Allegorie (letterkunde)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een allegorie in de literatuur is een uitgewerkte (of 'doorgevoerde') metafoor: een symbolische voorstelling van een idee dat gedurende het gehele gedicht, verhaal of boek wordt volgehouden. Het verschil met de homerische vergelijking is dat de laatste een deel van het literaire werk is, terwijl de allegorie het gehele werk is.[1]

Voorbeelden[bewerken | brontekst bewerken]

Bekende allegorieën zijn:

In een allegorie worden abstracte begrippen voorgesteld als personen (Jaloezie, Dood, Deugd enz.). In de middeleeuwen was de allegorie vooral didactisch van aard: men kon zich de begrippen als personen voorstellen en ze aldus beter doorgronden.

Ook in de beeldende kunst komt de allegorie voor.

Christendom[bewerken | brontekst bewerken]

Er is een verschil tussen allegorische gedeelten in de Bijbel (zoals de bijvoorbeeld de fabel van Jotam en de gelijkenissen van Jezus) en de allegorische uitleg van historische gedeelten. Sommige gedeelten in de Bijbel zijn niet bedoeld als geschiedschrijving of geschikt voor een letterlijke interpretatie. Met name in de Vroege Kerk werd het Oude Testament allegorisch uitgelegd. Ook geschiedschrijving werd historisch uitgelegd. Voorbeelden zijn de uitleg van de geschiedenis waarbij de verspieders bij de hoer Rachab in Jericho komen en zij hen laat ontsnappen via een rood touw. Een allegorische verklaring is dat alle mensen gered worden door te geloven in het rode bloed van Christus. Het probleem dat men hier tegenwoordig steeds meer bij heeft is dat het geen recht doet aan de oorspronkelijke bedoeling van de auteur. Daarnaast wordt de liefde die beschreven staat in het bijbelboek Hooglied vaak uitgelegd als de liefde van Christus voor zijn gemeente.

Al voor het christendom ontstond, legden Joden in Alexandrië de Bijbel allegorisch uit. De vroege christenen namen deze Bijbeluitleg gedeeltelijk over, onder andere ter verdediging van het christelijk geloof en de autoriteit van het Oude Testament als behorend tot de christelijke canon tegen Marcion, de gnostici en de niet-christelijke Joden. Origines kende een drievoudige schriftzin, analoog aan het menselijk lichaam: Het lichaam is de literaire zin van de tekst, de ziel is de morele zin van de tekst en de geest is de geestelijke zin van de tekst. Augustinus voegde later een vierde schriftzin toe: de eschatologische.

Ook de schrijvers van het Nieuwe Testament kenden allegorie. Een allegorische Bijbeluitleg vinden we hier en daar in het Nieuwe Testament, bijvoorbeeld in 1 Korintiërs 10:4.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Zie de categorie Allegories van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.