Tekstkritiek van de Bijbel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Tekstkritiek van de Bijbel tracht de oorspronkelijke tekst van het Oude Testament en het Nieuwe Testament vast te stellen door de werkwijze van de tekstkritiek toe te passen op de oude Bijbelse handschriften. Tekstkritiek van de Bijbel wordt ook wel "lagere kritiek" genoemd en is een andere discipline dan hogere schriftkritiek. Hogere kritiek houdt zich bezig met datum van ontstaan, schrijver en eenheid van de Bijbelboeken. De Bijbelse tekstkritiek of lagere kritiek houdt zich bezig met het vergelijken van varianten van oude Bijbelse handschriften.

Fouten[bewerken]

Bij het overschrijven kunnen allerlei fouten in de tekst zijn geslopen. Zo kan de kopiërende schrijver

  • Per ongeluk een (gedeelte van een) vers verdubbelen (dittografie) of overslaan (omissie). Dat zal vooral gebeuren als het einde of het begin van twee zinnen gelijk zijn aan elkaar (homoioteleutikon of homoioarcton).
  • Een ander voorbeeld is dat soms "onze" en "uw" (of "jullie") verwisseld zijn, omdat bij het dicteren ΗΜΩΝ (hêmoon) en ΥΜΩΝ (humoon) moeilijk te onderscheiden zijn, omdat ze vaak beide werden uitgesproken als himoon (jotacisme).
  • Bij het kopiëren van een tekst konden letters verward worden, bijvoorbeeld De Hebreeuws D W en R: , ד,ו,ר of in het Grieks de Th en de O (θ , O) of de dubbel L en de M (ΛΛ en Μ) en andere.
  • Wanneer de fout in de tekst bij een volgende kopieerronde werd opgemerkt trachtte men die te verbeteren en voegde zo soms juist een fout toe.

Daarnaast heeft men soms

  • teksten willen verduidelijken,
  • fouten verbeterd en daardoor fouten toegevoegd,
  • gelijkluidende maar ietwat verschillende Bijbelteksten aan elkaar aangepast,
  • een opmerking die in de kantlijn was geplaatst in een volgende kopie opgenomen in de Bijbeltekst (een glosse),
  • toegegeven aan de psychologisch verklaarbare reden om meer toe te voegen dan te verwijderen.[1]

Met name het Nieuwe Testament kent duizenden variabele lezingen, die echter meestal weinig invloed hebben op de betekenis van een passage of voor de betekenis van het betreffende bijbelboek. De grote lijn van de Bijbelteksten is betrouwbaar overgeleverd. Zowel de tekst van het Oude Testament als de tekst van het Nieuwe Testament is door vondsten van oude handschriften in de regel bevestigd. Variaties hebben meestal betrekking op details.[2]

Tekstfamilie[bewerken]

Soms zijn er zoveel handschriften beschikbaar, dat het ondoenlijk is om elk handschrift afzonderlijk te beoordelen. Het is dan nuttiger de handschriften te groeperen in families of teksttypes. Degenen die de handschriften vervaardigd hebben, beschikten niet over het origineel. Voor de uitvinding van de boekdrukkunst was de enige manier om boeken te vermenigvuldigen, kopieën te maken van de ene kopie die men in bezit had. Dat kon door stuk voor stuk overschrijven, of door het boek voor te lezen aan een groep mensen van wie de leden dan elk één kopie vervaardigden. Het gevolg van deze procedure is natuurlijk dat een fout in het handschrift dat gekopieerd werd, in alle kopieën terecht kwam en een fout bij het voorlezen eveneens. De kopieën dienden zelf ook weer als model, waardoor de fout vermenigvuldigd werd. Hierdoor ontstonden op den duur tekstfamilies.

Dode Zee-rollen; Fragmenten uit grot 4; De fragmenten van de Dode Zeerollen vormden een enorme legpuzzel, die met geduld en computers zo goed mogelijk is opgelost...
Codex Ephraemi Rescriptus, in de Bibliothèque nationale de France, Parijs. dit handschrift bevatte een middeleeuws heiligenleven. dat over de bijbeltekst heen geschreven was, die daardoor moeilijk te ontcijferen is.
Papyrus 4; (ca 250) het materiaal waarop de tekst gevonden is, was gebruikt om een filosofisch boek mee in te binden.

Oude Testament: meerdere teksttypen[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie ook handschriften van het Oude Testament

De Masoreten, door wie de belangrijkste tekst van het Oude Testament aan ons is overgeleverd, waren tekstcritici voordat het woord was uitgevonden. Zij telden hoe vaak een woord in hun tekst voorkwam, bepaalden hoeveel woorden een boek of een gedeelte had en welk woord precies in het midden van een boek stond. Dachten zij een fout aan te treffen, dan verbeterden zij die niet, maar plaatsten de klinkers van de voorgestelde verbetering tussen de medeklinkers van het woord uit hun tekst. In de kantlijn plaatsten ze dan de voorgestelde verbetering (Quere). Oude, moeilijk leesbare handschriften werden uit voorzorg plechtig begraven, na tijdelijk opgeslagen te zijn geweest in de genizah (opslagruimte) van de synagoge. De oudste Masoretische handschriften van het Oude Testament zijn dan ook naar verhouding niet oud (rond het jaar 1000), maar de tekst is zo betrouwbaar, dat ook een "kritische" editie als de Biblia Hebraica Stuttgartiensa in principe de tekst weergeeft van de Codex Leningradensis. (MT = Masoretische Tekst.) Toch hadden tekstcritici nog wel iets van doen met het Oude Testament. Sommige onduidelijke gedeelten konden worden opgehelderd met de oude Griekse vertaling de Septuagint of met de Samaritaanse Pentateuch. Tussen 1947 en 1956 werden de Dode Zeerollen gevonden, die ten tijde van de opstand tegen de Romeinen, vóór het jaar AD 70, in veiligheid waren gebracht. Daarmee is het mogelijk onzekere passages uit het Oude Testament te onderzoeken met behulp van handschriften van voor of hooguit rond het begin van de jaartelling. Het Masoretische teksttype is ook aangetroffen in de Dode Zeerollen, en blijkt dus minstens duizend jaar lang vrijwel foutloos overgeleverd te zijn. Ook de op vrijere wijze overgeleverde teksttypes dat we kennen van de Septuagint en de Samaritaanse Pentateuch, blijkt in de Dode Zeerollen al aanwezig en nog minstens één andere tekstfamilie.

Ouderdom en indeling van de handschriften van het Nieuwe Testament[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie ook Handschriften van het Nieuwe Testament

De handschriften van het Nieuwe Testament zijn in drie of vier families in te delen.

Vanaf het eind van de 19e eeuw heeft men ongeveer 120 fragmenten van het kwetsbare papyrus met teksten van het Nieuwe Testament gevonden. Bijvoorbeeld de papyrus 52, een snipper Johannes evangelie uit 125 – 150 na Christus of de papyrus 66 en de papyrus 75 uit ongeveer 200. Het blijkt dat deze oude papyri vaak niet in te delen zijn in een van de klassieke families. De tekst van de Papyri is vaak nog vrij, bijvoorbeeld Papyrus 45; 46 en 66 tonen dat de tekst nog niet geheel vast lag. Een vaste tekst, overeenkomend met de Codex Vaticanus geeft onder meer Papyrus 75. Aland onderscheidt daartussen in een normale tekst, die hij vindt in Papyrus 4, 5, 12 en andere. De tekst van sommige Papyri lijkt een voorloper van de Westerse tekst die Aland liever D-tekst noemt, omdat deze tekst volgens hem niet in het westen is ontstaan.[3]

Nuvola single chevron right.svg voor een vrijwel volledig overzicht van de ouderdom en de bruikbaarheid van de handschriften: Categorieën van manuscripten van het Nieuwe Testament

Veel Bijbelgedeelten worden geciteerd door oude schrijvers, de Kerkvaders. Natuurlijk zijn ook hun geschriften vaak alleen als kopie beschikbaar, maar het grote belang van deze citaten is, dat we weten waar en wanneer de schrijvers leefden. Daardoor kan een bepaalde tekstfamilie gedateerd en gelokaliseerd worden.

Versies van het Nieuwe Testament[bewerken]

Het eerste Griekse Nieuwe Testament dat (in 1516) in druk verscheen, was geredigeerd door Erasmus. De tekst kwam van een vijftal minuskelhandschriften van de Byzantijnse tekstfamilie. Vervolgens verschenen steeds edities van ongeveer deze tekst, waarbij steeds meer minuskelhandschriften verwerkt werden, die eveneens tot de Byzantijnse tekstfamilie behoorden. Deze tekst werd de brontekst voor de Statenvertaling en de King James Version. Vanaf een uitgave van Elsevier heet deze tekst Textus Receptus. In de jaren daarna werden er ook oudere handschriften gevonden en onderzocht, en trachtte men te komen tot een indeling in tekstfamilies.
In 1831 produceerde Lachmann voor het eerst een poging tot een wetenschappelijk vastgestelde tekst. Konstantin von Tischendorf bracht vele tot dan toe onbekende Bijbelse handschriften aan het licht, onder meer de Codex Sinaiticus en de Codex Ephraemi Rescriptus. Hij deed een hele reeks kritische edities het licht zien, waaronder in 1872 één met een volledig kritisch notenapparaat.
In 1881 publiceerden B.F. Westcott en F.J.A. Hort in twee delen The New Testament in the Original Greek. Deel 1 bevatte hun Griekse tekst, deel 2 een lange inleiding van Hort en een Appendix met probleempassages. Hort trekt in deze inleiding beargumenteerd de conclusie, dat de eigenvarianten van het Byzantijnse teksttype en de Textus receptus bij serieus onderzoek niet oorspronkelijk blijken te zijn.
Sedert Westcott en Hort zijn er ongeveer 120 papyri ontdekt, die meestal nog weer ouder zijn dan de codices die zij ter beschikking hadden. Grote verzamelingen zijn de Oxyrhynchus papyri, de Bodmer papyri en de Chester Beatty papyri. De eerste zijn bij opgravingen bij Oxyrhynchus in Egypte gevonden. Het zijn over het algemeen erg fragmentarische stukjes papyrus. Bodmer heeft papyri uit Egypte kunnen kopen. Hier bevinden zich enkele weliswaar gehavende, maar toch min of meer complete Bijbelboeken tussen. Bijvoorbeeld Papyrus 66 en Papyrus 75 die het Evangelie volgens Johannes (66 en 75) en Lucas (75) weergeven. Hetzelfde geldt voor de Chester Beatty papyri ; bijvoorbeeld Papyrus 45 dat een groot deel van de Evangeliën en Papyrus 46 dat de meeste brieven van Paulus bevat.
Het radicale afscheid van Westcott en Hort van de Textus Receptus is blijvend gebleken. Moderne geleerden noemen de Alexandrijnse tekst niet meer 'neutraal'. Toch lijken de hedendaagse teksten meer op die van Westcott en Hort dan op de Textus receptus. Novum Testamentum Graece van Nestle-Aland, 27e editie 1993, met een uitstekend kritisch apparaat, wordt tegenwoordig als standaardtekst beschouwd.
Over het algemeen kan men van protestantse publieksvertalingen van voor Westcott & Hort (zoals (Herziene) Statenvertaling, King James Version, Lutherse Vertaling) een vertaling van de Textus Receptus verwachten; Rooms-katholieke vertalingen zullen tot de encycliek Divino Afflante Spiritu (1943) gecorrigeerd zijn naar de Vulgaat en bij vertalingen van daarna (NBG51; Groot Nieuws Bijbel; Willebrordvertaling; Nieuwe Bijbelvertaling; New International Version) kan men in principe op een vertaling van Novum Testamentum Graece rekenen.

Richtlijnen ('canons') van de tekstkritiek[bewerken]

Het is van belang voor de beslissingen zo veel mogelijk heldere objectieve criteria toe te passen. Zo worden de beslissingen transparant en consistent en wordt de discussie bevorderd.[4]

Oude Testament[bewerken]

Wat betreft het Oude Testament kan worden opgemerkt:

  1. Waar de Hebreeuwse handschriften en de Oude vertalingen overeenstemmen, kan men aannemen dat de oorspronkelijke tekst bewaard is gebleven.
  2. Waar de Hebreeuwse handschriften en de Oude vertalingen onderling verdeeld zijn, kiest men hetzij de moeilijkere lezing (wat betreft taal of onderwerp); hetzij de lezing die het ontstaan van de andere variant verklaren kan.
  3. Waar de Hebreeuwse handschriften en de Oude vertalingen beide een even goede tekst bieden, geeft men de voorkeur aan de Masoretische tekst.
  4. Waar er verschil is tussen de Hebreeuwse handschriften en de Oude vertalingen, en geen van hen biedt een begrijpelijke lezing, dan kan men een veronderstelling doen over wat er misschien gestaan heeft. Zo'n veronderstelling mag echter nooit de uitleg van een hele passage bepalen.

Nieuwe Testament[bewerken]

Kurt Aland geeft 12 grondregels voor de tekstkritiek van het Nieuwe Testament:

  1. Slechts één tekst kan de oorspronkelijke zijn;*
  2. Die tekst is oorspronkelijk waar het externe en het interne bewijs overeen stemmen;
  3. Vertrekpunt is steeds de tekst zoals die in de handschriften gevonden wordt;
  4. Criteria die berusten op de inhoud en context van een tekst zijn secundair;
  5. Het zwaartepunt moet liggen bij de Griekse handschriften, oude vertalingen en citaten van kerkvaders zijn aanvullend;
  6. Niet het aantal, maar het gewicht van de handschriften is bepalend; er is niet één handschrift waar men blind op kan varen, elk handschrift heeft zijn eigenaardigheden, dan wel de kenmerken van een teksttype.
  7. Je kunt er niet van uitgaan dat elk handschrift het enige met de oorspronkelijke tekst kan zijn;
  8. Het helpt als je een soort stamboom van varianten opstelt.
  9. Varianten moeten steeds bekeken worden in de context van de overlevering.
  10. In zijn algemeenheid is de moeilijkste lezing de meest waarschijnlijke.
  11. In zijn algemeenheid is de kortste lezing de meest waarschijnlijke.
  12. Wie zich echt met tekstkritiek bezig wil houden moet praktische ervaring opdoen met de Bijbelse handschriften.[5]

Samengevat:

Eén criterium staat bovenaan bij de tekstkritiek van het Nieuwe Testament: de variant die het beste het ontstaan van alle andere varianten verklaart, is waarschijnlijk de oorspronkelijke tekst. Dit wordt beoordeeld aan de hand van extern en intern bewijs:
  • Extern bewijs: hierbij wordt gekeken naar de ouderdom van de handschriften, de ouderdom van de teksten, de kwaliteit van de handschriften, en de herkomst daarvan.
  • Intern bewijs: schrijvers hadden over het algemeen de neiging de tekst gemakkelijker te maken en beter lopend, en maakten de tekst langer, niet korter. De kortere, moeilijkere tekst zal daarom meestal de originele zijn.
  • Tenslotte, maar dit is het subjectiefste criterium: welke variant past het beste in de context, stijl en gedachten van (de schrijver van) het Bijbelboek waar de tekst toe behoort?[6]

Voorbeelden[bewerken]

Psalm 145:13[bewerken]

De Nieuwe Bijbelvertaling (2004) geeft bij Psalm 145:13 de volgende voetnoot: "Psalm 145 is een acrostichon, de verzen beginnen steeds met een volgende letter van het Hebreeuwse alfabet. De veertiende letter noen,נ, ontbreekt echter in de Masoretische Tekst. Een aantal oude vertalingen en een Qumran-handschrift, lezen aanvullend: Betrouwbaar is de HEER in alles wat hij zegt, heel zijn schepping blijft hij trouw". Omdat de Nieuwe Bijbelvertaling de Biblia Hebraica Stuttgartensia dat is de Codex Leningradensis weergeeft, blijft dit, waarschijnlijk uit de MT weggevallen vers, in een voetnoot staan, ook al is de vroegere, op de Oude Vertalingen (zoals de Septuagint) gebaseerde reconstructie, nu door de Dode Zeerollen, om precies te zijn, door de grote psalmrol uit de eerste eeuw voor Christus, 11QPs a, bevestigd.

Johannes 5:4[bewerken]

De Statenvertaling uit 1637 zegt in Johannes 5 2En er is te Jeruzalem aan de Schaaps poort, een badwater, hetwelk in het Hebreeuws toegenaamd wordt Bethesda, hebbende vijf zalen. 3In dezelve lag een grote menigte van kranken, blinden, kreupelen, verdorden, wachtende op de roering des waters. 4Want een engel daalde neder op zekeren tijd in dat badwater, en beroerde het water; die dan eerst daarin kwam, na de beroering van het water, die werd gezond, van wat ziekte hij ook bevangen was.

De Nieuwe Bijbelvertaling uit 2003 zegt: 2In Jeruzalem is bij de Schaapspoort een bad met vijf zuilengangen dat in het Hebreeuws Betzata heet. 3Daar lag een groot aantal zieken, blinden, kreupelen en misvormden. 4 en in twee voetnoten:

  • {–(5:3) misvormden –Andere handschriften hebben dit nog als tekst: ‘en verlamden, die het moment waarop het water in beweging kwam afwachtten.}
  • {–(5:4) –Andere handschriften hebben dit als een extra vers: ‘4Want op een bepaald moment daalde een engel van de Heer neer in het bad en die bracht het water in beweging. En wie het eerst in het bad was zodra het water was gaan bewegen, werd gezond, wat voor ziekte hij ook had’.}

Waarom is vers 3b en vers 4 geschrapt? De Nieuwe Bijbelvertaling zegt het al: in sommige handschriften komen beide verzen niet voor, in sommige handschriften 3b wel, maar 4 niet en in veel handschriften komen beide voor.

De tekstkritiek gaat vervolgens als volgt te werk:

  • intern bewijs:

Het is vanuit het Bijbelgedeelte zelf logischer te veronderstellen dat een monnik het gedeelte heeft toegevoegd dan dat iemand het heeft weggelaten. Want als Jezus een man aanspreekt die al 38 jaar ziek is, klaagt deze, dat hij nooit op tijd in het water kan komen. Het is zeker denkbaar dat een monnik gedacht heeft: "dat moet ik uitleggen", en deze verklaring heeft toegevoegd, misschien eerst in de kantlijn, en dat een volgende monnik de opmerking in de kantlijn tussen de tekst voegde. Een volgende monnik had twee handschriften: één met vers 3b en één met 4; hij voegde ze allebei toe. Het omgekeerde is minder logisch: het is nauwelijks denkbaar dat een monnik een vers weg zou laten, waardoor de tekst moeilijker te begrijpen zou worden. Over het algemeen geldt de regel dat de kortere tekst en de moeilijker tekst waarschijnlijk origineel zijn.

  • extern bewijs:

In de oudste en de beste Bijbelse handschriften, zoals de Papyrus 66 (AD 200), de Papyrus 75 (derde eeuw AD), de Codex Vaticanus (4e eeuw) en de Codex Sinaiticus (4e eeuw) ontbreken zowel vers 3b als vers 4. (De laatste twee zijn de handschriften van de "Alexandrijnse tekstfamilie"; de papyri zijn echter moeilijk in te delen). De Codex Bezae (5e eeuw) en oude Latijnse handschriften (getuigen van de Westerse tekst) geven vers 3b wel, maar vers 4 niet. De Codex Alexandrinus (5e eeuw AD) en de vele later ontstane minuskels (AD 900-1500) geven zowel 3b als 4. Dit zijn de handschriften van de Byzantijnse tekst, die ook bekendstaat als de Textus Receptus. De beste en oudste, "Alexandrijnse", handschriften en de nog oudere Papyri P66;75 leggen, al zijn ze getalsmatig in de minderheid, meer gewicht in de schaal dan de Westerse of de Byzantijnse handschriften, al zijn de laatste qua aantal in de meerderheid.

De Statenvertaling is een vertaling van de Textus Receptus. De NBV volgt in principe de tekst van de kritische editie Novum Testamentum Graece van Nestle en Aland, die vers 3b en 4 niet in de lopende tekst hebben opgenomen, maar in een voetnoot van het kritisch apparaat.

Meer voorbeelden[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Biblical Criticism: Historical. Literary an Textual, Waltke en Harrison en Fee en Guthrie, Zondervan Publishing House, Grand Rapids, Michigan, 1978
  • Het Ontstaan van de Bijbel, Willem Glashouwer jr. en Willem Ouweneel, Telos, 4e druk 200

Zie ook[bewerken]



Bronnen, noten en/of referenties
  1. Een sterk voorbeeld is het laatste hoofdstuk van Marcus. Marcus heeft of geen slot, of een kort slot of een lang slot. Meestal, vooral in de jongere handschriften, biedt het handschrift zowel het korte als het lange slot (Kurt Aland, Der Text des Neuen Testaments, DBG 1982, bladz 293 vv)
  2. Bruce, F.F. "The Chester Beatty Papyrii," The Harvester 11 (1934): 163-164.]
  3. Aland, Kurt en Barbara, Der Text des Neuen Testaments, Deutsche Bibelgesellschaft, 1982; bladz 105
  4. Dit gedeelte is ontleend aan: Biblical Criticism: Historical. Literary an Textual; by Harrison, Waltke, Guthrie, Fee, Zondervan Publsishing House, Grand Rapids, Michigan,1978.
  5. Aland, Kurt en Barbara, Der Text des Neuen Testaments, Deutsche Bibelgesellschaft, 1982; blz. 282-283
  6. Gordon Fee in Biblical Criticism: Historical. Literary an Textual, Zondervan Publishing House, Grand Rapids, Michigan, 1978; blz. 148-149