Stanford-gevangenisexperiment

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Stanford-gevangenisexperiment was een spraakmakend sociaal-psychologisch experiment, dat in 1971 werd uitgevoerd in de kelders van de Universiteit van Stanford. Het experiment was opgezet door Philip Zimbardo.

Samenvatting[bewerken]

Studenten werden willekeurig in twee groepen opgesplitst: een gevangenengroep en een bewakersgroep. Na korte tijd begonnen de studenten zich naar hun rol te gedragen: gevangenen werden onderdanig en bewakers kwamen in de verleiding om hun macht te misbruiken.

Het experiment werd stopgezet toen Christina Maslach, een studente die interviews afnam in de 'gevangenis', kritiek op de mensonterende omstandigheden uitoefende. Slechts zes dagen van de geplande twee weken waren volbracht. Zimbardo merkte nog op dat van de vijftig buitenstaanders die de gevangenis van binnen hadden gezien, Maslach de enige was die vraagtekens bij de moraal ervan had gezet.

Het experiment toont de dramatische gevolgen van normale, gezonde studenten die in een namaakgevangenis werden gestopt. Het is een klassiek geworden voorbeeld van de kracht van de sociale situatie. [bron?]

Het gevangenisexperiment[bewerken]

Een groep van 24 doorsnee Amerikaanse jongens uit de middenklasse, die aan het begin van het experiment niet van elkaar verschilden, zou twee weken lang gesplitst worden in de rol van bewaker of gevangene in een namaakgevangenis. Het toeval bepaalde de rollenverdeling. Twaalf jongens mochten een uniform aandoen en kregen als opdracht: ‘zorg voor orde maar gebruik geen geweld’. De twaalf anderen kregen een gevangenisplunje aan. Zimbardo en zijn collega's wilden weten wat er in zo'n sociale situatie kon gebeuren.

Al snel gebruikten de 'bewakers' opdrukken met een hand op de rug als straf. Opstandelingen werden met de brandblusser neergespoten, ook zich publiekelijk uitkleden was een straf. Eenzame opsluiting kon ook. De agressie van de bewakers werd sterker naarmate het onderzoek vorderde.

Sommige bewakers hadden er lol in om de gevangenen zeer wreed te behandelen, als beesten. [bron?] Niemand van de deelnemers zei tijdens het experiment: "Zo kan het niet meer verder." Op een bepaald moment gebeurden de mishandelingen 's nachts omdat ze dachten dat de onderzoekers toen niet keken. De meerderheid was niet langer in staat een onderscheid te maken tussen hun rol en hun eigen ik. In bijna elk onderdeel van hun gedrag, gedachten en gevoelens was er verandering te zien.

Niet enkel de proefpersonen gingen tot het uiterste, ook de onderzoekers trapten in hun eigen val. Ze hadden buitenstaanders nodig om in te zien wat ze aan het doen waren. Toen een collega Zimbardo een technische vraag stelde, reageerde hij niet als wetenschapper, maar als gevangenisdirecteur. Pas toen Christina Maslach, een nieuwe collega, boos werd over het feit dat de 'gevangenen' met een zak over het hoofd en aan de enkels geketend naar de wc werden geleid, besefte Zimbardo dat er iets fout ging. Na zes van de veertien voorziene dagen werd het experiment stilgelegd.

Belang van het experiment[bewerken]

Aangezien de deelnemers aan het experiment geselecteerd waren op hun psychologische stabiliteit, toont het aan dat iedere jonge man (en mogelijk ieder mens) in staat is om vrij snel in een sadist te veranderen. Enerzijds denkt hij dat hij overal straffeloos mee wegkomt en anderzijds staat hij onder druk van een groep. Daarnaast is waarschijnlijk ieder mens geneigd in apathie te vervallen wanneer men in een onderdanige rol wordt gedwongen.

Veel mensen vinden het moeilijk om assertiviteit op te brengen tegenover iemand die invloed op hen wil uitoefenen. Het experiment van Zimbardo toont aan dat we steeds waakzaam moeten zijn tegenover de valkuilen van de beïnvloeding die we dagelijks meemaken.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]