Balak (Bijbel)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bileam slaat zijn ezelin die door een engel wordt tegengehouden (Rembrandt)

Balak was een koning van de Moabieten die beschreven wordt in de Hebreeuwse Bijbel. Er is geen bewijs dat hij een historisch persoon is.

Nadat de Israëlieten de Amorieten hadden verslagen, werd Balak bang dat zijn volk en hij hetzelfde lot zouden ondergaan. Samen met de Midjanieten stuurde hij daarom boden naar Bileam, een profeet in Pethor aan de Eufraat, met het verzoek om de Israëlieten te vervloeken. Bileam, die ’s nachts een visioen van de God van de Israëlieten had gekregen, weigerde de boden te vergezellen naar Balak. Na een tweede verzoek ging Bileam uiteindelijk met de boden mee, maar in plaats van de Israëlieten te vervloeken, zegende hij de Israëlieten. Tijdens zijn reis wilde Bileams ezelin niet verdergaan, omdat een engel op haar weg stond.[1] Dit verhaal werd een populair onderwerp in de schilderkunst.

Bileam ontmoette koning Balak hierna aan de oever van de Arnon. De volgende dag brachten Balak en Bileam slachtoffers en hoopten slechte voortekens te vinden, zodat Bileam het volk kon vervloeken. Maar hij ontving een boodschap van de god van de Israëlieten om Israël te zegenen. Dit proces herhaalde zich tweemaal: op de top van de berg Pisga en de top van de berg Peor, beide keren met hetzelfde resultaat. Balak werd woedend en zei: "Ik heb u laten roepen om een vloek over mijn vijanden uit te spreken, maar u hebt hen nu al drie keer gezegend. Verdwijn, ga terug naar waar u vandaan komt. Ik had beloofd u rijkelijk te belonen, maar u loopt die beloning mis - door toedoen van de HEER."[2]