Gedrag

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Gedrag is het geheel van acties en reacties van een organisme, gewoonlijk met betrekking tot de natuurlijke omgeving en de sociale omgeving. De psychologie maakt verder onderscheid tussen uitwendig, voor derden waarneembaar gedrag, en inwendig, innerlijk gedrag zoals denken en voelen.

Gedrag kan bewust of onbewust, openlijk of heimelijk, vrijwillig of onvrijwillig zijn. Gedrag wordt mede bepaald door het endocriene systeem en het zenuwstelsel. De complexiteit van het gedrag van een soort organisme hangt samen met de evolutionair bepaalde complexiteit van zijn zenuwstelsel. Organismen met complexe zenuwstelsels hebben een groter vermogen tot leren en daardoor tot gedragsaanpassing.

Het gedrag van mensen, andere organismen, en bij uitbreiding van mechanismen, valt binnen een waaier van "normaal" en abnormaal, aanvaardbaar en onaanvaardbaar gedrag. Gedrag wordt geëvalueerd met betrekking tot sociale normen en wordt door sociale controle ingeperkt.

Geschiedenis van de term[bewerken]

Lang werd een strikt onderscheid gemaakt tussen gedrag van mensen en dieren. De Engelse term "behavior" werd tot het einde van de 19e eeuw voorbehouden voor menselijk gedrag.[1] Vermoedelijk was C. Lloyd Morgan de eerste die een boek wijdde aan diergedrag: Animal behaviour (1900).[2]

Beïnvloeding van gedrag bij mens en dier[bewerken]

Gedrag wordt beïnvloed door in- en uitwendige factoren.

Motivatie bepaalt grotendeels de kans dat een bepaald gedrag uitgevoerd wordt. Daarbij kunnen het hormoon- en het zenuwstelsel de motivatie beïnvloeden. Hormoon- en zenuwstelsel worden in hun werking weer beïnvloed door de hoeveelheid (zon)licht en de hoogte van de temperatuur.

Uitwendige factoren zijn prikkels die het organisme zintuiglijk waarneemt: ziet, hoort, ruikt, proeft of voelt.

Volgens de theorie van gepland gedrag is intentie de belangrijkste factor voor gepland gedrag en volgt die intentie weer uit drie factoren; het belang dat aan het gedrag en het gevolg daarvan wordt gehecht, hoe de omgeving over dat gedrag denkt en de ingeschatte vaardigheid.

 
 
 
 
 
Gedragsovertuiging
 
Attitude
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Achtergrondfactoren
 
 
Normatieve opvattingen
 
Subjectieve normen
 
Intentie
 
Gedrag
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Beheersingsovertuiging
 
Ingeschatte beheersing
van gedrag
(Zelfeffectiviteit)
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Gedetermineerdheid van gedrag bij mens en dier[bewerken]

Individueel gedrag wordt bepaald door erfelijke factoren en leerprocessen. Gedrag van een pasgeboren organisme is vooral erfelijk bepaald. Naarmate het organisme ouder wordt ontwikkelt het gedrag zich door leerprocessen tijdens het leven. Er ontstaat een aangepast gedrag dat de overlevingskansen van het organisme vergroot.

Er zijn verschillende soorten leerprocessen zoals: inprenting, gewenning, conditionering, imitatie en inzicht.

Inprenting is leren van iets dat alleen in een bepaalde korte levensperiode (de gevoelige periode) aangeleerd kan worden. Bijvoorbeeld het leren herkennen van soortgenoten of ouders.

Gewenning is het afleren van een reactie op een prikkel na het herhaaldelijk blootstellen aan de prikkel. Bijvoorbeeld het niet meer reageren van een spreeuw op een fotoflits.

Conditionering is het aanleren van gedrag door een 'beloning' of een 'straf'. Hieronder vallen trial and error, dresseren, klassiek conditioneren en modern/operant conditioneren.

Trial-and-error is het leren van de ervaringen die een organisme opdoet als gevolg van bepaald gedrag, ook wel "proefondervindelijk leren" genoemd. Bijvoorbeeld een insectenetende vogel die na het eten van een zwarte rups alle zwarte rupsen gaat vermijden, na een aantal keer de 'vieze' smaak van een zwarte rups te hebben geproefd.

Dresseren is het dieren aanleren van gedragingen bij een bepaald commando. Bijvoorbeeld het aanleren van honden om een poot te geven.

Klassieke conditionering is het aanleren van gedrag dat bij een andere prikkel hoort. Bijvoorbeeld Pavlov die een hond aanleert om al te gaan kwijlen bij het voorafgaande belletje aan het voer in plaats van pas bij het voer zelf.

Instrumentele of operante conditionering is het effect van een bepaald gedrag dat invloed heeft op het aantal keren dat dat gedrag (operant) plaatsvindt. Bijvoorbeeld een muis drukt op een hefboom en er komt eten uit een gat, de muis zal hierdoor vaker op de hefboom drukken om zo meer eten te krijgen.

Imitatie is het aanleren van gedrag door het nadoen van gedrag van soortgenoten, ook wel nabootsing genoemd. Bijvoorbeeld het leren van zang door jonge vogels door het nadoen van geluiden van de ouders.

Inzichtelijk leren is het oplossen van een probleem in een onbekende situatie door verschillende opgedane ervaringen van vroeger te combineren. Bijvoorbeeld het opstapelen van kisten door een aap om zo bij hoog hangende bananen te komen.

Gedrag en soortgenoten[bewerken]

Aanwijzingen in het straatbeeld

Het gedrag dat soortgenoten ten opzichte van elkaar vertonen heet sociaal gedrag. Dit gedrag wordt beïnvloed door signalen. Deze werken als prikkel voor de volgende handeling van een soortgenoot, ze hebben dus een mededelingsfunctie. Door signalen is communicatie tussen soortgenoten mogelijk. Sommige gedragingen komen tot stand door middel van taakverdelingen. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij bijen, er is een koningin die eieren legt, honderden darren bevruchten de koningin en duizenden werksters verrichten alle andere taken in het nest.

Een andere functie van gedrag is het vaststellen van een rangorde in een groep. Dit kan door imponeer- of verzoeningsgedrag. Bijvoorbeeld de pikorde bij kippen, het stampen en grommen van een chimpansee of het presenteren van het achterste bij bavianen.

Er bestaat ook gedrag dat de functie heeft om het te kunnen afbakenen en het verdedigen van een territorium tegen binnendringende soortgenoten dit gebeurt door middel van aanvallen, vluchten of dreigen. Dit gedrag wordt territorium gedrag genoemd. Het vormen van een territorium stelt veilig dat er voldoende voedsel of ruimte is om nakomelingen groot te kunnen brengen.

Maar om nakomelingen groot te kunnen brengen zullen soorten eerst moeten paren en nakomelingen moeten maken. Er is gedrag dat voorafgaat aan de paring en dat de kans op een paring vergroot dit heet baltsgedrag. baltsgedrag zorgt ervoor dat de agressie tussen de partners verminderd en de seksuele motivatie vergroot wordt. Dit baltsgedrag is soortspecifiek. Als er geen baltsgedrag wordt vertoond kan er conflictgedrag worden vertoond als twee soortgenoten elkaar tegenkomen. Conflictgedrag is gedrag dat veroorzaakt wordt door een conflict tussen twee of meerdere gedragssystemen. Onder conflictgedrag vallen de volgende gedragingen: ambivalent gedrag, overspronggedrag en omgericht gedrag. Ambivalent gedrag is gedrag dat is samengesteld uit handelingen uit twee of meerdere gedragssystemen. Overspronggedrag is gedrag dat vertoont wordt als er een conflict is tussen twee gedragssystemen, er wordt dan gedrag vertoont uit een derde gedragssysteem. Omgericht gedrag is gedrag waarbij het organisme de agressie richt op iets anders dan op de soortgenoot.

Verschillen en overeenkomsten tussen het gedrag van mens en dier[bewerken]

Er zijn een aantal overeenkomsten tussen het gedrag van mens en dier. Bij beiden wordt het gedrag bepaald door erfelijke factoren en leerprocessen, deze zijn vergelijkbaar. Ook zijn beiden gevoelig voor sleutelprikkels en super normale prikkels en komen er rolpatronen voor.

Maar er zijn ook een aantal verschillen. Zo wordt het gedrag van de mens wat sterker bepaald door leerprocessen dan bij dieren. Het leren door middel van inzicht is hier een voorbeeld van. Ook kunnen mensen hun eigen gedrag beoordelen aan de hand van normen en waarden, iets dat dieren niet kunnen.

Zie ook[bewerken]

Icoontje WikiWoordenboek Zoek gedrag in het WikiWoordenboek op.