Vroege christendom

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Deel van een serie artikelen over het
christendom
Christendom
..Pijlers
..Christelijke feesten

Portaal  Portaalicoon  Christendom

Het vroege christendom of de geschiedenis van de eerste christenen wordt gewoonlijk gerekend vanaf het eerste pinksterfeest (de dag waarop de uitstorting van de Heilige Geest zou zijn geweest, in hetzelfde jaar als de kruisiging van Jezus, waarschijnlijk in 30 of 33) tot aan de afkondiging van godsdienstvrijheid door keizer Constantijn de Grote met het Edict van Milaan (313), tot aan het Eerste Concilie van Nicea (325), de eerste poging om consensus te bereiken in de Kerk, of (minder vaak) tot aan de wijding van paus Gregorius I op 3 september 590. Binnen restaurationistische stromingen eindigt het vroege christendom met de dood van de laatste apostel, Johannes, tegen het einde van de eerste eeuw, en begon toen de Grote Afval.[1][2][3]

Het Nieuwe Testament als bron voor het ontstaan van het christendom[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Nieuwe Testament voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Er zijn geen primaire bronnen die informatie geven over het allereerste begin van het christendom in de eerste helft van de 1e eeuw. De oudste geschriften zijn de 27 boeken die thans het Nieuwe Testament vormen:

Het beschikbare materiaal toont aan dat de evangeliën anoniem werden geschreven en zonder toeschrijving aan een auteur bleven tot het midden van de tweede eeuw.[5] Er circuleerden tientallen verschillende evangeliën.

Er circuleerden echter veel brieven en verslagen waarvan de historische juistheid en/of het auteurschap werd betwijfeld (zoals de Brief aan de Hebreeën) en men begon vermeende authentieke documenten te canoniseren en vermeende vervalste documenten af te schrijven als 'apocriefen'. Uiteindelijk doorstonden 27 geschriften de kritische canonisering die in de 2e eeuw in gang gezet werd en formeel afgerond werd tegen het einde van de 4e eeuw; deze verzameling van brieven en verslagen werd het huidige Nieuwe Testament.[6]

Naast de geschriften van het Nieuwe Testament werpen ook de alleroudste geschriften van de Apostolische Vaders, zoals de brieven van Clemens en de Didachè, licht op de geschiedenis van het christendom in de eerste eeuw.

Het is zeer moeilijk om de inhoud van het Nieuwe Testament middels historisch onderzoek te bevestigen. Er zijn maar zeer weinig niet-christelijke "tijdgenoten" die over het christendom schreven. Uit joodse hoek kennen we twee vermeldingen in het boek Oude geschiedenis van de Joden (geschreven tussen 79 en 94) van de joodse historicus Flavius Josephus, die gaan over Jezus en over de latere steniging van Jezus' broer Jakobus. Er zijn veel discussies geweest over de (gedeeltelijke) authenticiteit van de eerste vermelding, zie Flavius Josephus over Jezus. Van Romeinse zijde kennen we vermeldingen van Plinius de Jongere in 112, Tacitus in 115 en Suetonius in 121.[7]

Het christendom in de eerste eeuw volgens het Nieuwe Testament[bewerken]

Jezus van Nazareth[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Jezus (historisch-kritisch) en Jezus (traditioneel-christelijk) voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

In het Nieuwe Testament wordt beschreven hoe Jezus van Nazareth door Palestina trekt, leerlingen om zich heen verzamelt, zieken geneest en de komst van het koninkrijk van God verkondigt. Degenen die hoopten dat Jezus de leiding zou nemen in een heilige oorlog tegen de Romeinse bezetter van Judaea worden teleurgesteld: Jezus' leer bevat geen verzet, maar liefde voor vijanden.[8] Nadat Jezus zich gaat bemoeien met de corrupte handel in de Joodse tempel[9] en een algemene veroordeling uitspreekt van de religieuze leiders van zijn tijd[10] laten de hogepriesterlijke families hem arresteren en dienen bij de Romeinse prefect Pontius Pilatus de aanklacht in dat Jezus tot opstand aanzet. Gedurende het Pesach-feest wordt Jezus geëxecuteerd door kruisiging - een zekere dood, waarbij de martelperiode zo lang mogelijk werd gerekt. Voor Jezus' discipelen was zijn kruisiging niet het einde. De verhalen over de opstanding van Jezus vertellen enerzijds over een lege graftombe en anderzijds van verschijningen van de opgestane Jezus aan apostelen, aan vrouwelijke discipelen en andere getuigen. Tijdens één van die verschijningen geeft Jezus aan de apostelen de 'Grote Opdracht'.

Het ontstaan van de kerk[bewerken]

Het geloof dat Jezus Gods gezalfde (Messias in het Hebreeuws, of Christus in het Grieks) was, was fundamenteel voor de vroege kerk. De apostolische beweging ervoer Jezus' aanwezigheid in hun aanbidding, in de aankondiging van goddelijke vergeving en vernieuwing, zichtbaar aanwezig in de 'sacramenten' (een veel latere Latijnse term voor een religieus symbool met instrumenteel effect). Deze aanwezigheid in en met de gemeenschap was voor hen het teken van Gods koninkrijk op aarde.

De christenen zagen zich niet als buiten het jodendom, hoewel Jezus stevige taal had gesproken over de farizeeën. Voor de eerste christenen was Jezus niet de stichter of grondlegger van de gemeenschap van Gods volk, maar de climax van een lange geschiedenis van goddelijk onderwijs aan de mensheid door de inspiratie van de profeten van Israël. Om Jezus' betekenis te verklaren, wendden zij zich tot de Hebreeuwse Bijbel, zowel de mozaïsche wet als de profetische geschriften. De christenen deelden het monotheïsme van de Joden volledig. Veel aanhangers van de jonge kerk waren farizeeën, een nauwkeurige en toegewijde partij van de Joden, die het belangrijk vond hun nationale religie vrij te houden van liberale assimilatie met de omringende heidense (niet-Joodse) wereld, vooral het hellenisme. Voor hen was het verwerpelijk te veronderstellen dat nog iets nodig was na de Mozaïsche wet.

In het begin van het boek Handelingen vinden we een beschrijving van de manier waarop de eerste christenen in Jeruzalem leefden:

  • "Ze bleven trouw aan het onderricht van de apostelen, vormden met elkaar een gemeenschap, braken het brood en wijdden zich aan het gebed. ... Allen die het geloof hadden aanvaard, bleven bijeen en hadden alles gemeenschappelijk. Ze verkochten al hun bezittingen en verdeelden de opbrengst onder hen die iets nodig hadden. Elke dag kwamen ze trouw en eensgezind samen in de tempel, braken het brood bij elkaar thuis en gebruikten hun maaltijden in een geest van eenvoud en vol vreugde."[11]
  • "De groep mensen die het geloof had aanvaard, leefde eendrachtig samen. Geen van beschouwde zijn bezittingen als zijn persoonlijk eigendom, want ze hadden alles gemeenschappelijk."[12]

Aantallen[bewerken]

Volgens Handelingen 1:14-15 waren enige maanden na het overlijden van Jezus ongeveer 120 volgelingen in Jeruzalem aanwezig. Na een toespraak van Petrus zouden zich 3.000 mensen op een dag hebben laten dopen. In Handelingen 4:4 is sprake van 5.000 gelovigen. In Handelingen 21:20 is in het zesde decennium van de eerste eeuw – ongeveer 30 jaar na de dood van Jezus – sprake van "vele duizenden" christenen in Jeruzalem.

De laatste twee opgaven vinden geen steun in het vakgebied. De eerste twee eeuwen bleef het christendom binnen het Romeinse rijk qua omvang een marginaal verschijnsel. De aannames op het vakgebied voor het aantal christenen rond 100 variëren van 7.000 tot 10.000 als de hoogste aanname op een totale bevolking van het rijk van ongeveer 60 miljoen. Voor het eind van de tweede/begin derde eeuw komen vrijwel alle aannames op het vakgebied uit op rond 200.000 christenen. In de derde eeuw vonden een aantal meer grootschalige vervolgingen plaats, maar het aantal christenen nam sterk toe. Begin vierde eeuw was het aantal christenen echter gegroeid tot ongeveer 6 miljoen, 10% van de bevolking van het rijk. Even na het midden van die eeuw was het aantal nominaal christenen een meerderheid in het rijk geworden met een aantal van ongeveer 32 miljoen, 53%. Er zijn ongetwijfeld perioden geweest van minder en meer groei. Bij een aanname van 1.000 christenen in het jaar 40 is dat over de gehele periode echter een aanwas van gemiddeld 40% per decennium.[13][14][15]

Heidenen[bewerken]

De oergemeente in Jeruzalem bestond volgens Handelingen 2 vanaf het begin uit Joden en tot het Jodendom bekeerde proselieten die Jezus als Messias erkenden. Verschillen in opvatting over de tempeldienst en de Joodse Thora, leidden al snel tot conflicten.

Zo was er een conflict tussen Griekstaligen en Arameessprekenden over hulp aan weduwen, dat werd opgelost door het aanwijzen van zeven wijze mannen.[16] Tot deze zeven behoorde Stefanus, die werd gestenigd vanwege zijn kritiek op de tempel. Hierna werden de overige leden van de oergemeente vervolgd en vluchtten zij uit Jeruzalem. Een belangrijke vervolger was de farizeeër Saulus van Tarsus, later Paulus genoemd.[17]

Na hun verdrijving bekeerden de vroege leden van de oergemeente niet-Joden - de zogenaamde heidenen - tot geloof in Jezus Christus. Hierdoor ontstonden christelijke gemeenschappen in Samaria, Syrië, Cyprus en Klein-Azië. Maar de verdrijving zorgde ook voor een ruimtelijke scheiding van de "Judaïsten" (Arameessprekend) en de "hellenisten" (Griekssprekend) in de kerk van Jeruzalem. Hoewel onderling verbonden, hadden zij verschillende theologische opvattingen, vooral over de Joodse rituele wetten.

De christelijke gemeenschap in Jeruzalem beschouwde zichzelf als behorend tot het "echte" of "vernieuwde" volk van God in de eindtijd, gesymboliseerd door het aantal van twaalf apostelen als verwijzing naar de twaalf stammen van Israël. Als zodanig wilden ze deel blijven uitmaken van het jodendom en hielden zij zich aan de Joodse wetten, met inbegrip van de besnijdenis, reinheids- en spijswetten en brachten zij offers in de tempel van Jeruzalem, de ontmoetingsplaats van de vroege christenen. Voor het oerchristendom in Palestina was Jezus van Nazareth niet gekomen om de Thora af te schaffen, maar om ze te vervullen en om mensen aan te moedigen om zich aan de geboden te houden.[18]

Hieruit concludeerde een aantal joodse christenen dat een christen die in Jezus als de Messias van Israël gelooft, besneden moest worden om deel uit te maken van het door God uitverkoren volk en vervulling van de beloften eraan mee te maken. Deze verplichting werd traditioneel gekoppeld aan het voldoen aan alle wetten uit de Thora. Deze visie wordt ook wel Judaïsme genoemd en werd door vrijwel alle christenen uit de directe kring rond Jezus gedeeld.

Naast deze groep, die door Paulus werd aangeduid als "ijveraars voor de wet" en die hij met zichzelf voor zijn bekering vergeleek, waren er ook personen die een middenpositie innamen, vertegenwoordigd door Simon Petrus en vooral Jezus' oudste broer Jakobus de Rechtvaardige. Deze laatste werd na Jezus’ dood apostel en verkreeg vervolgens een leidende rol in de vroege kerk. Hij werd zeer hoog geacht vanwege zijn trouw aan de Thora en werd beschouwd als de onbetwiste morele autoriteit, zoals blijkt uit de Brief van Jakobus die aan hem wordt toegeschreven.

Aan de andere kant van het spectrum lijken de hellenistische gemeenschappen de Joodse wet slechts te hebben beschouwd als een morele standaard en hielden zij zich noch aan de tempelcultus noch aan de spijswetten en vonden zij niet dat heidense bekeerlingen besneden hoefden te worden. Dit was waarschijnlijk de reden voor verdere vervolging van christenen door Herodes Agrippa, die het door sadduceeën gedomineerde Sanhedrin gunstig wilde stemmen.[19] Dit leidde tot een dilemma in de joods-christelijke gemeenschap in Jeruzalem : als ze naast hun christelijke broeders zouden gaan staan, stelden ze zich ook bloot aan vervolging en werden ze beschouwd als verraders van het Jodendom – terwijl zij zichzelf beschouwden als deel van wat zij als hun bakermat beschouwden.

De reizen van verschillende apostelen aan de nieuwe gemeenschappen zetten keer op keer conflicten over het volgen van de Thora op de agenda. Het brandpunt waardoor de verschillen tussen de Judaïstische en Griekssprekende christenen onvermijdelijk aan het licht kwamen, waren de gemeenschappelijke maaltijden. Hier vormden de spijswetten een grote splijtzwam. Paulus scherpte het conflict bovendien aan: vanaf zijn bekering nam hij een standpunt in dat exact het tegenovergestelde was van zijn eerdere opvattingen als farizeeër. Als de belangrijkste vertegenwoordiger van de hellenistische theologie betoogde hij dat de heidenen werden gezuiverd en geheiligd door het geloof in Jezus Christus en het ontvangen van de Heilige Geest, zonder zich te houden aan de joodse religieuze wet. Een Joodse afkomst of leefwijze was niet noodzakelijk om de kinderen van Abraham te zijn en voor geloof in Jezus Christus als de Messias van God. Alleen geloof in de verrezen Christus was voldoende om deel te nemen aan Israëls verbond met God. Paulus gebruikte farizeïsche methodologie en hellenistische retorica om theologische alternatieven te beschrijven voor het joodse christendom in Palestina waarin traditioneel farizeïsche standpunten werden ingenomen, waardoor besnijdenis en onderwerping aan de wet van Mozes als noodzakelijk werden beschouwd voor integratie van niet-Joden (proselieten) in het verbondsvolk. Zo leidde een praktisch probleem tot een theologisch conflict. Door zijn omvangrijke zendingsactiviteiten vergrootte Paulus het aantal heidenen in de vroege kerk aanzienlijk, waardoor de verhouding qua meerderheid verschoof en een oplossing van het probleem absoluut noodzakelijk werd.

Volgens Handelingen 15:1 was de directe aanleiding voor het concilie een botsing tussen Paulus en Barnabas met mannen "uit Judea," die de besnijdenis vereisten voor de leden van de kerk in Antiochië "omdat ze anders niet konden worden gered." Men neemt aan dat deze identiek zijn aan "de Joodse gelovigen" die Petrus aanspraken op het feit dat hij “onbesnedenen had bezocht en samen met hen had gegeten”[20] en het standpunt van Jakobus vertegenwoordigden.[21] Hierna stuurde de gemeente Paulus en Barnabas naar Jeruzalem om de apostelen om advies en een beslissing te vragen.[22]

Het eerste concilie in Jeruzalem[bewerken]

Het Concilie van Jeruzalem met onder meer Petrus en Paulus zette de deur voor lidmaatschap van de kerk open voor de heidenen [23] (heidenchristenen, naast de Joodse christenen of joden-christenen). Het onderscheid verdween geleidelijk, het christendom werd een aparte godsdienst. Meer en meer achtten christenen zich niet gebonden aan Joodse wetten.

Leiderschap[bewerken]

Ook speelde de vraag of de opgestegen Jezus vertegenwoordigd werd door zijn familieleden, in het bijzonder 'Jakobus de broer van de Heer'. De vroege verslagen wekken de indruk dat Jakobus erkend werd als hoofd van de gemeenschap in Jeruzalem. Aan zijn zijde stonden de apostelen, degenen aan wie Jezus de opdracht had gegeven op te roepen tot berouw in verband met het nabije koninkrijk Gods. De opgestane Heer was niet alleen aan vrouwen, Petrus en de andere van de Twaalf verschenen, maar ook aan Jakobus.[24] Jakobus belichaamde strikt conservatisme met betrekking tot het onderhouden van zowel de morele als de ceremoniële wet. Aan de andere kant van het spectrum stond Paulus (zie hieronder) die maar zelden in Jeruzalem kwam en de meest liberale opvattingen over dit onderwerp had. Petrus nam een middenpositie in.[25]

Paulus[bewerken]

Paulus van Tarsus, een gehelleniseerde Jood met Romeins burgerschap, nam een radicaal andere positie in. Hij was farizeeër van origine, uit een farizeïsche familie[26], en als heftig conservatief had hij de jonge kerk op gewelddadige wijze vervolgd, maar werd op dramatische wijze bekeerd door een visioen van de opgestane Heer.[27] Vanaf dat moment verplichtte hij zichzelf ertoe Jezus' leer te verspreiden tot ver buiten de Judaïstische wereld. Zijn verwerping van de opvatting dat niet-Joden de Mozaïsche wet zouden moeten houden, impliceerde een breuk tussen kerk en synagoge; zijn theologie had immense sociale gevolgen. Tegelijk was hij ervan overtuigd dat in de kerk de Joden en heidenen in één verbond zouden moeten worden verenigd.

"Vrijheid van de wet" was echter een bedwelmende term voor heidense bekeerlingen zonder een achtergrond van de sterk morele opvoeding die door orthodox Joodse families werd gegeven. Al heel vroeg werd Paulus geconfronteerd met oppositie, waarbij de ene partij stelde dat de vrijheid van de Geest hen zo emancipeerde van sociale conventie dat ze konden doen wat ze wilden, in het bijzonder deelnemen aan seksuele uitspattingen, terwijl de andere partij juist volhield dat het leven van de Geest inhield dat het huwelijk moest worden verworpen. In de heidense wereld was het een wijdverbreid geloof dat seksuele betrekkingen tussen man en vrouw de ziel verhinderde tot hogere dingen te stijgen en dat iemand die werd begunstigd met de liefde van een god, de sterfelijke liefde moest afzweren. De apostel beklemtoonde dat het huwelijk geen zonde was, maar dat iemand die niet getrouwd was (een gave die niet aan allen gegeven was), zo zijn onverdeelde aandacht aan de zaken van God kon schenken.[27]

De zendingsreizen van de apostel Paulus, vooral in het Hellenistische deel van het Romeinse Rijk, droegen het christendom tot buiten de grenzen van het toenmalige Israël. Paulus en zijn medewerkers (Timoteüs, Titus en Lukas) brachten het christendom in alle grote steden van het Romeinse Rijk. Dit gebeurde onder meer in Antiochië, Efeze, Korinthe en Rome. Door Paulus' zendingsactiviteiten waren er rond het jaar 100 al christelijke gemeenschappen van enige omvang in Palestina, Klein-Azië, Griekenland en Rome.

Ook andere apostelen zoals Petrus zouden zendingsreizen hebben gemaakt buiten Israël. Volgens latere overlevering werden in de jaren 60 Paulus en Petrus in Rome ter dood gebracht. Petrus' mogelijke verblijf in Rome geldt als rechtvaardiging voor de machtspositie van de paus binnen de rooms-katholieke kerk maar is binnen het protestantisme omstreden.

Identiteit en groei van de jonge kerk[bewerken]

Aanvankelijk spraken de rabbijnen over prediker Jezus en zijn aanhang als de 'ober gelila'ah' of 'rondreizende Galileeërs' zoals er in die tijd wel meerdere waren.[28] Na Jezus' dood had men het over Christelijke Joden en werd de jonge christelijke kerk beschouwd als een Joodse sekte.[29] Incidenteel werden ze aangeduid als "De Weg"[30], maar in Antiochië worden zij voor het eerst "christenen" genoemd[31], een term die slechts drie keer in de Bijbel voorkomt.[32] In Jeruzalem alleen al waren er (tien)duizenden Joden die Jezus als Messias aannamen in die tijd [33]

Van belang voor de verspreiding van het evangelie in het Romeinse Rijk was de Joodse Oorlog die eindigde in de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70. Door het wegvallen van Jeruzalem als religieus centrum van het christendom werden andere steden in de wereld van die tijd belangrijk als centrum voor de snel groeiende kerkgemeenschap. De bisschoppen van Rome, Alexandrië en Antiochië kregen al spoedig een bijzondere status (patriarchaat) vanwege de vermeende apostolische oorsprong. De val van Jeruzalem wordt tevens als een belangrijke oorzaak gezien voor het feit dat de joodse stroming binnen de christelijke kerk steeds meer terrein verloor en dat de christelijke kerk helemaal los kwam te staan van het jodendom.[34]

De eerste christenen profiteerden van de staatkundige eenheid van het Romeinse Rijk, die de hele mediterrane wereld verenigde en waarbinnen zij gebruik konden maken van drukbevaren handelsroutes en, zeker niet in de laatste plaats, van het uitgebreide Romeinse wegennet. Volgens de traditie zou Paulus, na van zijn gevangenschap in Rome vrijgesproken te zijn, nog een zendingsreis in Spanje hebben ondernomen[35]. Wat zeker is, is dat naast christelijke gemeenten in Italië, Egypte, Griekenland, Carthago, Gallië en de verdere oostelijke Middellandse Zee kusten ook in Spanje in de eerste eeuw al grotere christelijke gemeenten aanwezig waren. Volgens alweer de traditie zou het christendom in de eerste eeuw zelfs nog verder naar Ethiopië, Mesopotamië en India zijn gebracht.[36]

Organisatie van de vroege christelijke kerk[bewerken]

De oudste (of in het Grieks presbyter waar priester van is afgeleid) was een al bestaande joodse functie of ambt, dit werd binnen het christendom overgenomen. Voor het eerst in Handelingen 14:23 wordt melding gemaakt van de aanstelling van oudsten door Paulus en Barnabas in elke gemeente die ze bezochten, klaarblijkelijk om de leiding van de gemeente op zich te nemen nadat Paulus en Barnabas weer vertrokken waren. Ook in Jeruzalem waren er al oudsten in de christelijke gemeenten werkzaam naast de apostelen[37].

Al heel vroeg in de tijd van de apostelen worden speciaal mensen aangesteld voor de 'dagelijkse ondersteuning van de weduwen' en voor de 'gemeenschappelijke maaltijden'[38], dit zou de basis vormen voor het ambt van diaken. Zij hadden kennelijk een eigen taak teneinde de apostelen te ontlasten. Diakenen worden pas later in het Nieuwe Testament expliciet bij name genoemd, in 1 Timoteüs 3:8-13.

Evenals de diaken, wordt ook de opziener (of in het Grieks episcopos waar bisschop van is afgeleid) voor het eerst genoemd in 1 Timoteüs [39]. Titus was zo'n opziener, en hij was blijkbaar bevoegd om oudsten aan te stellen[40].

Christenvervolgingen[bewerken]

De eerste gedocumenteerde christenvervolgingen door de Romeinse overheid vinden plaats onder de keizers Nero (vervolgingen van 64 tot 68) en Domitianus (keizer van 81 tot 96).

De eredienst[bewerken]

Afgaande op wat er in het boekje Didachè wordt geschreven lijkt het er op dat er aan het eind van de eerste eeuw al een eredienst bestond die overeenkomsten had met de tegenwoordige christelijke eredienst. Er is sprake van wekelijkse samenkomsten op zondag met viering van de eucharistie, er worden instructies gegeven voor de bediening van de doop, er wordt een eucharistisch gebed weergegeven alsmede een dankgebed na de eucharistie.

De tekst van het eucharistisch gebed in de Didachè[41] is overigens geheel anders dan de gebeden die later in de 2e of 3e eeuw in zwang gekomen zijn.

Het christendom in de tweede eeuw[bewerken]

De apostolische vaders[bewerken]

De 'apostolische vaders' bouwen in de tweede eeuw verder op het werk van de apostelen. Bekend zijn:

  • Ignatius van Antiochië, van wie zeven brieven aan christelijke gemeenten bekend zijn. Hij is gestorven als martelaar tussen 110 en 117.
  • Polycarpus van Smyrna, van wie nog één brief bekend is, hij is gestorven als martelaar ca. 156
  • Justinus de Martelaar (uit Flavia Neapolis), van wie 8 werken bekend zijn waarvan 4 werken integraal bewaard zijn gebleven, hij schreef aan de niet-christelijke Romeinen teneinde het christendom te verdedigen (apologeet). Justinus is gestorven in 165 als martelaar.
  • Irenaeus uit Klein-Azië, bisschop van Lyon van 177 tot 202, van wie verschillende werken bekend zijn waarvan 2 werken integraal bewaard zijn gebleven. Het bekendst is "Adversus Haereses", gericht tegen de gnostiek (zie hieronder).

Een geschrift uit vermoedelijk de 2e eeuw dat (in delen) nog grotendeels bewaard is gebleven, is De herder van Hermas. Het bevat visioenen, geboden en gelijkenissen. Aanvankelijk was er zelfs nog discussie of het in het Nieuwe Testament kon worden opgenomen, maar in later eeuwen lag de waardering voor dit geschrift veel lager.

De kerkhistoricus Eusebius van Caesarea verhaalt nog van een slavin Blandina die in 177 als martelaar gestorven zou zijn.

Groei van de kerk[bewerken]

Traditioneel wordt de groei van het christendom toegeschreven aan het feit dat de christenen een boodschap van verlossing brachten die de maatschappelijke onderlaag (slaven, armen, ongewenste kinderen, prostituees, enz.) aansprak. Ook was de christelijke kerk bij uitstek een instelling die zich metterdaad bekommerde om de minderbedeelden[42]. Meer recent ligt de nadruk er op dat het christendom juist gegroeid is omdat zij (ook) doordrong in de meer bevoorrechte klassen[43]. Ook het verwerpen van de bij de Joden verplichte besnijdenis (bekering werd aantrekkelijker) en het feit dat christenen geen politieke, economische of militaire agenda hadden maar zich integendeel vooral toelegden op spirituele zaken droeg bij tot de steile opgang van de christelijke kerk[bron?].

In de tweede eeuw werden ook de buitenste provincies van het Romeinse Rijk door het christendom bereikt waaronder Germania Inferior waarin gedeeltelijk de huidige Lage Landen liggen.

Christenvervolgingen door de Romeinse overheid worden nog uitgebreid beschreven in een brief uit het jaar 112 van Plinius de Jongere aan keizer Trajanus. Blijkbaar was de reden hiervoor dat christenen wel het hoogste politieke gezag van de keizer erkenden maar niet de goddelijke status van de keizer. In de rest van de 2e eeuw worden geen grootschalige christenvervolgingen meer gerapporteerd, maar wel lokale vervolgingen.

Waarschijnlijk in de loop van de tweede eeuw gaat de kerk van Rome over van een Griekstalige eredienst naar de 'volkstaal' (het Latijn) en wordt het christendom als geheel dus tweetalig.

Richtingenstrijd[bewerken]

Binnen de christelijke gemeenschap ontstond er strijd ten gevolge van het ontstaan van verschillende standpunten en inzichten:

  • De Ebionieten vormden een joods-christelijke stroming die wel Jacobus als apostel erkenden, maar niet Paulus. Deze stroming vond dat de kerk te veel van de joodse leer was gaan afwijken. De Ebionieten zagen Jezus niet als goddelijk, maar als een goede joodse man die door God was aangenomen (geadopteerd) als zijn zoon (adoptianisme).[44]
  • Sommigen wilden de christelijke leer vermengen met de gnostiek, die overheerste in Egypte. Er waren christelijke en niet-christelijke gnostici; de eersten geloofden doorgaans dat Jezus een mens was, maar dat Christus een eon was die Jezus' lichaam vanaf zijn doopsel enkele jaren bewoonde, hem het geloof liet verkondigen en wonderen verrichten en vlak voor zijn dood zich weer van diens lichaam scheidde (separationisme).[44]
  • De marcionisten, volgelingen van Marcion van Sinope wilden onder invloed van de gnostiek grote delen van de Bijbel afschaffen. Zij waren de dominante stroming in Klein-Azië. Volgens de marcionisten was Jezus volledig goddelijk en niet menselijk; hij leek alleen maar menselijk te zijn (docetisme).[44]
  • Volgens de montanisten, volgelingen van Montanus uit Anatolië, was de werking van de Heilige Geest het belangrijkste geloofspunt van het christendom.[bron?]
  • De proto-orthodoxen zouden later min of meer toevallig de dominante christelijke stroming geworden, omdat zij een sterke aanwezigheid hadden in Rome, de hoofdstad van het Romeinse Rijk. Zij geloofden dat God (de vader), Jezus (de zoon) en de Heilige Geest samen een drie-eenheid vormden: ze waren alledrie afzonderlijke entiteiten maar ook alledrie goddelijk (trinitarisme).[44] De proto-orthodoxe stroming wordt in de 4e eeuw de 'orthodoxe' stroming wanneer Constantijn de Grote zich bekeert en het tolerantie-edict van Milaan uitvaardigt, waarna Theodosius I in 380 deze orthodoxe stroming van het christendom verheft tot staatsgodsdienst. In de 5e eeuw zou deze stroming weer splitsen in een westerse rooms-katholieke stroming en een Byzantijnse oosters-orthodoxe stroming.

In antwoord op deze verschillen van inzicht komt de proto-orthodoxe stroming in deze eeuw tot het opstellen van een geloofsbelijdenis (de apostolische geloofsbelijdenis in 12 artikelen) en tot de eerste instelling van een canon (de lijst gezaghebbende boeken van de Bijbel). De inzichten die verworpen worden, komen als heresie te boek te staan (pas veel later aangeduid als ketterijen). De gnostici en montanisten zijn als heresie fel bestreden, terwijl de Ebionieten zonder veel strijd vanzelf zijn verdwenen.[bron?]

Gnostiek[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Gnostiek voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het concept van historiciteit van de gebeurtenissen in de evangeliën, als een openbaring van nieuw licht van God, was niet eenvoudig te vatten in de heidense wereld. Beschaafde heidenen waren gewend mythen over goden allegorisch op te vatten, als een denkbeeldige beeldtaal om de natuurlijke orde te beschrijven of als projectie van de psychologische staat waarin mensen konden verkeren. Gnostiek was het resultaat van deze "gebruikelijke" interpretatie van het christelijke verhaal, waarbij de bewering goddelijke geheimen te onthullen wordt gecombineerd met een mengsel van mythen en rites die werden ontleend aan diverse religieuze tradities. Gnostiek was (en is) een theosofie met verschillende ingrediënten. Occultisme en oosterse mystiek werden vermengd met astrologie, magie, kabbalistische elementen uit de Joodse traditie, een pessimistische opvatting van Plato's doctrine dat de ware woonplaats van mensen niet in deze stoffelijke wereld ligt en als belangrijkste katalysator de christelijke opvatting inzake verlossing door Christus. Een dualisme van lichaam en geest, van materie en onstoffelijke zaken, werd gecombineerd met een krachtig determinisme of geloof in de predestinatie: de gnostici (of "mensen die weten") zijn de uitverkorenen, hun zielen zijn deeltjes van het goddelijke, streven naar bevrijding van het stoffelijke en de macht van de planeten.

De meeste gnostische sektes beweerden de geheime tradities te volgen die Jezus zijn apostelen in het geheim had onderwezen. Ze verzamelden spreuken van Jezus die hun eigen interpretatie ondersteunden (zoals het Koptische Evangelie van Thomas) en boden hun aanhangers een alternatieve, rivaliserende vorm van het christendom. Gnostische leraren beweerden dat hun dualisme de oorsprong van het kwaad beter verklaarde dan de orthodoxe leer van de kerk dat de geschapen wereld van een volmaakt goede en almachtige God afkomstig is. Sommigen beklemtoonden dat de onvolmaaktheden van de schepping in overeenstemming zijn met die van de Hebreeuwse Bijbel, die zij laag achtten. De Schepper was incompetent en kwaadwillend.

Tegenwoordig bestaat nog maar één tweede-eeuwse sekte - de Mandaeërs in Irak - maar de versie van de gnostische mythologie en geloofspraktijk die werd onderwezen door de derde-eeuwse ketter Mani werd een millennium lang verspreid van Cádiz tot China: één tekst werd aan het einde van de vierde eeuw in Spanje geschreven door Priscillianus van Ávila en krijgt pas zin in het licht van de manicheïsche catechismus uit ongeveer 800, die alleen in het Chinees is overgeleverd.

Gnostiek is in de ene of andere vorm altijd een bijverschijnsel van de kerk gebleven. De kerk ging al snel in de tegenaanval. Zo wordt in de Eerste brief van Johannes de aanval ingezet tegen de gnostische stelling dat het onmogelijk is dat in Christus de eeuwige God zichzelf bezoedeld zou hebben door vlees aan te nemen en de kruisiging zou moeten hebben verduren. In het verlengde daarvan ontkenden de gnostici de betekenis van de sacramenten van de doop en eucharistie. Sommige sektes boden hun aanhangers een "vuurdoop", mogelijk een innerlijke psychologische reflectie. Mani viel de kerk aan op het gebruik van wijn (in zijn ogen een uitvinding van de Duivel) en het geven van enige bijzondere betekenis aan het gewijde brood. Het vroege opduiken van dit soort ideeën verklaart mogelijk de intensiteit waarmee het Evangelie volgens Johannes de noodzaak om te worden wedergeboren "met water en de Geest" benadrukt en het deelnemen aan het hemelse brood en de ware wijnstok.[45] Paulus beklemtoonde nadrukkelijk dat door het ontvangen van het gebroken brood en de geschonken wijn de gelovige deelneemt in de zelfopoffering van de Zoon van de Vader in zijn gebroken lichaam en vergoten bloed.[46] Alleen gedoopte leden mochten deelnemen aan deze dankzegging (eucharistia). Eraan deelnemen was een zo onderscheidend kenmerk van lidmaatschap dat in tijden van vervolging in de tweede en derde eeuw, stukjes van het gewijde brood werden rondgebracht naar gedoopte gelovigen in de gevangenis of op een ziekbed.

Veel gnostische sektes zagen de sacramenten als magisch of juist als een symbool voor een subjectieve psychologische staat binnenin de individuele gelovige. Ze minachtten bisschoppen, priesters en diakenen, maar ze stonden vrouwen toe leidende posities in te nemen en de liturgie voor te zitten, terwijl de orthodoxe gemeenschappen dit niet toestonden. Ze sloegen geen kruisteken, want voor hen was het lijden van Jezus geen historische gebeurtenis maar een symbool voor de universele staat van het menselijke ras.

Marcion[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Marcion van Sinope voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de eerste helft van de tweede eeuw paste Marcion de gnostische kritiek op en verwerping van de Schepper-God van de Hebreeuwse Bijbel tot in het extreme toe. Hij en zijn volgelingen maakten lijsten van de morele tegenstrijdigheden tussen de Hebreeuwse Bijbel en het Nieuwe Testament en walgden van allegoriseren om moeilijkheden te vermijden. Hij was van mening dat de apostolische geschriften zelf vervuild waren, door onbekende personen die het christelijke geloof Joods wilden houden. Marcion geloofde dat zelfs de apostelen zelf de bedoelingen van hun Meester ernstig verkeerd hadden begrepen en niet hadden gezien hoe nieuw zijn boodschap feitelijk was. Om die reden begon hij met het produceren van een gezuiverde tekst van de brieven van zijn held Paulus, dan het evangelie van Paulus' metgezel Lucas (de andere evangeliën verwierp hij), waarvan hij dacht dat het in de oorspronkelijke vorm een werk van Paulus was.

Het vaststellen van de canon van het Nieuwe Testament[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Canonvorming van het Nieuwe Testament voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In zekere zin trof deze actie van Marcion de christelijke gemeenschap als donderslag bij heldere hemel. Er was eenvoudig nooit een vraag geweest over het al dan niet terechte gezag van evangeliën, brieven of openbaringen. Opeens werd het dringend noodzakelijk vast te stellen welke werken "juist" waren en welke vervalsingen of op andere wijze onwaardig in de kerken gebruikt te worden. In tegenstelling tot Marcion accepteerden veel gnostische sektes talloze evangeliën en produceerden zelf "geheime" of apocriefe evangeliën, handelingen, brieven en apocalypsen. Veel van deze "apocriefe" teksten schilderden Jezus af als een heftig pleitbezorger voor seksuele onthouding. In sommige werden de terughoudende tradities over Jezus' kindertijd doorontwikkeld tot verhalen over Maria's ouders en haar (wonderbaarlijke) geboorte en eeuwigdurende maagdelijkheid.

Canoniciteit werd door de christelijke kerk bepaald aan de hand van veronderstelde apostolische oorsprong. Bijvoorbeeld het evangelie van Marcus was canoniek omdat volgens de traditie Marcus de verkondiging van de apostel Petrus op schrift gesteld had. Bij de canonisering moest men er rekening mee houden dat sommige boeken ten onrechte pretenteerden geschreven te zijn door een bepaalde auteur; als dat het geval is spreekt men van pseudepigrafen. Enkele boeken waarbij veel discussie was over het auteurschap hebben uiteindelijk het voordeel van de twijfel gekregen en zijn gecanoniseerd. Van veel boeken was het van het begin af aan duidelijk dat het pseudepigrafen betrof, deze werden dan ook niet opgenomen in de canon. De boeken die buiten de canon gevallen zijn worden apocriefe boeken genoemd.

We kunnen ons van proces van canonisering alleen een voorstelling maken door de brieven te lezen die de "kerkvaders" schreven en ontvingen. Rond 155 meldde Justinus het bestaan van vier evangeliën. Tussen 170 en 180 zette Tatianus in zijn Diatessaron de vier evangeliën naast elkaar. In deze periode werden de andere geschriften van het Nieuwe Testament ook al genoemd. Tussen 150 en 180 bestond dus een verzameling van nieuwtestamentische geschriften met apostolisch gezag. De samenstelling verschilde per kerk. Vanaf 180 verschijnen de evangeliën plotseling met verwijzing naar de naam van de (toegeschreven) auteur. Rond 180 noemde Theophilus van Antiochië dertien brieven van Paulus.

In de jaren die volgen begint meer overeenstemming te ontstaan over de canon. Ireneüs erkent rond 185 alle boeken van het Nieuwe Testament met uitzondering van Brief aan de Hebreeën, Filemon, Judas, 2 Johannes en 3 Johannes. Hippolytus van Rome erkent rond 200 dezelfde boeken als Ireneüs. Er is een document gevonden, de 'Canon Muratori', gedateerd rond 170, met een lijst van boeken van het Nieuwe Testament. Deze lijst bevat alle boeken, met uitzondering van Hebreeën, 1 Petrus, 2 Petrus en 3 Johannes. Tertullianus erkent rond 200 alle boeken, behalve Hebreeën, Jakobus en 2 Petrus. Clemens van Alexandrië erkent in diezelfde tijd alle boeken van het Nieuwe Testament, maar daarnaast ook apocriefen en heidense geschriften. In zijn omgeving was kennelijk nog geen duidelijke canon. Vanaf 210 ontstaat er discussie over Hebreeën, Jakobus, Judas, 2 Petrus, 2 en 3 Johannes en Openbaring.

Het christendom in de derde eeuw[bewerken]

De kerkvaders[bewerken]

De theologen die gepubliceerd hebben in de eerste eeuwen van het christendom en daarmee bijgedragen hebben aan de opbouw van het 'mainstream' christendom worden door de christelijke kerk als kerkvader aangeduid.

Er ontstaan in deze eeuw drie belangrijke centra van het christelijke geloof:

  • In Alexandrië ontstaat de school van Alexandrië waar o.a. Clemens van Alexandrië (gestorven circa 215) en Origenes (gestorven 253 of 254) leiding geven en waar zich een allegorische leeswijze van de Bijbel ontwikkeld wordt. Origenes schrijft ook de eerste christelijke dogmatiek, "De principiis".
  • In Carthago worden voor het eerst christelijke geschriften in het Latijn geschreven. Hier vindt de christelijke kerk een machtige verdediger in Tertullianus (gestorven circa 225), een aanvankelijk heidense jurist en advocaat die in 195 tot het christendom overgaat. In het Apologeticum verdedigt Tertullianus de christenen. Tertullianus stelt dat het bloed der martelaren het zaad van de kerk is. Cyprianus, een leerling van Tertullianus, raakte als bisschop zeer omstreden omdat hij in 250 vluchtte voor de vervolgingen onder Decius. In 258 is hij alsnog als martelaar gestorven.
  • In Rome is Hippolytus van Rome (gestorven 235), leerling van Irenaeus van Lyon, een schrijver bekend om zijn strenge moraal.

De vrouwen Perpetua en Felicitas uit Carthago sterven in 203 een marteldood. Perpetua laat een verslag na over haar verblijf in de gevangenis, voorafgaand aan haar dood.

In de woestijn ten zuiden van Alexandrië, in Wadi Natroen, vestigt zich in 271 de kluizenaar Antonius van Egypte. Later voegden andere christenen zich bij hem en vormden een van de eerste gemeenschappen van heremieten.

Interne kerktwisten[bewerken]

Er worden vragen gesteld aangaande de goddelijke natuur van Christus. Sommigen (onder andere Paulus van Samosata) geloven niet in de godheid van Christus. Anderen (zoals Praxeas en Sabellius) geloven niet in zijn mens-zijn. De stelling dat Christus waar God en waar mens is krijgt de overhand binnen de christelijke kerk.

Ook zijn er invloeden vanuit de niet-christelijke omgeving. Het neoplatonisme benadrukt de dualiteit tussen geest en stof. Het manicheïsme probeert de gnosis, oosterse religie en christendom te verenigen. Ook de mithrasverering dringt de kerk binnen. Ondanks deze interne spanningen blijft het christendom terrein winnen.

Vervolgingen en erkenning[bewerken]

Aanvankelijk was het christendom een van de vele religies uit het Oosten die een alternatief boden voor de eeuwenoude, steriel geworden Grieks-Romeinse godheden. In de strijd om de zielen met Isis en Osiris uit Egypte, Mithras uit Perzië en de Anatolische Cybele-cultus kwam Jezus als winnaar uit de bus. Zijn leer was het meest open, zonder geheimzinnige inwijdingen zoals bij andere en enigszins elitaire, in het Rijk bloeiende, godsdiensten gebruikelijk was. Hij richtte zich tot iedereen zonder aanzien van ras of stand en bood het vooruitzicht op een feestelijk hiernamaals dat aanvankelijk vooral aantrekkelijk was voor slaven en 'kleine luyden', voor wie het leven op aarde somberder perspectieven bood.[bron?]
Lactantius merkt in zijn werk Hoe de Christenvervolgers aan hun Einde kwamen op dat de christenen verschillende bevolkingsgroepen van verschillende streken bijeenbrachten. Het toenmalige Romeinse Rijk voelde dit aan als een bedreiging. Meer bepaald het boven-lokaal karakter ervan, het multi-etnische aspect en de sociaal gevarieerde sociologische samenstelling van christenen. Daardoor verschilden zij van bijna alle andere religieuze groepen en was een aanleiding tot vervolging ervan.

Christenvervolgingen werden hervat door de keizers Decius omstreeks 250 en Diocletianus aan het begin van de 4e eeuw. In de tijd van Diocletianus waren christenen ook aan het hof gewoon, maar in 303 besloot de keizer, onder invloed van Galerius, het christendom in de ban te doen. Het bleek echter dat de Kerk al veel te groot en wijdverspreid was om deze ban uit te voeren en tien jaar later, in 313, met het Edict van Milaan, verklaarde Constantijn de Grote de vrijheid van godsdienst.

Voor de verdere geschiedenis van het christendom:

1rightarrow blue.svg Zie Geschiedenis van het christendom voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Sporen van de eerste christenen[bewerken]

Grafsteen van Amabilis, 5e eeuw, Maastricht

Algemeen wordt een papyrusfragment (Papyrus 52) met tekst uit het Evangelie volgens Johannes als het het oudst bewaarde christelijke fragment beschouwd. Dit fragment wordt rond 125 gedateerd. Een tijdlang is gedacht dat de Dode Zee-rollen, geschreven voor 68, een snipper (7Q5) met tekst uit het Evangelie volgens Marcus bevatten. Bijzonder is ook de eerste duidelijk christelijke inscriptie, het grafschrift van de Frygische bisschop Abercius dat in 1882 in zuidoost-Turkije is gevonden. De door de bisschop zelf opgestelde tekst meldt hoe hij in navolging van Paulus de uiteinden van het Rijk heeft bereisd om de blijde boodschap uit te dragen. Uit de derde eeuw stammen voorts de eerste tekeningen en reliëfs van Petrus en Paulus, graftombes met de beeltenis van Jezus als de Goede Herder en een curieuze getuigenis van de eerste kerstening: een grafsteen met zowel heidense als christelijke opschriften. Zij is afkomstig uit het Vaticaan, dat toen nog een begraafplaats was voor alle gezindten. Petrus ligt er hoogstwaarschijnlijk begraven te midden van volgelingen van Jupiter, Serapis en Hekate.

In Nederland[bewerken]

De oudste christelijke grafsteen van Nederland bevindt zich in het lapidarium van de oostcrypte van de Sint-Servaasbasiliek in Maastricht. De steen uit de vijfde eeuw bevond zich op het graf van Amabilis, een vierjarig meisje, en werd later hergebruikt als spolium in het westwerk van de kerk. Vier andere grafstenen uit de 5e en 6e eeuw tonen aan dat hier een christelijke gemeenschap actief was.

Vroeg-christelijke kunst[bewerken]

De vreedzame co-existentie met andere religies, waar de kerkvaders een einde aan zouden maken, laat zich ook goed aflezen uit twee goedbewaarde drinkbekers, die in de vierde eeuw in dezelfde werkplaats in Keulen werden vervaardigd. De afbeeldingen op de bekers zijn vrijwel identiek: een vrouw die een man een kelk aanreikt. Maar op de ene beker stellen zij Diana en Apollo voor en luidt de tekst: "Neem de beker en geniet", terwijl het bij de andere beker gaat om Eva en Adam, met de woorden: "Geniet van God, drink en leef."

Een ander voorbeeld is een set tafelgerei uit Engeland, waarvan het bord is versierd met heidense godheden en het bestek met christelijke monogrammen.

Het leven en de kunst van de vroege christenen wordt vooral weergegeven in een rijke en afwisselende hoeveelheid archeologische vondsten uit het hele Romeinse Rijk: beelden, tombes, fresco's, gebruiksvoorwerpen, sieraden, munten, speelgoed en kleine persoonlijke eigendommen die zijn aangetroffen in de catacomben, die normaal gesproken dienden als grafkelders, maar waar tijdens de vervolgingen de ondergedoken christenen wel samen kwamen.

Een voorbeeld van de vroegchristelijke schilderkunst zijn de fresco's in grafkelders. De christenen wilden in die tijd niet begraven worden met heidenen en zorgden ervoor dat hun grafkelders of catacomben versierd waren met christelijke taferelen. Zij geloofden in de redding in het hiernamaals en dit geloof werd de essentie van de vroegchristelijke grafkunst. Christus werd op fresco’s vaak afgebeeld als de Goede Herder. Ook op details van sarcofagen keert dit thema vaak weer.

De stijl van de vroegchristelijke kunstvoorwerpen sluit nog aan bij het laatklassieke realisme, maar het is duidelijk te zien dat voor deze artiesten de boodschap belangrijker was dan de esthetische vormen. Symbolen zoals de vis (Ichtus) (Christus), het anker (de zekerheid van het geloof) en het christogram, Christus' in elkaar gevlochten initialen X (chi) en P (rho), vaak samen met 'alfa en omega' (begin en einde), nemen daarom de plaats in van de levensechte voorstellingen van de profane kunst. (Het kruis duikt pas op in de vijfde eeuw, toen de kruisiging als straf voor halsmisdrijven al was afgeschaft.) In die tijd (derde en vierde eeuw) werd ook de basis gelegd voor een nieuwe thematiek die gedurende een periode langer dan een millennium de beeldende kunst van Europa zou domineren: Christus en de apostelen, de opstanding van Lazarus, de wonderen van Jezus, de aanbidding der wijzen en sommige oudtestamentische scènes als de drie mannen in de hete oven en de - op een Vaticaanse sarcofaag fel realistisch weergegeven - avonturen van Jona in de grote vis; dat waren ook in de derde en vierde eeuw al geliefde onderwerpen. Bijzonder fraai zijn ook een tiental piepkleine reliëfs met ivoorsnijwerk uit de vierde en vijfde eeuw. De geboorte van Christus, zijn lijdensweg, de zelfophanging van Judas Iskariot en zelfs een afbeelding van de allereerste basiliek die keizer Constantijn boven het graf van Petrus liet aanleggen, zijn hierop te zien.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]