Sociologie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Sociologie
SNA segment.png

Basisdisciplines
Arbeid · Beleid · Cultuur · Economisch · Godsdienst · Historisch · Kennis · Medisch · Milieu · Niet-Westers · Ontwikkelings · Onderwijs · Politiek · Recht · Ruraal · Sociometrie · Sociale ruimte · Sport · Taal · Urbaan · Verzorging · Wetenschap · Wiskundig

Gerelateerde disciplines
Sociobiologie · Sociale filosofie · Sociale geografie · Sociale psychologie

Gerelateerde onderwerpen
Geschiedenis van de sociologie
Lijst van sociologen
Sociologie van A tot Z

Sociologie is de studie van de sociale relaties tussen mensen, en in het bijzonder van de politieke, culturele, religieuze en economische aspecten van menselijke samenlevingen. Daarbij staan vooral de inrichting en veranderingen daarvan, alsmede sociale problemen centraal. Belangrijke vragen zijn hoe sociale cohesie, sociale ongelijkheid en identiteit tot stand komen. De sociologie als wetenschap werd geïnstitutionaliseerd aan het begin van de 20e eeuw, hoewel de term zelf wel al door een reeks denkers, waaronder Auguste Comte, in de 19e eeuw werd gebezigd. De huidige academische discipline sociologie wordt gekenmerkt door een theoretisch en methodologisch pluralisme en kent dus niet een juiste theorie en methode, maar is onder te verdelen in verschillende theoretische en methodologische scholen.

Algemeen[bewerken]

De sociologie bestudeert mensen en hun gedrag in hun sociale omgeving, in relatie tot de heersende cultuur, de bestaande maatschappelijke structuren en aanwezige machtsstructuren. Praktisch gezien betekent dat de bestudering van het dagelijkse leven van mensen en het functioneren van mensen in hun omgeving, sociale verbanden, gezinsstructuren, religieuze verbanden, wetten, normen en waarden, rolpatronen en culturele verbanden.

Sociologie is een sociale wetenschap, het is dus een wetenschap die de mens in zijn relatie tot anderen bestudeert. Deze tak van de wetenschap staat tegenover de natuurwetenschappen die de wetten van de dode materie en natuur als onderwerp heeft. Sociologie is verwant aan wetenschappelijke disciplines als geschiedkunde, aardrijkskunde, politicologie, vergelijkende cultuurwetenschappen, psychologie, filosofie, economie, antropologie, criminologie en demografie. Sociologie is een theoretisch-empirische wetenschap, die theorievorming combineert met empirische studies en experimenten. Zowel op vlak van theorie als op vlak van methodologie wordt ze echter gekenmerkt door een pluralisme, dat wil zeggen: een veelvoud van theoretische benaderingen en methodologische insteken die naast elkaar gebruikt worden.[1]

Theoretisch pluralisme[bewerken]

Binnen de sociologie zijn er verscheidene theoretische scholen te onderscheiden, die soms een grote aanhang kunnen hebben, maar evengoed maar door enkelingen worden verdedigd. Deze diversiteit van theorieën kenmerkt de sociologie al van het begin van haar geschiedenis. Een eerste grote discussie waarop verschillende scholen tegenover elkaar staan is dat van de vraag of het het individu is dat de maatschappelijke structuren vormgeeft of juist diezelfde structuren die het doen en laten van het individu bepalen. Dit staat bekend als de tegenstelling tussen handelingsvermogen (agency) en structuur (structure). Max Weber, een van de grondleggers van de sociologie, benadrukt bijvoorbeeld in zijn werk vooral dat men moet kijken naar de individuen en de achterliggende intenties van hun gedrag. Enkel als men van het individu vertrekt kan men dus bestaande sociale relaties begrijpen. In lijn met deze interpretatieve sociologie kan men ook stromingen als de fenomenologische sociologie, etnomethodologie of symbolisch interactionisme plaatsen.

Daartegenover staat dan Émile Durkheim, tevens een van de grondleggers van de sociologie, die juist stelt dat de socioloog moet vertrekken van sociale feiten die het individu overstijgen. Deze sociale feiten hebben een dwingend karakter en gaan aan het individu vooraf. Wil men het gedrag van individuen verklaren, dan moet men met andere woorden kijken naar de aanwezige sociale feiten en structuren en hoe deze het gedrag van individu juist sturen. Als volgelingen van deze traditie kan men denken aan het (structureel) functionalisme, de systeemtheorie van Talcott Parsons of Niklas Luhmann, of het structuralisme.

Een tweede breuklijn is die van sociologen die enerzijds sociale cohesie en sociale orde benadrukken, en anderzijds sociologen die juist maatschappelijke conflicten centraal stellen. Onder de eerste noemer kan men auteurs als Durkheim en Parsons plaatsen, die vooral de rol van gedeelde normen en waarden en een collectief bewustzijn benadrukken bij het verklaren van sociale orde. De tegenstanders hiervan kan men vatten onder de noemer van conflictsociologie en laten zich vooral inspireren door Karl Marx. Deze auteurs benadrukken vooral de rol van asymmetrische machtsrelaties die aanwezig zijn in de maatschappij, hoe sociale orde een product is van de sociale reproductie van die machtsrelaties en hoe er ook steeds conflicten opduiken tussen verschillende groepen binnen die samenleving. In de eerste plaats kan hier gedacht worden aan economische klassen, zoals bij Marx, Ralf Dahrendorf of de Frankfurter Schule, maar dit kan ook toegepast worden op andere maatschappelijke strijdvelden zoals racisme of vrouwenemancipatie. Men kan dus ook denken aan auteurs als Stuart Hall of Judith Butler. Ook postmoderne sociologen, zoals Zygmunt Bauman en Jean Baudrillard, vallen eerder in deze categorie te plaatsen.

De laatste decennia zijn er ook verscheidene pogingen gebeurd om deze breuklijnen te overbruggen en theorieën te ontwikkelen waarin zowel agency als structure, consensus en conflict plaats krijgen. Dit is onder meer het geval in het werk van Pierre Bourdieu, de structuratietheorie van Anthony Giddens, de theorie van het communicatieve handelen van Jürgen Habermas en de actor-netwerktheorie van Bruno Latour. Vaak wordt er gewezen op het feit dat agency en structure elkaar in zekere zin veronderstellen, dan wel dat de begrippen zelf problematisch zijn en herdacht moeten worden.

Methodologisch pluralisme[bewerken]

Analoog aan de theoretische diversiteit bestaat er binnen de sociologie ook een grote reeks verschillende methodologieën die gebruikt worden. Dit wordt in de literatuur samengevat in de vorm van een tegenstelling tussen twee grote groepen: kwalitatief onderzoek en kwantitatief onderzoek. Vaak wordt dit op een bepaalde manier gepresenteerd met de onderliggende boodschap dat kwantitatief onderzoek wetenschappelijker is, terwijl kwalitatief onderzoek wetenschappelijk discutabeler is. Deze framing van het methodologisch landschap is echter van recente datum en vroeger bestonden deze methodes simpelweg naast elkaar en vaak wordt er vooral op basis van de onderzoeksvraag een methodologie gekozen. Er zijn ook auteurs die de gelijkenissen tussen beide benaderingen benadrukken en stellen dat er slechts onderliggende wetenschappelijke logica aan het werk is.[2]

Binnen kwantitatief onderzoek wordt in de eerste plaats gebruik gemaakt van statistiek. Het wordt vooral gebruikt om hypothesen te testen in verband met grote databases en enquêtes, zoals Eurobarometer of PISA. Het gaat hier om gegevensbanken met grootschalige steekproeven die een hele grote reeks variabelen meten. Via statistiek kan men dan onderzoeken of er bepaalde significante verbanden bestaan tussen bepaalde variabelen, bijvoorbeeld via een regressie-analyse. Er moet steeds theoretisch geargumenteerd worden waarom een bepaalde steekproef geschikt is voor het onderzoek en of men best een longitudinale of dwarsdoorsnede-studie maakt. Vaak wordt er ook gebruikgemaakt van datareductie, namelijk het reduceren van een grote hoeveelheid gegevens naar een kleiner aantal kernvariabelen. Dit gebeurt bijvoorbeeld in hoofdcomponentenanalyse en factoranalyse. Tegenwoordig bestaan er verschillende computerprogramma's die veel van het rekenwerk overnemen, zoals SPSS of SAS.

Methodologische problemen hiermee verbonden zijn zaken zoals non-respons, statische fouten of bepaalde gekleurde selectie van respondenten (selection bias). Zulke problemen zijn gelinkt met de vraag in welke mate de steekproef die men heeft genomen wel echt representatief is voor de populatie waarover men uitspraken wil doen. Verbonden daarmee kan men ook steeds de vraag stellen of wel alle relevante variabelen opgenomen zijn. Verder bestaan er ook meer fundamentele bezwaren of de vraag in hoeverre men wel alle relevante data kan omzetten in kwantitatieve data (waar men een getal op kan plakken).

Daartegenover staan dan meer kwalitatief gerichte methodes, zoals diepte-interviews, focusgroepen of participerende observatie. De steekproef die hier wordt gebruikt is van veel kleinere schaal, maar elke respondent binnen de steekproef zal wel tot in grotere detail worden onderzocht. Men krijgt met andere woorden veel meer informatie over een klein aantal cases. Vaak is kwalitatief onderzoek sterker verbonden met een achterliggende theoretische benadering. Voorbeelden hiervan kunnen zijn grounded theory, etnografie, analytische inductie, narratologie, fenomenologie, sociaal constructivisme, qualitative comparative analysis (QCA) of actor-netwerktheorie.

Methodologisch bestaan hier ook verscheidene vraagstukken. Enerzijds is hier de vraag nog belangrijker of de steekproef wel representatief is en of men dus kan veralgemenen. Terwijl bij kwantitatief onderzoek de selectie vaak op willekeurige basis gebeurt, en men dus op basis van kansverdeling kan argumenteren dat het representatief is, is dit binnen kwalitatief onderzoek minder het geval. De kleine steekproef laat dat immers niet toe. Als alternatief kan men dan enerzijds gaan voor een theoretisch gefundeerde steekproef, waar men dus de respondenten actief selecteert, maar op bepaalde theoretische gronden. Anderzijds zijn er ook bepaalde technieken om ook in dit geval kleuring van respondentselectie tegen te gaan, zoals random walk. Een verder probleem is dat van de interpretatie van de data. De data die verzameld worden binnen het onderzoek is vaak ruim qua omvang en minder duidelijk dan kwalitatieve data. Een belangrijk punt bij de wetenschappelijkheid van kwalitatief onderzoek is dus de mate waarin zo'n interpretatie van de data gerepliceerd kan worden door andere onderzoekers. Een correcte interpretatie zorgt er dus voor dat andere onderzoekers, die dezelfde data onderzoeken, tot dezelfde conclusie zouden moeten komen. Om aan verscheidene van deze vraagstukken tegemoet te komen bestaat er ook voor kwalitatief onderzoek assisterende software, zoals Tosmana, voor qualitative comparative analysis (QCA), of NVivo om teksten te coderen.

Ook op vlak van methodologie zijn er echter verzoeningspogingen gedaan en zijn er ook genoeg onderzoekers die beide methodologische insteken combineren. Vaak wordt dit samengevat onder de noemer van mixed methods research. Men probeert dan de zwaktes van beide insteken te compenseren door zowel representativiteit alsook diepgang en begrip van de context na te streven.

Geschiedenis[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie geschiedenis van de sociologie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De geschiedenis van de sociologie als academische discipline gaat terug tot in de 19e eeuw. Er zijn echter al veel langer denkers die zich met gelijkaardige onderwerpen hebben beziggehouden. Ook de term 'sociologie' is al ouder dan de discipline zelf en gaat terug tot de Verlichting, waarin na de Franse Revolutie de sociologie werd voorgesteld als een positivistische wetenschap van de maatschappij. Haar ontstaansgeschiedenis is beïnvloed door verschillende stromingen in de wetenschapsfilosofie en de epistemologie. De sociale analyse in een bredere zin heeft echter zijn oorsprong in de sociale filosofie, en is dan ook van veel vroegere datum. De moderne academische sociologie is ontstaan als een reactie op de modernisering, het kapitalisme, urbanisatie, rationalisatie en secularisatie; meer specifiek de opkomst van de moderne natiestaat, zijn sociale instituties, het proces van socialisatie, en de middelen van toezicht. De focus op het concept van de modernisering, in plaats van de Verlichting, onderscheidt het sociologische discours van dat van de klassieke politieke filosofie.[3]

Binnen een relatief korte tijdsperiode is de discipline sterk uitgebreid en gediversifieerd, zowel thematisch als methodologisch, met name als gevolg van de vele reacties tegen empirisme. Eén van de historische sleutelproblemen van de sociologie[4] is het debat over de relatie tussen structuur en handelen, in het Engels structure and agency. Hedendaagse sociale theorie is er meer naar geneigd te pogen om deze dilemma's met elkaar te verzoenen. Met de komst van het postmodernisme is er een toename van zeer geabstraheerde theorieën gezien, en daarnaast zijn nieuwe kwantitatieve methoden voor gegevensverzameling naar voren gekomen, die dienst kunnen doen als gemeenschappelijke instrumenten voor overheden, bedrijven en organisaties.

Sociaal-wetenschappelijk onderzoek is voortgekomen uit de sociologie maar heeft inmiddels een zekere mate van autonomie verworven, daar beoefenaars van andere disciplines zich daar ook in verdiepen. Het begrip sociale wetenschap is opgekomen als overkoepelende term voor de verschillende disciplines, die de maatschappij of de menselijke cultuur bestuderen.

Sociologische stromingen[bewerken]

Deeldisciplines[bewerken]

Sociologie in Nederland en Vlaanderen[bewerken]

Studiemogelijkheden[bewerken]

België
Nederland

Tijdschriften en verenigingen[bewerken]

Tijdschriften
  • SocioSite (1996-heden)
  • Amsterdam Sociologisch Tijdschrift (1974-2004)
  • Mens en Maatschappij (1926?-)
  • Sociologie (2005-)
  • Sociologische Gids (1953-2004)
  • Tijdschrift voor Sociologie (1980-)
  • Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken
  • Tijdschrift voor Beleid, Politiek en Maatschappij
  • Sociologie Magazine (Facta)
Verenigingen

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Laermans, R. (2012) De maatschappij van de sociologie. Amsterdam: Boom.
  2. King, G., Keohane, R. O., Verba, S. (1994). Designing Social Inquiry - Scientific Inference in Qualitative Research. Princeton: Princeton University Press.
  3. Harriss, J. (1922). "The Second Great Transformation? Capitalism at the End of the Twentieth Century". In Allen, T. and Thomas, Alan (red.) Poverty and Development in the 21st Century. Oxford University Press, Oxford. p.325.
  4. Tacq, J. (red.) (2003). Het oeuvre van Pierre Bourdieu. Antwerpen/Apeldoorn: Garant. p. 41