Nero (keizer)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nero
Nero Glyptothek Munich 321.jpg
Geboortedatum 37
Sterfdatum 68
Tijdvak Julisch-Claudische dynastie
Periode 54-68
Voorganger Claudius (41-54)
Opvolger Galba (68-69)
Staatsvorm principaat
Caesar onder Claudius (50-54)
Persoonlijke gegevens
Naam bij geboorte Lucius Domitius Ahenobarbus, na adoptie Nero Claudius Caesar Drusus Germanicus
Naam als keizer Nero Claudius Caesar Augustus Germanicus, na 66: Imperator Nero Claudius Caesar Augustus Germanicus
Zoon van Gnaius Domitius Ahenobarbus en Agrippina de Jongere
Geadopteerde zoon van Claudius
Vader van Claudia Augusta en Augusta
Gehuwd met Claudia Octavia, Poppaea, Statilia Messalina, Sporus en Pythagoras
Broer van Britannicus (door zijn adoptie)
Neef van Caligula
Romeinse keizers
Portaal  Portaalicoon   Romeinse Rijk
Aureus uit 54 n.Chr. met de hoofden van Nero en Agrippina, op de voorzijde voorzien van de legende AGRIPP AVG DIVI CLAVD NERONIS CAES MATER. De keerzijde toont een krans van eikenbladeren rondom de letters EX S C (ex. senatus consulto, bij senaatsbesluit, met goedkeuring van de senaat) en bevat de legende NERONI CLAVD DIVI F CAES AVG GERM IMP TR P.

Nero (Antium, 15 december 37 - bij Rome, 9 juni 68) was een Romeins keizer van 13 oktober 54 tot 9 juni 68.

Nero was de zoon van Gnaeus Domitius Ahenobarbus en Agrippina de jongere en via haar verwant aan Gaius Iulius Caesar Octavianus (Augustus). Hij beriep zich erop een bet-achterkleinzoon van keizer Augustus te zijn.

Namen[bewerken]

Zijn oorspronkelijke naam (vóór zijn adoptie door keizer Claudius) was Lucius Domitius Ahenobarbus. Bij zijn adoptie veranderde zijn naam in Nero Claudius Caesar Drusus Germanicus. Toen hij keizer werd, werd zijn officiële naam Nero Claudius Caesar Augustus Germanicus en vanaf 66 Imperator Nero Claudius Caesar Augustus Germanicus.

Opvolging van Claudius[bewerken]

In 50 wist Nero's moeder Agrippina, die met keizer Claudius was gehuwd, te bewerkstelligen dat Claudius de jonge Nero adopteerde. Ook werd de filosoof Seneca uit ballingschap teruggeroepen om als leermeester van Nero te fungeren. In 53 trouwde hij met de dochter van de keizer, Claudia Octavia. In oktober 54 werd Claudius door Agrippina vergiftigd en zijn zoon Britannicus vastgezet zodat Nero zonder enige concurrentie tot keizer kon worden uitgeroepen.

Moord op Britannicus[bewerken]

Britannicus stierf aan tafel op 11 februari 55, vergiftigd door Nero.

Volgens Tacitus werd Britannicus een drankje aangeboden dat veel te heet was. Britannicus had een proever en deze had van die hete drank geproefd. Het gif zat echter in het water dat bedoeld was om de drank af te koelen. Volgens Suetonius werd Britannicus eerst een drank met vergif toegediend, maar dit gaf Britannicus slechts een erge diarree. Daarop liet Nero zijn gifmengster in zijn eigen kamer het gif koken (om het sterker te maken) en liet het eerst testen op een bokje en vervolgens op een biggetje dat bij de eerste slok dood neerviel. Hierop liet Nero het gif aan Britannicus toedienen, waarop deze bij de eerste slok dood neerviel. Nero verklaarde aan zijn disgenoten dat Britannicus slechts een epilepsieaanval had. Het lijk werd daarop in de gutsende regen verbrand (aldus Suetonius), zodat een moord niet te bewijzen was.

Invloed van Agrippina[bewerken]

Gedurende de eerste paar maanden van zijn keizerschap had Agrippina een aanzienlijke invloed maar na de dood van Britannicus werd zij uit het paleis verstoten zodat Nero, op 18-jarige leeftijd, alle macht in handen kreeg. Zijn belangrijkste adviseurs werden Seneca en de prefect van de Praetoriaanse garde, Burrus, die zich op het juiste moment van Agrippina hadden afgekeerd. Vier jaar later (in 59) werd zij uiteindelijk in opdracht van haar eigen zoon vermoord.

Vrede en welvaart[bewerken]

De eerste vijf jaren van zijn keizerschap waren een gouden tijd voor Rome en het Rijk, er heerste vrede en welvaart onder het kundig advies van Seneca en Burrus. De vergelijking ging zelfs op met het bestuur van Augustus (die tot dan als de beste keizer ooit gezien werd; het verschafte hem zelfs een godenstatus). Daarna echter hield Nero zich steeds minder bezig met het landsbestuur en gaf zich over aan zijn passies voor de Griekse cultuur, kunst, vooral toneel en muziek, maar ook drank en seks (waaronder een avontuur met een volksmeisje Acte maar ook perversiteiten). Hij liet het bestuur van het rijk feitelijk alleen nog maar over aan Seneca en Burrus.

Veldtocht in het oosten[bewerken]

Ondertussen werd generaal Corbulo erop uitgestuurd om de Parthen een lesje te leren. Hij trok Armenië binnen en nam Artaxata en Trigranocerta in, maar uiteindelijk zette hij toch Tiridates, de broer van de Parthische koning Vologases I weer terug op de troon, ondanks opdrachten uit Rome om de Parthen voorgoed uit dit betwiste gebied te verdrijven. Daarop werd Paetus naar het oosten gestuurd om het over te nemen, maar deze leed een smadelijke nederlaag tegen de Parthen. Daarna kreeg Corbulo het bevel weer terug en streed een succesvolle campagne. Toch was de uiteindelijke uitkomst dat Tiridates weer op de Armeense troon bevestigd zou worden door Rome.

In 62 kwam Burrus om het leven (volgens geruchten vermoord door Nero), Seneca diende zijn ontslag in nadat hij over de dood van Burrus had gehoord. Zijn ontslag werd door Nero geweigerd. Nero liet zich van Claudia Octavia scheiden en zij werd terechtgesteld. Nero verving haar door zijn maîtresse Poppaea, ex-vrouw van zijn vroegere vriend Otho die hij eerder als gouverneur naar Lusitania (tegenwoordig Portugal) had gestuurd.

Grote brand van Rome[bewerken]

Vanaf deze tijd ging het alleen maar bergafwaarts. Nero hield zich vrijwel alleen nog maar bezig met zijn passies en trad zelfs op als dichter, zanger en acteur, maar met zijn middelmatige talenten had dat een averechts effect op zowel de senaat als het volk. Bovendien verwoestte een grote brand in 64 een groot deel van Rome. Hoewel de keizer niet in de stad was en veel deed om het leed te verzachten en de wederopbouw ter hand te nemen, deden (waarschijnlijk valse) geruchten de ronde dat hij zelf tot de brand opdracht had gegeven - vanwege het mooie schouwspel, of om plaats te maken voor een groot paleis. Ook deed het verhaal de ronde dat Nero tijdens de brand een gedicht over het brandende Troje aan het voordragen was op het balkon van zijn paleis. Deze geruchten kwamen onder andere tot stand doordat hij op het vrijgekomen terrein een fabelachtig paleis, de Domus Aurea, liet bouwen. Hij wentelde de verdenking van zichzelf af door de christenen de schuld te geven van de grote brand.[1][2]

Weelde[bewerken]

Het grote en luxueuze paleis dat Nero liet bouwen in het verwoeste deel van de stad (de Domus Aurea = Gouden Huis), dat zich uitstrekte van de Palatijn tot de Esquilijn, vergrootte de reeds bestaande haat tegen de keizer. Het bevatte onder andere een enorm standbeeld van Nero van zo'n 40 meter hoog, later de Colossus genoemd. Het paleis verhinderde niet alleen een groot deel van de oorspronkelijke bewoners terug te keren naar hun woonplaats, maar verergerde ook de fiscale crisis die ontstaan was door de wederopbouw van de rest van de verwoeste gedeeltes van de stad. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in 65 een complot tegen Nero werd gesmeed. Het lekte echter uit en Nero nam harde maatregelen. Nero liet Tiridates in 66 persoonlijk naar Rome komen - wettelijk was dat niet nodig - om zijn bevestiging uit handen van de keizer te ontvangen. Zo werd alle moeite die Corbulo gedaan had weer ongedaan gemaakt.

Vervolging[bewerken]

Nero is bekend om zijn fanatieke christenvervolging en de wreedheden die hij tegen hen beging. Zo zou hij bijvoorbeeld volgens Tacitus[3] gevangen christenen in teer hebben laten dopen en in brand laten steken, om ze zo als verlichting te laten dienen tijdens zijn feesten.

Dood van Nero[bewerken]

Uiteindelijk betekende een op zich niet zo belangrijke opstand in 68 in Gallia, die door Verginius Rufus werd neergeslagen, het einde voor Nero (zie het vierkeizerjaar). Deze gebeurtenis was echter de aanleiding voor verschillende andere opstanden van Galba en Otho (Spanje en Portugal), Rufus (die Vindex had verslagen) en Clodius Macer in Noord-Afrika. Uiteindelijk zette de Senaat Nero af. Toen men hem kwam arresteren dreef hij na lang aarzelen een dolk in zijn keel, onder het spreken van de woorden Qualis artifex pereo (Wat een kunstenaar sterft er met mij...). Waarschijnlijk was de steek niet dodelijk en heeft Epaphroditus, een vrijgelatene van Nero en een van de weinigen die hem tot het einde toe trouw gebleven was, hem uiteindelijk de fatale steek toegediend.[4] Hij liet het Rijk bankroet en in totale chaos achter. De senaat vervloekte zijn nagedachtenis met de damnatio memoriae.

Betrouwbaarheid van de bronnen[bewerken]

Dit beeld van Nero is gebaseerd op de voornaamste overgeleverde bronnen over Nero's keizerschap: Tacitus, Suetonius en Cassius Dio. Maar weinig bronnen geven een gunstig beeld over Nero: het gaat om onder meer Lucanus Pharsalia (Bellum civile, Burgeroorlog), Seneca De Clementia (Over genade) en Dio Chrysostomus Redevoeringen. Toch tonen deze en nog enkele andere bronnen (Tacitus en andere) hem als een keizer die vooral in het Oosten populair was bij het gewone Romeinse volk.[5] Onderzoek naar Nero is problematisch. Sommige historici zetten vraagtekens bij de betrouwbaarheid van de antieke bronnen die melding maken van Nero als tiran.[6]

Galerij[bewerken]

Bronnen[bewerken]

Primair[bewerken]

Secundair[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Grote Winkler Prins, zevende druk, 1972
  2. (fr) Simon, M. (1952), Les Premiers Chrétiens, Que sais-je ?, Presses Universitaires de France
  3. Tacitus, Annales, boek XV, hoofdstuk 44
  4. Fik Meijer, Keizers sterven niet in bed (Amsterdam: Atheneum-Polak & Van Gennep, 2001) 49.
  5. Tacitus, Historiae I.4, I.5, I.13, II.8; Suetonius, Levens van Twaalf Keizers, Nero 57, Otho 7, Vitellius 11; Philostratus II, Leven van Apollonius 5.41; Dio Chrysostomus, Discourse XXI, Over de schoonheid
  6. Over de brand en de vervolging van de christenen zie F.W. Clayton, "Tacitus and Christian Persecution", The Classical Quarterly, p. 81-85; B.W. Henderson, Life and Principate of the Emperor Nero, p. 437; Over het wijdverbreide vooroordeel tegen Nero, zie Edward Champlin, Nero, Cambridge, MA: Harvard University Press, 2003, p. 36-52 (ISBN 0-674-01192-9)