.H. Wat is christelijk gereformeerd? (1947)
  • Hovius, J., Kremer, W. 'k Zal gedenken 1894-1954, geschiedenis van de Theologische School, Dordrecht 1954
  • Meiden, L.H. van der. Het bevindelijk element in de prediking, referaat
  • Tanis, M.C. Hoe staat we tegenover het getuigenis van 1953? in: Bewaar het Pand 25 jan. 1973
  • Drayer, M. e.a. En toch niet verteerd. Uit de geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Kerken sinds 1892, Kampen (1982)
  • Spijker, W. van 't. Een eeuw Christelijk Gereformeerd (1892-1992)
  • Ham, H. Van der. Een wolk van getuigen, Portretten van Christelijke Gereformeerde predikanten A. Van der Heijden, D.J. Van Brummen, J.A. Riekel, P. de Groot, K. Groen, D. Driessen, M.S. Roos en W.F. Laman, De Groot Goudriaan (1995)
  • Ham, H. van der. Sions heil en troost, overdenkingen van Christelijke Gereformeerde Predikanten (F.P.L.C. van Lingen, J. Wisse Czn., F. Lenkeek, H. Janssen, P.J.M. de Bruin, P. de Groot, R. Kok (1997)
  • Veenendaal, J. Wat is Christelijke Gereformeerde prediking? (1997)
  • Ham, H. Van der. De minste der broederen, Portretten van Christelijke Gereformeerde predikanten N. De Jong, M. Baan, P. Sneep, F. Bakker en lerend ouderling A. Van Rossum, De Groot Goudriaan (2010)
  • Baars, Prof. dr. A., Koffeman, G.. Weerd, Ds. A. van de, Liefde voor het Woord, Leven en werk van ds. L.H. van der Meiden (2011)
  • Ham, H. van der. Ambtsbroeders, uit het leven van ds. F.P.L.C. van Lingen (2016)
  • Driel, C.M. Van consolidatie en crisis, de Christelijke Gereformeerde Kerk tussen 1918 en 1945 (2018)

Externe links[bewerken]

Referenties[bewerken]