Gessius Florus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Gessius Florus was procurator over Judea van 64 tot 66 na Chr. Hij was afkomstig uit Clazomenae in Asia en behoorde tot de stand van de equites. Zijn vrouw Cleopatra was goed bevriend met Poppaea, de vrouw van keizer Nero. Aan deze vriendschap had Florus zijn benoeming in Judea te danken.

Corruptie[bewerken]

Eerdere procuratores hadden weliswaar te maken met groeiende anti-Romeinse sentimenten in Judea, maar hadden telkens wel de steun van de hogepriester en andere Joodse leiders. Dat gold echter niet voor Florus. De corruptie die Florus' voorganger Lucceius Albinus aan het einde van zijn bewindsperiode min of meer heimelijk had ingesteld, werd door Florus openlijk gepraktiseerd. Bandieten konden ongestoord hun gang gaan doordat zij gerechtelijke vervolging konden afkopen. Verder liet Florus verschillende dorpjes uitplunderen, ook wanneer er slechts geringe beschuldigingen tegen hen waren, om zichzelf op deze manier te verrijken.

Ook de pro-Romeinse Herodes Agrippa II, die toezicht moest houden op de gang van zaken in de Joodse tempel, vertrouwde Florus niet. Om te voorkomen dat de rijk gevulde tempelkas door Florus geplunderd zou worden, liet hij de straten in de omgeving van de tempel met kostbare witte stenen plaveien. Overigens is het in Florus' bewindsperiode dat de door Herodes de Grote begonnen restauratie van de tempel voltooid werd.

Gallus grijpt in[bewerken]

Toen Cestius Gallus, de toenmalige gouverneur van Syrië in 66 Jeruzalem bezocht, deden de Joden massaal hun beklag over Florus bij hem. Florus bespotte de menigte daarbij openlijk, kennelijk in de hoop dat Gallus de beschuldigingen zou wegwuiven, maar dit maakte de situatie alleen nog maar dreigender. Gallus nam de beschuldigingen echter wel degelijk serieus. Hij gaf Florus een laatste kans zijn handelwijze te veranderen en onder grote druk zegde Florus dit inderdaad toe.

Joodse Opstand[bewerken]

Toen Gallus weer was teruggekeerd naar Syrië, bleek echter al gauw dat Florus zijn belofte niet nakwam: hij bleek nog steeds omkoopbaar. Korte tijd later brak bovendien een conflict uit in Caesarea, doordat een Griekse inwoner op provocerende wijze op een sabbat vogels had geofferd bij de ingang van een synagoge. Het kwam tot opstootjes, maar die waren al snel onder controle. De Joodse leiders van Caesarea trokken zich vervolgens met de wetsrollen uit de synagoge terug in een naburig plaatsje. Zij zonden een delegatie naar Florus om bij hem hun beklag te doen. Florus liet hen echter gevangennemen op beschuldiging van diefstal van de wetsrollen.

In Jeruzalem leidde het nieuws tot hevige verontwaardiging. Toen Florus bovendien een deel van de tempelkas in beslag nam omdat keizer Nero het geld nodig had, was dit voor de Joden de aanleiding om in opstand te komen tegen het Romeinse gezag. De Joodse Opstand was een feit. Pogingen van Herodes Agrippa II om de gemoederen te bedaren, mochten niet baten.

Florus zelf reageerde op de onlusten door Joodse leiders te laten kruisigen. Dit werkte echter uit dat de gemoederen alleen nog maar verder verhit werden. Ook andere maatregelen die Florus nam, werkten eerder als olie op het vuur dan dat ze de gemoederen deden bedaren. Via Gallus en Agrippa probeerden de Joodse leiders een delegatie naar Rome te sturen om Florus bij Nero aan te klagen, maar zowel Gallus als Agrippa vonden dit aanvankelijk te riskant. Enkele maanden later, toen de opstand niet meer te bedwingen was, zond Cestius Gallus alsnog een verslag aan Nero waarin hij Florus verantwoordelijk stelde voor de gang van zaken. Nero riep Florus daarop terug naar Rome.

Beschuldiging van Josephus[bewerken]

Flavius Josephus beschuldigt Florus ervan met opzet de Joodse Opstand uitgelokt te hebben.[1] Volgens Josephus probeerde Florus op die manier te voorkomen dat hij zich in Rome zou moeten verantwoorden voor zijn corrupte gedrag. Omdat deze beschuldiging echter goed past bij een thematiek die Josephus telkens in zijn werk naar voren haalt (namelijk dat niet de Joden, maar de Romeinen uiteindelijk verantwoordelijk zijn voor de Joodse Opstand), is het moeilijk te beoordelen of Josephus' beschuldigingen terecht zijn of niet. De uitwerking van Florus' maatregelen maakt echter wel duidelijk dat we ofwel Josephus gelijk te geven, ofwel te constateren dat Florus de situatie in Judea volkomen verkeerd heeft ingeschat.

Latere carrière[bewerken]

Hoe Nero over Florus' handelwijze in Judea heeft geoordeeld, is niet bekend. In elk geval had het voor Florus geen blijvende politieke consequenties, aangezien hij na de Joodse Opstand optreedt als procurator.

Noten[bewerken]

  1. Josephus, De Joodse Oorlog 2, 282-284