John Owen (theoloog)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
John Owen

John Owen (Stadhampton (Oxfordshire), 1616 - Ealing, 24 augustus 1684) was een belangrijk puriteins georiënteerd theoloog. Owen, wiens vader predikant was, was reeds als kind bijzonder begaafd. Al op zeer jonge leeftijd schreef en beheerste hij de Griekse taal. Hij bezocht het Queens College in Oxford waar hij in 1635 zijn Master of Arts behaalde. In 1637 verliet hij de universiteit vanwege gewetensbezwaren tegen de decreten van bisschop Laud, die tevens hoofd van de universiteit was. Later werd hij predikant in Fordham in Essex, daar gaf hij een kleine en een grote catechismus uit. In zijn eerste gemeente was hij een presbyteriaan. Zijn tweede gemeente diende hij in Coggeshall. Hier heeft hij zijn veranderende inzicht over de opbouw en structuur van de kerk beschreven. Hij was onder andere predikant in het leger van Oliver Cromwell. Hij werd zeer door de Protector gewaardeerd, totdat er een verwijdering ontstond, nadat Cromwell zich aan het einde van zijn leven tot koning wilde laten uitroepen. Owen steunde de bevelhebbers van het leger, die zich hier krachtig tegen hebben verzet. Als theoloog was hij een geharnaste bestrijder van onder meer het katholicisme en het arminianisme. In 1651 werd hij deken van de belangrijke Christ Church in Oxford. In 1652 werd hem de post van vice-kanselier aan de universiteit toevertrouwd. Na 1660 leidde hij de kerkelijke stroming van de Independents, de stroming buiten de Anglicaanse Kerk. Na aan vele ziekten te hebben geleden stierf hij in 1684. Hij heeft vele theologische werken op zijn naam staan. Een groot gedeelte van zijn werken is dogmatisch van aard. Een ander deel van zijn werk is meditatief. Verschillende van zijn werken zijn in het Nederlands vertaald, en zelfs nu nog worden er met enige regelmaat vertalingen uitgebracht. Samen met zijn vrouw kreeg Owen elf kinderen. Daarvan stierven er tien in hun jonge jaren. Één dochter overleefde haar tienerjaren. Zij overleed echter kort nadat zij was getrouwd.

Theologische invloed[bewerken]

De rechtvaardigingsleer zoals geleerd door John Owen werd gebruikt door Alexander Comrie (1706-1774) predikant van Woubrugge in zijn polemiek met wat hij zag als Nederlandse neonomianen. Net als Owen leert Comrie dat voordat God het geloof geeft aan de zondaar Hij eerst op Christus ziet. Het is alleen omwille van Christus dat de zondaar het geloof ontvangt om in Christus tot zaligheid te geloven. Voor Comrie was Owen een theologische autoriteit die hij goed kon gebruiken in zijn rechtvaardigingsleer.

Evenals Gijsbertus Voetius verdedigde Owen het standpunt dat de Masoretische Hebreeuwse tekst, met de consonanten, door de Heilige Geest geïnspireerd is. Deze leer was ook vastgelegd in de Formula Consensus Helvetica (1675). Dit standpunt is later losgelaten binnen de gereformeerde theologie.[1]

Christelijk leven[bewerken]

Volgens James Packer zijn er bij John Owen vier onderdelen (in het onderwijs) wat betreft de zelfkennis van een christen:

  1. De christen is een mens, geschapen om rationeel te handelen en daarvoor toegerust met een drietal vermogens: verstand, wil en gevoel. Owen zag zichzelf als leraar en stelde dat de eerste taak van de leraar is om zijn kudde de leerstukken van de Bijbel te onderwijzen.
  2. De christen is een gevallen mens, waardoor hij vervreemd is van God en zichzelf. Verstand, wil en gevoel werken langs elkaar heen en tegen elkaar in.
  3. De christen is een verlost mens.
  4. De christen is een wedergeboren mens. Wedergeboorte maakt het hart van de mens tot een slagveld, waar de oude en de nieuwe mens strijden. Dit gevecht duurt levenslang.[2]


Artikelen[bewerken]
  • D. Baarssen 'Owen in een Nederlandsch gewaat Enkele opmerkingen over de receptie van geschriften van John Owen (1616-1683) door Alexander Comrie (1706-1774)' in Documentatieblad Nadere Reformatie, 38 (2014) no. 1, p. 27-45. ISSN 0165-4349.
  • W. van 't Spijker (e.a.), Het puritanisme, 217.
  • J.I. Packer, Geen zee te hoog. De actualiteit van het puriteinse ideaal, 66-71.