Titus Flavius Domitianus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Domitianus
Domitien.jpg
Geboortedatum 51
Sterfdatum 96
Tijdvak Flavische dynastie
Periode 81-96
Voorganger Titus (79-81)
Opvolger Nerva (96 - 98)
Staatsvorm principaat
Caesar onder Vespasianus (met Titus) (69-79)
Titus (79-81)
Persoonlijke gegevens
Naam bij geboorte Titus Flavius Domitianus
Naam als keizer Titus Flavius Domitianus
Zoon van Vespasianus en Domitilla de Oudere
Vader van Jong gestorven zoon & dochter (namen onbekend)
Gehuwd met Domitia Longina
Broer van Titus en Domitilla de Jongere
Oom van Julia Titi
Romeinse keizers
Portaal  Portaalicoon   Romeinse Rijk

Domitianus (Latijn: Titus Flavius Caesar Domitianus Augustus; Rome, 24 oktober 51 - aldaar, 18 september 96) was van 81 tot 96 keizer van het Romeinse Rijk. Domitianus was de derde en laatste keizer van de Flavische dynastie.

Domitianus’ jeugd en vroege carrière bracht hij grotendeels door in de schaduw van zijn broer Titus, die tijdens de eerste Joods-Romeinse oorlog militaire roem had geoogst. In deze situatie kwam geen verandering onder het bewind van zijn vader Vespasianus, die in 69 na de burgeroorlog die bekendstaat als het vierkeizerjaar, keizer was geworden. Hoewel Titus onder het bewind van zijn vader een groot aantal belangrijke ambten bekleedde, kreeg Domitianus weliswaar eervolle benoemingen, maar geen verantwoordelijkheden. Vespasianus stierf in 79 en werd opgevolgd door Titus. Aan diens bewind kwam twee jaar later echter een onverwacht einde toen hij in 81 door een dodelijke ziekte werd getroffen. Nog de volgende dag werd Domitianus door de Praetoriaanse garde tot keizer uitgeroepen. Zijn bewind zou vijftien jaar duren - langer dan enige keizer ten tijde van het principaat had geregeerd sinds keizer Tiberius.

Als keizer versterkte Domitianus de economie door de Romeinse munten te revalueren. Hij breidde de grensverdediging van het Romeinse Rijk uit en startte een enorm bouwprogramma om de grote schade die Rome in de jaren zestig had opgelopen te herstellen. Belangrijke oorlogen werden uitgevochten in Britannia, waar zijn generaal Agricola een poging deed om Caledonië (Schotland) te veroveren en in Dacia (Roemenië), waar Domitianus er echter niet in slaagde een beslissende overwinning op koning Decebalus te boeken. De regering van Domitianus toonde totalitaire kenmerken; hij zag zichzelf als de nieuwe Augustus, een verlicht despoot voorbestemd om het Romeinse Rijk een nieuw tijdperk van schittering in te leiden. Religieuze, militaire en culturele propaganda bevorderde een persoonlijkheidscultus. Door zichzelf als censor voor het leven te benoemen probeerde hij de publieke en private moraal te controleren. Als gevolg daarvan was Domitianus zowel bij het volk als het leger populair. Het ontbrak hem echter aan de nodige sociale vaardigheden om zich ook populair te make bij (delen van) de elite. Door leden van de Romeinse Senaat werd hij als een tiran beschouwd. Volgens Suetonius was hij de eerste Romeinse keizer, die er op stond aangesproken worden als dominus et deus (meester en god).

Aan Domitianus’ regering kwam in 96 n.Chr. een einde toen hij door medewerkers van het keizerlijk hof werd vermoord. Nog dezelfde dag werd hij door zijn adviseur Nerva opgevolgd. Na zijn dood werd Domitianus gedachtenis veroordeeld. De Romeinse senaat sprak een damnatio memoriae uit. Senatoriale auteurs zoals Tacitus, Plinius de Jongere en Suetonius publiceerden geschiedenissen waarin Domitianus wordt beschreven als een wrede en paranoïde tiran. De moderne geschiedschrijving verwerpt deze opvatting. In plaats daarvan wordt Domitianus gekarakteriseerd als een meedogenloze, maar efficiënte autocraat, wiens culturele, economische en politieke programma het fundament voor de relatief vreedzame 2e eeuw legde.

Jeugd[bewerken]

Familie[bewerken]

Domitianus werd op 24 oktober 51 in Rome geboren. Hij was de jongste zoon van Titus Flavius Vespasianus (keizer Vespasianus) en Domitilla de Oudere.[1] Hij had een oudere zuster, Domitilla de Jongere en broer, Titus Flavius Vespasianus (keizer Titus).[2]

Decennia van burgeroorlog in de 1e eeuw voor Christus hadden de oude aristocratie van Rome behoorlijk uitgedund. In het eerste deel van de 1e eeuw kwam er deels naast en deels als vervanging een nieuwe Italische aristocratie op.[3] Een van die families, de Gens Flavia (Flavianen) slaagde er tijdens de Julisch-Claudische dynastie in om in slechts vier generaties op te stijgen van relatieve obscuriteit tot de nieuwe keizerlijke familie. Al doende verwierf elke generatie zich meer rijkdom en status. Domitianus's overgrootvader, Titus Flavius ​​Petro diende tijdens de burgeroorlog tussen Pompeius en Caesar als centurio in het leger van Pompeius. Zijn militaire carrière eindigde echter in schande toen hij in 48 v.Chr. tijdens de slag bij Pharsalus van het slagveld vluchtte.[1]

Toch slaagde Petro er in om zijn positie sterk te verbeteren door met de extreem rijke Tertulla te trouwen. Haar fortuin garandeerde de opwaartse mobiliteit van Petro's zoon Titus Flavius ​​Sabinus I, Domitianus' grootvader[4] Sabinus vergrootte deze rijkdom nog door zijn werkzaamheden als tollenaar in Asia en bankier in Vindonissa, Helvetia (het moderne Zwitserland). Ook verkreeg hij mogelijk de ridderlijke rang. Door te trouwen met Vespasia Polla verbond hij zich aan de meer prestigieuze patricische gens Vespasia. Door deze verbinding zorgde hij er voor dat zijn zonen Titus Flavius ​​Sabinus II en Vespasianus de senatoriale rang konden verkrijgen.[4]

Tijdens het doorlopen van zijn cursus honorum bekleedde Vespasianus de ambten van quaestor, aedile en praetor. Zijn carrière culmineerde in 51, het geboortejaar van Domitianus, in een consulschip. Als militair commandant had Vespasianus in 43 faam verworven door zijn deelname aan de Romeinse verovering van Groot-Brittannië.[5] Toch spreken oude bronnen over armoede van de Flavische familie ten tijde van Domitianus' opvoeding;[6] er wordt ook beweert dat Vespasianus ten tijde van de keizers Caligula (37-41) en Nero (54-68) in ongenade was gevallen.[7] In de moderne geschiedenis worden deze claims weerlegt. Men denkt nu dat deze verhalen later onder het Flavische bestuur circuleerden als onderdeel van een propagandacampagne om zich zo veel mogelijk te distantiëren van de minder goed bekend staande keizers van de Julio-Claudische dynastie en de prestaties van Vespasianus zo veel mogelijk te associëren met keizer Claudius (41-54) en diens zoon Britannicus.[8]

Het heeft er alle schijn van dat de Flavianen gedurende de jaren '40 en '60 hoog in de keizerlijke gunst stonden. Terwijl Titus samen met Britannicus, aan het hof werd opgevoed, had Vespasianus onder keizer Claudius een succesvolle politieke en militaire carrière. Na een lange periode buiten het publieke leven in de jaren 50, bekleedde hij in de laatste jaren van keizer Nero weer openbare ambten. In 63 was hij proconsul van de provincie Africa. Ook vergezelde hij Nero in 66 tijdens diens officiële rondreis door Griekenland.[9]

In hetzelfde jaar kwamen de Joden in de provincie Judea tegen het Romeinse rijk in opstand in wat nu bekend staat als de eerste Joods-Romeinse Oorlog. Vespasianus kreeg de leiding over het Romeinse leger dat de opstand moest onderdrukken. Titus, die zijn militaire opleiding op dat moment net had voltooid, kreeg de leiding over een legioen.[10]

Adolescentie[bewerken]

In 66 waren Domitianus' moeder en zuster reeds gestorven[11]. Zijn vader en broer waren in deze periode continu actief in het Romeinse leger, waar zij legers in respectievelijk Germania en Judea aanvoerden. Zijn broer Titus deed militaire ervaring op tijdens de Joodse Oorlog (66-70). Voor Domitianus betekende dit dat hij een aanzienlijk deel van zijn puberteit zonder nauwe verwanten doorbracht. Tijdens de Joods-Romeinse oorlogen stond hij waarschijnlijk onder bescherming van zijn oom Titus Flavius ​​Sabinus II, die op dat moment dienst deed als stadsprefect van Rome, of misschien zelfs van Marcus Coccejus Nerva, een trouwe vriend van zijn vader en de latere opvolger van Domitianus zelf.[12][13]

Keizerschap vader en broer[bewerken]

In zijn jeugd en vroege carrière stond Domitianus grotendeels in de schaduw van zijn broer Titus. Deze situatie zette zich voort onder de heerschappij van zijn vader Vespasianus, die na de burgeroorlog, die bekendstaat als het Vierkeizerjaar, in 69 keizer van het Romeinse Rijk werd. Terwijl Titus als medekeizer samen met zijn vader heerste, kreeg Domitianus weliswaar onderscheidingen, maar geen eigen verantwoordelijkheden.

Huwelijk[bewerken]

Hoewel zijn politieke en militaire carrière aanvankelijk alleen maar teleurstellingen opleverde, was Domitianus in zijn privéleven in de jaren 70 wel succesvol. Vespasianus probeerde een dynastiek huwelijk tussen zijn jongste zoon en de dochter van Titus, Julia Flavia te arrangeren,[14], Domitianus was echter onvermurwbaar in zijn liefde voor Domitia Longina. Hij ging zelfs zo ver haar wettige echtgenoot Lucius Aelius Lamia er goedschiks of kwaadschiks van te overtuigen van haar te scheiden, zodat Domitianus zelf met haar kon trouwen.[14]

Domitia Longina met Flaviaans kapsel (Louvre)

Ondanks deze aanvankelijke roekeloosheid was de alliantie voor beide families zeer prestigieus. Domitia Longina was de jongste dochter van Gnaeus Domitius Corbulo, een gerespecteerd en hoog in aanzien staand generaal en politicus. In Nederland is Corbulo vooral bekend van het naar hem vernoemde kanaal van Corbulo. Na de mislukte Pisoniaanse samenzwering tegen Nero was Corbulo in 65 gedwongen om zelfmoord te plegen. Het huwelijk tussen Domitianus en Longina zou de banden met de senatoriale oppositie konden herstellen, maar stond ook ten dienste van de bredere Flavische propaganda van die tijd. Deze streefde er naar om het politieke succes van Vespasianus onder Nero wat weg te moffelen. In plaats daarvan werden verbindingen met Claudius en Britannicus en Nero's slachtoffers benadrukt en werden anderen, die door Nero waren benadeeld, door Vespasianus gerehabiliteerd.[15]

In 73 werd Domitia's en Domitianus' enige officieel geattesteerde zoon geboren. Het is niet bekend hoe de jongen heette, maar hij stierf in zijn jeugd ergens tussen 77 en 81.[16] Kort na zijn verheffing als keizer schonk Domitianus de eretitel van Augusta aan Domitia, terwijl hij hun zoon vergoddelijkte. Zijn zoon werd als zodanig op de voorzijde van de muntsoorten uit deze periode afgebeeld.[17] Niettemin werd het huwelijk in 83 met een grote crisis geconfronteerd. Om onbekende redenen stuurde Domitianus zijn vrouw Domitia voor korte tijd in ballingschap. Maar al snel riep hij haar terug, hetzij uit liefde of als gevolg van geruchten dat hij een relatie met zijn nichtje Julia Flavia had.[18] Jones acht de kans het grootst dat hij zijn vrouw in ballingschap stuurde omdat hij gefrustreerd was in haar onvermogen een erfgenaam te produceren.[16]

Tegen 84 was Domitia weer terug in het paleis,[19] waar zij de rest van de regering van Domitianus zonder verdere incidenten vertoefde.[20] Er is weinig bekend van Domitia's activiteiten als keizerin of hoeveel invloed zij heeft gehad op de regering van Domitianus, maar haar rol lijkt beperkt te zijn geweest. Van Suetonius weten we dat zij de keizer in ieder geval naar het amfitheater vergezelde, terwijl de joodse schrijver Josephus spreekt van gunsten die hij van haar verkreeg.[21] Het is niet bekend of Domitianus andere, onechtelijke kinderen had. Ondanks beschuldigingen van Romeinse bronnen van overspel en echtscheiding lijkt het huwelijk gelukkig te zijn geweest.[22]

Dood van vader en broer[bewerken]

Vespasianus stierf echter in 79. Hij werd opgevolgd door Titus. Deze stierf twee jaar later in 81 onverwacht aan een dodelijke ziekte. De volgende dag werd Domitianus door de Praetoriaanse Garde uitgeroepen tot keizer. Zo begon een heerschappij die vijftien jaar duurde, de langste heerschappij sinds het keizerschap van Tiberius, 60 jaar eerder.

Keizerschap[bewerken]

Domitianus was een kundig bestuurder en bevelvoerder van het leger. Ook breidde Domitianus de grensverdediging van het rijk uit en startte hij een enorm bouwprogramma om het na de grote brand onder Nero beschadigde Rome te herstellen. De regering van Domitianus vertoonde totalitaire kenmerken; hij zag zichzelf als de nieuwe Augustus, een verlicht despoot voorbestemd om het Romeinse Rijk te begeleiden in een nieuw tijdperk van schittering. Religieuze, militaire en culturele propaganda stimuleerde een persoonsverheerlijking, en door zichzelf te benoemen tot eeuwige censor, wilde hij de publieke en private moraal controleren. Als gevolg daarvan, was Domitianus populair bij het volk en het leger, maar werd hij door Romeinse elite met name de senaat als een tiran beschouwd. Vooral Tacitus had weinig goede woorden voor hem over.

Financieel beleid[bewerken]

Als keizer versterkte Domitianus de economie door de herwaardering van de Romeinse munteenheid. Hij slaagde erin de schatkist weer gevuld te krijgen.

Domitianus' neiging tot micromanagement komt nergens duidelijker tot uiting dan in zijn financieel beleid. De vraag of Domitianus het Romeinse Rijk op het moment van zijn voortijdig overlijden achterliet met een schuld of met een overschot werd fel gedebatteerd. Het voorhanden bewijsmateriaal wijst echter op een evenwichtige economie gedurende het grootste deel van de regering van Domitianus.[23] Bij de start van zijn keizerschap revalueerde hij de Romeinse munteenheid aanzienlijk. Hij verhoogde het zilvergehalte van de denarius van 90% tot 98% - het werkelijke zilvergewicht van een munt steeg van 2,87 gram tot 3,26 gram. Een financiële crisis in het jaar 85 dwong Domitianus echter tot een devaluatie van het zilvergehalte en het absolute gewicht tot respectievelijk 93,5% en 3,04 gram.[24][25] Toch waren deze nieuwe waarden nog steeds hoger dan de niveaus die Vespasianus en Titus tijdens hun bewind aanhielden. Een strikte belastingpolitiek stelde Domitianus in staat om deze getallen gedurende de resterende elf jaar van zijn bewind te handhaven.[25] De munten uit deze periode zijn van een zeer constante kwaliteit. Opvallend zijn de nauwgezette aandacht voor de titulatuur van Domitianus en de verfijnde portretten op de achterzijde van de munten.[25]

Jones schatte het jaarinkomen van Domitianus op meer dan 1.200 miljoen sestertiën, waarvan ruim een derde vermoedelijk werd besteed aan het in stand houden van het Romeinse leger.[23] De andere grote kostenpost was de uitgebreide reconstructie van de stad Rome. Op het moment dat Domitianus aan de macht kwam had de stad nog steeds te lijden van de schade die was veroorzaakt door de grote brand van 64, de burgeroorlog van 69 en de brand in het jaar 79.[26] Veel verder gaand dan een renovatieproject was Domitianus' bouwprogramma bedoeld als de culminatie van een keizerrijk-brede culturele renaissance. Er werden ongeveer vijftig grote bouwwerken gebouwd, gerestaureerd of voltooid, een bouwprogramma dat alleen met dat van Augustus was te vergelijken.[26] Onder de belangrijkste nieuwe gebouwen waren een odeum, een stadion en een uitgestrekt paleis op het Palatijn dat bekendstond als het Flavische paleis. Dit laatste gebouw werd ontworpen door Domitianus' meesterarchitect Rabirius.[27] Het belangrijkste gebouw dat Domitianus liet restauren was de tempel van Jupiter op het Capitool. Dit werd naar verluidt bedekt met een verguld dak. Onder de voltooide gebouwen waren de tempel van Vespasianus en Titus, de boog van Titus en het Colosseum, waar hij een vierde niveau aan toevoegde en waar hij de overdekte tribunes voltooide.

Religieuze politiek[bewerken]

Domitianus geloofde vast aan de traditionele Romeinse religie. Hij zag er persoonlijk op toe dat de oude gewoonten en zeden tijdens zijn beleid werden nageleefd. Om de goddelijke natuur van het Flavische bestuur te rechtvaardigen, benadrukte Domitianus zijn connecties met de belangrijkste godheid Jupiter, misschien wel in de eerste plaats door de indrukwekkende restauratie van de tempel van Jupiter op de Capitool. Een kleine kapel, gewijd aan Jupiter Conservator, werd in de buurt van het huis gebouwd, waarnaar Domitianus op 20 december voor zijn eigen veiligheid was gevlucht. Later in zijn regering liet hij dit vervangen door een duurder gebouw, dat gewijd werd aan aan Jupiter Custos.[28] De godin die hij echter het meest aanbad was Minerva. Niet alleen had hij een aan haar gewijd persoonlijk heiligdom in zijn slaapkamer, ook werd Minerva regelmatig - in vier verschillende typen - op zijn munten afgebeeld en richtte hij een naar haar vernoemd legioen, Legio I Minervia op.[29]

Reorganisatie aan de Rijn[bewerken]

Hij reorganiseerde de legioenen aan de Rijn. De 22ste Primigenia werd van Neder- naar Opper-Germania verplaatst en vervangen door een nieuw legioen: de eerste Minervia. Hij slaagde er in de Chatti te onderwerpen en zo kwam een deel van Germania (het huidige Baden-Württemberg) in Romeinse handen.

Oorlog in Britannia[bewerken]

Ook in Brittania werd tijdens zijn bewind een flinke oorlog uitgevochten. Zijn generaal Gnaeus Julius Agricola deed een poging om Caledonië (Schotland) te veroveren. Nadat er echter problemen aan de Donaugrens waren ontstaan trokken de Romeinen zich naar het zuiden terug. De benodigde mankracht en financiën waren elders harder nodig.

In het jaar 82 stak Agricola een onbekend water over. Aan de overkant versloeg hij een aantal tot dan toe niet aan de Romeinen bekende volkeren.[30] Hij versterkte de tegenover Ierland gelegen Schotse kust. Tacitus herinnerde eraan dat zijn schoonvader beweerde dat het gehele eiland kon worden veroverd met een legioen en een aantal hulptroepen.[31] Agricola had onderdak geboden aan een verbannen Ierse koning, die hij hoopte te kunnen gebruiken als excuus voor een verovering van Ierland. Tot een dergelijke expeditie is het echter nooit gekomen. Sommige historici geloven echter dat de hiervoor beschreven overtocht in feite een kleinschalige verkennings en/of strafexpeditie naar Ierland was [32] Het volgende jaar verlegde Agricola zijn aandacht naar Schotland. Hij bouwde een vloot en stak de rivier de Forth over om daarna Caledonia binnen te vallen. Om de opmars te ondersteunen en te beschermen liet hij door zijn legionnairs een groot fort bouwen in Inchtuthil.[31] In de zomer van 84 stond Agricola in de slag bij de Hagelberg tegenover de legers van de Caledoniërs. Dezen werden geleid door Calgacus.[30] Hoewel de Romeinen zware verliezen aan de vijand toebrachten, wist toch tweederde van de Caledonische strijdmacht te ontkomen. Zij wisten zich verborgen te houden in de Schotse moerassen en Schotse Hooglanden. Zo slaagden zij er op passieve wijze in te voorkomen dat Agricola het gehele Britse eiland onder zijn controle kon brengen[31]

Dacische oorlogen[bewerken]

De belangrijkste bedreiging voor het Romeinse Rijk ten tijde van de regering van Domitianus kwam vond zijn oorsprong in de noordelijke provincies van Illyricum. Hier vielen de Sueven, de Sarmaten en de Daciërs de Romeinse nederzettingen langs de rivier de Donau continu lastig. Van deze drie vormden de Sarmaten en de Daciërs de ernstigste bedreiging. Rond 84 of 85 staken de Daciërs, onder leiding van hun koning Decebalus, de Donau over naar de provincie Moesia, waar zij op uitgebreide schaal plunderden en er zelfs in slaagden de Romeinse gouverneur van Moesia, Oppius Sabinus, van het leven te beroven.[33]

De Romeinse provincie Dacia (in het lichtpaars) na de verovering door Trajanus in 106, met de Zwarte Zee helemaal rechtsonder.

Domitianus startte snel een tegenaanval. Vergezeld van een grote strijdmacht onder leiding van zijn praetoriaanse prefect Cornelius Fuscus reisde hij persoonlijk naar de regio. Fuscus dreef de Daciërs medio 85 terug over de Donaugrens. Dit succes stelde Domitianus in staat om naar Rome terug te keren en daar zijn tweede triomf te vieren.[34] De overwinning bleek echter van korte duur, vroeg in het jaar 86 begon Fuscus aan een noodlottige expeditie naar Dacia. Dit resulteerde in de volledige vernietiging van het vijfde legioen, Legio V Alaudae tijdens de Eerste slag bij Tapae. Fuscus werd gedood, en de legioenstandaard van de Praetoriaanse Garde ging verloren.[35] Het verlies van de legioenstandaard, of Aquila, duidde op een verpletterende nederlaag en vormde een ernstige belediging van de Romeinse eer.

Domitianus keerde in augustus 86 naar Moesia terug. Hij verdeelde de provincie in twee delen: Neder-Moesia en Opper-Moesia. Ook plaatste hij drie extra legioenen over naar de Donaugrens. In 87 vielen de Romeinen Dacia voor het tweede achtereenvolgende jaar binnen, dit keer onder het commando van Tettius Julianus. Aan het eind 88 wisten de Romeinen Decebalus op dezelfde plaats te verslaan, waar Fuscus eerder was omgekomen.[36] Een aanval op de Dacische hoofdstad Sarmizegetusa werd echter uitgesteld, vanwege de in 89 ontstane problemen in Opper-Germania (opstand van Saturninus). Om een tweefrontenoorlog te voorkomen, stemde Domitianus in met de door Decebalus gestelde vredesvoorraden. Romeinse troepen kregen vrij toegang tot Dacia. In ruil hiervoor bedong Decebalus een jaarlijkse subsidie ​​van 8 miljoen sestertiën.[37] Contemporaine auteurs uitten na Domitianus's dood zware kritiek op dit verdrag, dat als een een schande werd beschouwd. De dood van Sabinus en Fuscus bleef ongewroken.[38] Tijdens de resterende zeven jaar van de regering van Domitianus bleef Dacia een relatief vredig vazalkoninkrijk. Wel zou Decebalus zijn jaarlijkse Romeinse subsidie hebben gebruikt om zijn verdediging te versterken.[39]

Domitianus wilde waarschijnlijk een nieuwe oorlog tegen de Daciërs. Hij versterkte het leger in Opper-Moesia met nog twee cavalerie-eenheden die hij uit Syrië liet overkomen en met ten minste vijf cohorten uit Pannonia. Trajanus zette Domitianus' politiek voort en breidde de hulptroepen in Opper-Moesia met twee eenheiden uit. Trajanus zou deze troepen inzetten in zijn Dacische oorlogen.[40] Uiteindelijk zouden de Romeinen in 106 een beslissende overwinning tegen Decebalus behalen. Opnieuw leed het Romeinse leger zware verliezen, maar desondanks slaagde Trajanus erin om de Dacische hoofdstad Sarmizegetusa in te nemen. Belangrijker nog was de controle die de Romeinse staat verkreeg over de Dacische goud- en zilvermijnen.[39]

Opstand van Saturninus[bewerken]

Domitianus, Capitolijns museum, Rome

Op 1 januari 89 kwamen de gouverneur van Germania Superior, Lucius Antonius Saturninus met hoofdkwartier in Mogontiacum (het huidige Mainz) en zijn twee in één kamp gelegerde legioenen, Legio XIV Gemina en Legio XXI Rapax in opstand tegen het centrale gezag van het Romeinse Rijk. Zij zouden hierbij worden geholpen door de Chatten. De precieze oorzaak van de rebellie is onzeker. Het heeft er echter alle schijn van dat de opstand geen spontane gebeurtenis was, maar ruim van tevoren was gepland. De officieren van senatoriale rang waren het mogelijk niet eens met de naar hun mening te defensieve militaire strategie van Domitianus, zoals zijn beslissing om de Germaanse grens te fortificeren in plaats van aan te vallen. Mogelijk speelden ook de recente terugtrekking van troepen uit Britannia en het toenmalige beleid om de Dacische leider Decebalus middels subsidies af te kopen een rol.[41] Tegen deze speculatie spreekt dat men blijkbaar, iets wat hoogst ongebruikelijk en ook niet echt verstandig is, wil men een succesvolle opstand organiseren, een verbond met de Chatten wilde sluiten om tegen andere Romeinen te vechten.

Hoe dan ook, Saturninus en zijn officieren hadden zich misrekend. De opstand bleef strikt beperkt tot Germania Superior, de provincie van Saturninus. Geruchten over de opstand verspreiden zich al snel naar de naburige provincies en vandaar naar Rome. De gouverneurs van buurprovincies kwamen onmiddellijk in actie. De gouverneur van Germania Inferior, Lappius Maximus trok met zijn troepen langs de Rijn op naar het zuiden. Hij werd bijgestaan ​​door de procurator van Rhaetia, Titus Flavius ​​Norbanus, die uit het zuidoosten optrok. Vanuit Hispania trok de toekomstige keizer Trajanus vergezeld van zijn legioen in ijltempo naar het noordoosten op. Domitianus zelf trok met de Praetoriaanse Garde vanuit Rome naar het noorden. Verder zouden door de invallende dooi de Chatten de Rijn niet hebben kunnen oversteken om Saturninus met hulptroepen te ondersteunen.[42] Binnen vierentwintig dagen werd de opstand neergeslagen. De leiders werden in Mogontiacum (Mainz) wreed gestraft. Hun hoofden werden naar Rome gestuurd en daar op het rostra tentoongesteld. Een van de muitende legioenen (Legio XXI Rapax) werd naar het front in Pannonië gestuurd. Domitianus vaardigde een wet uit dat nooit meer dan één legioen in legerkamp mocht verblijven. De legioenen die hadden geholpen bij het neerslaan van de opstand en hun leiders werden hiervoor beloond.[43]

Lappius Maximus verkreeg het gouverneurschap van de provincie Syria, in mei 95 een consulaat en ten slotte een priesterschap (hij trad toe tot het college van Pontifices) dat hij in het jaar 102 nog steeds bekleedde. Titus Flavius ​​Norbanus is mogelijk tot prefect van Egypte benoemd. Hij werd in 94 vrijwel zeker tot prefect van de Praetoriaanse Garde benoemd met Titus Petronius Secundus als zijn collega.[44] Domitianus opende het jaar dat op de opstand opvolgde door het consulaat te delen met Marcus Coccejus Nerva, wat erop wijst dat de laatste een rol had gespeeld bij het blootleggen van de samenzwering, misschien op een vergelijkbare wijze als de rol die hij speelde tijdens de Pisoniaanse samenzwering onder Nero. Hoewel er weinig bekend is over het leven en de carrière van Nerva vóór zijn optreden als keizer in 96, lijkt hij een diplomaat te zijn geweest met een groot aanpassingsvermogen. Hij overleefde politiek meerdere regimeveranderingen en ontpopte zich als een van de meest vertrouwde adviseurs van de Flavische dynastie.[45] Zijn consulaat kan daarom bedoeld zijn om de stabiliteit en de status quo van het regime te benadrukken.[46] De opstand was onderdrukt en het keizerrijk ging over tot de orde van de dag.

Relatie met Senaat[bewerken]

Sinds de val van de Republiek was het gezag van de Romeinse Senaat onder het quasi-monarchale regeringssysteem, dat geleidelijk aan vorm had gekregen onder het langdurige heerschappij van de eerste keizer Augustus, stapje voor stapje uitgehold. Dit systeem staat bekend als het principaat. Het principaat voorzag in een de facto dictatoriaal regime, waarbij daarnaast het formele raamwerk van de Romeinse Republiek wel in stand bleef.[47] De meeste keizers handhaafden de publieke façade van een democratie, en in ruil daarvoor erkende de Senaat impliciet de status van de keizer als de facto monarch. Sommige keizers behandelden deze impliciete regeling echter met minder subtiliteit dan anderen. Domitianus was hier een voorbeeld van. Vanaf het begin van zijn regering benadrukte hij de realiteit van zijn autocratie.[48] Hij had een hekel aan aristocraten en was ook niet bang dit te laten blijken. Hij trok elke beslissingsbevoegdheid van de Senaat in. In plaats daarvan vertrouwde hij op een klein aantal vrienden en ridders (equites) om de belangrijke ambten van staat te controleren.[49] De afkeer was wederzijds. Na de moord op Domitianus haastten de senatoren zich naar de Senaat, waar zij meteen een damnatio memoriae uitspraken. Het regime van Domitianus moest zo snel mogelijk in de vergetelheid verdwijnen.[50] Onder de heerschappij van de Nerviaans-Antoniaanse dynastie publiceerden meerdere schrijvers van senatoriale rang geschiedenissen, waarin zij hun visie probeerden te onderbouwen dat Domitianus een tiran was.[48]

Niettemin suggereert het bewijs dat Domitianus wel degelijk concessies aan de heerende opinie in de senaat deed. Terwijl zijn vader en broer de consulaire macht grotendeels in handen van de Flavische familie hadden geconcentreerd, liet Domitianus een verrassend hoog aantal provinciale senatoren en potentiële tegenstanders tot de consulaire waardigheid toe. Naar deze consul ordinarus werd als hoofd van de officiële kalender het nieuwe jaar genoemd.[51] Of dit een oprechte poging was om zich met vijandige facties in de Senaat te verzoenen kan niet worden vastgesteld. Door het aanbieden van het consulaat aan potentiële tegenstanders, kan Domitianus mogelijk het doel hebben gehad om deze senatoren in de ogen van hun aanhangers te compromitteren. Als hun taakinvulling in Domitianus' ogen onvoldoende was, werden zij bijna altijd voor de rechter gedaagd en vervolgens verbannen of geëxecuteerd. Hun bezittingen werden dan in beslag genomen.[49]

Zowel Tacitus en Suetonius spraken van escalerende vervolgingen tegen het einde van de regering van Domitianus. Zij identificeren een sterke toename vanaf ongeveer 93, of enige tijd na de mislukte opstand van Saturninus in 89.[52] Ten minste twintig senatoriale opponenten werden geëxecuteerd,[53] waaronder de voormalige echtgenoot van Domitia Longina, Lucius Aelius Lamia en drie leden uit Domitianus' eigen familie, Titus Flavius ​​Sabinus, Titus Flavius ​​Clemens en Marcus Arrecinus Clemens.[54]

Sommige van deze mannen werden echter al in 83 of 85 geëxecuteerd, wat Tacitus' notie van een "schrikbewind" aan het eind van de regering van Domitianus niet echt ondersteunt. Mogelijk was het voor Tacitus onder het nieuwe regime verstandig wat extra afstand tot Domitianus te scheppen. Volgens Suetonius' werden sommigen van wege corruptie of hoogverraad veroordeeld, anderen echter om triviale redenen. Domitianus rechtvaardigde deze veroordelingen door zijn constatering:

Aanhalingsteken openen

Hij placht te zeggen dat het lot van keizers hoogst ongelukkig was, want als zij een samenzwering ontdekten, niemand de keizers geloofde, tenzij zij werden vermoord.

Aanhalingsteken sluiten
Suetonius, Vita Domitiani 21.

Jones vergelijkt de executies van Domitianus met die door keizer Claudius (41-55). Hij wijst er op dat Claudius ongeveer 35 senatoren en 300 ridders (equites) liet executeren, maar toch door de Senaat werd vergoddelijkt en als een van de betere keizers uit de geschiedenis wordt gezien.[55] Domitianus was blijkbaar echter niet in staat om draagvlak onder de aristocratie te verkrijgen, ondanks pogingen om vijandige facties met consulaire benoemingen te paaien. Zijn autocratische stijl van regeren accentueerde teveel het verlies aan macht van de Senaat, terwijl zijn beleid om patriciërs en zelfs eigen familieleden als gewone Romeinen te behandelen hem hun minachting opleverde.[55]

Vermoord[bewerken]

Aan de heerschappij van Domitianus kwam op 18 september 96 abrupt een einde toen hij in zijn eigen paleis werd vermoord. Deze moord was het resultaat van een samenzwering waarbij leden van Domitianus' eigen hofhouding samenspanden met delen van de Praetoriaanse Garde. Bij deze samenzwering waren mogelijk zijn vrouw Domitia en officieren van de Praetoriaanse garde betrokken.[56] Suetonius geeft een zeer gedetailleerde beschrijving van het complot en de moord. Hij beweert dat Domitianus' kamerheer Parthenius de belangrijkste aanstichter achter de samenzwering was. Zijn voornaamste motief zou de recente executie van Domitianus' secretaris Epaphroditus zijn geweest.[57][58] De moord zelf werd uitgevoerd door een vrijgelatene van Parthenius met de naam Maximus, en een hofmeester in dienst van een nichtje van Domitianus, Flavia Domitilla, genaamd Stefanus. De precieze betrokkenheid van de Praetoriaanse Garde is minder duidelijk. Ten tijde van de moord stond de garde onder bevel van Titus Flavius ​​Norbanus en Titus Petronius Secundus. De laatste was vrijwel zeker op de hoogte van het complot.[59] Cassius Dio die bijna honderd jaar na de moord schreef, rekent ook Domitia Longina onder de samenzweerders, maar in het licht van haar toewijding, zelfs jaren na de dood van haar man, lijkt haar betrokkenheid bij het complot zeer onwaarschijnlijk.[21]

Nog op dezelfde dag van de moord werd hij opgevolgd door de vroegere vriend van zijn vader Nerva. Na zijn dood, werd de nagedachtenis aan Domitianus vervloekt door de Romeinse Senaat. Senatoriale auteurs zoals Tacitus, Plinius de Jongere en Suetonius publiceerden geschriften waarin de opvatting werd gepropageerd dat Domitianus een wrede en paranoïde tiran zou zijn geweest. Moderne geschiedkundigen relativeren deze opvatting; in plaats daarvan karakteriseren zij Domitianus als een meedogenloze, maar wel efficiënte autocraat, wiens culturele, economische en politieke programma het fundament legde voor de relatief vreedzame 2e eeuw.

Zie ook[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. a b Jones (1992), blz. 1
  2. Townend (1961), blz. 62
  3. Jones (1992), blz. 3
  4. a b Jones (1992), blz. 2
  5. Jones (1992), blz. 8
  6. Suetonius, Vita Domitiani 1
  7. Suetonius, Vita Vespasiani 4
  8. Jones (1992), blz. 7
  9. Jones (1992), blz. 9-11
  10. Jones (1992), blz. 11
  11. Waters (1964), blz. 52-53
  12. Jones (1992), blz. 13
  13. Murison (2003), blz. 149
  14. a b Jones (1992), blz. 33
  15. Jones (1992), blz. 34
  16. a b Jones (1993), blz. 36
  17. Jones (1992), blz. 161-162
  18. Jones (1992), blz. 39
  19. Varner (1995), blz. 200
  20. Jones (1992), blz. 34-35
  21. a b Jones (1992), blz. 37
  22. Jones (1992), blz. 35
  23. a b Jones (1992), blz. 73
  24. K.W. Harl, Roman Currency of the Principate, Tulane.edu
  25. a b c Jones (1992), blz. 75
  26. a b Jones (1992), blz. 79
  27. Jones (1992), blz. 84-88
  28. Jones (1992), blz. 88
  29. Jones (1992), blz. 100
  30. a b Tacitus, Agricola 24.
  31. a b c Jones (1992), blz. 132
  32. Reed, Nicholas (1971). The Fifth Year of Agricola's Campaigns. Britannia 2: 143–148 . DOI:10.2307/525804.
  33. Jones (1992), blz. 138
  34. Jones (1992), blz. 139
  35. Jones (1992), blz. 141
  36. Jones (1992), blz. 142
  37. Jones (1992), blz. 150
  38. Jones (1992), blz. 195
  39. a b E.T. Salmon, Trajan's Conquest of Dacia, in TPAPhA 67 (1936), blz. 83–105 (JSTOR)
  40. D.J. Knight, The Movements of the Auxilia from Augustus to Hadrian, in ZPE 85 (1991), blz. 189-208, F. Matei-Popescu, The Auxiliary Units from Moesia Superior in Domitian's Time and the Problem of CIL XVI 41, in Ephemeris Napocensis 16-17 (2006-2007), blz. 31-48
  41. Jones (1992), blz. 145
  42. Jones (1992), blz. 146
  43. Jones (1992), blz. 149
  44. Jones (1992), blz.148-149
  45. Grainger ( 2003), blz. 30
  46. Murison (2003), blz. 150
  47. K.H. Waters, The Second Dynasty of Rome, in Phoenix 17 (1963), blz. 198-218 (in het bijzonder blz. 201) (JSTOR)
  48. a b Jones (1992), blz. 161
  49. a b Jones (1992), blz. 169
  50. Jones (1992), blz. 160
  51. Jones (1992), blz. 163-168
  52. Tacitus, Agricola 45, Suetonius, Vita Domitiani 10
  53. Voor een volledige lijst van slachtoffers van senatoriale rang, zie Jones (1992), blz. 182-188
  54. M. Arrecinus Clemens is mogelijk verbannen in plaats van geëxecuteerd, zie Jones (1992), blz. 187
  55. a b Jones (1992), blz. 192
  56. Jones (1992), blz. 193
  57. Grainger (2003), blz. 16
  58. Suetonius, Vita Domitiani 14, 16
  59. Grainger (2003), blz. 19

Referenties[bewerken]

  • (en) J.D. Grainger, Nerva and the Roman Succession Crisis of AD 96–99, Londen, 2003. ISBN 0415289173.
  • (en) B.W. Jones, The Emperor Domitian, Londen, 1992. ISBN 0415101956
  • (en) C.L. Murison, M. Cocceius Nerva and the Flavians, in TAPhA 133 (2003), blz. 147–157. (Project Muse)
  • (en) G. Townend, Some Flavian Connections, in JRS 51 (1961), blz. 54–62. (JSTOR)

Externe link[bewerken]