Racisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Demonstratie in 1983 in Amsterdam tegen de racistische moord op Kerwin Duinmeyer
Het strand van Durban in Zuid-Afrika was in 1989 vir die uitsluitlike gebruik van lede van die blanke rassegroep volgens de Apartheidpolitiek. Bord in Engels, Afrikaans en Zoeloe
Anonieme brief uit 1919 tegen Sicilianen aan de Engelse krant Evening Sun met de racistische bewering dat bij vermenging van rassen het vermeende slechtere ras de overhand zou krijgen

Racisme is de opvatting dat er rassen te onderscheiden zijn met daaraan gerelateerde verschillen in karaktereigenschappen, fysieke capaciteiten en geestelijke vermogens waarbij het eigen ras superieur zou zijn aan andere. Wanneer voor het ene ras andere maatstaven worden aangelegd dan voor het andere, kan dat leiden tot discriminatie. De term racisme heeft zeker sinds de Tweede Wereldoorlog een negatieve lading.[bron?] De term racisme is sinds de jaren 1930 in gebruik, aanvankelijk als reactie op de nazi-politiek om Duitsland judenfrei te maken. Hierbij is duidelijk dat een definitie van racisme afhankelijk is van de definitie van ras.

Al in de oudheid waren vele volkeren etnocentrisch: zij beschouwden andere volkeren als barbaren, meer op culturele dan op raciale gronden. In het antisemitisme zoals dat in de 15e eeuw in Spanje opleefde, werden religieus-culturele elementen vermengd met raciale elementen. Vanaf de 17e eeuw onderscheidden sommige Europese theologen een rangorde waarin de blanke mens het dichtst bij God stond; daaronder de negroïde, dan de aap enzovoorts. Voor veel 18e- en 19e-eeuwse slavenhandelaren vormden deze denkbeelden een rechtvaardiging voor hun doen en laten. Rassentheorieën die natuurwetenschappelijk heetten te zijn, ontstonden in de 19e eeuw, onder meer door uitwerking van bepaalde inzichten uit de evolutietheorie. Men meende dat bepaalde rassen een natuurlijk recht hadden op een hogere positie en dat het zogenaamd superieure blanke ras door vermenging met andere rassen dreigde te verzwakken en ten onder te gaan. In de negentiende eeuw werd de racistische theorie vaak gebruikt als rechtvaardiging voor kolonialisme; er werd beweerd dat blanken het morele recht hebben om landen met een niet-Europese bevolking te overheersen.

Definities[bewerken | brontekst bewerken]

De Oxford English Dictionary omschrijft racisme als de overtuiging dat het eigen ras of de eigen etnische groep superieur is, of dat soortgelijke andere groepen een bedreiging vormen voor de culturele identiteit, de integriteit van het ras of het economisch welzijn. De Merriam-Webster Dictionary omschrijft racisme als de opvatting dat ras de belangrijkste bepalende factor is van menselijke eigenschappen of capaciteiten en dat raciale verschillen ten grondslag liggen aan de inherente superioriteit van een bepaald ras.

Racisme is een vorm van exceptionalisme die moeilijk te definiëren is gebleken en de aard hiervan is in de sociale wetenschappen dan ook betwist.[1]:x In algemene zin betekent racisme dat leden van een bepaald ras zich superieur achten aan leden van een ander ras. Meestal is etniciteit onderdeel van de definitie. Een brede definitie is dat racisme elke praktijk is die, al dan niet opzettelijk, een raciale of etnische minderheid uitsluit van de volledige rechten, mogelijkheden en verantwoordelijkheden waarover de meerderheid wel beschikt.[2] In engere zin wordt het wel gelijkgesteld aan xenofobie (angst voor vreemdelingen) of etnocentrisme.[bron?]

Een van de problemen is dat elke antiracistische benadering zijn eigen onbenoemde intenties heeft en daarmee een eigen model vormt. Zoals bij elk model, wordt de complexiteit van de werkelijkheid hierbij teruggebracht door reductionisme. Zo is er de benadering dat racisme ontstaat uit economische of politieke structuren, terwijl een andere benadering de verspreiding van ideologieën als doorslaggevende factor ziet. Een belangrijk verschil is of iemand zelf slachtoffer is van racisme, of juist deel uitmaakt van de dominante cultuur.[3] Het idee dat racisme een quasi-psychopathologisch symptoom is, is grotendeels verlaten door de psychologie. Naast sociale en economische factoren, is er echter ook een psychologische factor en uit racisme zich als houdingen en praktijken die expliciet vijandig en denigrerend zijn ten opzichte van mensen die tot een vermeend ander ras zouden behoren.[1]:x

Een ander onderscheid is dat tussen alledaags racisme en racisme als ideologie of wetenschappelijk racisme. Daarnaast is er racialisme, het idee dat de menselijke soort in biologisch verschillende rassen verdeeld kan worden, in 1897 verwoord door W.E.B. Du Bois als: At all times, however, they have divided human beings into races, which, while they perhaps transcend scientific definition, nevertheless, are clearly defined to the eye of the Historian and Sociologist.[4] Du Bois was een racialist en zag raciaal onderscheid nog als zinvol.[5]

Hoewel raciaal onderscheid biologisch niet volledig betekenisloos is, is dit in veel gevallen een onnauwkeurige omschrijving, zoals Charles Darwin al vermoedde: :It may be doubted whether any character can be named which is distinctive of a race and is constant.[6] Er zijn geen genetisch pure bevolkingsgroepen en afkomst is hiervoor een betere benadering: Ancestry, then, is a more subtle and complex description of an individual's genetic makeup than is race. This is in part a consequence of the continual mixing and migration of human populations throughout history. Because of this complex and interwoven history, many loci must be examined to derive even an approximate portrayal of individual ancestry.[7] Uiteindelijk zijn de individuele begrippen echter van groter belang.

Naast de verschillende gezichtspunten die van invloed kunnen zijn op de definitie, is racisme ook geen statisch fenomeen, maar is het met de tijd en plaats veranderd: While it would be absurd to deny racism’s very deep roots in Western culture, extending back to the Middle Ages, it would be equally absurd, and unduly pessimistic, to see it as somehow a fixed, unchanging phenomenon. Elizabethan ‘racism’ was different from 18th century ‘racism’ and both were fundamentally different from late 19th century ‘Scientific Racism’.[1]:x De complexiteit van het onderwerp maakt dan ook dat korte beperkte definities als prejudice + power = racism misleidend zijn en tot oversimplificatie leiden. Simplistische pogingen om racisme te scheiden van niet-racisme en racisten van niet-racisten dragen niet bij aan het academische en publieke debat.[8]:1-2

Verdragsrechtelijke definities[bewerken | brontekst bewerken]

Volgens het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie betekent raciale discriminatie elke vorm van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur op grond van ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming die ten doel heeft de erkenning, het genot of de uitoefening, op voet van gelijkheid, van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel gebied, of op andere terreinen van het openbare leven, teniet te doen of aan te tasten, dan wel de tenietdoening of aantasting daarvan ten gevolge heeft.[9]

De laatste definitie maakt dus geen onderscheid tussen discriminatie op grond van ras of op grond van etniciteit. Het onderscheid tussen beide begrippen blijkt ook voor antropologen een onderwerp van debat. De Britse wet verstaat bijvoorbeeld onder een raciale groep elke groep mensen gedefinieerd op grond van ras, huidskleur of nationaliteit (inclusief burgerschap), of etnische of nationale afkomst.

Vormen van racisme[bewerken | brontekst bewerken]

In deze prent met hoofden en schedels wordt de suggestie gewekt dat zwarte mensen lager op de evolutionaire ladder staan, 1854, 1868

Biologisch racisme[bewerken | brontekst bewerken]

Charles Darwin, de grondlegger van de evolutietheorie, ging uit van de fundamentele biologische gelijkheid van verschillende bevolkingsgroepen. Niet zelden beroepen personen met racistische ideeën zich niettemin op een wetenschappelijke onderbouwing van hun denkbeelden. Biologisch racisme is racisme op basis van biologische kenmerken, zoals echt of vermeend ras. Dit zag men bij de Europese koloniale rijken terug. In Brits-Indië was de hoogste positie die een Indiër kon behalen lager dan de laagste positie van een Engelsman.[bron?]

Het blanke ras werd door de blanken zelf biologisch als de hoogste evolutionaire vorm van de mens aangemerkt.[bron?] Daaronder kwamen de Arabieren, Japanners en Chinezen, die weliswaar een rijke traditie hadden, maar in technische vooruitgang door de blanken waren voorbijgestreefd. Op de laagste treden bevonden zich Indianen en zwarten. Joden vormden volgens antisemieten op grond van het vervalste verslag van de Protocollen van de wijzen van Sion een aparte categorie in. Hierin werden ze beschreven als tegenstrevers die de wereld trachtten te regeren vanuit de schaduw, als moordenaars van Jezus Christus of als parasieten die hardwerkende burgers hun zuurverdiende geld trachtten af te troggelen. De vermeende biologische elementen (zwart haar, kromme neus, bochel) werden hier opzettelijk vermengd met religieus/cultureel racisme.

Wetenschappelijk racisme[bewerken | brontekst bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Wetenschappelijk racisme voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Wetenschappelijk racisme is de pseudowetenschap die racisme rechtvaardigde op basis van superioriteit en erfelijkheid.[10] In Europa was sociale ongelijkheid bij geboorte alom aanwezig en daarbij was huidskleur niet onderscheidend. In de koloniën van Europese mogendheden hing ongelijkheid wel samen met huidskleur en werd dit een van de onderscheidende factoren, ondanks dat een deel van de bevolking van Afrikaanse afkomst vrij was.[bron?] Ook blanke contractarbeiders werden zeer slecht behandeld.[bron?]

Het idee van superioriteit werd uitgedragen door de grote filosofen van de verlichting, zoals Hume, Kant en Hegel, al ondervonden deze ook kritiek van onder meer Georg Forster die op de tweede reis van James Cook was mee geweest. De philosophes namen daarbij de tegenstrijdige positie in door enerzijds het universalisme uit te dragen dat de ene groep niet exceptioneel is ten opzichte van de andere en anderzijds een hiërarchische rassenindeling te kunnen maken zonder contact te hebben gehad met Afrikanen. Hegel verweet Afrikanen een ongeïnteresseerde kinderlijkheid en wist de schuld van hun slaaf zijn zo bij henzelf neer te leggen. Ook Thomas Jefferson was als een van de opstellers van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring een groot voorstander van ideeën als dat alle mensen gelijk geschapen zijn en van burgerlijke vrijheden, maar vermoedde tegelijkertijd slavenhouder dat de Afrikanen inferieur waren.

Classificatie[bewerken | brontekst bewerken]

De vier mensensoorten volgens Linnaeus in 1735

Classificatie in de academische wereld werd ondanks de mogelijke conflicten met het christendom lange tijd gedomineerd door het aristotelisme. Het bood systematische en veelomvattende verklaringen voor vooral de fysische wereld. De wetenschappelijke methode kreeg echter in de Moderne Tijd steeds meer navolging en dat gold ook voor de natuuronderzoekers. De aloude indeling van Aristoteles hield lang stand, al waren er vernieuwingspogingen. De belangrijkste daarvan was de taxonomie van Carl Linnaeus. Deze publiceerde in 1735 Systema naturae waarin hij de natuur indeelde in klassen, ordes, geslachten en soorten. Ook de mens kwam als het geslacht Homo aan bod en werd verdeeld in vier soorten, niet op alfabetische volgorde: H. Europaeus albesc., H. Americanus rubesc., H. Asiaticus fuscus en H. Africanus nigr.. In de tiende druk van 1758 gaf Linnaeus naar Hippocrates' temperamentenleer elke soort ook een temperament, de Amerikaan cholericus, de Europeaan sanguineus, de Aziaat melancholicus en de Afrikaan phlegmaticus. Amerikanen zouden geleid worden door gewoonten, Europeanen door rites, Aziaten door meningen en Afrikanen door willekeur. Buffon wijdde in Histoire naturelle uit 1749 een lang essay aan de variëteit onder mensen en maakte daarbij onderscheid tussen vier rassen, net als Linnaeus op geografische gronden. Buffon was degene die de aandacht van de Lumières verschoof naar een aparte wetenschap gericht op de mens, daarbij ingaand tegen de heersende religieuze opvattingen.[11]

De vijf rassen volgens Blumenbach in de derde druk uit 1795 van De generis humani varietate nativa:
Tungusae, Caribaei, Feminae Georgianae, O-taheitae en Aethiopissae

Lange tijd zou de classificatie van Johann Friedrich Blumenbach van grote invloed zijn. Hij kwam in De generis humani varietate nativa uit 1775 net als Linnaeus op geografische gronden tot vier variëteiten, maar verschoof daarbinnen enkele volkeren. De West-Aziaten, Noord-Afrikanen, Lappen en Eskimo's vielen onder Europa, al vielen de laatste twee in de derde druk onder Azië. Op basis van de tweede reis van James Cook kwam hij in 1779 in Handbuch der Naturgeschichte tot vijf rassen, naast het Kaukasische, het Mongoloïde, het Ethiopische en het Amerikaanse ras ook het Maleise ras. Deze onderverdeling zou ook samenhangen met de verschillende manieren van voedselproductie, namelijk landbouw, visserij, jacht en veeteelt. Net als Buffon hing Blumenbach de degeneratietheorie aan die stelde dat alle rassen dezelfde oorsprong hadden, maar dat er door klimatologische omstandigheden bij de niet-Europeanen degeneratie was opgetreden.

Naast classificeren werd er binnen de natuurlijke historie ook gehiërarchiseerd. Die hiërarchie kende een lange geschiedenis die met de scala naturæ zeker tot Aristoteles terugging en waarin ook in het christendom altijd de mens bovenaan de ladder had gestaan. Tijdens de verlichting werd deze ladder langzaam ontdaan van het theologische aspect, maar aanvankelijk werd gedacht dat er sprake was van een lineaire evolutie met de mens als teleologische uitkomst bovenaan de ladder. Er werd steeds meer bekend over mensapen, onder meer door anatomen als Petrus Camper. Camper wist aan te tonen dat de mens verschilde van de mensapen en stelde dat er daarmee geen evolutionaire continuïteit was, ingaand tegen de toetssteen van Hume. Ook wees Camper polygenisme af, de mens was volgens hem een enkele soort. Naarmate het gezag van de Bijbel in deze zaken afnam, werd een evolutionaire continuïteit echter als steeds waarschijnlijker aangenomen. Zo zag Jean-Baptiste de Lamarck een evolutie naar bipedie als mensapen gedwongen zouden zijn uit de bomen te komen.[12] De publicaties door Charles Darwin van On the Origin of Species in 1859 en The Descent of Man in 1871 maakten ook duidelijk dat evolutie een continuüm inhield. Zo mengden de ideeën over de hiërarchie van dieren en die van mensen zich en werd de hypothese geopperd dat Afrikanen een schakel zouden zijn van mensaap naar mens in een lineaire evolutie.

Dit werd onderbouwd met craniometrie dat zich uitbreidde tot de frenologie, waarbij de eigenlijke boodschap van werken zoals die van Linnaeus en Darwin verloren ging en werden elementen ervan selectief gebruikt. Aan de hand van de afmetingen van schedels werden uitspraken gedaan over karakters van hele bevolkingsgroepen. Hoewel frenologie nog geruime tijd beoefend zou worden, ondervond het ook in die tijd al kritiek als pseudowetenschap. Zij die een Europese superioriteit voorstonden, haalden er echter ook bruikbare aanwijzingen uit. Frenoloog George Combe stelde in The Constitution of Man dat om tot de grootste perfectie te komen er begonnen moest worden met goede kiemen, daarmee vooruit lopende op de eugenetica.

Völkischer Nationalismus[bewerken | brontekst bewerken]

Arthur de Gobineau verhaalde in Essai sur l'inégalité des races humaines (Verhandeling over de ongelijkheid van de menselijke rassen) uit 1853-1855 dat gunstige natuurlijke omstandigheden niet tot superieure culturen hadden geleid, maar dat superieure rassen deze tot stand hadden gebracht. Ook Gobineau zag drie rassen – blank, geel en zwart – waarbij volgens Gods wil het blanke ras over de grootste schoonheid en intelligentie zou beschikken. Door rassenvermenging waren er volgens Gobineau echter uit de drie rassen achtendertig onderrassen ontstaan. Dit zou afbreuk doen aan de superieure cultuur en deze degeneratie was daarom ongewenst. Van de onderrassen zou het Arisch ras nog de grootste raszuiverheid kennen, maar tot ondergang gedoemd zijn bij verdere vermenging waarmee de vorming van een Europees wereldrijk gepaard ging. In Frankrijk vond de ondergangsprofetie van Gobineau echter weinig weerklank.

Richard Wagner kwam in Das Judenthum in der Musik uit 1869 met een artistiek antisemitisme. Componisten als Felix Mendelssohn en Giacomo Meyerbeer, die hem in zijn carrière geholpen hadden, zouden door hun ras oppervlakkige muziek maken

Met de componist Richard Wagner bouwde Gobineau een vriendschap op. Anders dan Gobineau dacht Wagner dat het Arische ras niet verdoemd was, maar dat er een regeneratie zou zijn. Wagner had in 1850 in het onder een pseudoniem gepubliceerde Das Judenthum in der Musik al blijk gegeven van antisemitisme en droeg bij aan het idee dat joden nooit werkelijk deel uit konden maken van de Duitse natie. Dit speelde zich af binnen de context van het romantisch nationalisme en het etnisch nationalisme. Waar de joden door Voltaire nog veroordeeld werden vanwege hun vermeende religieuze fanatisme en weerstand tegen de rede, veroordeelden romantisch nationalisten hen vanwege een vermeende extreem rationalisme. Onder invloed van de völkische Bewegung groeide dit uit tot het völkischer Nationalismus.

Houston Stewart Chamberlain baseerde zich op Gobineau en in Die Grundlagen des neunzehnten Jahrhunderts uit 1899 zette Chamberlain het Indo-Europese of Arische volk neer als erfgenamen van het Romeinse Rijk. Op het moment dat Germaanse stammen het Romeinse Rijk vernietigden, zou dit al in handen zijn geweest van de joden en andere niet-Europese volkeren. Joodse financiële aangelegenheden zouden ten grondslag liggen aan alle oorlogen. Joden en Ariërs zouden de enig overgebleven pure rassen zijn die zouden strijden om wereldoverheersing waarbij er maar een succesvol kon zijn. Waar Joden volgens Wagner nog Duitsers konden worden door te bekeren, hing Chamberlain een biologisch determinisme aan waardoor dit niet mogelijk zou zijn. Die Grundlagen werd zeer succesvol, niet alleen in Duitsland, maar ook in het buitenland werd het geprezen.

Institutioneel racisme[bewerken | brontekst bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Institutioneel racisme voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Institutioneel racisme (ook bekend als structureel racisme, staatsracisme of systemisch racisme) is rassendiscriminatie door overheden, bedrijven, religies of onderwijsinstellingen of andere grote organisaties met de macht om het leven van veel individuen te beïnvloeden. De Amerikaanse burgerrechtenactivist Stokely Carmichael zou de term eind jaren 1960 hebben gemunt. Institutioneel racisme werd door Sir William Macpherson in het Lawrence-rapport uit 1999 omschreven als: Het collectieve falen van een organisatie om mensen een gepaste en professionele service te verlenen vanwege hun kleur, cultuur of etnische afkomst. Het kan worden waargenomen in processen, attitudes en gedragingen die op discriminatie neerkomen door onbewuste vooroordelen, onwetendheid, onnadenkendheid en racistische stereotypes die bepaalde bevolkingsgroepen benadelen.

Ook in landen die geen openlijk racistische regime kennen, kunnen groepen op systematische wijze uitgesloten of achtergesteld worden op het gebied als huisvesting, scholing en werk. Een lid van de dominante groep hoeft niet zelf racistisch te zijn of zo te handelen om te profiteren van de sociale structuren en organisatiepatronen die de dominante groep bevoordelen. Stokely Carmichael en Charles V. Hamilton noemden dit in 1967 in Black Power: The Politics of Liberation institutioneel racisme:

Racism is both overt and covert. It takes two, closely related forms: individual whites acting against individual blacks, and acts by the total white community against the black community. We call these individual racism and institutional racism. The first consists of overt acts by individuals, which cause death, injury or the violent destruction of property. This type can be recorded by television cameras; it can frequently be observed in the process of commission. The second type is less overt, far more subtle, less identifiable in terms of specific individuals committing the acts. But it is no less destructive of human life. The second type originates in the operation of established and respected forces in the society, and thus receives far less public condemnation than the first type. [...]
Institutional racism relies on the active and pervasive operation of anti-black attitudes and practices. A sense of superior group position prevails: whites are “better” than blacks; therefore blacks should be subordinated to whites. This is a racist attitude and it permeates the society, on both the individual and institutional level, covertly and overtly.[13]

Hoewel het begrip het mogelijk heeft gemaakt om processen in kaart te brengen die discriminatie in stand houden zonder openlijk racistisch te zijn, is het ook gebruikt om persoonlijke verantwoordelijkheid te ontduiken. Dit was onder meer het geval bij de Londense Metropolitan Police waar het MacPherson Report over de moord op Stephen Lawrence institutioneel racisme als belangrijke bijdragende factor noemde.[8]:137 Tegelijkertijd veronderstelt het begrip een homogeniteit binnen de vele instituties in een maatschappij die geen recht doet aan de diversiteit die er werkelijk is. De racisme-discussie staat hierin niet alleen. Het structure-agency-debat in de sociale wetenschappen gaat over de vraag welke factoren de grootste invloed hebben op het gedrag van mensen: sociale structuur en socialisatie of agency – het vermogen om onafhankelijk te handelen en eigen keuzes te maken. Volgens Ali Rattansi is het in onderzoeken dan ook zinvoller om racisme specifieker te benoemen In social research, again, the idea of racialization, [...] highlighting varying degrees and types of racism is more useful than the concept of institutional racism.[8]:138 Daarbij zouden ook andere denigrerende houdingen meegenomen moeten worden, zoals vrouw- en homo-onvriendelijkheid. Ook achterliggende redenen bij dit gedrag kunnen een combinatie van factoren zijn, zoals racisme, klassenonderscheid en het tonen van mannelijkheid.

Hoewel het in onderzoek en debat veelal een te algemeen begrip is[bron?], laat het wel zien hoe racisme kan doorwerken in een maatschappij zonder al te zichtbaar te zijn, zoals kritiek op multiculturalisme. In plaats van gedwongen segregatie kan er sprake zijn van informele separatie. Institutioneel racisme kan ook zinvol zijn om begrippen te kaderen, zoals het vereisen van irrelevante toelatingseisen voor een opleiding of beroep. Ook het cumulatieve karakter van ongelijkheid valt hieronder. Een combinatie van weinig economisch, cultureel en sociaal kapitaal met slechte huisvesting, weinig opleiding en lokale werkgelegenheid kunnen sociale mobiliteit tegenwerken. Ook kan het laten zien dat oude racistische patronen nawerken, zoals in verpauperende arbeiderswijken waar de dominerende groep uit is weggetrokken. Het effect is te zien bij achterblijvende salarissen en werkgelegenheid en een hogere zuigelingensterfte. Hier ontstond ook discussie over in hoeverre dit te wijten is aan verbloemd racisme, dan wel aan algemeen geldende sociologische en economische factoren, aan culturele achterstand, of zelfs een lager IQ zoals Richard J. Herrnstein en Charles Murray stelden in hun controversiële The Bell Curve. Onderzoek toont echter aan dat discriminatie op de arbeidsmarkt wel degelijk plaatsvindt, wat het moeilijk maakt de armoedecyclus te doorbreken. You do not take a person who, for years, has been hobbled by chains and liberate him, bring him up to the starting line of a race and then say, “you are free to compete with all the others,” and still justly believe that you have been completely fair.[14]

Om die cyclus te doorbreken wordt wel positieve discriminatie toegepast. Associate justice Harry Blackmun onderschreef daartoe in 1978 kleurbewustzijn in zijn uitspraak in Regents of the University of California v. Bakke In order to get beyond racism, we must first take account of race. There is no other way. And in order to treat some persons equally, we must treat them differently. We cannot—we dare not—let the Equal Protection Clause perpetuate racial supremacy.[15] Positieve discriminatie kan weer tegenstand oproepen bij dominante groepen die het effect van de structurele achterstand ontkennen en juist de nadruk leggen bij het gebrek aan persoonlijke inzet en intelligentie, dus agency. Aangezien er wel degelijk sprake is van een ongelijke arbeidsmarkt, is deze ontkenning wel laisser-faire-racisme, omdat het deze groep aan zijn lot overlaat. Dit racisme kan in stand worden gehouden raciaal privilege te ontkennen door kleurenblindheid voor te wenden.[8]:144-149

Historisch overzicht[bewerken | brontekst bewerken]

Oudheid[bewerken | brontekst bewerken]

Het idee dat uiterlijke karakteristieken als huidskleur en andere lichaamskenmerken zich verhouden tot culturele en gedragsverschillen is geruime tijd oud, maar niet bij alle culturen terug te vinden. Zo zijn er in afbeeldingen uit het oude Egypte weliswaar verschillen te zien tussen Egyptenaren, Nubiërs en Aziaten, er zijn hier geen aanwijzingen dat er aan huidskleur conclusies werden verbonden over gedrag en capaciteiten.

De Griekse samenleving was duidelijk niet-egalitair, gebaseerd op een geaccepteerd vermeend natuurlijk verschil in mensen. In Staat verhaalde Plato over de gennaion pseudos of nobele leugen waarmee het bestaan van verschillende sociale klassen gerechtvaardigd wordt.[16]:4-5 De oude Grieken zagen vrouwen als minderwaardig tegenover mannen en barbaren als minder dan Grieken. Barbaar was weliswaar een denigrerende benaming, het onderscheid betrof meer het taal- en culturele verschil. De oude Grieken kenden geen woorden voor ras, zodat uitspraken hierover een anachronisme zouden kunnen lijken. Het betekent echter niet dat er geen vergelijkbaar concept was. Uitgaande van een definitie van ras waarbij oppervlakkige lichamelijke kenmerken als huids- en haarkleur deterministisch volgen uit biologische verschillen en een definitie van racisme die daar ook een hiërarchie van intellectuele en morele persoonlijkheidstrekken aan koppelt, lijkt dit bij Aristoteles echter wel degelijk te onderscheiden te zijn. Vooral in Politika is dit terug te vinden, waarbij barbaar een vergelijkbare rol vervulde als ras. Ras en racisme zijn terug te vinden in zijn klimaattheorie van menselijke verschillen en zijn betoog over natuurlijke slavernij. Sommigen zijn geboren voor onderwerping omdat onder meer de phronèsis of praktische rede ontbreekt, anderen voor heerschappij. Daarbij speelt het klimaat een rol. Het koude klimaat in het noorden (Europa) zou maken dat mensen daar veel thymos of geestrijkheid bezitten, maar dianoia of intelligentie en kunstzinnigheid ontberen. Hoewel zij daardoor over het algemeen vrij zouden zijn, zouden zij daardoor niet over anderen kunnen heersen. In het oosten (Azië) zijn mensen daarentegen wel intelligent en kunstzinnig, maar ontberen thymos en worden dan ook altijd overheerst. Het klimaat bij de Grieken lag tussen deze twee in, zodat zij zowel over thymos en dianoia beschikten en zo natuurlijke heersers waren. Dit impliceert dat Europeanen en Aziaten die naar Griekenland zouden verhuizen ook over deze eigenschappen zouden gaan beschikken, waarmee dit eerder fysisch-geografisch determinisme is dan biologisch determinisme.[8]:14
De opvattingen over huidskleur zijn niet eenduidig, maar leukochrōs (λευκόχρως) of witte huid werd gezien als een teken van zwakte, vooral moreel. In Staat van Plato worden mannen met een leukos huid weliswaar geprezen als minnaars, maar missen zij mannelijke kwaliteiten. Voor Aristoteles lijkt huidskleur echter niet tot de essentie van de mens te behoren en Plato had daarvoor in Staatsman al gesteld dat in tegenstelling tot wat wel werd gedacht barbaar geen aparte genos was. Dit was echter geen ethische gedachtegang, maar een uit de logica: barbaren staat voor tal van volkeren.
Herodotus schreef in Historiën positief over wat de inwoners van Aethiopië (Afrika) en lijken vooroordelen grotendeels te ontbreken. Dat geldt niet voor de inwoners van het Nabije Oosten en dan vooral de vijandelijk gezinde Perzen. De Perzische Oorlogen brengen een racialisme op gang waarbij de Perzen steeds meer als barbaars worden afgeschilderd, daarbij geholpen door Griekse schrijvers als Aischylos met zijn Perzen. In Iphigeneia in Aulis van Euripides wordt gesteld dat Grieken over barbaren heersen en niet omgekeerd, want de eerste zijn vrijen en de laatsten slaven. Voor de Grieken was een belangrijk verschil dat zij democratie kenden, terwijl andere landen een tirannie kenden.[17]

Het Romeinse Rijk werd in toenemende mate ook door niet-Romeinen bestuurd met verschillende culturele achtergronden. Zo was keizer Septimius Severus was van gemengde afkomst, met een Italiaans-Romeinse moeder en een Libisch-Punische vader. Ook slaven waren van uiteenlopende afkomst. Aethiopische slaven werden soms wel op etnische gronden bij elkaar gehouden, maar huidskleur of etniciteit lijkt geen rol te hebben gespeeld als criterium om slavernij te rechtvaardigen.[18] Wel lijkt er enige afkeer te zijn geweest van de grote afmetingen van de Noord-Europeanen, hun immania corpora (gigantische lichamen) en latos artus (wijd verspreide ledematen). Dit hangt samen met de paniek die Julius Caesar beschreef bij zijn troepen voor Ariovistus en zijn mannen met immani corporum magnitude, lichamen van enorme omvang. De Atuatuci zouden volgens Caesar de spot hebben gedreven met de Romeinen vanwege hun geringe lichaamslengte. Bij de Romeinen bestond wel een culturele minachting voor barbaarse volken.[19]:57-58

Vroege christendom[bewerken | brontekst bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Christendom en racisme voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het christendom ontwikkelde zich uit een joodse sekte en daarmee was kon een joodse afkomst niet direct als negatief worden gezien. Daarbij stelde Galaten 3:28 dat het geloof iedereen gelijk maakte. Met de afwijzing door de Joden van Jezus als messias zette een echter een theologisch antisemitisme in gang dat vanaf de vierde eeuw langzaam groeide, waarbij aan de hand van Matteüs 27:25 de Joden in toenemende mate een erfelijke bloedschuld werd verweten. Vanaf de achtste eeuw werd een duidelijker anti-judaïsme zichtbaar en werden bloedsprookjes verspreid. Dit kon uitmonden in antisemitisme en zelfs jodenvervolgingen.

Zoals in het Romeinse Rijk volkeren onderscheiden werden, was dit ook in de Middeleeuwen het geval. Er speelde echter vooral een etnisch verschil en in mindere mate raciaal, al speelde afkomst wel een rol.[20]:24

Niet altijd en overal overheerste intolerantie. Stefanus I van Hongarije refereerde in 1027 in de vorstenspiegel voor zijn zoon Emmerik aan het Romeinse Rijk en stelde dat immigranten verschillende talen, gewoontes, kennis en wapens met zich meebrengen, bijdragend aan de pracht van het koninklijk hof en de kracht van het rijk. Een koninkrijk met slechts een gewoonte en slechts een taal zou machteloos en kwetsbaar zijn. Antisemitisme nam echter toe, met onder andere in 1096 het bloedbad in het Rijnland en het bloedbad van Worms in het spoor van de Volkskruistocht. Hiermee begon wat Moore de persecuting society noemde.[21] De ontwikkeling van de christelijke dogmatiek maakte namelijk niet alleen steeds meer duidelijk wat het vermeende ware geloof inhield, het maakte ook duidelijk wat er niet mee overeenkwam. Dit kon niet meer getolereerd worden en aanhangers hiervan werden vanaf de twaalfde eeuw dan ook in toenemende mate vervolgd. Tijdens de Vierde Lateraans Concilie van 1215 werden decreten uitgevaardigd tegen de Katharen en de Waldenzen en Joden moesten een onderscheidend teken dragen, net als de moslims. Ook werd de inquisitie ingesteld waarvan de Katharen het eerste slachtoffer waren, gevolgd door de Joden, leprozen en homoseksuelen. Het concilie was een omslagpunt en naast deze georganiseerde vervolging waren er ook pogroms. Na de voltooiing van de Reconquista in 1492 werd in Spanje het Verdrijvingsedict uitgevaardigd en moesten afgezien van conversos alle joden het land verlaten. Van biologisch determinisme lijkt hier echter in mindere mate sprake, de afgewezen joodse cultuur werd niet in verband gebracht met een joodse fysiologie. Doop lijkt meestal een optie te zijn geweest en bekeerde joden werden als nieuwe christen erkend. De cryptojoden bleven ondanks de doop het oude geloof aanhangen, waarmee de conclusie werd dat de aard van de Joden niet zou deugen. Sektarische haat veranderde daarmee volgens Léon Poliakov in raciale haat en zo kon de complottheorie van een joodse beheersing van de wereld postvatten. Zo wist aartsbisschop Silíceo van Toledo in 1547 keizer Karel V ervan te overtuigen om conversos uit te sluiten van officiële posities op basis van het proto-raciale concept limpieza de sangre ofwel zuiverheid van bloed. Dit beleid werd nooit volledig doorgezet en gehandhaafd, maar bleef tot in de negentiende eeuw de nakomelingen van conversos achtervolgen.[8]:15-17 Het was Joden ook verboden om naar de Nieuwe Wereld te emigreren en diegenen die zich probeerden te onttrekken aan deze vorm van uitsluiting stond bij ontdekking regelmatig de dood via een autodafe te wachten.

Een soortgelijke behandeling voor cryptomoslims vond plaats in 1609-14 met de verbanning van een groot deel van de morisken uit Spanje, al is er daar moeilijker een onderscheid te maken tussen racisme en een strijd over culturele en religieuze verschillen, aangezien de vooral op het land levende morisken minder moeite deden om een schijn van assimilatie op te houden. Ook hier gold echter dat de morisken werden uitgesloten via de limpieza de sangre.[20]:17-35

Net als bij Aristoteles bestond ook binnen het christendom het idee dat het ene volk superieur was aan andere en dat geografie hiermee te maken had. Voor Origenes van Alexandrië was etniciteit niet de bepalende factor voor hun gedrag, maar was het gedrag van een individu in een eerdere fase van het bestaan bepalend voor de latere etniciteit. Er was daarbij in een later tijdperk wel een uitweg, apokatastasis of redding via Christus. Daarmee kwam dit standpunt niet overeen met modern racisme, maar had daar wel belangrijke elementen van.[22]

Na de kruistochten zouden Joden in toenemende mate gedemoniseerd zijn, terwijl Afrikanen zouden worden opgehemeld, onder meer met Pape Jan die aanvankelijk als Indiër werd neergezet, om uiteindelijk als koning van het christelijke Ethiopië te worden afgebeeld. Dit beeld is echter een al te makkelijke generalisatie op basis van anekdotisch bewijs.[23] In werkelijkheid zal het beeld gevarieerder zijn geweest dan deze oppervlakkige verhalen en speelde angst voor het vreemde zeker voor de gewone bevolking een rol. Ook is etnocentrisme niet vreemd aan veel volkeren en geldt de eigen huidskleur als norm. Het doet echter vermoeden dat de grootscheepse trans-Atlantische slavenhandel die hierna volgde niet voorkwam uit een diepgeworteld racisme.

Vanuit Europa was er in de Middeleeuwen niet veel contact met Aethiopiërs uit subsaharaal Afrika en varieerde de houding van op verhalen gebaseerde angst en afkeer tot heroïsch en heilig. In Genesis 9:20-27 ziet Cham, de zoon van Noach, zijn dronken vader naakt die daarop zijn kleinzoon Kanaän vervloekte. Deze oorsprongsmythe is wel verklaard als een rechtvaardiging achteraf voor een al bestaande praktijk, de onderwerping van de Kanaänieten als slaven van de Israëlieten. Het Bijbelboek zelf zegt niets over huidskleur, aangezien het slavernij in Israël zelf betrof. Chams vloek is daarna echter veelvuldig gebruikt om slavernij van zwarte mensen te rechtvaardigen, omdat Cham zwart zou betekenen. Hoewel dit etymologisch onjuist is, werd dit vanaf de eerste eeuwen van de jaartelling wel geloofd en werd zo ook een oorsprongsmythe.[24]

Vroege islam[bewerken | brontekst bewerken]

In latere versies van De grot van de schatten, zoals het Arabische Ma`ârah al-Kanûz en het Ethiopische Ba`âta Mazâgebet, werd expliciet genoemd dat dit zwarte volkeren betrof, waarmee de twee oorsprongsmythes van slavernij en zwartheid aan elkaar gekoppeld werden, wederom een exegese gevormd door de al bestaande praktijk van Arabische slavenhandel. Geloofsgenoten mogen binnen de islam niet tot slaaf worden gemaakt, dus wendden de moslims zich tot hun ongelovige buurvolkeren. Voor hun zuidelijke buren werd de rechtvaardiging gevonden door de zwarte huid ook deel uit te laten maken van de vloek die Noach uitsprak. Dit was ook al het geval in de Talmoed waar in Sanhedrin 108b Cham werd gestraft met een zwarte huid omdat hij geslachtsgemeenschap had gehad op de Ark van Noach. De directe vloek verschoof zo van Kanaän naar Cham.

In de profetenverhalen in de versie van Al-Kisa'i is de straf voor het zien van de naaktheid van Noach zowel slavernij als zwartheid voor Cham en zo een tweevoudige vloek geworden. Een zwarte huid was niet meer impliciet, maar expliciet door God verbonden aan slavernij. Met de oprukkende islamitische veroveringen en de daarmee gepaard gaande bekering verschoof de slavenjacht zich naar het zuiden en werd de denigrerende naam abeed voor slaaf een synoniem voor zwarte Afrikaan.[24]

Europees imperialisme[bewerken | brontekst bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Imperialisme voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De positie van de Rooms-Katholieke Kerk varieerde met de tijd en negeerde slavernij aanvankelijk. Met de oprukkende kerstening verminderde het aantal niet-christenen en verdween de slavernij langzaam uit West-Europa om vervangen te worden door lijfeigenschap dat praktisch gezien weinig van slavernij verschilde, maar door het arbeidstekort na de Zwarte Dood grotendeels verdween. Slavenhandel werd veelal immoreel gevonden, maar ook hier veranderde de morele positie met de praktijk. Het Iberisch Schiereiland had al Afrikaanse slaven en de behoefte daaraan groeide met de Portugese ontdekkingsreizen waarbij de Atlantische eilanden gekoloniseerd werden. Met de Dum diversas uit 1452 en de Romanus Pontifex uit 1454 gaf paus Nicolaas V toestemming om niet-christenen tot slaaf te maken als missionaire activiteit.

Zestien combinaties van casta's

Bij hun ontdekkingsreizen troffen de Spanjaarden volkeren aan die niet een van de wereldreligies beleden die het christendom betwistte. Het was voor de Spanjaarden de vraag of deze een oer-onschuld hadden of tot de monsterlijke rassen behoorden.[25] De laatste benadering werd gekozen om de lokale bevolking te onderwerpen aan het wrede encomienda-systeem. Het aristotelische concept van natuurlijke slavernij zou van toepassing zijn op hen die van nature barbaren zijn, ongeschoold en onmenselijk.[26] Uiteindelijk werd de inheemse bevolking echter vooral bekeerd en niet meer tot slaaf gemaakt, al werd deze nog steeds als minderwaardig beschouwd. Opportunisme lijkt ook een rol te hebben gespeeld bij de acceptatie van gemengde relaties. Doordat er maar weinig Spaanse en Portugese vrouwen naar de Nieuwe Wereld migreerden, werd de doctrine van zuiver bloed nauwelijks toegepast op mesties, kinderen met Iberische en inheemse ouders. Wel voerden de Spanjaarden in deze periode waarin de Hispanidad werd gevormd een rassenscheiding in naar de mate van menging met de inheemse bevolking, maar dit uitgebreide casta-systeem werd door de grote variatie uiteindelijk teruggebracht naar blank, mesties en indiaan.

Afrikanen konden net als de indianen ook als te bekeren heidenen beschouwd worden, maar de Spanjaarden maakten een onderscheid tussen indianen die in het Spaanse Rijk leefden en Afrikanen die buiten die jurisdictie leefden. Tijdens een rechtvaardige oorlog mochten wel slaven gemaakt worden en de Spanjaarden hadden nu eenmaal geen zeggenschap over de rechtvaardigheid van een oorlog buiten hun eigen gebied. De koop van al tot slaaf gemaakten werd als rechtvaardig beschouwd tenzij er bewijs van onrechtvaardigheid was. Slavernij gaf daarna de mogelijkheid om deze heidenen te kerstenen.[27]:33

Zo werd Spanje de voorloper van de verschuiving van de religieuze intolerantie in de Middeleeuwen naar het racisme van de Moderne Tijd. Dit was ook de periode waarin zich in veel Europese landen steeds meer een nationale identiteit vormde. De Spaanse politiek onderscheidde zich van het latere racisme door de sterke overtuiging een voorvechter te zijn van het ware geloof in een tijd die ook gekenmerkt werd door de strijd voor de contrareformatie. Slavernij werd religieus verdedigd, maar dat lag ingewikkelder bij bekeerde Afrikaanse slaven. In de zestiende eeuw werden in navolging van de islam zowel slavernij als een zwarte huid onderdeel van Chams vloek. Niet toevallig vond dit plaats ten tijde van de opkomst van de trans-Atlantische slavenhandel. De wrede houding van de conquistadores leidde tot het ontstaan van de zwarte legende, wat in Noordwest-Europa als propaganda tegen de Spanjaarden werd gebruikt. Zodra de Britten en Nederlanders echter in een positie waren om slaven te verhandelen, werd ook hier slavernij goedgepraat. Grootscheepse manumissie bleef achterwege door slaven niet meer te dopen. De Nederlandse en Britse koloniën kenden dan ook relatief weinig zendingswerk.

Theologisch gezien was het moeilijk te verenigen dat bij joden door de doop hun erfelijke schuld kwijtgescholden werd, maar dat Afrikanen in slavernij werden gehouden. Het was dan ook vooral volksgeloof dat het Chammotief in stand hield, niet een officiële ideologie. Zolang er weinig protest tegen slavernij was, was er ook geen behoefte aan zo'n volledig uitgewerkte ideologie. Het volksgeloof zette daarentegen wel door, onder meer via wetgeving. In Brits Amerika werden christelijke slaven aanvankelijk net als veel Britten als contractarbeiders geregistreerd om zo te voorkomen dat christenen als slaaf zouden worden benoemd. Massachusetts werd in 1641 met de Body of Liberties de eerste staat waar officieel slaven werden gehouden. In 1705 werd in Kolonie Virginia in An act concerning Servants and Slaves vastgelegd dat bekering geen reden was om een slaaf vrij te laten. Daarmee verschoof de rechtvaardiging voor slavernij van heidendom zelf naar heidense afkomst en daarmee impliciet van een religieus naar een racistisch argument. Om die overstap volledig te maken, moest de van oudsher hiërarchische samenleving paradoxaal genoeg eerst meer egalitair worden. Dit zou het geval zijn na de Atlantische revoluties van de verlichting.

De Joden ondervonden ook religieuze segregatie, zoals vanaf 1516 in de Joodse wijk Ghetto in Venetië, de naamgever van de getto's waar Joden afgezonderd moesten leven. Binnen Europa ondervonden echter niet alleen de joden en moslims vooroordelen en discriminatie. Aan de buitenkant van het continent werden de Ieren en enkele Slavische volkeren hier het slachtoffer van. Onder Elizabeth I wisten de Engelsen in 1603 de Negenjarige Oorlog te winnen en voltooiden zo de verovering van Ierland door de Tudor-dynastie. Daarmee kwam een einde aan Keltisch Ierland en begonnen de Engelse volksplantingen in Ierland met onder meer het verjagen van de Gaels uit Dublin naar Irishtown. De veelal pastorale katholieke bevolking werd verdreven en vervangen door protestantse Britse boeren. In de twaalfde eeuw gaf Gerald van Wales na de Normandische verovering van Ierland al blijk van grote minachting voor de Ieren. Ze zouden naakt en ongewapend ten strijde trekken.[28] Zo begon de vorming van een Ierse mythe die mogelijk diende als rechtvaardiging voor de onderwerping van het eiland.[29]

Eugenetica[bewerken | brontekst bewerken]

Francis Galton, een halve neef van Charles Darwin, stelde in 1883 in Inquiries into Human Faculty and Its Development dat het belemmerende effect van de beschaving op natuurlijke selectie opgeheven zou moeten worden met enerzijds positieve eugenetica – het aanmoedigen van de meest geschikten tot meer voortplanting – en anderzijds negatieve eugenetica – het ontmoedigen of verhinderen van de minder geschikten om zich voort te planten. In 1899 stelde Haeckel in Die Lebenswunder dat het doden van pasgeboren kreupele kinderen, zoals de Spartanen deden, niet als moord zou moeten worden gezien en dat enkele honderdduizenden ongeneeslijk zieken dood beter af zouden zijn, voor zichzelf en voor de maatschappij. Alfred Ploetz ging nog een stap verder. Rassenhygiëne moest bereikt worden door sterke kinderen te stimuleren en zwakke kinderen uit te roeien. In 1905 richtte Ploetz de Gesellschaft für Rassenhygiene op om het vermeende noordische ras te beschermen. In 1911 werd de Internationale Hygiene-Ausstellung gehouden waar naast de volksgezondheid ook eugenetica onder de aandacht van het grote publiek kwam.

In 1907 in Het Verenigd Koninkrijk de Eugenics Education Society werd opgericht door Sybil Gotto en Galton om onder meer sociale hygiëne te promoten. In Zweden werd in 1922 de Statens institut för rasbiologi opgericht met Herman Lundborg aan het hoofd. In de Verenigde Staten was Madison Grant een belangrijke eugeneticus die het noordicisme aanhing met The Passing of the Great Race uit 1916. In 1921 werd de American Eugenics Society opgericht.

Koloniaal racisme[bewerken | brontekst bewerken]

Bij het racisme van de verlichting speelde het opkomend nationalisme een belangrijke rol, waarbij antisemitisme een gemeenschappelijke vijand kon bieden om het volk te verbinden. Ten opzichte van de Afrikanen was het meer een zaak van kamergeleerdheid, maar bij het kolonialisme ontstond ook direct contact met Afrikanen. Daardoor was er een verschil tussen het racisme van de verlichting en het koloniaal racisme.[30]

Het koloniaal racisme kon variëren van het rauwe racisme van slavenhouder Edward Long tot het neerbuigende racisme van de mission civilisatrice of beschavingsmissie. In A Voyage to Guinea uit 1735 Scheepsarts John Atkins gaf weliswaar blijk van een heterodox polygenetisch standpunt,[31] dat was voor Atkins nog geen aanleiding om een verband te leggen tussen raciale verschillen in ziektes.[32] Met de opkomst van de abolitionisme-beweging na Somerset v Stewart van 1772 verhardden de standpunten echter. Edward Long was een Britse koloniale bestuurder en planter in Jamaica en publiceerde in 1774 The History of Jamaica, waarin hij de slavernij verdedigde. Chams vloek wees hij af; in plaats daarvan zette hij een pseudowetenschappelijke rassenindeling neer waarbij Afrikanen een plaats innamen tussen Europeanen en Orang-oetans. Long maakte veel gebruik van de beschrijvingen van Buffon, van de zeer racistische beschrijvingen in het 65-delige Universal Modern History (1736-1765) en van Considerations on the Negroe Cause van Samuel Estwick en stelde dat Afrikanen bestial manners, stupidity, and vices hadden. Long leek met zijn werk een rechtvaardiging te willen geven van slavernij en stelde dat Afrikanen een inferieur ras zijn. Hij weerde zich onder meer tegen abolitionist Anthony Benezet met de stelling dat slavernij al duizenden jaren beoefend werd. Portugese slavenhandelaren die mensen naar de mijnen stuurden, zouden hen daarmee redden van wat hun anders te wachten zou staan, zoals dood, marteling, kannibalisme en mensenoffers. Daarnaast zouden de inkomsten uit de slavenhandel de Afrikaanse economie minder primitief maken. Juist de abolitionisten zouden verantwoordelijk zijn voor de wrede gevolgen van het staken van de slavenhandel. Dit argument had slavenhouder Richard Nisbet een jaar eerder ook aangevoerd in Slavery Not Forbidden by Scripture en de stelling van John Calhoun dat slavernij meer nog dan een noodzakelijk kwaad zelfs een positief goed was, werd populair bij blanke zuidelijke Amerikaanse politici voor de Amerikaanse Burgeroorlog.[33] Zelfs voor veel van zijn tijdgenoten gingen de raciale vooroordelen van Long te ver.[32] Veel andere voorstanders van de slavenhandel onthielden zich van dergelijke onderbouwingen die tegen hen gebruikt konden worden. Zo verwees de abolitionist William Wilberforce juist naar de uitspraken van Long om de onmenselijkheid van deze argumenten aan te tonen.[20]:63

Charles White hing het polygenisme aan en ging in tegen Buffon, die stelde dat voortplanting alleen binnen dezelfde soort mogelijk is. White wees daarbij in 1795 in An Account of the Regular Gradation in Man op het bestaan van kruisingen van vossen, wolven en jakhalzen. In tegenstelling tot Long was White echter abolitionist en emancipationist en in een advertentie voor het werk stond dat de auteur hopes that nothing advanced will be construed so as to give the smallest countenance to the pernicious practice of enslaving mankind, which he wishes to see abolished throughout the world.[34]

Zo konden zowel partijen voor als partijen tegen slavernij racistische standpunten hebben. Dat gold ook voor progressieven als Nicolas de Condorcet die een mission civilisatrice of beschavingsmissie voorstonden vanuit het idee van een geciviliseerde Europese beschaving die andere volkeren op moest voeden.[35] Deze toon mag aanmatigend zijn, maar het kon nog denigrerender, zoals bij Jules Ferry die stelde dat superieure rassen zowel een recht als een plicht hadden ten opzichte van de minderwaardige rassen.[36]

De koloniale bestuurders zagen in India dat de lokale bevolking in staat was om zich de Europese techniek en wetenschap eigen te maken. Dat gold ook voor China, ondanks de racistische toon in Europese beschrijvingen. Dat dit niet opging voor bestuurders in Afrika kwam meer door de gevolgen van de eeuwenlange slavenjacht. Onder invloed van quakers, baptisten en methodisten groeide de weerstand tegen de slavernij en tijdens de negentiende eeuw werd de steun voor het abolitionisme dusdanig groot dat deze grotendeels werd afgeschaft. Dat het zover kwam, was ook mogelijk doordat de industriële revolutie de vraag naar dwangarbeid had doen afnemen. De toen heersende koloniale geschiedschrijving stelde het echter vooral voor alsof humanitaire redenen de doorslag hadden gegeven, waarover historicus Eric Williams schreef:

The British historians wrote almost as if Britain had introduced slavery solely for the satisfaction to abolish it. They have made such play of the compensation provided by Britain to the planters as wiping off the debt to the West Indians in respect of slavery that it is difficult not to see in this attitude, developed and propagated over a century and a quarter, the explanation of the British Government's attitude on economic aid to the West Indies and on preferential treatment of the West Indies sugar industry.
These are political conclusions. As such they are a legitimate reply to the political conclusions drawn by the British historians themselves.[37]

Tegelijkertijd versnelde het kolonisatieproces juist aan het einde van de negentiende eeuw, met onder meer de Wedloop om Afrika. Op de Koloniale Conferentie van Berlijn van 1884/1885 verdeelden de Europese landen Afrika onderling, veelal ook met als rechtvaardiging dat er welvaart werd gebracht. Hannah Arendt noemde racisme het belangrijkste wapen van het imperialisme.[38]

Volgens Michael Adas verschilden de meningen hierover echter veel meer dan deze uitspraak lijkt te suggereren:

Contrary to the impression given in much of the recent literature on nineteenth-century European colonization, in which there is a tendency to reduce European interaction with Africans and Asians to stereotypes of racist exclusivism and condescension, European responses to racial thinking varied widely in this era.[39]
The White (?) Man's Burden, Life, 16 maart 1899
Satirische prent die aan de kaak stelde in hoeverre de The White Man's Burden werkelijk een goed doel was

Zo kon enerzijds het idee ontstaan dat er een Arisch ras bestond waartoe zowel hindoes als Europeanen behoorden, terwijl de Indiërs anderzijds racistisch behandeld werden door de Britten. De racistische theorieën uit Europa waren in het begin van de negentiende eeuw echter maar in beperkte mate van invloed op het koloniale bestuur. Dit veranderde in de loop van de eeuw, waarbij het idee terrein won dat er behoefte was aan een beschavingsmissie. In Nederland kwam deze houding terug in de ethische politiek in Nederlands-Indië, terwijl het gedicht The White Man's Burden uit 1899 van Rudyard Kipling een rechtvaardiging werd voor de Verenigde Staten om de Filipijnen te veroveren. De implicatie dat het de moederlanden niet ging om het eigenbelang en het idee van blanke superioriteit, maar dat het vanuit onbaatzuchtigheid werd gedaan, werd al in die tijd zelf bekritiseerd, zoals door Mark Twain met To the Person Sitting in Darkness uit 1901. Het koloniaal racisme ontwikkelde zich echter vooral zonder deze intellectuele inbreng.[40]

Het blijvende effect van koloniaal racisme en nationalistisch racisme werkt volgens Meindert Fennema door op verschillende niveaus:

Het onderscheid tussen koloniaal racisme en nationalistisch racisme is niet alleen om historische maar ook om politieke redenen van belang. Waar het koloniale racisme nog na-ijlt in het leven van alledag, is het nationalistische racisme vooral werkzaam op politiek niveau. De propaganda van de Centrumdemocraten, bijvoorbeeld, is in tegenstelling tot die van de Nederlandse Volksunie destijds, vrijwel uitsluitend gebaseerd op nationalisme. Het koloniale vertoog speelt daarin nauwelijks een rol. Sommige antiracisten leggen zich niettemin toe op het bestrijden van restanten van het koloniale racisme, zoals dat bijvoorbeeld tot uiting komt in het Sinterklaasfeest of in de wijze waarop over Suriname geschreven wordt. Op zichzelf is dat een goede zaak, omdat ook deze restanten nog steeds pijnlijk zijn voor de betrokkenen. Men moet echter voorkomen dat daarmee het meest agressieve en politiek werkzame racisme uit beeld verdwijnt of er, zelfs, door versterkt wordt.[41]

Segregatie[bewerken | brontekst bewerken]

Het koloniale racisme werkte directer door in samenlevingen waar voormalige slavenhouders en voormalige slaven in groten getalen naast elkaar bleven wonen, zoals de Verenigde Staten en Zuid-Afrika. Tussen het einde van de Tweede Boerenoorlog in 1902 en de Unie van Zuid-Afrika in 1910 werd de basis gelegd voor apartheidssysteem met rassensegregatie. Er werden inheemse reservaten gecreëerd waarmee de Afrikaanse bevolking uitgesloten werd van Zuid-Afrika zelf, dat echter wel de regels bepaalde in de reservaten. Zo moest het blanke baaskap intact blijven. In 1948 zouden deze gevormd worden tot Bantoestans of thuisland. In Australië ontstonden zo Aboriginesreservaten en in de Verenigde Staten Indianenreservaten.

Minder direct, maar wel met grote weerslag was de invoering van de Black Codes in de voormalige Geconfedereerde Staten van Amerika en na de Reconstructie de Jim Crow-wetten. Hoewel deze ingingen tegen het verbod op discriminatie in de Grondwet van de Verenigde Staten, werden deze wetten in stand gehouden door de separate but equal-doctrine die werd bestendigd door de uitspraak in 1896 in Plessy v Ferguson. Na de burgeroorlog wisten de zuidelijke Democraten langzaam hun macht terug te winnen. Het compromis van 1877 markeerde het begin van de vermindering van de liberale weerstand tegen discriminatie. Zo konden de Redeemers hun invloed vergroten, terwijl de noordelijke opinie naar rechts verschoof, zoals bleek uit de verovering van de Filipijnen. Volgens senator Benjamin Tillman had dit imperialisme tot gevolg dat:

No Republican leader, not even Governor Roosevelt, will now dare to wave the bloody shirt and preach a crusade against the South's treatment of the negro.[42]

De haat in het zuiden richting de zwarten was dusdanig dat de Zuid-Afrikaanse politicus en voorstander van segregatie Maurice Smethurst Evans er van terugschrok. Evans bekritiseerde Jean Finot die in 1905 met Le Préjugé des races raciale vooroordelen afwees. Volgens Finot waren de Griekwa gelijkwaardig aan blanken, maar Evans betoogde:

the Griquas are a degenerate, dissolute, demoralized people, weak and unstable, lazy and thriftless. They appear to be constitutionally immoral, far more so than either the European or Bantu people among whom they live.[43]

Volgens Evans waren raciale vooroordelen juist gerechtvaardigd. Desondanks vond hij de blanke vijandigheid richting de zwarten in de zuidelijke Amerikaanse staten pijnlijk om te zien:

It is painful to have to record that a people of our own race should be so saturated with hostility to a weaker one, which is unable to defend itself, either at law, or by force of arms.
We have race prejudice and to spare in South Africa. It is very difficult for anyone, however experienced and impartial, to correctly assess the comparative depth and intensity of this feeling in the two countries. My impression is, however, that we are more tolerant and well disposed towards the native, as we are certainly more law respecting in our relations to him, than are the people of the South. What is happening there of subversion of right and justice with its maleficent reflex action on character should, I think, act as a warning to us to keep a close watch and firm hand on any tendency to exaggerated prejudice.[43]
Het radicaal racisme was dusdanig dat dit regelmatig lynchpartijen tot gevolg had van Afro-Amerikanen, Mexicanen en Chinezen. Daarbij konden zelfs duizenden toeschouwers aanwezig zijn, zoals hier bij het lynchen van Will James in Cairo in Illinois

Joel Williamson noemde dit de periode van het radicaal racisme.[44] Het kwam regelmatig tot door blanken uitgelokte rassenrellen, zoals bij het bloedbad van Hamburg door de Red Shirts onder leiding van Tillman. Andere terreurorganisaties waren de Knights of the White Camelia en de White League die enkele jaren bestonden en de meer ondergrondse Ku Klux Klan.

Ook kwamen veelvuldig lynchpartijen voor waarbij na 1900 minder dan 1 procent tot veroordelingen leidde:

As a rule, coroners’ inquests concluded that “persons unknown” had caused the death of the victim. Prosecutors did not bring charges, and, if they did, grand juries rarely issued indictments. In those extraordinary cases where lynchers actually faced trial, juries usually acquitted them. After all, the jurors as well as the official representatives of the law were part of the local communities and often shared the lynchers’ values and viewpoints, or at least were unwilling to defy them openly.[45]

Naast deze gruwelen werden de democratische rechten van Afro-Amerikanen steeds meer ingeperkt. In delen van het zuiden waar Afro-Amerikanen de meerderheid uitmaakten, werden aanvullende eisen aan het kiesrecht gesteld, zoals opleidingsniveau. Deze uitsluiting van het kiesrecht na de Reconstructie maakte ook dat zij uitgesloten waren van juryplicht met volledig blanke jury's tot gevolg. Ook was er in veel staten een verbod op gemengde huwelijken.

Reading Senator Tillman's Speech in Rocky Mountain News, 27 februari 1896
De ideeën van Benjamin Tillman werden in veel hogere kringen afgewezen, maar door een groot deel van de blanke bevolking in het zuiden gedragen

Opnieuw Tillman lichtte in 1900 deze politiek toe in het Amerikaans Congres:

We of the South have never recognized the right of the negro to govern white men, and we never will. We have never believed him to be the equal of the white man, and we will not submit to his gratifying his lust on our wives and daughters without lynching him.[46]

Zo'n 90% van de Afro-Amerikanen woonde in het zuiden en door hun verlies van kiesrecht ontstond het Solid South, de loyaal Democratisch stemmende zuidelijke staten. De Amerikaanse presidentsverkiezingen van 1912 voltooiden dit proces toen Woodrow Wilson de eerste zuidelijke president werd sinds de burgeroorlog. Onder hem werd de rassenscheiding ook in federale instituten doorgevoerd.

Tegelijkertijd hadden veel blanke zuidelijke Amerikanen een dubbele houding:

The most virulent nigger haters would often be the first to resent bitterly any attempt to remove him. Through his labour and by reason of his submissive disposition, their lives are made easy for them, and while acutely jealous of any attempt on his part to advance, they will not let him go.[43]

Dit kwam onder meer tot uiting in sundown towns waar zwarte mensen na zonsondergang niet mochten verblijven.

Het zou zelfs beter zijn voor de Afro-Amerikanen om gescheiden scholing te ontvangen:

[...] it is an injury to the children of the weaker race to be educated in an environment which is constantly subjecting them to adverse feeling and opinion . The result must be the development of a morbid race consciousness without any compensating increase of racial self-respect.[47]

In de koloniën werd de segregatie niet zo ver doorgevoerd, met uitzondering van de Duitse. De Duitsers voegden zich pas laat bij de andere Europese kolonisatoren, maar met een uitgesproken racisme. In Duits-Zuidwest-Afrika vond tussen 1904 en 1908 de Namibische Genocide plaats waarbij zo'n 80.000 Herero en Nama omkwamen in gevechten en concentratiekampen. Generaal Lothar von Trotha beoogde de volledige uitroeiing van de Herero en ook al herriep Berlijn dit Vernichtungsbefehl na veel interne strijd, wist Trotha daar bijna in te slagen met zo'n 80%. In 1905 werden gemengde huwelijken verboden en in 1907 verloren beide partners met terugwerkende kracht alle rechten. In 1912 leidde dit tot het Mischehendebatte in de Duitse Rijksdag.

De Eerste Wereldoorlog bracht verder imperialisme grotendeels tot stilstand. De Duitse koloniën werden met het Verdrag van Versailles met enkele uitzonderingen mandaatgebieden van de Volkenbond. De Europese landen hadden de koloniën over willen nemen, maar de Amerikaanse president Wilson hechtte groot belang aan het zelfbeschikkingsrecht van deze landen. De segregatie in de koloniën zou uiteindelijk vervangen worden door segregatie in Duitsland zelf. De vernederende nederlaag ging gepaard met de Novemberrevolutie waarmee de Weimarrepubliek tot stand kwam. De binnenlandse tegenstand tegen de Duitse herstelbetalingen, de hyperinflatie en de Frans-Belgische bezetting van het Ruhrgebied maakten dat de republiek vanaf het begin politiek instabiel was. Enerzijds waren er vele vrijkorpsen die na de oorlog afvloeiden uit de Reichswehr. Anderzijds waren er veel radenrepublieken onder invloed van de jonge revolutionaire Sovjet-Unie. In 1920 werd de Kapp-putsch gepleegd door vrijkorpsen, wat weer aanleiding was voor de Ruhropstand. In dit klimaat werd in 1920 de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP) opgericht. Aanvankelijk was dit slechts een van de vele extreemrechtse en racistische partijtjes, maar met Adolf Hitler groeide deze in populariteit. Na de mislukte Bierkellerputsch van 1923 belandde Hitler in de gevangenis waar hij Mein Kampf schreef. In dit sterk antisemitische werk gaf hij de joden de schuld van het verliezen van de oorlog en de economische crisis. Ook zouden ze met hun internationalisme verantwoordelijk zijn voor zowel de kapitalistische als de communistische dreiging die ingingen tegen de Duitse nationalistische Volksgeist. De joden zouden daarbij gebruikmaken van de Große Lüge. De Fransen zetten onder meer Troupes coloniales in tijdens de geallieerde bezetting van het Rijnland, wat door de Duitsers als vernederend en Verrat an der weißen Rasse werd ervaren. Het resulteerde in een smaadcampagne die bekend werd als de Schwarze Schmach waarin de Arikanen beschuldigd werden van verkrachtingen en andere gruwelen. De kinderen uit relaties tussen deze soldaten en Duitse vrouwen werden als Rijnlandbastaarden gediscrimineerd en onder de nazi's zelfs gesteriliseerd.

In de Verenigde Staten had de oorlog tot gevolg dat er naast de push van de Jim Crow-wetten in het zuiden ook een pull ontstond in het noorden. Hier groeide door verminderde migratie uit Europa en verhoogde vraag door de oorlog het arbeidstekort in de industriesteden, met de grote Afro-Amerikaanse volksverhuizing tot gevolg. Onder de Afro-Amerikaanse bevolking groeide een nieuw bewustzijn met zwarte soldaten die terugkeerden uit Europa en daar niet voor bedankt werden, maar die een haatdragend onthaal kregen. De Harlem Renaissance ging gepaard met de stijlvolle New Negro, terwijl Marcus Garvey de National Association for the Advancement of Colored People (NAACP) en de Back to Africa-beweging begon. Vooral in het noorden werd steeds meer duidelijk dat de happy darky een blackface-karikatuur was. Tegelijkertijd ontstond met het garveyisme een militantere houding die een eigen segregatie voorstond en zo zelfs aansluiting vond bij de Ku Klux Klan, wat voor verwijdering zorgde met activisten als W.E.B. Du Bois die meer integratie zochten. Met de aankomst in het noorden verkregen die Afro-Amerikanen weer stemrecht en vonden vooral aansluiting bij de Democratische Partij daar. De zuidelijke Democraten bleven echter nog lang volharden in hun politiek van blanke superioriteit.

Bord bij de Sojourner Truth Homes in Detroit waarmee in 1942 geprotesteerd werd tegen de komst van zwarte inwoners. Later zouden hier veel Motown-zanggroepen wonen

In het noorden verliep de migratie echter ook niet vlekkeloos. De komst van de grote aantallen Afro-Amerikanen in de noordelijke en westelijke steden bracht een nieuwe segregatie op gang, ditmaal een economische. Van de blanke stadsbewoners trok een groot deel naar de buitenwijken en voorsteden, de white flight. Daarnaast werd de grote aanvoer van goedkope arbeidskrachten wel als een bedreiging gezien door de blanke arbeidersklasse, veelal recente migranten uit achtergebleven gebieden in Europa. Voor het zuiden was het verdwijnen van een groot deel van de zwarte bevolking een dilemma. Enerzijds waren deze met grote vijandigheid behandeld en aanvankelijk werd de migratie dan ook positief ontvangen. Naarmate de aantallen toenamen, ontstond er echter een probleem voor een economie die gebaseerd was op deze goedkope arbeidskrachten. Daarop werden er initiatieven ontplooid om de migratie te stoppen. Toen salarisverhogingen en verbeteringen van de omstandigheden niet hielpen, werd geprobeerd om de Afro-Amerikanen te belemmeren in hun mogelijkheden om te reizen. Senator Narciso Gender Gonzales van South Carolina vatte het dilemma al eerder samen als:

Politically speaking there are far too many negroes in South Carolina, but from an industrial standpoint there is room for many more.[48]

In de academische wereld groeide het besef dat er meer sprake was van culturele dan van biologische verschillen. Waar eerder met de vergelijkende methode de conclusie was getrokken dat primitieve samenlevingen zich ontwikkelden tot complexe zoals Europa, werd deze theorie van sociale ontwikkeling door onder meer Franz Boas ondergraven. De theorie werd gezien als etnocentrisch en ingegeven door het achterhaalde vooruitgangsgeloof. Als liberaal met joodse achtergrond streed Boas tegen racisme en ontwikkelde het historisch particularisme, de theorie dat elke cultuur uniek is met een eigen geschiedenis, gevormd door specifieke historische omstandigheden en omgevingsfactoren. Boas gaf in 1906 in een toespraak op uitnodiging van Du Bois aan dat op de lange geschiedenis van de mensheid de recente stand van zaken maar een momentopname is en dat de Afrikanen hun eigen verdiensten en grootsheid kenden:

The achievements of races are not only what they have done during the short span of two thousand years, when with rapidly increasing numbers the total amount of mental work accumulated at an ever increasing rate. In this the European, the Chinaman, the East Indian, have far outstripped other races. But back of this period lies the time when mankind struggled with the elements, when every small advance that seems to us now insignificant was an achievement of the highest order, as great as the discovery of steam power or of electricity, if not greater. It may well be, that these early inventions were made hardly consciously, certainly not by deliberate effort, yet every one of them represents a giant’s stride forward in the development of human culture. To these early advances the Negro race has contributed its liberal share. While much of the history of early invention is shrouded in darkness, it seems likely that at a time when the European was still satisfied with rude stone tools, the African had invented or adopted the art of smelting iron.[49]

Dat die momentopname arbitrair is als argument om een groep mensen als inferieur te bestempelen, blijkt als vanuit het perspectief van de Oud-Babylonische periode naar de voorouders van de Romeinen wordt gekeken, die toen als barbaren werden beschouwd:

The arguments for inferiority drawn from the history of civilization are also weak. At the time when the early kingdom of Babylonia flourished the same disparaging remarks that are now made regarding the Negro might-have been made regarding the ancestors of the ancient Romans. They were then a barbarous horde that had never made any contribution to the advance of that civilization that was confined to parts of Asia, and still they were destined to develop a culture which has become the foundation and an integral part of our own.[49]

De toespraak van Boas was voor Du Bois zelf ook een openbaring:

Few today are interested in Negro history because they feel the matter already settled: the Negro has no history.
This dictum seems neither reasonable nor probable. I remember my own rather sudden awakening from the paralysis of this judgment taught me in high school and in two of the world's great universities. Franz Boas came to Atlanta University where I was teaching history in 1906 and said to a graduating class: You need not be ashamed of your African past; and then he recounted the history of the black kingdoms south of the Sahara for a thousand years. I was too astonished to speak. All of this I had never heard and I came then and afterwards to realize how the silence and neglect of science can let truth utterly disappear or even be unconsciously distorted.[49]

In Zuid-Afrika had de Eerste Wereldoorlog ook een trek van de zwarte bevolking naar de steden tot gevolg. Hoewel dit aanvankelijk ook tot meer zelfbewustzijn en protest leidde onder de zwarte bevolking, bracht dit niet meer begrip bij de blanke bevolking of macht bij de zwarte bevolking. Vlak voor de oorlog werd het met de Wet op Naturellengrond verboden om land te verkopen tussen blanken en niet-blanken. De pasjeswetgeving beperkte de bewegingsvrijheid van de zwarte bevolking, vooral na de invoering van de Naturellen (Stadsgebiede) Wet van 1923. In Oranje Vrijstaat, Transvaal en Zuidwest-Afrika was het kiesrecht beperkt tot blanke mannen. In de Kaapprovincie gold het kiesrecht via de Cape Qualified Franchise onder bepaalde voorwaarden aanvankelijk voor alle mannen. In 1930 werden met de Women's Enfranchisement Act ook blanke vrouwen toegelaten en in het jaar daarop werden met de Franchise Laws Amendment Act de bezits- en opleidingseisen weggenomen voor blanken. Daarmee nam het relatieve aandeel voor niet-blanken af tot deze in 1936 met de Naturelle-Verteenwoordigings-Wet helemaal van de gewone kieslijst verdwenen en sindsdien vertegenwoordigd werden door drie blanke leden. Meer dan in de zuidelijke Amerikaanse staten werden blanke arbeiders beschermd tegen goedkope arbeid, zoals met de Kleurslagboomwet van 1924.

Nazisme[bewerken | brontekst bewerken]

Het nationaalsocialisme wist de Volksgeist uit de romantiek en de mystiek van het positieve christendom te combineren met het wetenschappelijk racisme en eugenetica. Jeffrey Herf omschreef de omarming van de moderne techniek die gepaard ging met de afwijzing van de verlichting en de liberale democratie als reactionair modernisme. De joden zouden volgens Hitler van nature slecht zijn:

De zwartharige Jodenjongen loert urenlang, satanische­­ vreugde op het gezicht, op het nietsvermoedende meisje dat hij met zijn bloed schendt en daarmee ontrooft aan het volk ervan, van het meisje. Met alle middelen probeert hij de raciale fundamenten van het te onderwerpen volk te verpesten. Zoals hij zelf stelselmatig vrouwen­­ en meisjes bederft, zo schrikt hij er evenmin voor terug zelf op de grootste schaal de bloedbarrières voor anderen weg te nemen.

Daarnaast zouden de joden verantwoordelijk zijn voor het introduceren van Afrikaanse troepen in het Rijnland die bastaardisering van het blanke ras tot doel zou hebben. Ook de in het tsaristische Rusland gefabriceerde Protocollen van de wijzen van Sion werden aangehaald als bewijs voor de complottheorie van het streven naar joodse wereldheerschappij. Hoewel Hitler het argument dat de joden van nature slecht zouden zijn tot in het extreme doortrok, daarbij aansluitend bij Alfred Rosenberg, sloot dit aan op het antisemitisme zoals dat al decennialang groeide in Duitsland. Dat betekende niet dat de gehele bevolking instemde met de uitroeiing van de joden, daarvoor was accommodatie door een groot deel van de Duitse bevolking voldoende.

De Jodenster als onderscheidingsteken

Nadat de nazi's in 1933 aan de macht waren gekomen, werd met de rassenwetten van Neurenberg de segregatie doorgevoerd. De joden werden binnen de nationalsozialistische Rassenhygiene als ras neergezet tegenover het Arische ras, terwijl dit rassenonderscheid daarbuiten niet gebruikelijk was. Hier werden dan ook culturele kenmerken gebruikt om tot een rassendefinitie te komen.[8]:4-6 Het woord wordt gebruikt om vooroordelen, geweld, discriminatie of onderdrukking door opvattingen over raciale verschillen aan te duiden. Bij de rassenwetten werd onderscheid gemaakt tussen Reichsbürger die deutschblütig waren en Staatsangehörigen die dat niet waren. Daarmee werden joden praktisch uitgesloten van kiesrecht en openbare functies. Met de Blutschutzgesetz werden huwelijken tussen beide groepen verboden. Waar in het zuiden van de Verenigde Staten de one-drop rule werd aangehouden, werd in deze wetten onderscheid gemaakt tussen volbloedjoden, halfjoden, kwartjoden en praktiserende kwartjoden die uiteindelijk allemaal een Jodenster moesten dragen. Kwartjoden die niet-praktiserend waren, zouden het Arische ras niet vervuilen. Anders dan in de Verenigde Staten en Zuid-Afrika volgde de Duitse segregatie niet uit een bestaande praktijk, maar was het een radicale ommezwaai met de jodenboycot die na de Kristallnacht van 1938 extreem werd doorgevoerd. Ook de Roma ondervonden deze segregatie en waren ook slachtoffer van de nazi-eugenetica. In 1936 werd de pseudowetenschappelijke Rassenhygienische Forschungsstelle (RHF) opgericht om onderzoek te doen naar de Roma. Vroege concentratiekampen werden vooral voor politieke gevangenen gebruikt, maar in 1936 begon de zigeunervervolging en na de Kristallnacht werden zo'n 30.000 joden in kampen ondergebracht om uit te monden in de Holocaust die de Endlösung der Judenfrage moest zijn. Om de Arische genetische zuiverheid te behouden, werden onder de noemer genadedoding ook gehandicapten vervolgd, culminerend in Aktion T4. Lebensborn moest het geboortecijfer verhogen het zuiver Arisch ras te versterken. Ook onder wetenschappers als antropologen en genetici was er veel steun voor de nazi-ideologie, met de Universiteit van Jena als centrum van de rassenbiologie.

De gruwelen van het nazi-tijdperk betekenden het einde voor veel bewegingen die gebaseerd waren op vermeende raciale verschillen en manipulatie daarvan, zoals de tot dan toe geaccepteerde eugenetica in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Het leidde tot de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties en het Genocideverdrag. Het tegengaan van racisme was een van de hoofdtaken bij de oprichting van UNESCO: That since wars begin in the minds of men, it is in the minds of men that the defences of peace must be constructed; [...] That the great and terrible war which has now ended was a war made possible by the denial of the democratic principles of the dignity, equality and mutual respect of men, and by the propagation, in their place, through ignorance and prejudice, of the doctrine of the inequality of men and races;[50]

In 1950 werd The Race question gepubliceerd waarvoor wetenschappers uit verschillende landen onder meer stelden: mankind is one: that all men belong to the same species, Homo sapiens.[51]

Apartheid[bewerken | brontekst bewerken]

Een van de weinige landen waar na de oorlog deze universalistische tendens geen navolging kreeg, was Zuid-Afrika. Hier behaalden de Herenigde Nasionale Party en de Afrikaner Party in de verkiezingen van 1948 de macht, wat het begin van het apartheidsregime markeerde. Wel werd het antisemitisme van voor de oorlog niet meer benadrukt. Het swart gevaar was het centrale thema van de verkiezingen geweest en blanke joden vielen daar buiten. Ook werd toenadering gezocht tot de nieuwe staat Israël, beide landen die probeerde geen partij probeerden te worden in de Koude Oorlog, daarmee het begin markerend van de Israëlisch-Zuid-Afrikaanse betrekkingen. Met de dekolonisatie groeide het aantal Afrikaanse landen dat protesteerde tegen het apartheidsbeleid, maar waar ook communistische invloeden gevreesd werden. Van dat vermeende rooi gevaar werd gebruikgemaakt om stilzwijgende internationale steun te behouden.

De latere premier Hans Strijdom gaf in 1948 in het Parlement van Zuid-Afrika vanuit de oppositie een reactie op de relatief liberale minister Jan Hofmeyr:

The Hon. Minister of Mines rejects with contempt the principles of the white mans domination. He dismisses with scorn the herrenvolk idea. [...] Are we ruling South Africa as a result of his stupid leadership idea? No, we are ruling South Africa today because the legislation placed the power in our hands and not in the hands of his friends. [...] But he does not want to rule the country by power.
Our policy is that the Europeans must stand their ground and must remain baas in South Africa. If we reject the herrenvolk idea and the principle that the white man can remain baas, if the franchise is to be extended to the non-Europeans, and if the non-Europeans are given representation and the vote and the non-Europeans are developed on the same basis as the Europeans, how can the Europeans remain baas? Our view is that in every sphere the European must retain the right to rule the country and to keep it white man’s country.[52]

Volgens Eric Louw zou premier Smuts kampen met:

a somewhat exaggerated idea of the interest taken in our affairs by people in other countries and he certainly has, if I may say so, an exaggerated idea of world opinion, as represented by U.N.O. Are we to be dictated to by world opinion as to how we should run our own country? And may I ask, why this cringing attitude? Have we not recently annexed two Islands and played the part of a Great Power? Why then this cringing attitude towards world opinion? Let us look to our own affairs, and not worry about world opinion.[52]

De belangrijkste architect van de apartheid, de latere premier Hendrik Verwoerd, onthield zich van dergelijke onomwonden uitspraken en omkleedde het eigenbelang met filosofische en theologische rechtvaardigingen. Al snel werden een reeks van apartheidswetten ingevoerd, zoals de Wet op verbod van gemengde huwelijken, de Ontuchtwet, de Wet op bevolkingsregistratie, de Groepsgebiedenwet, de Wet op Aparte Vertegenwoordiging van Kiezers, de Wet op Bantoe-onderwijs en de Wet op aparte gerieven. Met de Wet op Bantoe-overheden en de Wet op de Bevordering van Bantoe-zelfbestuur werd begonnen met de vorming van thuislanden die formeel onafhankelijk zouden zijn, waar de internationale gemeenschap niet in meeging. Zo werd de meest gesegregeerde samenleving tot dan toe gecreëerd, waarbij in toenemende mate cultureel essentialisme als rechtvaardiging werd gebruikt. Dit was gebaseerd op het romantisch nationalisme, maar zonder de Duitse nadruk op de biologische aspecten. Het idee was daarbij dat elk volk tot volle wasdom zou kunnen komen door niet met andere volken te mengen om verbastering te voorkomen. Vanuit de Nederduitse Gereformeerde Kerk werd apartheid verdedigd met een beroep op God als Hammabdil of Skeidingmaker na de toren van Babel. Daarbij baseerde onder meer Totius zich in 1944 op het idee van soevereiniteit in eigen kring van Abraham Kuyper.[53]

Jann Turner in 1997 met Eugene de Kock, de verantwoordelijke voor de dood van haar vader Rick Turner

Deze theologische uitleg rechtvaardigde een hiërarchisch racisme. Afrikaners zouden een uitverkoren volk zijn. Er werden aparte kerken voor niet-blanken opgericht onder voogdij van blanken. In Nederland werd dit standpunt lang verdedigd door onder meer de Gereformeerde Bond, de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt en de Christelijke Gereformeerde Kerken, terwijl de Nederlandse Hervormde Kerk en vooral de Gereformeerde Kerken in Nederland juist vroege tegenstanders waren. De Bob Jones University in de Verenigde Staten gebruikte het argument van de toren van Babel om tot 2000 gemengde relaties te verbieden.

Het einde van de Koude Oorlog betekende ook het einde van de niche die Zuid-Afrika gebruikte om apartheid in stand te kunnen houden. De internationale antiapartheidsbeweging isoleerde het land steeds meer, terwijl na de succesvolle jaren 1960 de economische groei stagneerde doordat het de zwarte bevolking aan inkomsten ontbrak. Uiteindelijk werd in 1990 Nelson Mandela vrijgelaten en begonnen de onderhandelingen om een einde te maken aan de apartheid en werden in 1994 de eerste multiraciale verkiezingen gehouden.

Neokoloniaal racisme[bewerken | brontekst bewerken]

Na de Tweede Wereldoorlog begon een proces van dekolonisatie. In het Atlantisch Handvest was onder Amerikaanse druk opgenomen dat elk volk zelfbeschikkingsrecht heeft – daarbij overigens de eigen segregatie negerend. Hoewel de Amerikanen druk uit bleven oefenen, werd het zelfbeschikkingsrecht voor zover mogelijk genegeerd door de Europese koloniale machten, zowel vanuit economische overwegingen als een vermeende communistische dreiging. Naast de Amerikaanse druk groeide de binnenlandse bewustwording in veel koloniën die ook zagen dat de moederlanden verzwakt waren door de oorlog. Dit ging regelmatig gepaard met zeer gewelddadige onafhankelijkheidsoorlogen, zoals de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog, de Algerijnse Oorlog, de Eerste Indochinese Oorlog en de Vietnamoorlog. De Portugese koloniale oorlog duurde nog langer, doordat de dictatuur onder Salazar weigerde om de koloniën op te geven. Het resultaat was een veelal gehaaste, weinig zorgvuldige dekolonisatie, regelmatig gevolgd door neokolonialisme. Hierbij zijn de voormalige koloniën weliswaar officieel onafhankelijk, maar economisch en ook politiek is er door de ongelijke onderhandelingsmacht veelal sprake van dependencia, onder andere via multinationale ondernemingen. Afbouw van koloniale macht ging veelal gepaard met verwesterlijking.[54]

Door cultuurimperialisme bleven voormalige koloniën in de westerse invloedssfeer waarbij de koloniale mentaliteit nog niet was verdwenen. Zelfs bij goedbedoelde initiatieven als vrijwilligerswerk kan sprake zijn van een impliciet superioriteitsgevoel. De vraag bij voluntourism wordt dan of het gaat om goed doen of om het goed voelen. Schadelijker is echter de exploitatie die gepaard gaat met buitenlandse investeringen.Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>

Tijdens deze periode werd ook steeds meer duidelijk welk effect de eeuwenlange onderdrukking had gehad. Jean-Paul Sartre maakte dit duidelijk in zijn voorwoord voor Léopold Senghor, een van de grondleggers van négritude:

Wat verwachten jullie toen jullie de prop weghaalden waarmee je die zwarte monden had afgesloten? Dat ze de lofzang op jullie zouden inzetten? Dachten jullie dat je in hun ogen bewondering zou lezen wanneer die hoofden, die door onze vaders met dwang tot op de grond waren gebogen, zich zouden oprichten?[55]

Volgens psychiater Frantz Fanon was er een manichaeaans systeem ontwikkeld van goed en kwaad waarbij de gekoloniseerden het kwaad zijn. Naast dit idee van blanke superioriteit heeft dit een zwarte minderwaardigheid en uiteindelijk ontmenselijking tot gevolg.[56]

Ook na de dekolonisatie bleven blanken het referentiepunt, zwarten waren vooral niet-blank: de blanke heeft de neger gecreëerd. Fanon streefde ernaar dat iedereen elkaar als mens zou zien en niet als kleur:

Wie de negers adoreert, is voor ons even ‘ziek’ als wie hen verfoeit.
Andersom is de Zwarte die zijn ras witter wil maken, net zo beklagenswaardig als hij die haat jegens de Blanke predikt.
Absoluut gezien is de Zwarte niet sympathieker dan de Tjech; waar het werkelijk op aankomt, is dat er ruim baan wordt gemaakt voor de mens.[57][58]

Uiteindelijk is er geen zwart of blank:

Le nègre n’est pas. Pas plus que le Blanc.[59]

Om dat mogelijk te laten zijn, zouden beiden zich moeten zich distantiëren van het onmenselijke verleden.

Alma Parens van William Bouguereau
Het moederland met de afhankelijke koloniën

Het koloniale verleden leeft daarnaast voort in de beeldvorming. Dit heeft gevolgen voor de representatie van onder meer de Oriënt. Onder het mom van objectieve journalistiek en geschiedschrijving konden zo volgens Edward Said karikaturale rechtvaardigingen van imperiaal beleid gebracht worden.[60] In het invloedrijke Orientalism uit 1978 werkte Said het idee uit dat oriëntalisme op die manier bijdroeg aan het in stand houden van een onjuiste beeldvorming waarmee ingrepen in de politiek van de Oriënt aanvaardbaar werd, daarbij voorbijgaand aan de grote diversiteit die het gebied kent:

My contention is that without examining Orientalism as a discourse one cannot possibly understand the enormously systematic discipline by which European culture was able to manage - and even produce - the Orient politically, sociologically, militarily, ideologically, scientifically, and imaginatively during the post-Enlightenment period.[61]

Dit idee van culturele hegemonie kon zo diep doordringen in de maatschappij. Dit geldt niet alleen voor de Europese cultuur, maar ook die van de voormalige koloniën waar blank een ideaalbeeld werd, zoals blijkt uit huidbleking in Afrika en Azië en blanqueamiento in Latijns-Amerika. De eeuwenlange onderdrukking, maar ook het eenzijdige onderwijs daar over liet bij onderworpen Afrikanen en hun nazaten diepe sporen na, zoals Anton de Kom in 1934 verwoordde:

Geen beter middel om het minderwaardigheidsgevoel bij een ras aan te kweeken, dan dit geschiedenisonderwijs waarbij uitsluitend de zonen van een ander volk worden genoemd en geprezen. Het heeft lang geduurd voor ik mijzelf geheel van de obsessie bevrijd had, dat een neger altijd en onvoorwaardelijk de mindere zijn moest van iederen blanke. Ik herinner mij, hoe het zusje van een mijner vrienden niet met haar eigen broertje wandelen wilde, omdat zijn huidskleur een schakeering donkerder was dan de hare. [...]
Geen volk kan tot vollen wasdom komen, dat erfelijk met een minderwaardigheidsgevoel belast blijft.[62]

Nieuw racisme[bewerken | brontekst bewerken]

De gruwelen van de Tweede Wereldoorlog hadden de excessen van genocide, eugenetica en segregatie van openlijk racistische regimes voor lange tijd onaanvaardbaar gemaakt in de publieke opinie. Daarmee waren vooroordelen en angst echter niet verdwenen, evenmin als uitgesproken racisme. De decennia van economische voorspoed na de oorlog en de vrijwel volledige werkgelegenheid bracht ook een immigratiegolf van gastarbeiders richting Europa op gang. Met de oliecrisis van 1973 kwam er een einde aan de economische groei en groeide de werkloosheid, wat de tot dan toe geprezen tolerantie af deed nemen. De voedingsbodem voor een tweedeling groeide zo binnen de arbeidersklasse, waarbij autochtonen een werkelijke of ingebeelde rivaliteit ondervonden van allochtonen op het gebied van werk, huisvesting en opleiding, terwijl misbruik van sociale voorzieningen breed werd uitgemeten. Zo kon het in 1972 tot de Rellen in de Afrikaanderwijk in Rotterdam komen. Volgens Martin Barker ontstond er een cultureel of nieuw racisme waarin er geen sprake meer is van biologische superioriteit of inferioriteit, maar de nadruk ligt op het anders zijn.[63] Spontane xenofobie en alledaags racisme konden zo met een beroep op de nationale identiteit en de volksaard toch weer op de politieke agenda verschijnen. In 1968 zorgde Enoch Powell nog voor controverse met zijn rivieren-van-bloed-toespraak, maar in 1978 dacht Margaret Thatcher dat:

[...] people are really rather afraid that this country might be rather swamped by people with a different culture and, you know, the British character has done so much for democracy, for law and done so much throughout the world that if there is any fear that it might be swamped people are going to react and be rather hostile to those coming in.[64]

Wim Couwenberg vroeg in 1982:

Hoeveel vreemdelingen kan elk Europees cultuurvolk verdragen zonder zijn identiteit te verliezen?[65]

Doordat de nadruk verschoof van biologische naar culturele verschillen, rees de vraag in hoeverre dit racisme was, dan wel etnocentrisme. Hoewel de eigen superioriteit niet meer expliciet benoemd werd, bleven de onverdraagzaamheid en uitsluiting een constante. Vakbonden en politieke partijen zoals in Nederland de Socialistische Partij zagen de import van goedkope arbeid met lede ogen aan, terwijl onder de bevolking weerstand groeide tegen wat werd gezien als een gebrek aan aanpassing. Zo relatief kort na de Tweede Wereldoorlog kregen anti-immigratiepartijen echter nog weinig voet aan de grond. Een neonationalistische richting viel echter steeds meer te ontdekken, waarbij een homogeniteit van de natie impliciet verondersteld wordt zonder de binnenlandse of regionale verschillen te benoemen. Een exponent daarvan was Samuel P. Huntington die met Clash of Civilizations uit 1996 de wereld onderverdeelde in major civilizations. Het zouden de culturele verschillen hiertussen zijn die de toekomstige conflicten zouden bepalen. Hiermee veronderstelde hij een homogeniteit binnen die major civilizations die er niet was, terwijl ze onderling meer overeenkomsten hebben dan uit deze indeling blijkt.

Cultureel racisme is aan kritiek onderhevig , omdat het tot begripsinflatie zou kunnen leiden als biologisch determinisme vervangen wordt door cultureel determinisme:

The idea of race has been in retreat in the second half of the 20th century in the aftermath of the defeat of Nazism and discoveries in the science of genetics. Nowadays, there is a tendency to regard inter-communal hostilities as stemming from issues of cultural rather than racial difference.
Many commentators argue that the justification of hostility and discrimination on grounds of culture rather than race is mostly a rhetorical ploy to get round the taboo around racism that has gradually been established in the Western liberal democracies. There is, they contend, a new ‘cultural racism’ that has increasingly supplanted an older biological racism. ‘Islamophobia’ has been identified as one of the most recent forms of this new racism. But can a combination of religious and other cultural antipathy be described as ‘racist’? Is this not to rob the idea of racism of any analytical specificity and open the floodgates to a conceptual inflation that simply undermines the legitimacy of the idea?[8]:8

Tegelijkertijd gaat het culturele aspect regelmatig gepaard met een onbenoemd raciaal aspect, zoals in de onderliggende aannames van Thatcher die alleen betrekking hadden op de niet-blanke immigranten of bij Jean-Marie Le Pen die nabijheid als voorwaarde gaf:

Je préfère mes filles à mes nièces, mes nièces à mes cousines, mes cousines à mes voisines, mes voisines à des inconnus et des inconnus à mes ennemis.

Daarmee werd dit standpunt steeds meer verdedigd vanuit de stelling dat dit nu eenmaal de menselijke aard was. Problematisch hiermee is dat groepsidentiteit gelijkgesteld wordt aan nationale identiteit. Ook wordt aangenomen dat vijandigheid tussen groepen, landen en bevolkingsgroepen natuurlijk is en dat mensen alleen naar landen zouden kunnen migreren waar zij natuurlijk thuis zouden zijn.[8]:103

Dat betekende niet dat er geen expliciete biologische verbanden meer gelegd werden, zoals door komiek Bernard Manning in 1995 voor een publiek van de Greater Manchester Police:

They actually think they're English cause they're fucking born here that means if a dog's born in a stable it's a fucking horse.

Europa[bewerken | brontekst bewerken]

Nazi-Duitsland[bewerken | brontekst bewerken]

Tijdens hun bezetting van Jersey in de Tweede Wereldoorlog kondigden de Duitsers in 1942 voor joden andere verboden tijden af

Het bekendste voorbeeld van racisme is de rassenpolitiek in nazi-Duitsland, vóór en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Adolf Hitler voerde zijn persoonlijke, op semi-mystieke, semi-religieuze, historische, maar ook biologische, sociaal-economische en maatschappelijke gronden gevestigde rassentheorie tot in de uiterste consequenties uit: beginnend met de Neurenberger wetten, door de nazi's aangenomen in 1935, werd bijvoorbeeld elk seksueel contact tussen mensen van het vermeende Arisch ras (Duitsers, Oostenrijkers, maar tot op zekere hoogte bijvoorbeeld ook Nederlanders) en Joden verboden. Uiteindelijk liep Hitlers antisemitische opvatting en streven naar zijn ideaalbeeld van Arische, raciale puurheid uit op de systematische, structurele moord – op industriële schaal – op onder andere zes miljoen Joden. Hitler bepleitte en beval als Endlösung der Judenfrage (kortweg de Endlösung) — in het Nederlands definitieve oplossing van het Joodse probleem — simpelweg de totale genocide (volkerenmoord) op / finale vernietiging van álle Joden – op zijn minst in Europa. Bovendien liet hij zo'n honderdduizend gehandicapten en vele duizenden zigeuners, homoseksuelen en andere door hem inferieur geachte mensen systematisch uitroeien. Hitler maakte een begin met een door de nazi-overheid opgezet geboorteprogramma, waarbij speciaal geselecteerde vrouwen zuiver Arische kinderen moesten baren en tot model-Duitsers moesten opvoeden. Ook de wetenschap, bijvoorbeeld eugenetica, werd ingezet om onderzoek te doen naar zogenaamd typisch Arische lichaamskenmerken.

Joden[bewerken | brontekst bewerken]

Buiten de vervolging door nazi-Duitsland stonden de Joden eeuwenlang aan vervolgingen bloot. Tot na de Tweede Wereldoorlog vonden voornamelijk in Oost-Europa pogroms plaats waarbij Joden door de niet-joodse bevolking werden vermoord. Joden worden op vele plaatsen in de wereld nog steeds negatief benaderd.

Roma en Sinti[bewerken | brontekst bewerken]

De Roma (vooral Sinti) waren tijdens de Tweede Wereldoorlog net als de Joden slachtoffer van uitroeiingspolitiek van de nazi's. Ook na deze zigeunervervolging hebben Roma blijvend te kampen met discriminatie, vooral onder invloed van het neonazisme.[66][67]

Rusland[bewerken | brontekst bewerken]

Na de val van het communisme was er een opleving van antisemitische groeperingen zoals de Pamjat. Ook worden personen met een mediterraan of Arabisch uiterlijk als zwarten of zelfs zwartkonten aangeduid en hebben ze te maken met racistische pesterijen.[68]

Afrika[bewerken | brontekst bewerken]

Zuid-Afrika[bewerken | brontekst bewerken]

De rassenscheiding die in Zuid-Afrika reeds bestond, werd na de Tweede Wereldoorlog geïnstitutionaliseerd in de vorm van apartheid. De bevolking van Zuid-Afrika werd in vier hoofdgroepen ingedeeld die ieder hun eigen woongebieden, thuislanden, kregen. De zwarte meerderheid van de bevolking had geen stemrecht. De apartheidspolitiek werd in 1990 officieel opgeheven en in 1994 werd Nelson Mandela de eerste zwarte president van Zuid-Afrika. Anderzijds bestaat er ook bij radicalen anti-blank racisme, zoals in de Schiet de Boer-controverse rond Julius Malema.[69] Ook de zogenaamde Plaasmoorde worden vaak gezien als een uiting van anti-blank geweld.

Namibië[bewerken | brontekst bewerken]

In Namibië voerde de Duitse kolonisator tussen 1904 en 1907 een beleid van volkerenmoord tegen de Herero- en de Nama-volkeren. Namibië stond vanaf 1915 onder Zuid-Afrikaans bewind. Ook hier gold de apartheidspolitiek.

Rhodesië en Zimbabwe[bewerken | brontekst bewerken]

Tussen 1965 en 1979 had Rhodesië een blank minderheidsbewind onder Ian Smith. De zwarte meerderheid was niet in de regering vertegenwoordigd. Enkel hadden zwarte stamhoofden zetels in de senaat en bestond er een vorm van censuskiesrecht gebaseerd op inkomsten wat in de praktijk leidde tot een minieme mogelijkheid van stemmen door niet-blanken. In 1980 kwam de zwarte Robert Mugabe in Zimbabwe aan het bewind. Aanvankelijk waren de blanken nog betrokken in het bestuur van Zimbabwe, maar na 2000 werd de grond van blanke boeren echter op grote schaal onteigend.

Nigeria / Biafra[bewerken | brontekst bewerken]

Tijdens de Biafra-oorlog richtten leden van de Haussa-stam zich tegen de Igbo. Hierbij kwamen honderdduizenden Igbo om het leven.[70]

Oeganda[bewerken | brontekst bewerken]

In 1972 werd de Indiase bevolking door Idi Amin uit Oeganda verdreven.

Rwanda / Burundi[bewerken | brontekst bewerken]

In de jaren 1990 vond de Rwandese Genocide plaats waarin de Hutu's de Tutsi's naar het leven stonden.

Soedan[bewerken | brontekst bewerken]

In 2003 brak het conflict in Darfoer uit, waarbij Arabische volken zich richtten tegen de zwarte Afrikanen.

Amerika[bewerken | brontekst bewerken]

Zowel in Noord- als Zuid-Amerika is op grote schaal slavernij voorgekomen waarbij Afro-Amerikanen als handelswaar werden beschouwd.

Canada[bewerken | brontekst bewerken]

In Canada werden net zoals in Australië en in de VS eind 19e eeuw Chinese migranten op hoge schaal gediscrimineerd door bepaalde overheidswetten en massamoorden. Eind 20e eeuw werd in Canada de Chinese Canadian National Council opgericht ter bestrijding van discriminatie van Chinezen in Canada.

Verenigde Staten[bewerken | brontekst bewerken]

How ink is made, een humoristisch bedoelde Amerikaanse ansichtkaart rond 1900 die suggereert dat inkt gemaakt kan worden van het badwater van een zwart kind

In het zuiden van de Verenigde Staten had de zwarte bevolking minder burgerrechten dan de blanken. De Jim Crow-wetten werden pas in 1964 afgeschaft. Hoewel de Verenigde Staten als etnische smeltkroes wordt beschouwd, bestaat in veel streken nog veel latent (verborgen) racisme waarbij etnische groepen min of meer gescheiden leven. Gemengde relaties worden veroordeeld en komen zelfs in Amerikaanse televisieseries en films vrijwel niet voor.

Guatemala[bewerken | brontekst bewerken]

In de jaren 1980 werden tijdens de Guatemalteekse Genocide tienduizenden indianen om het leven gebracht.

Midden-Oosten[bewerken | brontekst bewerken]

Koerden[bewerken | brontekst bewerken]

Koerden worden in verschillende landen van het Midden-Oosten gediscrimineerd. In Syrië werd velen van hen in de jaren 1960 het staatsburgerschap ontnomen, waardoor zij geen landbouwgrond meer konden bezitten. In Turkije mochten Koerden tot 1991 hun taal niet spreken. In Irak werd een gifgasaanval op Halabja uitgevoerd, waarbij 5000 Koerden om het leven kwamen. In Iran worden de (soennitische) Koerden onderdrukt door het Iraanse (sjiitische) regime.

Het zionisme en de resolutie van 1991[bewerken | brontekst bewerken]

Als etnisch nationalisme werd het zionisme een racistische ideologie genoemd in resolutie 3379 van de Verenigde Naties. Deze resolutie werd in het midden van de Koude Oorlog gesteund door de communistische en islamitische landen. Israël, de Verenigde Staten en de West-Europese landen en hun bondgenoten stemden tegen. In de Algemene Vergadering kunnen de grootmachten geen veto uitspreken.

De resolutie werd herroepen in 1991. Dit gebeurde met resolutie 48/86. De resolutie die zionisme gelijkstelde aan racisme werd hiermee van tafel gehaald met 111 stemmen voor en 25 tegen. Dit was een voorwaarde van Israël alvorens mee te willen doen met de vredesconferentie van Madrid (1991).

Israël[bewerken | brontekst bewerken]

Op 19 juli 2018 heeft Israël de 14e basiswet aangenomen die de staat Israël omschrijft als joodse staat waarin alleen het joodse volk recht op nationale zelfbeschikking heeft, een land dat alleen open staat voor joodse vestiging en waarin het Arabisch geen officiële taal meer is.[71] Er kwam protest vanuit het Palestijns-Arabische deel van de bevolking (moslims, druzen en christenen).[72] Als niet-joden zien zij deze wet als het eindelijk bij wet vastleggen van wat zij sinds 1948 met de stichting van de staat Israël ervaren: tweederangsburgers te zijn.[73] De Palestijnse bevolking (20% van de totale bevolking) heeft de beschikking over 3% van de grond. Dat percentage staat onder druk in verband met nieuwe wegen of uitbreiding van stad, kibboets of mosjav. Palestijnen mogen zich niet overal vestigen en het is niet vanzelfsprekend dat hun aanvragen om huizen te bouwen of uit te breiden door de Israelische overheid worden gehonoreerd. Op scholen krijgen kinderen het Israëlisch-Joodse verhaal te horen, terwijl Palestijnen in het onderwijs aandacht willen voor de Al-Nakba. De staat Israël staat het bouwen van joodse nederzettingen in de door Israël bezette gebieden toe waardoor de nog overgebleven kleine Palestijns-Arabische gebieden verbrokkelen.[74] De verjoodsing van het desondanks nog tamelijk Palestijns-Arabisch gebleven Galilea is een project van de ngo Jewish Agency for Israel.

Ook uit Noord-Afrika, Jemen en Ethiopië (Falasja's) afkomstige joden hebben of hadden te maken met racisme door vanuit Europa afkomstige medejoden. Mei 2015 gingen Ethiopiërs de straat op om te demonstreren tegen de discriminatie waar zij in Israël mee te maken hebben. Een video waarop te zien was hoe Damas Pakada, een jonge Ethiopisch-Israëlische soldaat in uniform, door de politie werd afgetuigd, was de directe aanleiding.[75]

Ook Israël heeft te maken met een vluchtelingenvraagstuk. Duizenden Afrikaanse vluchtelingen zijn via de Sinaiwoestijn in Israël beland. Het gaat hier om Eritreërs en Soedanezen. De meerderheid bestaat uit mannen. De regering wil hen geen status geven als Israëlisch staatsburger, maar stelt elke vluchteling voor de keus tussen gevangenisstraf voor onbepaalde tijd of vertrekken met een premie van 3500 dollar. Zij zou afspraken hebben gemaakt met enkele Afrikaanse landen om deze vluchtelingen op te nemen.[76][77]

Palestijnse ontheemden[bewerken | brontekst bewerken]

De Palestijnen die in 1948 vluchtten voor de oorlog of werden verdreven uit Israël (ongeveer 750.000) mochten slechts op beperkte schaal terugkeren naar hun vroegere woning en land. Door de Zesdaagse Oorlog van 1967 werden nog eens een 200.000 Palestijnen verdreven. Extreem-rechtse joodse groeperingen vertolken het standpunt dat ook de resterende Palestijnen uit Israël en de Palestijnse gebieden zouden moeten vertrekken. Veel Palestijnen verblijven nog in vluchtelingenkampen in de buurlanden. Alleen in Jordanië kregen zij volledige burgerrechten. De overige landen van het Midden-Oosten geven de Palestijnen niet de volledige burgerrechten. In Libanon hebben Palestijnen bijvoorbeeld geen actief en passief kiesrecht.

Joden[bewerken | brontekst bewerken]

De joodse godsdienst werd in de Arabische wereld tot de Tweede Wereldoorlog onder grote beperkingen getolereerd; diverse landen hadden grote joodse gemeenschappen. Echter in het Mandaatgebied Palestina vonden diverse bloedige pogroms plaats en ook in Irak kwamen deze gruwelijkheden voor. In 1945 stelde de Arabische Liga een boycot in tegen de joden in het toenmalige mandaatgebied. Na de onafhankelijkheid van Israël in 1948 vertrokken de joden,[78] aangemoedigd door zowel Israël (dat hen graag wilde opnemen als nieuwe immigranten) als de Arabische wereld (die hen het liefste kwijt was) naar de nieuwe staat en ook naar de Verenigde Staten. Tegenwoordig wonen er nog weinig joden in de Arabische wereld. In Jordanië zijn joden zelfs expliciet van het staatsburgerschap uitgesloten.

Zwarte bevolking[bewerken | brontekst bewerken]

Vanaf de zevende eeuw werden mensen uit Kenia, Tanzania, Soedan en Ethiopië als slaaf verkocht in het Midden-Oosten. In Irak komt de Free Iraqis Movement op voor de rechten van een klein miljoen zwarte Irakezen. Ze namen er in 2009 deel aan de verkiezingen. De meeste zwarte Irakezen behoren tot de laagste sociale klasse in het land.[79]

Azië[bewerken | brontekst bewerken]

Japan[bewerken | brontekst bewerken]

De Koreaanse en Chinese minderheden worden volgens een VN-rapport uit 2005 op grote schaal gediscrimineerd. Tot 1980 werd aan Koreanen die het Japanse staatsburgerschap wilden verwerven de eis gesteld dat zij een Japanse naam aannamen.

Indonesië[bewerken | brontekst bewerken]

In Indonesië zijn in 1959 en 1966 wetten aangenomen die de rechten van de Chinese minderheid beperkten. De Peraturan Pemerintah 10/1959 leidde tot onteigening van hun bedrijven en gedwongen verhuizingen. De 127/U/Kep/12/1966 verplichtte etnische Chinezen om Chinees-Indonesische achternamen aan te nemen. De machtswisseling van 1998 waarin Soeharto tot aftreden werd gedwongen, ging gepaard met grootschalig geweld jegens etnische Chinezen.

Filipijnen[bewerken | brontekst bewerken]

De Filipijnen kennen eveneens een aanzienlijke Chinese minderheid. Een nog groter deel van de bevolking (wellicht 10%) is van gemengd Chinese afkomst. Veel Chinese Filipino's zijn zeer succesvol, zoals de miljardair Henry Sy, en de politiek actieve families Aquino en Marcos. Dit leidt echter tot een sinofobie die kenmerken met het Europees antisemitisme deelt en gebaseerd is op economische vooroordelen en afgunst.[80] Hoewel in 1603 en 1639 anti-Chinese pogroms hebben plaatsgevonden en Chinezen in aparte wijken moesten wonen,[81] zijn grootschalige incidenten na de onafhankelijkheid niet voorgekomen. Sinofobie manifesteert zich in de Filipijnen met name in gescheld op straat en internet, anti-Chinese opmerkingen van prominenten, en een enkele keer fysiek geweld tegen Chinezen.[82][83]

Sri Lanka[bewerken | brontekst bewerken]

In Sri Lanka woedt sinds 1983 een burgeroorlog tussen Tamils en Singalezen, waarbij ruim 70.000 mensen om het leven zijn gekomen.

India[bewerken | brontekst bewerken]

Bewoners van Noordoost-India worden soms om hun Oost-Aziatische uiterlijk gediscrimineerd.

China[bewerken | brontekst bewerken]

De economische groei van China trekt Afrikaanse immigranten aan, die vooral in de grote zuidelijke steden neerstrijken. Vooral in Guangzhou bestaat een grote Afrikaanse gemeenschap die in de volksmond wel als 'chocolate city' wordt aangeduid. Zwarten worden aangeduid als 'hei gui' (zwarte duivels), en sommige kroeg-, restaurant- en winkeleigenaars weigeren hen te bedienen. In China (evenals in veel andere Aziatische en Latijns-Amerikaanse landen) is een blanke huid een gewild schoonheidsideaal, en huidcrèmes met bleekmiddel vinden gretig aftrek.

Effecten van racisme[bewerken | brontekst bewerken]

Racisme kan verschillende effecten hebben. Door racisme leren mensen een andere groep, bijvoorbeeld migranten, zien als anders en minderwaardig tegenover de eigen groep. Racisme kan ook bepaalde maatregelen motiveren zoals het opdelen van een samenleving in blanke en zwarte gebieden, het maken van wetten waardoor bepaalde mensen minder rechten hebben dan andere (zoals vroeger de Joden en zigeuners in nazi-Duitsland op basis van de Neurenberger wetten). Doordat een bepaalde groep als slecht beschouwd wordt, krijgen alle leden van die groep te maken met negatieve discriminatie (achterstelling) op gebieden zoals werk, huisvesting en onderwijs.

Effect op individuen[bewerken | brontekst bewerken]

Racisme kan zowel de racist als zijn slachtoffer psychisch sterk beïnvloeden. Het slachtoffer voelt zich vaak aangevallen of uitgesloten en kan hierdoor bijvoorbeeld minderwaardigheidsgevoelens krijgen en gefrustreerd raken.

De zondebok[bewerken | brontekst bewerken]

De groepen waartegen racisme gericht is, worden er vaak van beschuldigd de oorzaak te zijn van de problemen die een bepaald land of een bepaalde streek teisteren, zoals werkloosheid, overbevolking en inflatie. In de praktijk worden deze groepen meestal juist het zwaarst getroffen door deze crises.

In nazi-Duitsland waren Joden en zigeuners (en intellectuelen, communisten, liberalen) de zondebok: zij kregen de schuld van alle maatschappelijke problemen, en de deportatie en/of uitroeiing van deze groepen zou alle problemen oplossen.

Sigmund Freud heeft, wijzend op de gedachte dat iedere groep een zondebok kent, opgemerkt dat het antisemitisme ouder is dan het jodendom.

Effect op de samenleving[bewerken | brontekst bewerken]

Racisme heeft effect op individuen, maar ook op de samenleving als geheel. Racisme wordt weleens beschouwd als een verdeel-en-heerstactiek, die mensen tegen elkaar opzet om ze verdeeld te houden. Door winkels en bedrijven van bepaalde etnische groepen te boycotten, neemt de economische efficiëntie af. Openlijk geweld kan leiden tot een afname van het veiligheidsgevoel en vertrouwen in de regering. Ook kan racisme binnen een land de internationale reputatie van het land verslechteren, waardoor het diplomatiek geïsoleerd raakt of zelfs doelwit wordt van internationale (handels)sancties, zoals Zuid-Afrika tijdens de apartheid.

Bestrijden van racisme[bewerken | brontekst bewerken]

Juridisch[bewerken | brontekst bewerken]

Een groot aantal landen in de wereld heeft mensenrechten ingeschreven in zijn grondwet. In Europa erkennen veel landen bijvoorbeeld het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat op zijn beurt gebaseerd is op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

Met het aannemen van deze verklaringen bestempelen regeringen vormen van discriminatie zoals racisme als moreel verwerpelijk en juridisch strafbaar. Ondanks de beperking van de persoonlijke vrijheid is er een breed maatschappelijk draagvlak voor deze wetten.

Klachten[bewerken | brontekst bewerken]

Iedere burger kan een klacht indienen wegens discriminatie. In België zijn er, naast de reguliere gerechtelijke instellingen waar burgers klachten kunnen indienen, twee specifieke organisaties die vaak klachten over discriminatie behandelen en opvolgen: het Interfederaal Gelijkekansencentrum en de Liga voor de Mensenrechten. In Nederland houdt de Commissie Gelijke Behandeling zich bezig met de bestrijding van discriminatie.

Sport en racisme[bewerken | brontekst bewerken]

De sportwereld, met name het voetbal, is niet vrij van racistische uitingen van supporters. In dit verband startte de Europese voetbalbond of de UEFA een campagne tegen racisme in stadions. Vlak voor de aftrap van de beide halve finales van het Europees kampioenschap op 25 en 26 juni 2008 spraken de ploegaanvoerders van de elftallen een boodschap uit tegen alle vormen van racisme en riepen op om vreedzaam samen te leven met andere culturen.

Relatie tussen IQ en racisme[bewerken | brontekst bewerken]

De onderzoeker G. Hodson (Brock University, Ontario) schreef in Psychological Science dat kinderen met een lager IQ in hun volwassen leven sterker racisme kunnen vertonen.[84][85]

Zo zouden low-intelligence adults voornamelijk sociaal-conservatieve ideologieën aanhangen, waarna zij zich gesterkt voelen in hun conservatieve gedachtegoed.

Eerder onderzoek wees al uit dat er een correlatie is tussen een laag scholingsniveau en een hogere graad van etnocentrisme.[86] Ook leidt een lager scholingsniveau tot het koesteren van meer vooroordelen jegens andere rassen.[87] Deze bevindingen bevestigen dat een algemene hogere scholingsgraad kan leiden tot een daling van racisme.[88]

Een aanvullende verklaring voor de waargenomen relaties is dat uiterst rechts minder intelligente kiezers aantrekt door het gebruik van stereotypen. Deze stereotypen zouden het voor zulke kiezers eenvoudiger maken om de complexe wereld te begrijpen, zonder rekening te moeten houden met nuances.[89][90] Voorbeelden van zulke stereotypes zijn De wereld is een gevaarlijke plaats en Zwarten zijn beter in sport, maar ze zijn wel minder slim.[bron?] Zo zorgen conservatieve ideologieën voor psychische stabiliteit en trachten ze de status quo in stand te houden.[91]

Daarnaast hebben rechts geïnspireerde kiezers gemiddeld meer angst dat buitenstaanders (out-groups) de desintegratie van maatschappelijke morele standaarden en de teloorgang van tradities zullen veroorzaken.[92]

Internationale antiracisme-conferentie 2009[bewerken | brontekst bewerken]

In april 2009 werd in Genève de Durban Review-conferentie gehouden, die door diverse landen, waaronder Nederland, om politieke redenen werd geboycot.

1rightarrow blue.svg Zie Internationale Antiracisme-conferentie te Genève voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Zie de categorie Racisme van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.