Kerkelijk ambt

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Met ambt wordt, binnen de verschillende stromingen van het christendom, een officiële taak binnen de gelovige gemeenschap (een parochie of gemeente) bedoeld. Voorbeelden zijn liturgische voorganger, bestuurder, koster.

Binnen de Rooms-Katholieke Kerk zijn er de volgende ambten: paus, bisschop, priester en diaken. In de protestantse kerken zijn er de ambten van predikant, ouderling (ook wel oudste) en diaken, soms aangevuld met doctor (hoogleraar op theologische universiteit), evangelist of superintendent. In evangelische kerkgemeenschappen worden termen als voorganger en oudste gehanteerd.

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Het woord 'ambt' komt in de grondtekst van het Nieuwe Testament niet voor (wel in vertalingen). Volgens nieuwtestamenticus Versteeg vermijdt het Nieuwe Testament bewust alle termen, die destijds, in de klassieke oudheid, in religieus- en maatschappelijk-ambtelijk opzicht gangbaar waren.[1] Het Nieuwe Testament gebruikt als christelijke ambtsaanduiding de term diakonia, dat 'dienst' betekent. Paulus noemt zichzelf, en allen, die "in het Evangelie arbeiden" dikwijls 'diakonoi'. Velen spreken daarom liever van 'diensten' en 'bedieningen (zoals het Engelse 'ministry') dan van ambten en ambtsdragers.

Kerkelijke ambten ontwikkelden zich geleidelijk in de periode van het Nieuwe Testament en daarna. In de begintijd van de kerk koos de gemeente in Jeruzalem op initiatief van de apostelen, toen de verzorging van Griekse weduwen in deze stad werd verwaarloosd, allereerst diakenen. In de navolgende periode wordt in het Nieuwe Testament ook gesproken over het functie van oudste, profeet, evangelist, herder en leraar, diakones en profetes.

In de Rooms-Katholieke Kerk ontwikkelde de ambtenstructuur zich vervolgens tot een meer uitgebreide hiërarchie. Eenvoudig gezegd werkt de ambtsstructuur binnen de Rooms-Katholieke Kerk van boven (met de Paus als hoogst) naar beneden; bisschop, priester, diaken. Johannes Calvijn (her)ontdekte in de tijd van de Reformatie de functie van de ouderling. Oepke Noordmans zei hierover: 'Toen Calvijn op het bord de pion van de ouderling trok, zette hij daarmee de paus schaakmat'. Naar de naam van de ouderling (in het Latijn: presbyter) is de vorm van het kerkrechtelijk stelsel van de kerken van de calvinistische reformatie genoemd: de presbyteriaal-synodale kerkregering. Kenmerkend de kerken met deze vorm van kerkregering is dat taken die in episcopaalse kerken (zoals de Rooms-Katholieke Kerk) zijn voorbehouden aan een bisschop, hier worden uitgeoefend door leken. Deze leken worden presbyters of ouderlingen genoemd.

Binnen het gereformeerd protestantisme werkt de ambtsstructuur van beneden naar boven. De Nederlandse Geloofsbelijdenis kent drie ambten, de Dordtse Kerkorde kent vier ambten. In de praktijk zijn er veelal drie ambten: van ouderlingen, predikant en diakenen. Die kunnen worden aangevuld met het ambt van doctoren en evangelisten. Op plaatselijk niveau vormen de ouderlingen samen de kerkenraad die het hoogste gezag heeft. De kerkenraad vaardigt ouderlingen af naar een classis of regionale synode, zij vaardigt op haar beurt weer ouderlingen af naar een nog bredere kerkelijke vergadering, zoals een landelijke synode.

Binnen het gereformeerd protestantisme ontleent de ambtsdrager zijn gezag niet aan zijn zichzelf, zijn benoeming, heiligheid of waardigheid. Een ambtsdrager ontleent zijn gezag aan het Woord (de Bijbel) dat hij dient (in prediking, pastoraat of diaconaat).

Rooms-Katholieke Kerk[bewerken | brontekst bewerken]

Binnen de Rooms-Katholieke Kerk zijn er drie ambten:

Deze worden door een bisschop gewijd door middel van handoplegging en gebed. Een bisschop wordt door drie bisschoppen gewijd en enkel met toestemming van het Vaticaan.

Eisen binnen het protestantisme[bewerken | brontekst bewerken]

De ouderlingen en diakenen worden binnen protestantse kerken democratisch verkozen. Gemeenteleden dienen de namen in van kandidaten die ze geschikt achten voor de functies. Het gaat er om dat de gemeenteleden gaven en talenten waarnemen, maar ook kunnen toetsen op de Bijbelse principes (zie hieronder). Deze kandidaten voor het ambt van ouderling en diaken hoeven geen speciale opleiding te hebben gevolgd, maar wel wordt er van ze verwacht dat ze de taak geestelijk aankunnen, en ze van onberispelijk gedrag zijn, zoals weergegeven staat in hoofdstuk 3 van het Bijbelboek Eerste brief van Paulus aan Timoteüs (kortweg 1 Timoteüs).

Over ouderlingen staat het volgende in 1 Timoteüs 3:2-7:

Een opziener moet onberispelijk zijn. Hij kan slechts de man van één vrouw zijn en hij moet sober, bezonnen, gematigd, gastvrij en een goede leraar zijn. Hij mag niet te veel drinken of driftig zijn, maar hij moet vredelievend en vriendelijk zijn, en niet geldzuchtig. Hij moet zijn huisgezin goed leiden en op een waardige manier gezag over zijn kinderen uitoefenen. Als iemand geen leiding kan geven aan zijn huisgezin, hoe zou hij dan voor de gemeente van God kunnen zorgen? Hij mag ook niet iemand zijn die net bekeerd is; anders raakt hij verblind en valt hij ten prooi aan de duivel. Verder moet hij buiten de gemeente een goede reputatie hebben, zodat hij niet in opspraak komt en door de duivel wordt gestrikt.

Over diakenen wordt geschreven in de volgende alinea, uit 1 Timoteüs 3:8-13:

Ook een diaken moet zich waardig gedragen. Hij moet oprecht zijn, mag niet overmatig veel wijn drinken en niet hebzuchtig zijn; hij moet vasthouden aan het mysterie van het geloof, met een zuiver geweten. Ook hij moet eerst op zijn geschiktheid worden getoetst; pas daarna, als blijkt dat hij een onberispelijk mens is, kan hij zijn dienst verrichten. Dit geldt ook voor de vrouwen: ook zij moeten zich waardig gedragen, ze mogen niet kwaadspreken en moeten sober en in alles betrouwbaar zijn. Een diaken mag maar één vrouw hebben en moet goed leiding geven aan zijn kinderen en zijn huisgenoten. Degenen die hun dienst goed verrichten, verwerven aanzien en kunnen door hun geloof in Christus Jezus vrijuit spreken.

Nadat de kandidaten hebben aangegeven dat ze deze taak op zich willen nemen, en er geen bezwaren zijn ingediend tegen de voorgedragen personen, wordt er gestemd. Na de stemming maakt de kerkenraad bekend wie tot ouderling of diaken verkozen is. Deze wordt vervolgens in de kerkdienst bevestigd door de predikant en de kerkenraad.

Aanstelling tot een ambt[bewerken | brontekst bewerken]

In veel protestantse gemeenten worden ambtsdragers voorgedragen en verkozen door de belijdende leden van de gemeente, de ouderlingen en diakenen moeten lid zijn van de eigen gemeente, de predikant (als ouderling met een bijzondere opdracht) komt juist van buiten de plaatselijke gemeente. De aanstelling van de diakenen en ouderlingen kent minder uiterlijk vertoon dan die van de predikant, maar vindt altijd plaats tijdens een kerkdienst. De dienst waarin iemand tot predikant wordt bevestigd wordt vaak geleid door de consulent of de vorige predikant van de gemeente. Wanneer een predikant (voor het eerst) het ambt ontvangt is er vaak een ceremonie waarbij de aanstaande predikant - terwijl hij knielt - de handen krijgt opgelegd van andere predikanten, professoren of ouderlingen. In afgescheiden kerken is het gebruikelijk dat ouderlingen een open Bijbel boven het hoofd van de aanstaande predikant houden. Voor een ambt word je dus uitgekozen of geroepen en vervolgens binnen het protestantisme aangesteld of in meer hiërarchische kerken gewijd.

Vrouwen in het ambt[bewerken | brontekst bewerken]

Volgens sommigen was er in het Nieuwe Testament sprake van een vrouwelijke apostel (Junia). Over de vrouwelijke diaken (Phoebe) is meer eensgezindheid. Toch zijn er ook in het Nieuwe Testament teksten die de rol van vrouwen in kerkelijke functies beperken.

Maarten Luther zag geen formele bezwaren tegen vrouwen die de Schrift zouden uitleggen. En Johannes Calvijn wilde vrouwelijke diakenen of diaconessen aanstellen, maar hij kreeg hier geen goedkeuring voor van de Raad van Genève.

Over vrouwen in het ambt is de laatste decennia veel commotie. Binnen sommige protestantse kerken is het al aan de orde. De Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland (die sinds 2004 beide zijn opgegaan in de PKN) kenden al enige jaren de vrouwen in het ambt van ouderling en diaken. In vrijzinnige kerken als de Algemene Doopsgezinde Sociëteit en de Remonstrantse Broederschap mochten vrouwen al veel langer, sinds het begin van de 20e eeuw, kerkelijke ambten bekleden (waaronder ook het ambt van predikant).

Ook in sommige Nederlands Gereformeerde Kerken zijn er vrouwen in het ambt. Het was al het geval binnen enkele gemeentes, maar sinds eind 2004 is officieel besloten dat het kerkgenootschap naar buiten uitdraagt dat zij positief staat tegenover vrouwen in het ambt. De verschillende kerken mogen echter zelf per gemeente bepalen of zij dit daadwerkelijk in hun eigen gemeente toepassen. In de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt zijn in 2017 alle ambten opengesteld voor vrouwen.

Er wordt hier en daar wel gezegd dat de keuze voor vrouwen in het ambt niet zo zeer een kwestie is van emancipatie, maar eerder bittere noodzaak als gevolg van het feit dat de mannen het laten afweten. De discussie over vrouw en ambt gaat over de uitleg van enkele bijbelteksten en de betekenis van die bijbelteksten nu.

Referenties[bewerken | brontekst bewerken]

  1. J.P. Versteeg, Kijk op de kerk. De structuur van de gemeente volgens het Nieuwe Testament. (Kampen, 1985)