Koning David

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
David
1040-970 v.Chr.
Koning David (Gottlieb Welté)
Koning David (Gottlieb Welté)
Koning van Verenigd Koninkrijk Israël
Periode 1010-970 v.Chr.
Voorganger Saul en Isboset
Opvolger Salomo
Vader Isaï, stam Juda
Dynastie Huis van David
Geboorteplaats Bethlehem
Bron: 1 Samuel 16 - 1 koningen 1
David en Goliath (Caravaggio)
Hildesheim-st.Michael-Holzdecke-David-Salomo-Hildesia.jpg

David (Hebreeuws: דָּוִד, דָּוִיד, "lieveling"; Arabisch: داوود of داود Dāwūd) was volgens de Hebreeuwse Bijbel de tweede koning van het Verenigd Koninkrijk Israël, stamvader van het Judese koningshuis, het huis van David, dat tot de zesde eeuw v.Chr. in Jeruzalem aan de macht zou blijven. Hij regeerde veertig jaar, waarvan zeven in Hebron en 33 in Jeruzalem. Volgens de evangelies van Matteus en Lucas was hij via Jozef een voorouder van Jezus.

Hij wordt beschreven als een rechtvaardige koning, hoewel hij niet foutloos was, een gewaardeerd krijger, muzikant en dichter, aan wie traditioneel vele Psalmen worden toegeschreven. David is zeer belangrijk persoon binnen het jodendom en christendom. In het jodendom is David of David HaMelekh de koning van Israël en de Joden en een voorvader van de Messias. In de islam staat hij bekend als Dawud en wordt hij beschouwd als een profeet en de koning van een natie.

Edwin Thiele dateert zijn leven van c. 1040 v. Chr. tot 970 v. Chr., zijn heerschappij over Juda van c. 1010 v. Chr. tot 1003 v. Chr. en zijn heerschappij over het verenigde koninkrijk Israël van c. 1003 v. Chr. tot 970 v. Chr.. Anderen plaatsen dit tussen 1000 en 961 v.Chr. 1 en 2 Samuel, 1 Koningen en 2 Kronieken zijn de enige bron van informatie over zijn leven en heerschappij; de Tel Dan Stele zou het bestaan van een Judese koninklijke dynastie van het midden van de 9e eeuw v.Chr. vastleggen, het "Huis van David" genaamd, hoewel dit wordt betwist.

Leven[bewerken]

De jonge David[bewerken]

Davids leven wordt beschreven in 1 en 2 Samuel, 1 Kronieken en de eerste twee hoofdstukken van 1 Koningen. Hij was de jongste van acht zonen van Isaï en was herder. Terwijl Saul nog koning was, zalfde Samuel David tot koning.[1] Het zou echter nog jaren duren voordat hij de troon besteeg. Kort na zijn zalving kwam hij aan het hof van Saul, waarover de Bijbel twee tegenstrijdige varianten over beschrijft. In de eerste hiervan laat de neerslachtige Saul hem halen om voor hem op de lier te spelen en zo zijn "kwade geest" te verdrijven.[2] Direct na deze versie volgt het beroemde verhaal over het doden van de Filistijnse reus Goliath. David kwam alleen in het legerkamp om zijn broers voedsel te brengen, maar kon de laster van de reus niet verdragen. Hierop werd hij voorgesteld aan Saul, die hem zijn wapenrusting gaf. Deze was te groot en zwaar voor David, dus hij koos voor zijn slinger, een wapen waarmee hij al leeuwen en beren had gedood die zijn schapen wilden opeten. Hiermee doodde hij Goliath.[3] In deze versie kende Saul David nog niet, liet hij hem roepen en nam hem bij zich aan het hof.[4] Er zijn verschillende pogingen gedaan om deze versies te verklaren, maar tot nu toe is geen bevredigende oplossing gevonden.[5]

Direct hierna werd Saul jaloers op David, omdat deze als een grotere held dan hijzelf werd gezien. Saul begon te vermoeden dat David hem het koningschap wilde afnemen en hij probeerde David enkele keren te doden. Daarna stelde Saul David als bevelhebber over duizend man aan om hem in ieder geval niet meer in de buurt te hoeven hebben. Als list bood Saul de hand van zijn oudste dochter Merab aan David. De bruidsschat zou bestaan uit 100 voorhuiden van Filistijnen, waarbij Saul aannam dat David zou sneuvelen om deze te bemachtigen. Maar op de dag waarop David met Merab zou trouwen, huwelijkte Saul haar aan een ander uit en bood hij David de hand van zijn andere dochter Michal. In de slag met de Filistijnen doodde David er 200 en bracht hun voorhuiden bij Saul. Deze huwelijkte hierop Michal aan David uit. Saul beschouwde David hierna als zijn aartsvijand.[6]

Saul kondigde zijn hovelingen aan dat hij David dood wenste. Sauls zoon Jonatan overreedde zijn vader echter hiervan af te zien en David keerde terug aan het hof. Na een tijdje keerden de moordzuchtige gevoelens bij Saul terug en na een waarschuwing van zijn vrouw Michal vluchtte David naar Samuel en ging bij hem wonen.[7]

Nadat David weer moest vluchten, werd hij aanvoerder van een bende. Hij werd achtervolgd door Saul met 3000 soldaten. In de grotten van Engedi moest Saul zijn behoefte doen en ging bij toeval de grot in waar David en zijn mannen zich schuilhielden. Maar in plaats van hem te doden, zoals gevraagd zijn bendeleden, sneed David alleen een hoek af van het koninklijk gewaad. Deze liet hij Saul voor de grot zien als een teken van loyaliteit. Diep geroerd profeteerde Saul dat hij op een dag koning zou zijn na hem, liet David zweren dat hij zijn geslacht en naam geen kwaad zou toebrengen en liet hem gaan. David vluchtte hij naar Gat, waar hij werd herkend als krijgsheld, die juist een grote hoeveelheid Filistijnen had gedood. Daarom deed David alsof hij krankzinnig was, door het speeksel in zijn baard te laten lopen en overal kruisjes te tekenen, waarna koning Achis hem liet gaan.[8]

David spaarde Saul een tweede keer toen hij het legerkamp van Saul binnensloop en als bewijs de speer en waterkan van Saul meenam.[9] Door de verhalen waarbij David twee keer het leven van Saul spaarde, toonde de anonieme auteur van het verhaal dat David respect had voor de monarchie noorden van Israël. Dit maakte het de noordelijke stammen van Israël later makkelijker hem als koning te erkennen, zodat zijn rijk uiteindelijk zowel het noordelijke als het zuidelijke deel van Israël omvatte.

Later, toen David nog steeds op de vlucht was voor Saul, kwam hij met 600 soldaten en hun gezinnen voor de tweede keer in het gebied van Gat. Deze keer ontving Achis hem vriendelijk en liet David en zijn groep in Ziklag wonen, waar ze zestien maanden bleven. Achis was in de veronderstelling dat David en zijn leger Judese steden overvielen, maar in plaats daarvan plunderde Davids leger de nomadenstammen in de Negev, die ook de bevolking van Juda bedreigden. Zo bewees David enerzijds zijn stambroeders een grote dienst en liet hij Achis anderzijds in de veronderstelling dat hij in zijn vaderland alle steun had verloren en de Filistijnen daarom loyaal zou dienen.[10] Uiteindelijk had Achis zo veel vertrouwen in David gekregen dat hij hem aanstelde als zijn persoonlijke lijfwacht.[11] Alleen het wantrouwen van de overige vorsten van de vijfstedenbond, maakten dat Achis David dwong zijn leger af te bouwen en terug te gaan naar huis. Maar ook bij deze gelegenheid bevestigde Achis nogmaals zijn vertrouwen in David.[12]

Koning[bewerken]

Met de dood van Saul eindigt het boek 1 Samuel en begint 2 Samuel. Tijdens een slag met de Filistijnen had Saul zelfmoord gepleegd om niet in hun handen te vallen, kort nadat de Filistijnen drie zonen van Saul hadden gedood.[13] Een ontsnapte soldaat uit het leger van Saul bracht David de boodschap, waarbij hij zei dat hij de dodelijk gewonde Saul op zijn verzoek de genadestoot had gegeven. David liet hem hierop executeren.[14] Hierna zong David een klaaglied, het "Lied van de boog", waaruit zijn loyaliteit aan Saul als koning en diepe vriendschap met Jonatan bleek.[15]

Hierna ging David in Hebron wonen, waar hij koning werd over het koninkrijk Juda.[16] Sauls zoon Isboset volgde zijn vader op als koning van het koninkrijk Israël. Nadat Isboset werd vermoord door zijn eigen soldaten,[17] werd David koning gezalfd tot eerste koning over heel Israël.[18] Hij regeerde 7,5 jaar vanuit Hebron over Juda en stichtte toen zijn hoofdstad in Jeruzalem, dat hij veroverde op de Jebusieten.[19]

Aan het einde van deze verhalencyclus staan drie belangrijke hoofdstukken die elk een specifiek aspect van Davids koningschap belichten: 2 Samuel 6 betreft de cultus en bevat het verhaal over de ark van het verbond, die door David naar Jeruzalem werd gehaald. In 2 Samuel 7 wordt David een duurzame dynastie beloofd en 2 Samuel 8 betreft het territorium, waarin Davids overwinningen worden genoemd, waardoor hij zijn grondgebied kan uitbreiden tot een groot rijk.

De hierop volgende hofvertellingen over koning David zijn buitengewoon compact en kunstzinnig, waarin een gedifferentieerd beeld van het karakter van David en degenen die hem omringden wordt geschetst. Onomwonden wordt beschreven hoe David in een draaikolk van gebeurtenissen werd meegezogen die een "rampgeschiedenis" van zijn dynastie kan worden genoemd.[20] Tot op hoge leeftijd werd David geconfronteerd met geweld, moord, opstand en intriges. Aan het einde ervan lukte het de profeet Natan en de koningin-moeder Batseba om Salomo op de troon te krijgen.[21] Aan het begin staat daar tegenover hoe David overspel pleegde met Batseba en haar echtgenoot vermoordde, een dramatisch verhaal naar het klassieke motief van de dodenbrief.[22] Uit dit overspel werd duidelijk de troonopvolger geboren, een feit dat niet alleen David maar ook latere redacteuren probeerden te verdoezelen.[23] Tussen deze twee verhalen staan veel andere over het Huis van David: de verkrachting van Tamar door koningszoon Amnon,[24] de moord van Amnon door zijn broer Absolom,[25] de opstand van Absolom tegen zijn vader David, die hierdoor Jeruzalem moest ontvluchten,[26] hoe Absolom werd gedood door Davids legeraanvoerder Joab,[27] de afsplitsing van Israël van Juda en de rebellie van Seba, die door de nieuwe legeraanvoerder Amasa heimelijk werd gedood.[28]

Psalmist[bewerken]

Een groot deel van de Psalmen zou door David zijn geschreven, waarin hij getuigt van zijn vertrouwen op God. Bekende Psalmen zijn Psalm 23 ("De Heer is mijn herder"), Psalm 103 ("Prijs de Heer, mijn ziel") en Psalm 131 ("Heer, niet trots is mijn hart").

Historiciteit[bewerken]

Bronnen van de geschiedenis van David[bewerken]

Er bestaat geen twijfel over dat de Bijbelse verhalen over David allereerst als verhalen moeten worden beschouwd en de (meestal terechte) vragen over de historiciteit vooraf een historisch-literaire classificatie vereisen. Pas wanneer meer duidelijk is over hun ontstaan, datering en bedoeling, kan men proberen een historische evaluatie te formuleren. Hoewel over de geschiedenis van de redactie nog altijd geen consensus is, kan wel worden gesteld dat een schets van de context waarin de verhalen zijn ontstaan wel mogelijk is.[29][30][31][32]

Een veilig vertrekpunt volgt uit de vraag naar een eerste doorlopende verhaallijn die de verhalen verbindt. Een dergelijke verhaallijn kan worden gevonden in 2 Samuel 1-5. Deze loopt door tot in 1 Koningen 2 en laat zich op zijn beurt weer herleiden tot 1 Samuel 16 en misschien zelfs 1 Samuel 9. Deze pre-dynastieke en zelfs pre-deuteronieke narratieve compositie, wordt aangeduid als vertelling over het vroege koningschap aangeduid en over het algemeen op na 722 v.Chr. gedateerd[33] resp. de 7e eeuw v.Chr.[34] Kenmerkend voor deze verhalen is dat ze David plaatsen in de traditie van Sauls koningschap en hem als opvolger beschrijven, maar ook dat hij de gesplitste koninkrijken Juda en Israël verenigde. De opzet van de verhaalcompositie had ten doel de latere koningen uit Davids dynastie een ontstaansgeschiedenis te geven die voldeed aan twee voorwaarden: ten eerste moest het een politieke rechtvaardiging geven voor het inlijven van het zieltogende noordelijke koninkrijk Israël en ten tweede de integrerende kracht van de davidische dynastie versterken, zodat zij door de loyale houding van David tegenover Saul en zijn nakomelingen de sympathie van de voormalige onderdanen van het noordelijke rijk wonnen.

De redactie van de hofvertellingen in de late koningstijd kon bij het vervaardigen van deze ontstaansgeschiedenis van Davids koningschap teruggrijpen op oudere verhalen en voorbeeldteksten. De verhalen over Saul en David zijn vooral losstaande vertellingen, zoals de aanstelling als muzikant,[35] het huwelijk met Sauls dochter,[36] de moord op de priesters van Nob,[37] het sparen van Saul,[38] of de beschrijving van de slag bij Gilboa.[39] Op het gebied van Davids weg naar het koningschap zijn er het klaaglied over Saul,[40] fragmenten uit een Abner-vertelling,[41] de moord op Isboset[42] en de verovering van Jeruzalem.[43] Niet al deze verhalen waren voorheen verbonden met David. Ze boden veeleer thema's die ook in andere heldenepen en plaatselijke roversverhalen worden aangetroffen.[44]

Daarentegen gaat het bij de hofverhalen in de Jeruzalem-periode om een afgeronde verzameling, die door de redactie in de vertelling is ingepast. De verhalen draaien om de vraag welke van Davids zonen zijn erfenis zal ontvangen. Hoe spannend ze ook zijn, uiteindelijk werpen ze met alle moord en geweld een ongunstig licht op David en zijn koninklijke familie. Daarom is er nog altijd discussie over waar en wanneer deze verhalen konden ontstaan. Vroeger dacht men aan een soort politiek smaadschrift tegen het huis van David, stammend uit het noordelijke koninkrijk.[45] Het tegendeel, namelijk dat de verhalen oorspronkelijk in het zuidelijke koninkrijk waren gesitueerd en het legendarische verleden van David in een mooi verhaal verpakten, wordt tegenwoordig ook overwogen.[46] Als in aanmerking wordt genomen dat al deze verhalen in de versies van na de Babylonische ballingschap werden weggelaten (vergelijk 1 Kronieken 20:1ff), dringt zich de vraag op waarom ze in de late koningsperiode werden opgenomen. Ook als die vraag niet afdoende beantwoord kan worden, moeten twee zaken worden meegewogen: ten eerste passen gewelddadige conflicten en omstreden troonopvolgingen uitstekend in de opkomst van dynastieke verhalen. Ten tweede werden ongeveer in dezelfde tijd zelfs in de inscripties van het Assyrische rijk conflicten en strijd binnen de koninklijke familie als propaganda opgenomen.

Historische schets[bewerken]

Het begin van Davids koningschap bevindt zich in het duister. Al is een historische schets hachelijk door het ontbreken van voldoende bewijsmateriaal, dan kan uit het schaarse materiaal over Palestina in de late bronstijd wel iets worden gezegd op basis van de Amarnabrieven. Tegen deze achtergrond kunnen deze historische overwegingen worden gegeven: Rond 1000 v.Chr. verscheen in de bergen van het zuidelijke Juda een bandietenleider die David heette. Hij vestigde een lokaal (stads)koningschap dat in Hebron zijn centrum had en in de nabije omgeving zijn verwante clientèle had. Davids invloed breidde zich hierna in zuidelijke richting uit tot in de uitlopers van de bergen van Juda en in westelijke richting tot Seba. Aangezien zijn koninkrijk niet op een handelsroute lag en ver van het machtscentrum, had dit koninkrijk alleen lokale betekenis en maakten de Filistijnen in het kustgebied zich geen zorgen om deze ontwikkeling. Men kan een vreedzame co-existentie aannemen, van wie vooral David, maar ook de Filistijnen profiteerden.

Archeologische vondsten[bewerken]

Archeologische bewijzen voor koning David en zijn wereld zijn er nauwelijks; in feite is er over de periode tussen de zestiende en de achtste eeuw v.Chr., ondanks vele opgravingen en onderzoekingen, maar heel weinig gevonden. De bevolking van de landstreek Judea bestond waarschijnlijk slechts uit enkele duizenden nomadische herders. Steden zijn niet gevonden, wel een twintigtal dorpen. Of er in de tijd van David (dat zou dus de tiende eeuw v.Chr. zijn) een staat in Palestina bestond is omstreden; er zijn zelfs geen potscherven uit deze tijd bekend. Wel bestaan er inscripties uit ongeveer 850 v.Chr. (Tel Dan-stele, Mesa-stele) waarop het heersershuis van Israël als 'Huis van David' omschreven wordt - maar ook deze interpretaties worden aangevochten.

Sommige historici nemen aan dat koning David als historische figuur heeft bestaan, maar dat (net als bijvoorbeeld bij Koning Arthur) veel van de verhalen over zijn leven eerder tot de mythen behoren en niet als harde geschiedschrijving moeten worden beschouwd.

David in het christendom[bewerken]

Voor christenen is David belangrijk omdat hij een verre voorvader van Jozef van Nazareth zou zijn, de stiefvader van Jezus. Verschillende profetieën in het Oude Testament voorspelden dat de beloofde Messias een afstammeling van koning David zou zijn. In het Nieuwe Testament wordt in Matteüs 1 de stamboom van koning David naar Jozef uitgewerkt. Maar ook de moeder van Jezus, Maria, zou een nakomeling van David zijn, volgens Lucas 3. Hierdoor draagt Jezus mede de titel "Zoon van David". Zie ook genealogie van Jezus.

David in de islam[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Dawud (profeet) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de kunst[bewerken]

Verfilmingen[bewerken]

Over het leven van koning David zijn meerdere films gemaakt. Een bekende verfilming is King David (1985) van Bruce Beresford.

Beeldhouwwerken die David voorstellen[bewerken]

Spreekwoordelijk[bewerken]

"David tegen Goliath" wordt gebruikt wanneer men spreekt van de kleine slimmerd tegenover de krachtpatser.

Nageslacht[bewerken]

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Isaï
 
 
 
 
 
 
?
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Nachas[47]
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Eliab
 
Abinadab
 
Samma
 
Sima[48]
 
Netanel
 
Raddai
 
Osem
 
Koning David
 
 
 
Seruja
 
Abigail
 
Jeter
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jibchar Elisama / Elisua[49] Elifelet / Elpelet[49] Noga Nefeg Jafia Elisama Eljada / Beëljada[49] Elifelet
 
 
Absai Joab Asaël
 
Amasa
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Talmai
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Ammiël
 
 
 
 
 
Nabal
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Uria
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Achinoam
 
Abigail
 
Maächa
 
Chaggit
 
Abital
 
Egla
 
Batseba
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Amnon Daniël Absalom Tamar Adonia Sefatja
 
Jitream
 
Sima / Sammua[49] Sobab Natan Koning Salomo
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Koning Amasja
 
 
Koning Joas
 
 
Koning Achazja
 
 
Koning Joram
 
 
Koning Josafat
 
 
Koning Asa
 
 
Koning Abia
 
 
Koning Rechabeam
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Azaria
 
 
Koning Jotam
 
 
Koning Achaz
 
 
Koning Hizkia
 
 
Koning Manasse
 
 
Koning Amon
 
 
Koning Josia
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Johanan Jojakim Zedekia Sallum
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jechonja Zedekia
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Sealtiël Malkiram Pedaja Senassar Jekamja Hosama Nedabja
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Zerubbabel
 
Simeï
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Mesullam Hananja Selomith Hasuba Ohel Berechja Hasadja Jusab-Hesed
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Pelatja
 
Jesaja
 
 
Refaja
 
 
Arnan
 
 
Obadja
 
 
Sechanja
 
 
Semaja
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Hattus Jigeal Bariah Nearja Safat
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Eljoënai Hizkia Azrikam
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Hodajeva Eljasib Pelaja Akkub Johanan Delaja Anani

Literatuur[bewerken]

  • Magnussen, M. 1978: Graven in Bijbelse Bodem - Archeologie van de landen van de Bijbel, Westland, Schoten, ISBN 90-246-7020-9