Oude Testament

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Introductie in de Gutenbergbijbel door de vertaler Hiëronymus van Stridon in het Latijn

Het Oude Testament (Vetus Testamentum in het Latijn), is het eerste gedeelte van de Bijbel. Dit gedeelte dateert van voor het begin van de christelijke jaartelling. Daarna is een tweede gedeelte toegevoegd, het Nieuwe Testament.

Volgens de protestantse traditie bevat het Oude Testament (O.T.) dezelfde boeken als de Hebreeuwse Bijbel, de Tenach, maar alleen in een andere volgorde. In de Rooms-katholieke Kerk en de oosters-orthodoxe kerken bevat het Oude Testament ook nog enkele boeken die in het Grieks zijn overgeleverd. Joden erkennen het Nieuwe Testament niet als een heilig boek en duiden de Tenach dan ook niet aan met de term Oude Testament[1]. Wetenschappers gebruiken de term "Hebreeuwse Bijbel" voor het Oude Testament.

Inhoud en canon[bewerken]

Het Oude Testament bevat boeken van verschillende inhoud. Er zijn wat men noemt 'historische boeken' (niet zo zeer geschiedschrijving als wel theologie) die de overgeleverde verhalen van het Joodse volk bevatten, boeken met uitspraken van profeten, wetboeken en boeken met liederen en spreuken. Het is tevens de literatuur van het volk Israël. Ongeveer een derde deel is poëzie.

Binnen de christelijke kerken is de samenstelling van het Oude Testament niet overal gelijk. Enkele Bijbelboeken en delen van boeken maken wel deel uit van de rooms-katholieke en de oosters-orthodoxe canon maar niet van de protestantse canon. In de rooms-katholieke Kerk staan deze bekend als deutero-canonieke boeken; in de protestantse Kerken worden ze Apocriefen van het Oude Testament genoemd. Het katholieke Oude Testament heeft daarmee 46 boeken. De protestantse inhoud van het Oude Testament is gelijk aan die van de Tenach, namelijk 39 boeken, maar de volgorde verschilt[2].

Interpretatie van het Oude Testament[bewerken]

Christenen noemen de Hebreeuwse Bijbel het "Oude Testament", omdat zij geloven dat God door de komst van Christus het verbond vernieuwde en toegankelijk maakte voor niet-joden, zoals beschreven is in het Nieuwe Testament. In de (anonieme) Brief aan de Hebreeën, worden het Oude en het Nieuwe Testament met elkaar vergeleken[3]. Joden stellen met een witz dat deze boeken noch oud zijn, noch een testament vormen. Het verschil zit hem in de interpretatie van het Hebreeuwse woord 'berith' dat niet per se 'testament' betekent. De schrijver van Hebreeën concludeert dat, ingeval het 'testament' zou betekenen, er sprake moet zijn van de dood van de erflater[4]. In de Septuagint, de Griekse vertaling is dit vertaald met 'diatheke', wat de betekenis 'verbond' heeft[5]. Ook gebruikt de schrijver van de Hebreeënbrief teksten uit het Oude Testament waarin de profeet Jeremia zegt dat God een nieuw verbond gaat sluiten met het huis van Israël en het huis van Juda[6],

Christenen geloven dat zowel het Oude als het Nieuwe Testament geïnspireerd zijn door de Heilige Geest; hierin wordt volgens velen aangetoond dat veel beloftes en profetieën van het Oude Testament zijn vervuld en dat daardoor een nieuw tijdperk is ingegaan.
De vroege Kerk had geen andere Bijbel dan het Oude Testament, waarnaar zowel Jezus als de apostelen verwezen. Christus vereenzelvigde zich in de Evangeliën, onder verwijzing naar teksten in het Oude Testament, met de oudtestamentische naam "Mensenzoon" en "Knecht des Heren" die het verbond met God vernieuwde. Daarmee werd de Hebreeuwse Bijbel een nieuw boek.[7]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]