Jesaja (profeet)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Isaiah (Jesaja) fresco in de Sixtijnse Kapel

Jesaja (Hebreeuws: יְשַׁעְיָהוּ, Grieks: Ἠσαίας = Ēsaias) was een van de grote profeten uit het Oude Testament. Volgens uitleggers bevat het Bijbelboek Jesaja dat zijn naam draagt, niet alleen materiaal van hemzelf, maar ook van latere leerlingen. Yeshayahoe (de Hebreeuwse naam van Jesaja), was getrouwd en had twee zonen die allebei een symbolische naam droegen: Maher-Salal Chas-Baz (haastige roof, spoedige buit, Jes 8:1-4) en Sear-Jasub (een rest keert weer, Jes 7:3). Deze twee namen vormen als het ware een samenvatting van wat Jesaja te zeggen had: hij voorspelde de verovering en verwoesting van Jeruzalem, maar zag ook hoop voor de tijd daarna.

Jesaja trad tussen 750 en 700 v. Chr. op als profeet aan het hof van de koningen van het Koninkrijk Juda. Het Assyrische Rijk was in die tijd de overheersende macht in het oude Nabije Oosten, en vormde door zijn agressieve veroveringstochten een voortdurende bedreiging. Jesaja hamert erop, dat Juda zijn vertrouwen moet stellen op God, en niet op bondgenootschappen met andere staten. Dat kan namelijk alleen maar tot oorlog en verwoesting leiden (Jes 8:6-8). Ondanks zijn uiteindelijke sombere toekomstbeeld ziet hij ook hoop voorbij de ellende: een kleine rest van het volk zal overblijven, en een hernieuwd Godsvolk vormen, onder een ideale koning uit het huis van David (Jes 10:20-23; Jes 9:1-6). Daarnaast protesteert Jesaja ook tegen allerlei godsdienstige en sociale misstanden in het Juda van zijn tijd (bijvoorbeeld Jes 5).