Dogma (christendom)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Dogma (δόγμα) betekent in het Grieks in eerste instantie mening, in tweede instantie gebod of besluit en in laatste instantie leerstelling of godsdienstig voorschrift. Het woord wordt met name gebruikt in christelijke en islamitische contexten. In religieuze context is een dogma te onderscheiden van een doctrine[bron?]. In het christendom beoogt een dogma het christelijke geloof - in de belijdenis en in de praktijk van de kerk - met behulp van de rede weer te geven in de vorm van een geloofsbelijdenis of credo (Latijn voor "Ik geloof", vele zinnen van Latijnse geloofsbelijdenissen beginnen met dit woord. Bijvoorbeeld: Credo in unum Deum = 'Ik geloof in één God'.

Uit de opvatting van dogma als absoluut gezaghebbend is de overdrachtelijke betekenis en het bijvoeglijk naamwoord "dogmatisch" ontstaan wat star en rigide betekent: een vaststaand, niet te onderhandelen filosofisch uitgangspunt van een persoon of een groep.

Vroege conciliaire dogma's[bewerken]

In de vroege Kerk werd het Griekse woord dogma in zijn betekenis van besluit gebruikt. Het was in die tijd nog niet als een bijzondere theologische vakterm in gebruik. Na de Apostolische geloofsbelijdenis werden theologische geschillen beslecht in de eerste zeven oecumenische concilies.

De belangrijkste conciliebesluiten (Grieks: dogma) uit de vierde en vijfde eeuw betreffen het trinitarisch dogma handelend over de Goddelijke drie-eenheid en het christologisch dogma handelend over de goddelijke en menselijke natuur van Jezus Christus, de zogenaamde twee-naturenleer. Deze besluiten vulden reeds algemeen aanvaarde geloofswaarheden aan, zoals het geloof in God als Schepper en het geloof in de verrijzenis van Jezus.

Leerstellingen en geloofsbelijdenissen[bewerken]

Katholieke kerk[bewerken]

Gedurende de eerste eeuwen van het christendom werd het woord "dogma" niet als een theologisch-technische term gebruikt. Ten tijde van de kerkvaders sprak men over waarheid, in de scholastiek over geloofsartikelen. Eerst na het Concilie van Trente ging men spreken van een geloofsdogma (dogma fidei), het staat dan voor wat overal, altijd en door iedereen geloofd wordt ('quod ubique, quod semper, quod ab omnibus creditum est', ontleend aan Vincentius van Lérins, 5e eeuw). De tegenwoordig in gebruik zijnde definitie van de officiële leerstellingen van de Rooms-Katholieke Kerk dateert uit de 19e eeuw.

Het Eerste Vaticaans Concilie (1870) legde vast dat een dogma een door de Kerk verwoorde waarheid van Gods openbaring is, die vast te geloven is. Dit kan vastgesteld worden door een plechtige definitie door een paus of een concilie ('op bijzondere wijze') of door dagelijks onderricht in de wereldomspannende kerk ('op normale wijze'). In zijn populaire betekenis wordt het begrip dogma veel vaker gebruikt onder de eerste variant, die van het buitengewone pauselijke of conciliaire leergezag. Daarnaast werd geconstateerd dat verschillende geloofswaarheden in een onderlinge hiërarchie staan. In de strikte zin kent de Rooms-Katholieke Kerk alleen de dogma's van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria (1854), de pauselijke onfeilbaarheid (1870) en de Maria-Tenhemelopneming (1950). Van alle andere dogma's, die dateren uit de tijd voor 1870 toen de term dogma niet nauw omlijnd was, moet bepaald worden of de uitspraken absolute geldigheid hebben. Niet alle uitspraken van concilies, synoden en pausen zijn immers dogma's volgens de definitie uit 1870.

Een katholiek dogma is altijd beperkt, omdat het Gods woord in menselijke taal vervat. Het kan alleen geformuleerd worden met een beroep op het kerkelijk leergezag en moet in relatie staan tot de Schrift en de Traditie. Een dogma brengt weliswaar een absolute waarheid onder woorden, de articulatie vindt echter in een historische context plaats. Daarom is een dogma altijd onderwerp van interpretatie en betreft het geen statische uitspraak. Dogma's proberen immers een waarheid onder woorden te brengen, maar niet te conditioneren. Elk dogma moet daarom hermeneutisch onderzocht worden op het tekstuele, auteursbiografische, culturele en historisch-politieke karakter of omstandigheid van de uitspraak om de mate van geldigheid vast te kunnen stellen.

Zo kon volgend op het dogma van het westerse filioque, dat vanaf de 9e eeuw aanleiding tot twist tussen de katholieke en Orthodoxe Kerk gaf, in de bul Laetentur Caeli (1439) gezegd worden dat er geen wezenlijk verschil bestond tussen de opvattingen van beide Kerken. Op dezelfde wijze sloot het dogma van "God als Schepper van de wereld" de onveranderlijkheid van de soorten in, terwijl later de evolutietheorie geaccepteerd kon worden in overeenstemming met hetzelfde dogma.

Van gewone katholieken wordt verwacht dat zij deze stelling (zonder twijfel) aannemen als waarheid. Het verwerpen van dogma's kan leiden tot excommunicatie.

Oosterse kerken[bewerken]

In het Oosters christendom zijn dogma's vastgelegd in de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel en de eerste twee, drie of zeven oecumenische concilies. De Nestorianen aanvaarden alleen de eerste twee concilies, de miafysieten de eerste drie en de Oosters-orthodoxe kerken enkel de eerste zeven concilies. Daarnaast tellen deze kerken sommige besluiten van synodes als dogma's. De onveranderlijke liturgie kan eventueel ook als dogma beschouwd worden.

Reformatie[bewerken]

Protestanten erkennen in verschillende mate delen van deze dogma's en hebben dikwijls een confessie-specifieke 'belijdenis' die een samenvatting vormt van de door hen gekozen dogma's.

Belangrijke dogma's in de Kerken van de Reformatie zijn het Sola fide (alleen door het geloof in Jezus Christus kan men zalig worden), Sola gratia (alleen de genade redt), Sola scriptura (alleen de Schrift heeft gezag, niet de traditie of het leergezag) en Solus Christus (alleen Christus mag vereerd worden, niet Maria of de heiligen).

Zie ook[bewerken]