Koinè

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Koinè of Koinē (Grieks: Ελληνιστική Κοινή/ἡ κοινὴ διάλεκτος/κοινή (γλώσσα); koinē (glōssa) van Κοινή: gemeenschappelijk) was de meeste voorkomende vorm van het Grieks, van het Oudgrieks, die haar oorsprong in het hellenisme had. Het was in het gebied dat door het hellenisme werd beïnvloed van de 4e eeuw v.Chr. tot de ondergang van het Byzantijnse Rijk in 1453 de officiële voertaal. Het Koinè was een van de voertalen van het oostelijke deel van de Middellandse Zee, de voornaamste taal van het oostelijke deel van het Romeinse Rijk, het Latijn was dat in het westelijke deel was, en de taal waarin het Nieuwe Testament is geschreven. Het Koinè werd van Massalia in het westen, het huidige Marseille in Frankrijk, tot in het noorden India in het oosten gesproken en geschreven.

Oorsprong[bewerken]

Het Koinè stamde van het Attisch af, een van de Oudgriekse dialecten, en het verschilde hier weinig van. Door de hegemonie in de 5e eeuw v.Chr. van het oude Athene in het Griekenland van toen, maar ook door de invloed van een groot aantal schrijvers uit Athene uit de 5e en 4e eeuw v.Chr. was het Attisch het belangrijkste dialect. Het Koinè werd desondanks in de oudheid als een minder edele variant van het Grieks van die klassieken ervaren. Het werd door Alexander de Grote in de tweede helft van de 4e eeuw de eerste taal die over het hele gebied, dat door Griekenland werd gedomineerd, verspreid raakte.

Nieuwtestamentisch Grieks[bewerken]

Hoewel het Bijbelse Koinè over het algemeen correct Grieks is, heeft het toch eigen trekken, die uit het feit voortvloeien, dat het vaak door mensen werd gebruikt, die de taal als tweede taal spraken. Zo is er een duidelijke tendens tot het vermijden van ingewikkelde grammatica en zinsbouw. In het Bijbelse Grieks komen nogal wat Semitische zinsconstructies voor: Hij sprak, zeggende..., die erop wijzen dat de auteurs van de betrokken boeken in het dagelijks leven waarschijnlijk Aramees spraken.

Verspreiding[bewerken]

Invloedrijke auteurs als Polybius, die als eerste een volledig relaas van de opkomst van de macht van Rome heeft gegeven, Lucius Cassius Dio, Plutarchus en Lucianus van Samosata schreven in het Koinè. Sommige schrijvers daarna die in het Koinè schreven deden dat om met hun atticisme mooie sier te maken.

De betekenis van het Grieks in de Romeinse tijd kan als 'tweede taal' nauwelijks worden overschat: Grieks, op dat ogenblik dus het Koinè, stond in de wereld van de kunst en voor de geschiedschrijving hoog aangeschreven.[1] Tacitus beschrijft dat keizer Nero het literaire Grieks als taal introduceert in de officiële Romeinse feestvoorstellingen. Zelfs als bestuurstaal hoefde het Koinè in het oostelijke deel van het keizerrijk niet voor het Latijn onder te doen: Toen keizer Tiberius in Anatolië, in Klein-Azië het Res gestae divi Augusti, het testament van zijn voorganger, in de muren van enkele tempels liet beitelen, werd de Griekse vertaling er meteen bij gebeiteld.