Kerkelijk ambt

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Met ambt wordt in de christelijke oecumene de feitelijke (liturgische) voorganger van de gelovige gemeenschap bedoeld.

Binnen de Rooms-Katholieke Kerk zijn dat paus, bisschop, priester en diaken. In de protestantse kerken zijn dit predikant, ouderling (ook wel oudste) en diaken. In evangelische kerkgemeenschappen worden termen als voorganger en oudste gehanteerd.

Aanstelling tot een ambt[bewerken]

Voor een ambt word je uitgekozen of geroepen en vervolgens aangesteld of gewijd.

Geschiedenis[bewerken]

Kerkelijke ambten ontwikkelden zich geleidelijk in de periode van het Nieuwe Testament en daarna. In de begintijd van de kerk koos de gemeente in Jeruzalem op initiatief van de apostelen, toen de verzorging van Griekse weduwen in deze stad werd verwaarloosd, allereerst diakenen. In de navolgende periode wordt in het Nieuwe Testament ook gesproken over het ambt van oudste, profeet, evangelist, herder en leraar, engel, diakones en profetes.

In de Rooms-Katholieke Kerk ontwikkelde de ambtenstructuur zich vervolgens tot een meer uitgebreide hiërarchie.

Het gereformeerd protestantisme kent drie ambten: van ouderlingen, predikant en diakenen. Op plaatselijk niveau vormen zij samen de kerkenraad die het hoogste gezag heeft. Daarnaast bestaat gewoonlijk een landelijke synode.

Rooms-Katholieke Kerk[bewerken]

Binnen de Rooms-Katholieke Kerk zijn er drie ambten:

Deze worden door een bisschop gewijd door middel van handoplegging en gebed. Een bisschop wordt door drie bisschoppen gewijd en enkel met toestemming van het Vaticaan.

Protestantse kerk[bewerken]

De ouderlingen en diakenen worden binnen protestantse kerken democratisch verkozen. Gemeenteleden dienen de namen in van kandidaten die ze geschikt achten voor de functies. Deze kandidaten hoeven geen speciale opleiding te hebben gevolgd, maar wel wordt er van ze verwacht dat ze de taak geestelijk aankunnen, en ze van onberispelijk gedrag zijn, zoals weergegeven staat in hoofdstuk 3 van het Bijbelboek Eerste brief van Paulus aan Timoteüs (kortweg 1 Timoteüs).

Over ouderlingen staat het volgende in 1 Timoteüs 3:2-7:

Een opziener moet onberispelijk zijn. Hij kan slechts de man van één vrouw zijn en hij moet sober, bezonnen, gematigd, gastvrij en een goede leraar zijn. Hij mag niet te veel drinken of driftig zijn, maar hij moet vredelievend en vriendelijk zijn, en niet geldzuchtig. Hij moet zijn huisgezin goed leiden en op een waardige manier gezag over zijn kinderen uitoefenen. Als iemand geen leiding kan geven aan zijn huisgezin, hoe zou hij dan voor de gemeente van God kunnen zorgen? Hij mag ook niet iemand zijn die net bekeerd is; anders raakt hij verblind en valt hij ten prooi aan de duivel. Verder moet hij buiten de gemeente een goede reputatie hebben, zodat hij niet in opspraak komt en door de duivel wordt gestrikt.

Over diakenen wordt geschreven in de volgende alinea, uit 1 Timoteüs 3:8-13:

Ook een diaken moet zich waardig gedragen. Hij moet oprecht zijn, mag niet overmatig veel wijn drinken en niet hebzuchtig zijn; hij moet vasthouden aan het mysterie van het geloof, met een zuiver geweten. Ook hij moet eerst op zijn geschiktheid worden getoetst; pas daarna, als blijkt dat hij een onberispelijk mens is, kan hij zijn dienst verrichten. Dit geldt ook voor de vrouwen: ook zij moeten zich waardig gedragen, ze mogen niet kwaadspreken en moeten sober en in alles betrouwbaar zijn. Een diaken mag maar één vrouw hebben en moet goed leiding geven aan zijn kinderen en zijn huisgenoten. Degenen die hun dienst goed verrichten, verwerven aanzien en kunnen door hun geloof in Christus Jezus vrijuit spreken.

Nadat de kandidaten hebben aangegeven dat ze deze taak op zich willen nemen, en er geen bezwaren zijn ingediend tegen de voorgedragen personen, wordt er gestemd. Na de stemming maakt de kerkenraad de broeder bekend die tot ouderling of diaken verkozen is. Deze wordt vervolgens in de kerkdienst bevestigd door de predikant en de kerkenraad.

Vrouwen in het ambt[bewerken]

Over vrouwen in het ambt is de laatste decennia veel commotie. Binnen sommige protestantse kerken is het al aan de orde. De Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland (die sinds 2004 beide zijn opgegaan in de PKN) kenden al enige jaren de vrouwen in het ambt van ouderling en diaken. In vrijzinnige kerken als de Algemene Doopsgezinde Sociëteit en de Remonstrantse Broederschap mochten vrouwen al veel langer, sinds het begin van de 20e eeuw, kerkelijke ambten bekleden (waaronder ook het ambt van predikant).

Ook in sommige Nederlands Gereformeerde Kerken zijn er vrouwen in het ambt. Het was al het geval binnen enkele gemeentes, maar sinds eind 2004 is officieel besloten dat het kerkgenootschap naar buiten uitdraagt dat zij positief staat tegenover vrouwen in het ambt. De verschillende kerken mogen echter zelf per gemeente bepalen of zij dit daadwerkelijk in hun eigen gemeente toepassen.

Er wordt hier en daar wel gezegd dat de keuze voor vrouwen in het ambt niet zo zeer een kwestie is van emancipatie, maar eerder bittere noodzaak als gevolg van het feit dat de mannen het laten afweten.