Pontius Pilatus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Ecce Homo; ziet den Mens, door Cigoli, ca. 1607
verluchting met Christus die voorgebracht wordt aan Pilatus uit het getijdenboek van Reynegom, coll. Koning Boudewijnstichting
Ecce Homo! door Antonio Ciseri (19e eeuw)
Wat is waarheid? Pilatus ondervraagt Jezus. Schilderij van Nikolaj Ge (19e eeuw).
Bronzen prutah van Pontius Pilatus. De legende luidt (in het Grieks): TIBERIOC KAICAROC (Tiberius keizer).
(British Museum, Londen)

Pontius Pilatus was een Romeins politicus uit de eerste eeuw na Chr. Hij stamde uit het oude geslacht van de Pontii en behoorde tot de stand van de equites. Pilatus was van 26 - 36 na Chr. de 5e praefectus civitatum van Judea (de praefectus Iudaeae), onder het gezag van het Romeinse Rijk ten tijde van Keizer Tiberius. Hij was de opvolger van Valerius Gratus. Pilatus wordt in het Nieuwe Testament en de Apostolische geloofsbelijdenis genoemd als degene die Jezus van Nazareth liet kruisigen.

De onbuigzame Pilatus[bewerken]

Philo van Alexandrië beschrijft hem als een harde, onbuigzame man.[1] Volgens de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus kwetste hij de Joden diep door na verplaatsing van het Romeinse garnizoen van Caesarea naar Jeruzalem heimelijk midden in de nacht Romeinse insignia met de beeltenis van de princeps op een openbare plaats in Jeruzalem neer te laten zetten.[2] Voor de Joden was het vereren van beeltenissen van personen een gruwel (een van de Tien geboden). Zijn voorgangers hadden daar rekening mee gehouden, maar Pilatus negeerde deze gevoeligheid. Deze daad veroorzaakte een volksopstand in Caesarea. Na lang aanhouden van beide kanten zwichtte Pilatus uiteindelijk en verplaatste de beeltenissen van de princeps van Jeruzalem terug naar Caesarea.

Ook gebruikte Pilatus volgens Philo en Josephus geld uit de tempelkas om een watervoorziening te laten aanleggen. Tienduizenden Joden, waaronder veel Galileërs, stroomden naar Jeruzalem voor een massaal protest, wat eindigde in een bloedbad. Soldaten als burgers vermomd doodden zonder onderscheid een groot aantal demonstranten. Dit alles zette natuurlijk kwaad bloed.

Proces tegen Jezus[bewerken]

Het verhaal in het Nieuwe Testament over het proces tegen Jezus kan niet zonder historisch-kritische evaluatie worden gebruikt om een goed beeld te krijgen van de historische persoon Pontius Pilatus. De verhalen waren er mede op gericht de schuld voor Jezus' kruisiging bij de Joden neer te leggen om problemen voor christenen met de Romeinen te voorkomen.[3]

Waarom de Romeinen Jezus veroordeelden en executeerden kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Er zijn echter enkele mogelijkheden die door diverse godsdiensthistorici als waarschijnlijk of mogelijk worden beschouwd:

  • De meeste historici beschouwen het incident in de tempel als belangrijkste aanleiding. Ook volgens de evangeliën begint de behandeling van Jezus' zaak met de aanklacht van zijn dreigement jegens de tempel, maar waren de getuigenverklaringen niet "afdoende".[4] Als de hogepriester Kajafas en zijn adviseurs hadden geweten dat Jezus als een "koning" zou zijn onthaald, hadden ze zich al eerder met zijn zaak beziggehouden. De hogepriester was verantwoordelijk voor de orde in Judea en Jeruzalem in het bijzonder. Aangezien Kajafas langer als hogepriester onder de Romeinen diende dan wie dan ook, kan worden aangenomen dat hij capabel was. De hogepriester wilde Jezus daarom dood om dezelfde reden waarom Antipas Johannes dood wilde: hij zou problemen kunnen veroorzaken.
    Jezus was gevaarlijk, want hij had volgelingen. Hij had enige tijd over "het koninkrijk" onderwezen. Hij had fysieke actie ondernomen in de tempel. Hij was niet gek en dus potentieel gevaarlijk. Daarom adviseerde Kajafas Pilatus Jezus te executeren. Volgens de evangeliën zette Kajafas zijn oordeel kracht bij door Jezus te beschuldigen van godslastering,[5] wat kan duiden op een ultieme poging steun te krijgen voor het doodsvonnis dat hij hoe dan ook wilde vellen (ongeacht of dit een terechte grondslag van de veroordeling was).
    De Romeinen wilden onrust tijdens Pesach vermijden, beschouwden Jezus als een onruststoker en executeerden hem daarom.
  • De tweede richting zoekt de verklaring voor de executie in de eerste plaats bij het gegeven dat Jezus en zijn aanhangers door Pontius Pilatus, al dan niet terecht, voor opstandelingen tegen het Romeinse gezag in Judea werden aanzien.[6] De formulering 'koning van de Joden' verraadt het perspectief van buitenstaanders. Hieruit volgt, dat de Romeinen Jezus executeerden omdat ze hem beschouwden als iemand die de macht over de Joden wilde grijpen.[7]
    In dit geval blijft wel de vraag open, waarom alleen Jezus als leider van de vermeende opstand werd vervolgd, aangezien de Romeinen in andere gevallen tot collectieve straffen overgingen.[8]

Het precieze verloop van de gerechtelijke procedure tegen Jezus bij de Joodse en Romeinse autoriteiten is onmogelijk te reconstrueren. Uit wat we weten over Pilatus' verdere handelen bij processen en executies, kunnen we met grote waarschijnlijkheid concluderen dat het verslag in de evangeliën over Jezus' ondervraging een poging was problemen met de Romeinen te voorkomen: Philo (tijdgenoot van Pilatus) schreef over Pilatus' executies zonder proces[1] en Pilatus werd uiteindelijk uit zijn ambt gezet vanwege grootschalige en slecht doordachte executies.[9] Naar alle waarschijnlijkheid ontving Pilatus Kajafas' aanklacht, liet Jezus geselen en ondervroeg hem kort. Toen de antwoorden niet bevredigend waren, stuurde hij hem naar het kruis zonder er verder over te hoeven nadenken.

Een voorzichtiger Pilatus[bewerken]

Op 18 oktober van het jaar 31 werd Pilatus' positie verzwakt door de val van zijn vriend Lucius Aelius Seianus, een gunsteling van Tiberius. Door gekonkel en intriges had deze Seianus veel macht in het Romeinse Rijk verworven. Maar toen een complot werd ontdekt om de macht te grijpen werd hij terechtgesteld. Het is mogelijk dat Pilatus vanaf die tijd heel beducht was voor enige verdenking vanuit Rome dat hij de princeps ontrouw zou zijn.

Val van Pilatus[bewerken]

In 36 na Chr. kwam Pilatus ten val. De directe aanleiding was een incident op de berg Gerizim, een voor Samaritanen zeer heilige berg, waar een grote groep van hen op aanwijzing van een profeet naar de sinds de verwoesting van de Tempel van Salomo vermiste heilige Ark van het Verbond met inhoud wilden graven. Pilatus vertrouwde de samenscholing niet en liet een aantal van hen ombrengen. Er ging een klacht met een beschuldiging van moord op onschuldige burgers naar Vitellius, gouverneur van Syrië. Die gebood Pilatus naar Rome te gaan om tekst en uitleg te geven aan princeps Tiberius en benoemde Marcellus als procurator van Judea en Jeruzalem in zijn plaats. Toen Pilatus, die Vitellius niet ongehoorzaam durfde te zijn, op 16 maart 37 in Rome aankwam was Tiberius al gestorven. Volgens min of meer legendarische bronnen zou Pilatus daarna als keizerlijk ambtenaar gediend hebben in Zuid-Frankrijk waar hij ook overleden zou zijn. Het is niet zeker of Pilatus volgens de legende zelfmoord pleegde of door een natuurlijke oorzaak aan zijn einde kwam.

Titel, Pilatusinscriptie en de zegelring[bewerken]

De zogenaamde Pilatusinscriptie.
(foto: Marion Doss, 2007)

Lange tijd is onduidelijk geweest of de eerste Romeinse bestuurders van Judea praefecti of procuratores waren. Sinds de vondst van een inscriptie op een kalksteenblok dat tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw hergebruikt zat ingemetseld in het Romeinse theater van Caesarea (waar de bestuurders hun residentie hadden), staat echter vast dat Pilatus prefect was. Bovendien concludeert men uit de inscriptie gewoonlijk dat alle bestuurders van Judea vóór keizer Claudius deze titel droegen. Tacitus' vermelding van deze bestuurders als procuratoren wordt dan opgevat als een terugprojecteren van later gebruik.

De tekst van de inscriptie luidt:[10]
TIBERIEUM
NTIUS PILATUS
ECTUS IUDAEE

Oorspronkelijk luidde de complete inscriptie vermoedelijk:
DIS AUGUSTIS TIBERIEUM
PONTIUS PILATUS
PRAEFECTUS IUDAEAE
DEDIT DEDICAVIT

Archeologen hebben vijftig jaar geleden op de westelijke Jordaanoever een Romeinse ring gevonden. Heden pas werd de identiteit van de eigenaar van de ring ontdekt. Volgens de Israëlische krant Haaretz zou de inscriptie in de ring de letters van de naam van Pontius Pilatus weergeven. Volgens de archeologen zou dit slechts het tweede archeologisch bewijsstuk zijn dat hij werkelijk heeft bestaan. De archeologische site waar de ring werd ontdekt, bevindt zich in de onmiddellijke omgeving van het graf van koning Herodes.[11] Volgens andere bronnen echter zou het niet gaan om de originele ring maar om een exemplaar vervaardigd uit minderwaardig materiaal dat eventueel door zijn personeel werd gebruikt om documenten e.a. te verzegelen.[12]

Trivia[bewerken]

Pontius Pilatus-syndroom
Pontius Pilatus (Duccio)

"Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven" (Quod scripsi, scripsi) zei Pontius Pilatus volgens Johannes 19:22 toen hem werd voorgesteld het opschrift INRI op het kruis te veranderen. Deze uitspraak typeert een probleem van veel schrijvers: ze voelen een soort innerlijke weerstand tegen veranderingen. Ze kunnen niet genoeg afstand nemen van hun eigen tekst. Daardoor komen ze moeilijk op alternatieven voor woordkeus en zinsbouw die de tekst misschien verbeteren. Dit wordt het Pontius Pilatus-syndroom genoemd.

Van mis tot toverspreuk

In de geloofsbelijdenis van Nicea komt de zin voor "die onder Pontius Pilatus geleden heeft en gestorven is". Regelmatig horen rooms-katholieke kerkgangers deze tekst in het Latijn voorbij komen: "Crucifixus etiam pro nobis sub Pontio Pilato, passus et sepultus est". Deze woorden werden, gecombineerd met de woorden "Hoc est corpus" ("Dit is het lichaam") in de volksmond verbasterd tot "hocus pocus pilatus pas", woorden die aanvankelijk waarschijnlijk magisch klonken, maar nu meestal te horen zijn bij goochelaars.

Pilatus terug in Rome

Simon Vestdijk beschreef het (fictieve) leven van Pontius Pilatus na zijn terugkomst in Rome in zijn roman De nadagen van Pilatus (1938).

Referenties[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. a b Philo: Legatio ad Gaium 302
  2. Josephus: Oude geschiedenis van de Joden 18.3
  3. Inclusief de beruchte passage in Matteüs 27:25
  4. Marcus 14:55-59
  5. Marcus 14:63, 64
  6. Paula Fredriksen (2015): Arms and The Man: A Response to Dale Martin’s ‘Jesus in Jerusalem: Armed and Not Dangerous’, Journal for the Study of the New Testament, jaargang 37, nummer 3, pp. 312-325, specfiek pp. 312-313
  7. Jens Schröter (2013): Jesus von Nazaret. Jude aus Galiläa - Retter der Welt, vijfde druk, Evangelische Verlagsanstalt, Leipzig, blz. 276-277, 287
  8. Met name Pilatus' behandeling van de Samaritanen in 36 (Josephus, Oude geschiedenis van de Joden, 18.88ff) en de verwoesting van de tempel in 70 na de Joodse Oorlog. Zie Paula Fredriksen (2015): Arms and The Man: A Response to Dale Martin’s ‘Jesus in Jerusalem: Armed and Not Dangerous’, Journal for the Study of the New Testament, jaargang 37, nummer 3, pp. 312-325, specifiek pag. 322
  9. Josephus: Oude geschiedenis van de Joden 18.88ff
  10. AE (L’Année épigraphique) 1999, 1681
  11. http://www.standaard.be/cnt/dmf20181207_04015851
  12. https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20181202_04004020