Sociale psychologie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Psychologie
Psy logo.jpg

Basisdisciplines
functieleer
sociale psychologie
ontwikkelingspsychologie
gedragsanalyse
cognitieve psychologie
biologische psychologie
klinische psychologie
neuropsychologie
persoonlijkheidsleer

Andere disciplines
humanistische psychologie
arbeids- en organisatiepsychologie
psychologie van arbeid en gezondheid
leerpsychologie
rechtspsychologie
dieptepsychologie
gestaltpsychologie
ethologie
culturele psychologie
psychometrie
psychonomie
psycholinguïstiek
evolutionaire psychologie
psychohistorie

Gerelateerde onderwerpen
lijst van psychologen
psychologie van A tot Z

Portaal  Portaalicoon  Psychologie

Sociale psychologie wordt door Floyd Henry Allport gedefinieerd als de wetenschappelijke studie naar menselijk gedrag en bewustzijn (1924). Deze definitie werd door zijn broer Gordon Allport jaren later geconcretiseerd als de studie naar begrip hoe (menselijke) gedachten, gevoelens en gedragingen worden beïnvloed door werkelijke, ingebeelde of gewenste aanwezigheid van anderen. Doordat ook de invloed van ingebeelde anderen wordt bestudeerd, omvat de sociale psychologie tevens het onderzoek naar de invloed op gedrag en bewustzijn van bijvoorbeeld televisie of het opvolgen van culturele normen.

Sociaalpsychologen verklaren menselijk gedrag doorgaans als een resultaat van het samengaan van persoonlijke factoren, de sociale interacties en de geschiedenis voorafgaand aan de situatie. Sigmund Freud was de eerste psycholoog die dit beschreef en aangaf dat individuele psychologie en sociale psychologie tegelijk zijn ontstaan (S. Freud, 1922). Kurt Lewin stelde in 1951 dat deze interactie als een formule beschouwd kan worden, waarbij gedrag een functie is van de persoon en de omgeving, B=ƒ(P,E) (Behaviour = ƒ(Person, Environment)). In de praktijk wordt deze formule echter nauwelijks gebruikt. Kenneth Gergen beweerde in 1973 – in navolging van Freud – dat de historische context van gedrag een verklarende factor is.

De sociale psychologie onderbouwt hypotheses door kwalitatief en kwantitatief onderzoek. Er wordt met name gepubliceerd over experimentele en vragenlijst studies. Een beperking van het vakgebied is dat de theorieën specifiek kunnen zijn. De accuratesse is echter vrij hoog. De voorspellende waarde voor het alledaagse gedrag dient situationeel bekeken te worden omdat de interactie met de omgeving en de historie, zoals eerder geschetst, van invloed zijn.

Sociale psychologie is een toepassingsgebied, dat de kloof tussen psychologie en sociologie verkleint. De focus ligt op het onderzoeken van individuele reacties op sociaal relevante stimuli en deze te vertalen in praktisch toepasbare concepten. Dit is een belangrijk onderscheid met de veel algemenere opzet van sociologie en algemene psychologie. In de jaren direct na de Tweede Wereldoorlog werd er frequent samengewerkt tussen psychologen en sociologen (Sewell, 1989). Echter, de twee stromingen zijn de laatste jaren toenemend gespecialiseerd en gescheiden van elkaar, zoals bij vele wetenschappen het geval is. Sociologen leggen meer nadruk op "macrovariabelen" (bijvoorbeeld sociale structuren), sociaal psychologen op microvariabelen (sociaal relevante stimuli voor het individu).

Er is een verschil tussen Amerikaanse en Europese sociaal psychologen. Traditioneel gezien leggen Europese sociaal psychologen meer nadruk op onderzoek in groepsverband, terwijl hun Amerikaanse collega's meer de nadruk leggen op het individu. (Moscovici & Markova, 2006). De Amerikaanse sociale psychologie heeft bovendien een voorkeur voor experimentele studies, terwijl de Europese Sociale Psychologie vaker ruimte laat voor interpretatieve en mixed-method studies en een bredere opvatting heeft van de definitie van de term sociaal (Moscovici, 2000).

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

De sociale psychologie ontstond als discipline in de Verenigde Staten aan het begin van de 20e eeuw. De eerste gepubliceerde studie die door een enkeling tot dit vakgebied gerekend wordt is van Norman Triplett (1898) over sociale facilitatie. Opgemerkt dient te worden dat dit een studie met kinderen was en de vraag is of je resultaten dan kunt benutten voor volwassenen. Hoe wetenschappelijk de opzet was is onbekend. Algemeen worden Wilhelm Wundt (Europa) en Hugo Munsterberg (VS) als grondleggers van de wetenschappelijke Sociale Psychologie gezien (L. Koppes, 2007). Anderen memoreren Floyd Allport (Prof. L. Berkowitz 1980) en Sigmund Freud. Belangrijke overeenkomst is dat al deze Psychologen de Fysiologie als vertrekpunt hadden. De onbewuste geconditioneerde respons. Een belangrijk gegeven om gedrag in interactie vollediger te begrijpen.

Tijdens de jaren ‘30 vluchtten een aantal Joodse Psychologen naar de Verenigde Staten om nazi-Duitsland te ontvluchten. Een van hen was Kurt Lewin. Zij zouden hebben gezorgd voor de ontwikkeling van de discipline, zodat ze los stond van de dominante disciplines van dat moment, het behaviorisme en de psychoanalyse. De onderwerpen die in die tijd veel bestudeerd werden, zoals perceptie, cognitie en attitudes, zijn nog steeds belangrijke onderzoeksgebieden binnen de sociale psychologie. En komen voort uit de Fysiologie.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog bestudeerden Amerikaanse sociaal psychologen beïnvloeding en propaganda voor het leger van de Verenigde Staten. Bovenal werden ze ingeschakeld voor het rekruteren. Hiermee ontstond de psychotechniek, de rol van psychologen bij personeelsselectie. Na de oorlog kwam het accent te liggen op verschillende maatschappelijke probleemgebieden, zoals racisme. In de jaren ’60 ontstonden enkele nieuwe onderzoeksgebieden, waaronder cognitieve dissonantie, de weerstand die omstanders hebben om in te grijpen in noodgevallen en agressie. Hierna ontstond volgens sommigen een crisis in het veld, toen in de jaren ’70 onder leiding van Kenneth Gergen het sociaal constructivisme zijn intrede deed. Deze stroming tegen het logisch positivisme vindt dat met experimenten niet een volledig inzicht gegeven kan worden in het daadwerkelijke gedrag van mensen, terwijl dat juist de basis is van de sociale psychologie (bron?).

Er is echter met name in de VS juist veel belangrijk onderzoek gedaan naar bijvoorbeeld groepsdynamiek en leiderschap, interactie processen, chemie tussen personen, het effect van beloning, de complexiteit van agressie (7 soorten en het onderscheid tussen bewust aanvallen en een onbewuste reflex) (Prof. L. Berkowitz, 1980). Hedendaagse onderzoekers, zoals aan de London School of Economics, zouden meer nadruk leggen op hoe mensen samen betekenis geven aan de wereld en hoe deze sociale representaties vervolgens hun gedrag beïnvloeden. Belangrijk bij elk nieuw inzicht in de wetenschap is dit te koppelen aan eerder onderzoek. Dat eerdere onderzoek is pas ongeldig wanneer door nieuw onderzoek wordt aangetoond dat het niet klopt.

Een andere belangrijke invloed op de sociale psychologie is de industriële revolutie. Hiermee is de industrial psychology ontstaan, in Nederland bekend als de arbeids- en organisatiepsychologie. Er is een aanzienlijke overlap ontstaan met de sociale psychologie. En mogelijk een verschil in imago door focus op commerciële aspecten. Het verschil is de focus op 'hoe past de mens bij de situatie' versus 'hoe past de situatie bij de mens' (Laura L. Koppes, 2007). Een bekend en interessant experiment in dit kader betreft de Hawthorne studies bij Western Electric Company. Naast verbeterde arbeidsomstandigheden zoals verlichting en pauzes, bleek onverwacht dat de juiste sociale aandacht een positief effect had op de productiviteit. (F.J. Roetlisberger, 1964)

Sociale psychologie ontwikkelde zich verder in de jaren ’80 en ’90. Moderne onderzoekers zijn geïnteresseerd in een grote variëteit aan onderwerpen, maar attributieprocessen, sociale cognitie, groepsprocessen en leiderschap en onderzoek naar het zelfconcept zijn gebieden waar veel onderzoek naar verricht wordt. Resultaten daarvan zijn goed toepasbaar bijvoorbeeld in sociaal & organisatiepsychologisch advies, loopbaanadvies, werving & selectie en veranderkunde. In Nederland zou de sociale cognitie sterk vertegenwoordigd zijn, evenals onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, emoties en de nauw gerelateerde discipline van de organisatiepsychologie (bron?).

Overzichten van de geschiedenis van de sociale psychologie zijn bijvoorbeeld:

  1. Farr, R.M.(1996). The roots of modern social psychology, 1872–1954
  2. Farr, R.M.(1991). The long past and the short history of social psychology
  3. Kruglanski, A.W., Stroebe, W. (2012). Handbook of the History of Social Psychology. Hove: Psychology Press.

Meningen over de geschiedenis en de bronnen daarvan lijken subjectief. In de literatuur wordt heel divers geschreven over de geschiedenis van de sociale psychologie.

Een manier om de geschiedenis van de sociale psychologie aan te duiden is aan de hand van 4 metaforen die de dominante paradigma's weergeven[1]:

  1. Cognitive miser ('70 - '80): Mensen handelen niet op basis van volledig geïnformeerde beslissingen, maar gebruiken vuistregels om energie te besparen.
  2. Flawed perceiver ('80 - '90): Mensen baseren zich in hun handelen mede op fouten in hun waarneming van hun omgeving.
  3. Motivated tactician ('90 -'00): Mensen zetten hun cognitieve energie tactisch in bij het maken van beslissingen.
  4. Activated Actor ('00 - nu): Mensen worden bewust of onbewust beïnvloed (geprimed) door hun omgeving in hun gedrag.

Een andere manier is de wijze waarop Prof. Berkowitz (1980) de 4 thema-gebieden van de sociale psychologie omschrijft:

  1. De mens reageert deels onbewust en onvrijwillig - gedachtenloos op gebeurtenissen
  2. De mens reageert deels als een accountant: gepercipieerde kosten en opbrengsten leiden tot gedrag
  3. De mens reageert deels als een computer en verwerkt informatie, slaat deze op en haalt deze selectief terug
  4. De mens reageert deels vanuit zijn zelfbeeld en wil dat in stand zien te houden

Methoden en technieken bij de sociale psychologie[bewerken | brontekst bewerken]

Een aan de huidige wetenschap ten grondslag liggende vorm is de op het determinisme (= de natuur is wetmatig en ordelijk opgebouwd) steunende wetenschappelijke methode. De deterministische achtergrond betekent dat men uitgaat van oorzaak-gevolgrelaties: er is geen plaats voor het toeval. Daarbij hanteert men de empirische benadering; dit in tegenstelling tot de rationele benadering (studeerkamermethode). Empirisch wil zeggen dat men op een geordende wijze data opzoekt en verwerkt.

Wetenschap is erop gericht methodisch te werk te gaan en niet 'zomaar wat te concluderen of te beoordelen'. Dit in tegenstelling tot 'populaire psychologie' waarbij iedereen meent te weten hoe het zit (H.C.J. Duijker, 1966). Ook Prof. L. Berkowitz benadrukt de stappen die nodig zijn om gefundeerde en zorgvuldige uitspraken te kunnen doen. Het onderscheid maken in bijdragen tussen een gedachte, een hypothese of een bewezen feit is essentieel.

Aspecten van degelijk methodisch onderzoek:

  • Voorspellingen komen overeen met feiten. Zowel van eerder onderzoek (feiten) als wat betreft toekomstige observaties (gedachten en hypotheses).
  • De nieuwe theorie is consistent met de bestaande 'body of knowledge'.
  • Eenvoud wordt nagestreefd. Relatief weinig concepten worden gebruikt voor fenomenen, waarbij heldere en eenduidige definities worden gebruikt. Het in stand houden daarvan is van belang. Het in andere woorden weergeven van een oorspronkelijk concept, of er iets bij verzinnen dat niet onderzocht is, maakt dat de essentie verloren kan gaan.
  • Goed onderzoek stimuleert nieuw onderzoek en versterkt de wetenschap en haar toepassingen.

De vier wegen waarlangs men informatie opdoet kent iedereen en gebruikt feitelijk ook iedereen. In wetenschap wordt echter gewerkt met een gestructureerde methodiek. Een experiment dient herhaalbaar te zijn. Verder kan er onderscheid gemaakt worden tussen kwantitatief en kwalitatief onderzoek.

De vier wegen zijn:

  • verzamelen van documenten en voorwerpen. Dit betreft meestal archiefonderzoek. Het verzamelen en toetsen van betrouwbare bronnen is daarbij van groot belang. Meerdere liefst oorspronkelijke bronnen dienen te worden gebruikt, vanwege betrouwbaarheid van de informatie. (J. Hogan a.o., 2009)
  • mensen vragen om informatie middels interviews of vragenlijsten (div. auteurs)
  • observeren van mensen in de praktijk (div. auteurs)
  • experimenten die methodisch zijn opgezet en herhaalbaar zijn (L. Berkowitz, 1980)

De wijze van verzamelen en verwerking van gegevens is essentieel. Bij kwantitatief onderzoek wordt gewerkt met de representatieve steekproef, statistiek en het vaststellen van causale verbanden. Het feit dat er een verband is wil nog niet zeggen dat het causaal is. Het werken met vragenlijsten vraagt om een juist ontwerp van de vragen. De keuze of er open vragen worden toegevoegd. Dit laatste geeft meer en specifiekere informatie echter de verwerking kost ook meer tijd en dus geld. Een ander punt is dat vragen sociaal wenselijk kunnen worden ingevuld. Betrouwbaarheid van resultaten is een aspect. Interviews kunnen (semi)-gestructureerd zijn. Het belangrijkste aspect van dit kwalitatieve onderzoek is naast helderheid over de hypothese die wordt onderzocht, emphatie - meevoelen wat niet eigen is - sensaties. Dit is een aangeboren eigenschap. Empathie wordt vaak verward met sympathie en verkeerd gedefinieerd. (Prof. R. Stake, 2010, S.Freud Gesammelte Werke) Experimenten dienen zodanig te worden opgezet dat zo min mogelijk bias optreedt. Bijvoorbeeld door de invloed van degene die het experiment faciliteert of andere situationele factoren. De openheid over het doel heeft invloed. In gedegen onderzoek worden meerdere experimenten uitgevoerd om dergelijk bias uit te filteren.

Thema's uit de sociale psychologie[bewerken | brontekst bewerken]

  • Hoe beinvloed stereotypering van groepen in de samenleving ons concrete gedrag naar anderen? Een voorbeeld is dat mensen heel makkelijk zeggen 'hij is een narcist' of 'hij heeft ADHD'. Dit als leek opplakken van een psychiatrische sticker kan grote gevolgen hebben voor een individu in een groep en het zelfbeeld ondermijnen. Voorzichtigheid met oordelen is op zijn plaats (Prof. L. Berkowitz, 1980)
  • Wat is het effect van een groep op mensen? Waarom blijken mensen zich anders te gaan gedragen in een groep en minder voor zichzelf te denken? (Freud, 1922, Berkowitz 1980)
  • Hoe worden mensen in hun gedrag onbewust beinvloed door bijvoorbeeld reclame of een politieke campagne?
  • Wat is de invloed van verschillen in taalgebruik, denken, gevoelens en communicatie in de interactie tussen mensen uit verschillende culturen?

Een greep uit de meest bekende experimenten en studies met naam[bewerken | brontekst bewerken]

  • Kurt Lewin wordt soms nog aangehaald vanwege zijn T-groups en action-research. De beperking van deze methodiek is dat het een ongeleid experiment betreft. Wat je dan meet is zeer situationeel en afhankelijk van de aanwezigen. Het is meestal niet representatief voor andere situaties.
  • Stanford-gevangenisexperiment (1971).
  • Milgrams gehoorzaamheidsexperiment (1963): Mensen hebben een neiging om autoriteiten te gehoorzamen. In dit experiment ging die gehoorzaamheid zelfs zover, dat meer dan 60% van de proefpersonen bereid was om de opdracht van een onderzoeksleider op te volgen om een andere proefpersoon (eigenlijk een acteur) een schok van 450 volt te geven. Er is veel kritiek op de etische kant van dit experiment.
  • De overeenstemmingsexperimenten van Asch (1955). Asch deed een aantal studies waarin hij liet zien hoe groot de kracht van conformiteit kan zijn. In zijn meest bekende studie moesten proefpersonen aangeven welke van drie lijntjes precies even groot was als een opgegeven voorbeeldlijn. Hoewel iedereen dat zonder veel problemen kon aantonen, bleek dat erg veel proefpersonen een fout antwoord gaven als een aantal andere proefpersonen (eigenlijk acteurs) eerst een foutief antwoord hadden gegeven. De proefpersonen conformeerden zich dus aan het groepsstandpunt, terwijl ze eigenlijk wisten dat dit onjuist was. Dit is een voorbeeld van het eerder genoemde fenomeen dat mensen zich anders gedragen in een groep dan individueel.
  • Muzafer Sherifs (1954) Robbers Cave-experiment. In dit onderzoek werd een groep jongens in twee groepen opgedeeld, die competitieve opdrachten tegen elkaar moesten uitvoeren. Dat leidde tot veel agressie en vijandigheid tussen de groepen. Door de groepen later weer te laten samenwerken om een gezamenlijk doel te halen, werd de agressie langzaam minder. Het is belangrijk te beseffen dat dit bij volwassenen mogelijk anders werkt en dat agressie zeer complex is (Prof. L. Berkowitz, 1980). Voorts heeft het invloed op resultaten wanneer je wel of niet transparant bent naar proefpersonen over het feit dat het een experiment is.
  • Leon Festingers cognitieve dissonantieonderzoek. Proefpersonen die 1 dollar kregen om (op vraag van de onderzoeker) tegen een schijnbare collega te zeggen dat een uiterst saaie taak die ze zonet gemaakt hebben, eigenlijk heel leuk was, vonden de taak uiteindelijk ook leuker dan proefpersonen die daar 20 dollar voor gekregen hadden. De redenering hierachter is dat degenen die liegen voor 20 dollar beseffen dat ze dit in feite gedaan hebben omwille van het geld. Daardoor wordt de cognitieve dissonantie (tussen het weten dat de taak saai was en het zeggen dat ze boeiend was) opgeheven. Voor degenen die er maar 1 dollar voor kregen volstaat die uitleg niet en dus proberen ze zichzelf ervan te overtuigen dat de taak eigenlijk helemaal niet zo saai was. Dit voorbeeld laat ik staan maar het fenomeen doet zich continue voor: mensen neigen ertoe hun gedrag achteraf te blijven verantwoorden voor zichzelf.
  • Robert Zajoncs sociale facilitatieonderzoek. Proefpersonen die een ingewikkelde taak moesten uitvoeren terwijl anderen op hun vingers stonden te kijken, maakten meer fouten dan wanneer er niemand toekeek. Blijkbaar is het genoeg dat anderen aanwezig zijn, om al een zekere spanning op te roepen die je onzekerder maakt. Bij een eenvoudige taak stelt men nochtans precies het omgekeerde vast: bij dat soort taken presteert men juist beter als er anderen toekijken. Het interessante is dat Zajonc beide soorten vaststellingen met een enkele theorie kon verklaren.
  • Jozef Nuttin, geïnspireerd door Leon Festinger onderzocht en definieerde het naamlettereffect (?).
  • Roethlisberger, F.J., de Hawthorne studies en het positieve effect van de juiste sociale aandacht op productiviteit.

Literatuur[bewerken | brontekst bewerken]

  • Allport, F. H., (1924), Social Psychology
  • Allport, G. W. (1985). The historical background of social psychology. In G. Lindzey & E. Aronson (Eds.), The handbook of social psychology. New York: McGraw Hill.
  • Asch, S. E. (1955). Opinions and social pressure. Scientific American, pp. 31–35.
  • Bandura, A., Ross, D. & Ross, S. A. (1961). Transmission of aggression through imitation of aggressive models. Journal of Abnormal and Social Psychology, 63, 575-582.
  • Berkowitz, Prof. Leonard (1980), A survey of social psychology (2nd edition).
  • H.C.J. Duijker, (1966) Leerboek der psychologie
  • Festinger, L. (1957). A theory of cognitive dissonance. Stanford, CA: Stanford University Press.
  • Festinger, L. & Carlsmith, J. M. (1959). Cognitive consequences of forced compliance. Journal of Abnormal and Social Psychology, 58, 203-211.
  • Freud, Sigmund (1922), Grouppsychology and the Ego and Gesammelte Werke
  • Hogan, John and others (2009), Approaches to qualitative research: theory and its practical application. A guide for dissertation students
  • Lewin, K. (1951). Field theory in social science: Selected theoretical papers. D. Cartwright (Ed.). New York: Harper & Row.
  • Koppes, Laura L. (2007), Historical perspectives in industrial and organizational psychology
  • Парыгин Б. Д. Социальная психология как наука. — Л.: ЛГУ, 1965. — 208 стр. (rus.)
  • Roethlisberger, F.J., Management and the worker (1964) The Hawthorne studies.
  • Milgram, S. (1975). Obedience to authority. Harper and Bros.
  • Sherif, M. (1954). Experiments in group conflict. Scientific American, 195, 54-58.
  • Stake, Robert E., Qualitative Research, studying how things work (2010).
  • Triplett, N. (1898). The dynamogenic factors in pacemaking and competition. American Journal of Psychology. 9, 507-533.
  • Zajonc, Robert (1980). In a survey of social psychology, Prof. L. Berkowitz