Verzoeningsleer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Deel van een serie artikelen over het
christendom
Christendom
..Pijlers
..Christelijke feesten

Portaal  Portaalicoon  Christendom

De verzoeningsleer is de christelijke leer dat door Jezus Christus verzoening is bewerkstelligd tussen God en de zondige mensheid. De klassiek christelijke visie op verzoening houdt nauw verband met de heilshistorie, die men kan beschrijven met de drieslag schepping - zondeval - verlossing. God schiep de wereld, de mens viel toen in zonde, maar God verlost de mens door Jezus Christus. Volgens veel theologen is de verzoeningsleer het centrale leerstuk van het christendom. Toch is er nooit een algemeen aanvaarde leer vastgesteld.

Vroege christendom[bewerken]

Historische Jezus[bewerken]

Jezus' centrale boodschap was dat Gods nieuwe wereld ("het koninkrijk van God") op het punt stond aan te breken, niet dat hij ging sterven voor de mensheid. Het is historisch vrijwel onmogelijk om na te gaan of Jezus van Nazaret zijn dood heeft gezien als een sterven voor anderen. Het oudste evangeliemateriaal (Marcus 10:45 en 14:24) kan ingekleurd zijn door latere christelijke voorstellingen.[1] Wel is de voorstelling van Jezus' dood als sterven voor anderen in de oudste lagen van het Nieuwe Testament te vinden.

Nieuwe Testament[bewerken]

Dat God en mens verzoend zijn door Jezus Christus, is een gedachte die regelmatig in het Nieuwe Testament voorkomt, vooral in de brieven van Paulus en anderen. De oudste brieven grijpen terug op bestaande tradities (bijvoorbeeld 1 Tessalonicenzen 5:9-10), wat erop wijst dat de interpretatie van Jezus' dood als heilbrengend "voor ons" (de christenen) heel oude papieren heeft. In het Nieuwe Testament is geen uitgewerkte verzoeningsleer te vinden. Alleen de Brief aan de Hebreeën gaat uitgebreider in op de dood van Jezus als eenmalig offer van het nieuwe verbond in contrast met de steeds herhaalde offers van het oude verbond.

Kerkvaders[bewerken]

In de vroege kerk leerde men dat Gods redding tot stand kwam door de menswording, het leven, de dood en de opstanding van Jezus Christus, die God uit liefde naar de wereld gezonden had. Een belangrijke gedachte, die bijvoorbeeld bij Irenaeus (2e eeuw n.Chr.) en Athanasius van Alexandrië (4e eeuw n.Chr.) is te vinden, is dat Christus mens werd, stierf en weer opstond, zodat de mens, verlost van dood en vergankelijkheid, goddelijk kon worden (vgl. 2 Petrus 1:4).

Augustinus leerde dat de mens in het paradijs in staat was zonder zonde te leven (posse non peccare). Maar door de zondval was de mens niet meer in staat niet te zondigen (non posse non peccare). In de hemel zou de verloste mens niet meer in staat zijn in zonde te vallen (non posse peccare). In de vroege kerk bij Augustinus en zeker in de middeleeuwen komt steeds meer de nadruk te liggen op de verlossing van de duivel, het kwaad en de zonde. Een populaire theorie was dat door de zondeval de mensheid in de macht van de duivel was, zodat de dood en het kwaad over de mens heersten. Maar door Jezus te doden is de duivel in de val gelopen, omdat Jezus uit de doden opstond en zo de macht van de duivel en de dood overwon.

Anselmus van Canterbury[bewerken]

De elfde eeuw was een periode van bloei in het Westen. Met de bloei van de vroege scholastiek dient vooral de naam van Anselmus van Canterbury (1033-1109 n.Chr.) te worden verbonden. Hij ontvouwde zijn invloedrijke verzoeningsleer in het werkje Cur Deus homo ("Waarom God mens werd"). Dit was de eerste filosofisch uitgewerkte verzoeningsleer, zonder beroep op de Bijbel.

De leer van Anselmus duidt men doorgaans aan als de satisfactieleer of "verzoening door voldoening". Deze leer, die een nogal zakelijk karakter heeft, valt goed te verstaan tegen de achtergrond van het feodale tijdperk. Anselmus stelt God voor als een feodaal vorst die in zijn eer is aangetast omdat de mens, die hij geschapen had om hem vrijwillig te dienen, zich vrijwillig onder de macht van de duivel had gesteld. Overigens is de eer van God gelegen in de orde en de schoonheid van de schepping, want volgens Anselmus kan God zelf natuurlijk niet aangetast worden. Gods rechtvaardigheid eist nu óf straf óf genoegdoening voor de wanorde die de mens door de zonde heeft aangericht. Maar de mens kan die vergoeding niet opbrengen omdat die niet eens meer in staat is zondeloos te leven. Aan de andere kant wil God niet overgaan tot straffen omdat dan zijn doel met de schepping in gevaar komt en hij de mensen liefheeft. Anselmus stelt dan dat het noodzakelijk is dat God mens werd om aan God voldoening te geven. De schuld is immers van de mensen, maar alleen God kan die schuld betalen. Deze God-mens leeft vrijwillig tot eer van God. Omdat deze God-mens de verdienste die uit dit leven voortvloeit zelf niet nodig heeft, komt deze ten goede aan zondaren.

Petrus Abaelardus[bewerken]

Petrus Abaelardus (1079-1142 n.Chr.) wordt meestal als de tegenvoeter van Anselmus gezien. Hij verzette zich in zijn Commentaar op de brief van Paulus aan de Romeinen tegen de gedachte dat God het bloed van zijn Zoon zou hebben geëist als genoegdoening voor de zonden van de mensheid. Hij meent weliswaar dat Christus' werk de zonde van de mensen verzoent, maar legt de nadruk op de gedachte dat Christus het voorbeeld is dat de mensen moeten navolgen en hen tot wederliefde aansteekt.

In de latere beeldvorming zijn Anselmus (juridische verzoeningsleer) en Abaelardus (verzoening door liefde) vaak tegenover elkaar uitgespeeld. Maar hoewel ze de verzoening verschillend benaderen, namelijk van de kant van God en van de kant van de mens, zijn er meer overeenkomsten dan verschillen tussen beide theologen.[2]

De Heidelbergse Catechismus[bewerken]

De Heidelbergse Catechismus vertegenwoordigt de klassieke calvinistische leer. De verzoeningsleer in deze Catechismus wordt uiteengezet in de afdelingen ("zondagen") 3-6. De mens is "ganselijk onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad." God "vertoornt Zich schrikkelijk" over de zonden, "en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwiglijk straffen." "Zijn gerechtigheid eist dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft worde." Wij moeten "óf door onszelven, óf door een ander, volkomenlijk betalen." De mens kan niet betalen, maar Jezus Christus, die tegelijk mens en God is, kan dat wel.

Deze verzoeningsleer is duidelijk geënt op de leer van Anselmus, maar legt ook andere accenten. Anselmus maakt bijvoorbeeld onderscheid tussen genoegdoening en straf, terwijl in de Heidelbergse Catechismus genoegdoening en straf samenvallen. Critici van de klassieke calvinistische opvatting noemen deze leer wel "bloed-theologie", omdat God eerst bloed zou moeten zien voordat hij de zonden zou kunnen vergeven.

Zie ook[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. M. de Jonge, Christologie in context. Jezus in de ogen van zijn eerste volgelingen. Maarssen, 1992, 292-295.
  2. G.H. Borger-Koetsier, Verzoening tussen God en mens in Christus. Theologiehistorisch onderzoek naar de opvattingen in het twintigste-eeuwse Nederland. Zoetermeer, 2006, 37-39.