Verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Duitsers worden in goederenwagens gedeporteerd uit het Sudetenland. De meeste mannen waren in krijgsgevangenschap of door Tsjechische milities vermoord, in onder meer Aussig an der Elbe in Bohemen.
Duitse bevolking en Duits taalgebied tot ca. 1945 op basis van gegevens uit 1910. Staatsgrenzen zoals op 1 januari 1936.
Het huidige Duitse taalgebied in Centraal-Europa.

Met de verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog[1] wordt de verdrijving, deportatie en etnische zuivering bedoeld van Duitsers uit zowel de voormalige officiële vooroorlogse oostelijke provincies van Duitsland als uit andere delen van met name oostelijk Europa. Naast Duitse staatsburgers werden ook de etnische Duitsers verdreven. Deze verdrevenen werden in Duitsland aangeduid als 'Heimatvertriebenen'.

Inleiding[bewerken]

De verdrijving van minstens 12 miljoen Duitsers vond voornamelijk plaats tussen 1945 en 1949. De dodelijke slachtoffers die onder hen vielen ten gevolge van de, bijna altijd met geweld en/of intimidatie afgedwongen, verdrijving worden in aantal geschat tussen 300.000[bron?] en 2,5 miljoen.[2] Het grote verschil in schattingen is er deels op terug te voeren of men alleen de moedwillige executies en moordpartijen daartoe rekent, of er ook de door oorlogsgeweld, honger, uitputting en ziekte omgekomenen bij telt. Tijdens hun vlucht naar het westen en internering in arbeidskampen, in afwachting van uitwijzing, hebben velen het leven gelaten. Vast staat dat van de betrokkenen er in 1950 2,5 miljoen niet meer in leven waren, althans niet meer als levend geregistreerd stonden. Dit aantal werd met minstens een kwart verlaagd toen in de loop van de jaren vijftig Duitse dwangarbeiders en krijgsgevangenen uit de Sovjet-Unie terugkeerden.

De exil-regeringen van Tsjecho-Slowakije en Polen, besloten in de eindfase van de Tweede Wereldoorlog tot het massaal uitwijzen van Duitsers in het Tsjechoslowaakse en Poolse staatsgebieden, en in de van Duitsland geannexeerde provincies. In het Engelse parlement was daarvoor instemming, al was nog niet geheel duidelijk welke gebieden van Duitsland onder die, met name Poolse, annexaties zouden vallen. De Verenigde Staten waren in dit opzicht het meest behoudend en wilden Neder-Silezië en het grootste deel van Pommeren niet door Polen laten annexeren. Alle vonden zij verdrijvingen in de annexaties noodzakelijk om te zorgen voor etnische en nationale homogeniteit en om territoriale aanspraken door Duitsland in de toekomst te voorkomen. Ook de andere staten zouden zich mogen ontdoen van Duitstalige minderheden om op die wijze hun nationale stabiliteit na de oorlog te kunnen versterken.

De westgrens van het nieuwe Polen werd uiteindelijk de rivierloop van de Oder en de Neisse. Een groot deel (90%) van de bijna tien miljoen Duitse staatsburgers dat beoosten deze rivieren woonde, is tussen 1944 en 1948 gevlucht dan wel uitgewezen. Daarnaast zijn eveneens meer dan 90% van de Duitstalige (etnische of wel Volksduitsers) minderheden in Polen (in zijn vooroorlogse omvang), Tsjechoslowakije en Joegoslavië gevlucht of uitgewezen. Hongarije en Roemenië mochten de helft van hun Duitstalige minderheden uitwijzen en de Sovjet-Unie hield er na de vlucht van honderdduizenden de helft over, die vervolgens naar Siberië of Kazachstan werden gedeporteerd. Terwijl in 1944 in de genoemde landen nog 8,5 miljoen zogenaamde Volksduitsers woonden, was in 1950 het totale aantal etnische Duitsers dat nog steeds in Oost-Europa woonde gedaald tot 2,6 miljoen. In veel Engelstalige literatuur worden de aantallen uitgewezenen gereduceerd omdat men zich op het standpunt stelt dat alleen de door de Conferentie van Potsdam geautoriseerde aantallen genoemd moeten worden. De werkelijkheid was echter anders. In Potsdam wisten de Geallieerden namelijk niet hoeveel Duitsers er nog aanwezig waren en werden hun aantallen geschat. Bovendien werd aan de reeds gevluchten het recht ontzegd om terug te keren, en zo werden zij niet als verdrevenen beschouwd.[3]

In Duitsland en Oostenrijk vormden de vluchtelingen die bekend stonden als Heimatvertriebene een belangrijke maatschappelijke groep. In de Bondsrepubliek leefden er rond 1950 7,7 miljoen, in de DDR 3,9 miljoen en in Oostenrijk 400.000. Alleen in de Bondsrepubliek mochten zij zich organiseren en bestond er enige tijd ook een politieke partij, deGesamtdeutscher Block/Bund der Heimatvertriebenen und Entrechteten. Het Wirtschaftswunder was de basis waarop zij in de Bondsrepubliek hun vluchtelingenkampen hebben kunnen verlaten en zich konden integreren. Lange tijd behielden zij echter wel aanzienlijke politieke invloed. In de DDR was het hun verboden zich nog langer met elkaar te verbinden, en werd stilzwijgende integratie van staatswege verplicht gesteld. Tot op de dag van vandaag organiseren zij en ook hun nakomelingen zich in verschillende zogeheten Landsmannschaften. Hun invloed daalde sinds de jaren zestig aanzienlijk omdat het onderwerp van de verdrijving in de Bondsrepubliek niet langer politiek correct werd geacht en in de DDR buiten de orde werd gesteld.

Redenen en rechtvaardiging van de verdrijvingen[bewerken]

Vanwege de complexe geschiedenis van de regio en de verschillen tussen de verschillende landen in (Centraal-)Europa is het moeilijk een eenduidige reden te benoemen voor de verdrijvingen. Hieronder worden enkele mogelijke overwegingen opgesomd. Dit is dus geen volledige lijst.

Verlangen naar de totstandkoming van staten zonder minderheden[bewerken]

Duitse burgers van Eger brengen de Hitlergroet als de Duitse troepen binnenvallen

Door het Poolse en Tsjechische volk werd al langer geprobeerd de expansie van de Duitsers in oostelijke richting tegen te gaan.[4] Voor de Tsjechen was het aan het begin van de oorlog, bij de annexatie van een deel hun land (het Sudetenland) door de Duitsers, duidelijk geworden dat er geen stabiel land kon bestaan zonder etnische homogeniteit. Dat Duitsland in de oorlog verslagen was, bood nu voor Tsjecho-Slowakije een uitgelezen mogelijkheid deze homogeniteit te creëren en de minderheden te verdrijven. Voor dit doel werden niet alleen de Sudetenduitsers maar ook de Hongaren, wonend in het zuiden van Slowakije, gedwongen te verdwijnen. Ditzelfde gebeurde in andere landen, omdat men meende dat minderheden de oorzaak waren van blijvende politieke onrust.[5]

Een reden om te verlangen naar staten zonder minderheden, was het voorkomen van etnisch geweld. Hierover zei Winston Churchill op 15 december 1944 in het Britse Lagerhuis: "Expulsion is the method which, so far as we have been able to see, will be the most satisfactory and lasting. There will be no mixture of populations to cause endless trouble... A clean sweep will be made."[6] Vrij vertaald vanuit het Engels komt dit erop neer dat Churchill redeneerde: "Verdrijving is de methode die, zoals we hebben kunnen zien, het meest bevredigend en blijvend zal zijn. Er behoort geen vermenging van bevolkingen te zijn die eindeloos problemen veroorzaken. Er moet schoon schip worden gemaakt." Met andere woorden: de naties moeten in het nieuwe en vreedzame Europa nationaal homogeen zijn om een staat te kunnen dragen en om elkaar te kunnen verdragen.

De voorkoming van eventuele toekomstige territoriale aanspraken van Duitsland[bewerken]

Door het verdrijven van de etnische Duitsers uit de andere landen, zoals Polen en Tsjecho-Slowakije, zou er in de toekomst geen basis meer bestaan voor Duitsland om de betreffende gebieden op te eisen. Op deze manier zou een herhaling van de gebeurtenissen zoals de annexatie van Sudetenland voorkomen worden. De nationaalsocialisten hadden dat gebied opgeëist vanwege de aanwezigheid van een etnisch Duitse minderheid die daar woonde. In de betreffende, in 1938 geannexeerde, Sudetenduitse gebieden hadden zij overigens een grote meerderheid (85%) gevormd.[7]

Verdrijving per land[bewerken]

Duitsland ten oosten van de Oder-Neissegrens[bewerken]

Territoriale verliezen van Duitsland van 1919-1946.
Duitse kinderen uit Polen
Vluchtelingen verlaten Danzig.

Op de Conferentie van Jalta besloten de geallieerde leiders de ten oosten van de Oder-Neisselinie gelegen Duitse provincies en gebieden tot Pools of Sovjet-Russisch grondgebied te maken. Het grootste deel werd toegewezen aan Polen, terwijl de Sovjet-Unie het noorden van Oost-Pruisen annexeerde om met de belangrijke haven van Königsberg haar greep op de Oostzee te kunnen verstevigen. Vanaf 1944 sloegen miljoenen Duitsers op de vlucht voor het oprukkende Rode Leger. Zij begaven zich lopend of met paard en wagen westwaarts in een zeer zware winter met temperaturen onder de -20°C. Deze vlucht kostte velen het leven. Als Sovjet-legereenheden de vluchtelingen inhaalden of hen bombardeerden, vielen ook vele slachtoffers. Slechts enkele miljoenen kwamen in deze eerste fase levend over de Oder en de Neisse. Toen zij na de verovering van Berlijn en de ineenstorting van het nazi-regime wilden terugkeren, werd dat geblokkeerd door Poolse milities en Sovjettroepen die zich inmiddels langs de Oder en de Neisse hadden geinstalleerd. De 5,5 miljoen die nog waren achtergebleven werden vervolgens geïnterneerd. Een miljoen van hen werd als dwangarbeider naar de Sovjet-Unie gedeporteerd. Een derde overleefde dat en werd in de loop van de jaren vijftig naar Duitsland uitgewezen. Tussen de zomers van 1945 en 1948 en voorts nog tot 1951 werden 3 tot 4 miljoen achtergeblevenen naar Duitsland uitgewezen en gedeporteerd, maar hun leefomstandigheden waren in afwachting daarvan zodanig slecht dat tijdens hun internering en ook tijdens de deportaties toch nog vele slachtoffers vielen. In totaal kwamen tussen 1944 en 1950 1.225.000 Duitse staatsburgers uit de oostelijke annexatiegebieden onder Pools gezag om.[8] Polen (en ook) Tsjecho-Slowakije erkenden alleen diegenen als slachtoffer die doelbewust door hun milities na processen of standrechtelijk zijn geëxecuteerd, namelijk 30.000. Het aantal omgekomenen echter lag maksimaal tien maal zo hoog, dat wil zeggen op 300.000 slachtoffers. De discussie over de aantallen wordt bemoeilijkt door het hanteren van verschillende definities waarin Poolse en Tsjechische onderzoekers met minimaliserende definities degenen die vluchtten voor de Sovjettroepen en de slachtoffers van oorlogsgeweld en verwaarlozing niet meetellen en de getallen zodoende beperken tot degenen die formeel werden uitgewezen en onder militiegezag zijn gedeporteerd.

De verdrijving betrof de voormalige Duitse provincies Oost-Pruisen, Pommeren, Silezië, Neumark (Brandenburg, beoosten de Oder), Saksen, beoosten de Neisse, Oost-Pruisen, alsmede West-Pruisen, het Memelland en Danzig die tot 1919 eveneens tot het Duitse Rijk behoorden.

Uit geheel Polen stroomden nieuwe bewoners naar de ontruimde annexatiegebieden, maar vooral uit de Poolse oostelijke provincies, die Polen aan de Sovjet-Unie moest afstaan en van waaruit de Poolse bevolking werd verdreven. In de Herwonnen Gebieden, zoals deze territoria door de propaganda van Polen genoemd werden, begonnen Poolse milities vanaf voorjaar 1945 met het uitdrijven van de Duitse bevolking. Omdat de opvangcapaciteiten in het westen overbelast raakten, moesten velen enige tijd in interneringskampen opgesloten worden. Daar waar in enkele van deze gebieden voor de oorlog nog een Poolstalige minderheid bestaan had, zoals in (Opper-Silezië, en het zuiden van Oost-Pruisen (Mazoerië), mochten deze tweetalige Duitse staatsburgers - ongeveer een miljoen - in principe een aanvraag indienen tot verwerving van het Poolse staatsburgerschap. Deze kon pas na een taaltest en na politiek antecedentenonderzoek ingewilligd worden. Uiteindelijk bleven ca 1.100.000 Duitsers in de gebieden ten oosten van de Oder en Neisse achter. Met name in Opper-Silezië; de meeste Poolstaligen die in Mazurië mochten blijven vertrokken eindelijk in de jaren zestig toch naar Duitsland [8]

Hongarije[bewerken]

Op de Conferentie van Potsdam was door de geallieerde leiders besloten dat niet alleen de Duitsers die in Polen en Tsjecho-Slowakije woonden, maar ook de Duitstaligen in Hongarije naar Duitsland moesten verdwijnen. Van de 600.000 waren er 60.000 gevlucht. In Potsdam werd bepaald dat 23.000 anderen uitgewezen mochten worden. Dat in de akkoorden van Potsdam ook Hongarije genoemd werd kwam voor velen als een verrassing. Waar Polen en Tsjecho-Slowakije officieel aan de winnende kant van de oorlog stonden, was Hongarije als bondgenoot van nazi-Duitsland een verliezer en konden de Duitstalige Hongaren niet als gevaar of als landverraders worden aangewezen. De meeste Hongaren waren tegen de uitdrijvingen omdat zij de Duitstaligen, of beter gezegd de tweetaligen, als mede-Hongaren beschouwden, voorzover deze Hongaars beheersten en nationaal de Hongaarse identiteit hadden aanvaard. Waar de Duitsers in Tsjechoslowakije en Polen gezien werden als existentiële politieke bedreiging voor de staat, kon dat voor de Hongaarse overheid, en ook voor de Roemeense, niet gelden. De Sovjet-Unie eiste van Hongarije, als voormalige vijand, de levering van 40.000 dwangarbeiders. Roemenië moest er 75.000 leveren. Daarvoor werden dan weer wel vooral Duitstaligen aangewezen. Na verloo van jaren zouden veel overlevenden naar de Bondsrepubliek worden gestuurd. Na aanvankelijk verval van hun staatsburgerlijke rechten, kregen de bijna 400.000 Roemeense Duitsers deze in 1956 terug.

De belangrijkste reden voor het op de agenda zetten van het uitdrijven van Duitsers uit Hongarije tijdens de Conferentie van Potsdam lag dan ook elders: in Tsjecho-Slowakije. Al in 1943 had de Tsjecho-Slowaakse president in ballingschap Edvard Beneš gesteld dat samen met de Duitsers ook de Hongaarstalige bevolking uit Slowakije verdreven moest worden. Hiervoor kreeg Beneš de steun van de Sovjet-Unie,[9] maar nog niet van het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Dat verplichtte zijn regering natuurlijk aan de Sovjet-Unie; zij juichte de bevrijding door het Rode Leger toe in plaats van een bevrijding door de westelijke Geallieerden. De Amerikanen trokken zich daarom weer terug tijdens hun opmars naar Praag. Door druk van de Sovjet-Unie werd er op de conferentie ook besloten tot het verdrijven van de Duitsers uit Hongarije, om alvast "ruimte te maken" voor de Hongaren die uit Slowakije verdreven zouden gaan worden. Uiteindelijk werd maar een deel (150.000) van de Slowaakstalige Hongaren uitgewezen omdat de Sovjet-Unie het van groter belang achtte dat beide landen elkaar (onder Sovjetregie) schatplichtig zouden blijven, dan dat zij geheel van elkaar onafhankelijk een eigen koers konden gaan varen, die in vijandschap kon ontaarden. De eerste groep Duitstaligen vanuit Hongarije vluchtte op 19 januari 1946 uit de dorpen rond Boedapest, onder wie de familie van Joschka Fischer. Daarna werden ze aangewezen voor transport en in juli van hetzelfde jaar waren ongeveer 120.000 Duitstaligen verdreven uit Hongarije. 55.000 waren tijdens vlucht en uitwijzingen omgekomen. Uiteindelijk eindigde hun verhuizing in juni 1948 en toen waren er nog 280.000 in het land. Sindsdien zijn zij wat hun taal betreft grotendeels verhongaarst.

Roemenië[bewerken]

Van de bijna 0,8 miljoen Duitstaligen in Roemenië was er tijdens de oorlog al een deel door Duitsland geëvacueerd. In 1944 waren er nog 0,6 miljoen over en van dezen zouden er uiteindelijk 0,4 miljoen overblijven, na vlucht en uitwijzing. Roemenië moest aan de Sovjet-Unie, als straf voor zijn bondgenootschap met Duitsland, een contingent dwangarbeiders leveren. Daarvoor werden voornamelijk Duitstaligen uitgekozen, maar ook de nieuwe Roemeense regering interneerde een groot aantal van hen in binnenlandse werkkampen. Onder deze omstandigheden kwamen velen (ca. 100.000) om.[10] Roemenië was vervolgens wel het enige land waar een Duitstalige minderheid erkenning bleef behouden met onderwijs en culturele instellingen. Het Ceaușescu-bewind 'verkocht' enkele tienduizenden van zijn Duitstalige staatsburgers aan de Bondsrepubliek. Na 1990 emigreerden overigens de meesten uit angst voor een hernieuwing van de Ceaușescu-terreur.

Joegoslavië[bewerken]

Voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog leefden er in Joegoslavië Duitstalige minderheden in delen van Slovenië en in de delen van Servië die grensden aan Hongarije en Roemenië (Vojvodina en de Banat). In totaal ging het om 0,5 miljoen mensen. De verdeling van Joegoslavië over de nieuwe staat Kroatië, Duitsland (noordelijk deel van Slovenië), Italië (zuidelijk deel van Slovenië en delen van Dalmatië), Hongarije (westelijk deel van de Vojvodina) bracht de Duitse minderheden onder verschillende regimes en achter de collectieve beschuldiging van 'collaboratie met de bezetter' moet men dan ook een grote variatie van gecompliceerde verhoudingen met, inderdaad, de bezetter, maar ook met Duits-Italiaanse bondgenotenregimes zien. Na 1945 werden de Duitsers uit al deze gebieden door de partizanenregering verdreven. Deels waren zij al gevlucht, de achterblijvers kwamen in werkkampen, onder zodanig slechte omstandigheden terecht dat velen (meer dan 58.000) het niet overleefden.[11] (zie ook etnische zuivering).

Litouwen[bewerken]

Het Memelland, een deel van Oost-Pruisen dat in 1919 werd toegewezen aan en sinds 1923 deel uitmaakte van Litouwen, werd in 1939 geannexeerd, zo men wil gereannexeerd, door Duitsland, kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. In het Molotov-Ribbentroppact was bepaald dat het resterende deel van Litouwen geannexeerd zou worden door de Sovjet-Unie en dat de Duitse minderheid daar werd uitgewezen naar het Duitse Rijk. [12]

Het Memelgebied werd na de oorlog, samen met het overige noorden van Oost-Pruisen, door de Sovjet-Unie geannexeerd en weer bij Litouwen gevoegd. De meeste Memellanders - deels Duits- en deels Litouwssprekenden - vluchtten al in de herfst van 1944 voor de Sovjet-invasie naar Duitsland, om in 1945 te worden vervangen door Litouwers en inwoners uit andere Sovjet-staten. Een aantal Oostpruisische kinderen, die hun ouders waren kwijtgeraakt en door de bossen aan het zwerven waren gegaan, de zogenaamde Wolfskinder, vonden bij Litouwse boeren als werkkracht onderdak. Andere kinderen werden ondergebracht in kindertehuizen en kregen een Russische of Litouwse identiteit. Een groot aantal werden in de jaren vijftig achterhaald door het Rode Kruis en in overeenstemming met de Sovjet-autoriteiten naar Duitsland gebracht.

Nederland[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Operatie Black Tulip voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In september 1946 werd door de Nederlandse regering de Operatie Black Tulip gestart. Deze had ten doel ongeveer 25.000 Duitsers, waarvan de meesten hier al lang voor de Tweede Wereldoorlog woonden en een gezin hadden, het land uit te zetten. Na veel kritiek, waaronder van de westelijke geallieerden en de Katholieke Kerk in Nederland (kardinaal De Jong) werd de operatie al snel afgeremd en uiteindelijk stopgezet. In totaal zijn er 3.691 Duitsers gedeporteerd.[13]

Tsjecho-Slowakije[bewerken]

Voorgeschiedenis[bewerken]

Verspreiding van Sudeten-Duitsers over Tsjechië.
Gebieden met een Duitse bevolking boven 90 % van het totaal. De hoofdstad Praag had ook een aanzienlijke Duitse minderheid vanaf de Middeleeuwen tot de bloedige opstand tegen de nazi-autoriteiten, waarbij zij het slachtoffer werd van massa-executies juni 1945.

Al vanaf de 12e eeuw vestigden zich grote groepen Duitstaligen in Bohemen en Moravië, twee van de landen die tegenwoordig onderdeel zijn van de Tsjechische Republiek. Zij ontgonnen vanuit Saksen en Franken de onbevolkte bergachtige bosgebieden langs de grenzen. Ze noemden zichzelf Duitse Bohemen (Deutschböhmen) en werden pas veel later, in de 20ste eeuw, Sudeten-Duitsers genoemd naar de voornaamste bergketen Sudeten. Acht eeuwen lang zouden zij in deze streken, langs de noordelijke, westelijke en zuidelijke grens van het huidige Tsjechië, de bevolking vormen. Omdat Duitstaligen ook de eerste stedelijke vestigingen ontwikkelden en de meeste steden een Duitstalig patriciaat kregen, ontstonden ernstige wrijvingen met de Tsjechen welke in het begin van de 15de eeuw tot gewelddadigheid leidden. In de meeste steden, behalve die in de grensgebieden, werden Duitstaligen toen verdreven in de revolutionaire machtsovername door de Hussieten. Na de gewelddadige onderwerping, vanaf 1629, aan het Habsburgse Rijk, herstelde zich de Duitstalige invloed, hoewel nu vooral vanuit Oostenrijk en Beieren. Een derde deel van de totale bevolking zou uiteindelijk Duitstalig worden. Al in 1918, toen de nieuwe staat Tsjecho-Slowakije gesticht werd, hadden Sudeten-Duitse politici geprotesteerd tegen opname in een nationale staat Tsjecho-Slowakije. Zij, en de bevolking van drie miljoen mensen die zij vertegenwoordigden, wilden deel blijven uitmaken van Oostenrijk Duits-Oostenrijk. Omdat dit geografisch onmogelijk was, werd bij het Verdrag van Saint-Germain in 1919 besloten om de gebieden niettemin aan Tsjecho-Slowakije toe te voegen. Bij de Tsjecho-Slowaakse grondwet in 1920 kregen de minderheden, voornamelijk de Duitstaligen en de Hongaarstaligen, rechten, zoals in gemeenten waar zij meer dan 20% van de bevolking uitmaakten het recht op onderwijs in de eigen taal. In gemeenten waar zij meer dan de helft uitmaakten was de publieke administratie tweetalig.[14]

In de jaren 20 hadden een aantal Duitstalige politieke partijen grote invloed in de Tsjecho-Slowaakse politiek en traden zij zelfs toe tot de regering. Aan het begin van de jaren 30 kregen, als gevolg van de economische crisis die vooral het Sudetenland trof, echter de Duitse nationalisten een grote aanhang. Het contrast tussen de massale werkloosheid in het Sudetenland en de succesvolle werkgelegenheidpolitiek van de nationaal-socialisten in Duitsland was zeer groot, en veel werkloze Sudetenduitsers zochten en vonden over de grens werk. De nationalisten zochten steun bij de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP) en in 1933 werd de Sudetenduitse Partij (SdP) opgericht door Konrad Henlein. In de verkiezingen van 1935 stemde 65% van de Duitstalige Tsjecho-Slowaken op de SdP.[15] In de volgende jaren groeide de populariteit van de SdP nog meer, en dat maakte de Anschluss van Oostenrijk door nazi-Duitsland mogelijk. De rol van die Sudeten-Duitsers die zich tegen annexatie hadden uitgesproken, meest socialisten en communisten, was uitgespeeld. Een aantal van hun leiders ging in ballingschap. Op 15 september 1938 stelde partijleider Henlein dat de (door hem en zijn partijgangers veroorzaakte) crisis waarin Tsjecho-Slowakije verkeerde, reden was Duitsland te vragen om in Sudetenland orde op zaken te komen stellen. [14][15] Onder die dreiging werd op 29 september het Verdrag van München tussen Engeland, Frankrijk en Duitsland gesloten en mocht dat laatste land het Sudetengebied annexeren.

De grote afkeer van de Tsjechen tegen de nationaalsocialisten in het bijzonder en vervolgens tegen alle Duitstaligen, werd vooral veroorzaakt tijdens de bezetting [bron?]. De nazileider Reinhard Heydrich werd door het Tsjechische verzet vermoord, wat leidde tot wraakacties door de Gestapo, die onder andere de dorpen Ležáky en Lidice uitmoordde en van de aardbodem wegveegde. Dit leidde weer tot een groei van het Tsjechische verzet en een nog grotere haat jegens alle Duitsers. Geheel anders lagen de zaken in Slowakije dat in de oorlog een bondgenoot van Duitsland was. In dit deel van de staat, had zich sinds 1919 een toenemende oppositie tegen de dominantie van “Praag” ontwikkeld in een brede afscheidingbeweging, onder leiderschap van de fascist Hlinka, die zijn land onder Duitse leiding in 1939 tot een onafhankelijke republiek mocht verklaren. Alleen Italië, Hongarije, Roemenië en Kroatië erkenden deze staat.

Verdrijvingen[bewerken]

Tijdens de Tweede Wereldoorlog bevond de Tsjecho-Slowaakse (eigenlijk Tsjechische) regering in ballingschap zich in Londen. Haar president Edvard Beneš, bedacht daar, als onderdeel van de Beneš-decreten, dat de minderheden uit het heropgerichte Tsjecho-Slowakije verdreven moesten worden, met name Duitsers in Bohemen, Moravië en Tsjechisch Silezië, maar ook Hongaren in zuidelijke gebieden van het latere Slowakije. In eerste instantie waren de westelijke Westerse geallieerde landen daar niet voor. Een Sudetenduitse regering in ballingschap, bestaande uit gevluchte socialisten in Londen, wilde tezamen met de Tsjechen aan een nieuwe staat werken, maar zij werden uiteindelijk afgewezen en vormden geen partij meer in het diplomatieke proces. Uiteindelijk gaf Sovjet-leider Stalin de doorslag. Op 5 april 1945 behield de Tsjecho-Slowaakse voorlopige regering zich het recht voor om het Tsjecho-Slowaaks burgerschap af te nemen van Duitstalige en Hongaarstalige inwoners. Ook dat van Duitstalige joden die uit de concentratiekampen terugkeerden, werden naar Duitsland uitgewezen. Het eerdere principe van de exilregering in Londen dat de Sudeten-Duitsers die niet bij de SdP aangesloten waren geweest, het recht hadden te blijven, werd versmald tot alleen zij die zich aantoonbaar verzet hadden tegen de bezetting. Na de communistische machtsovername zouden alleen nog Duitstaligen die hun lidmaatschap voor de oorlog van de communistische partij konden aantonen, communisten, het staatsburgerschap van Tsjecho-Slowakije mogen behouden. In de uitwerking hielden zij alleen het recht over om het land te verlaten met medeneming van hun bezittingen, behalve uiteraard de onroerende. De meesten gingen naar de DDR (toen nog de Sovjetzone van Duitsland). Voorlopig kregen 90.000 zg. specialisten, Duitstaligen en hun gezinnen, geen uitreispapieren omdat zij nodig waren in de nu verlaten industrieën van het Sudentenland. Jaren later zouden zij uitgezet worden, na hun vervanging.

Tot de Conferentie van Potsdam was er sprake van "wilde verdrijvingen" door Tsjechen - georganiseerd in milities - die de bevolking in de grensgebieden uit hun huizen en de grens over dreef, en hun bezit in beslag nam. Dat betrof 700.000 tot 800.000 Duitstaligen die al voor de Conferentie van Potsdam het land verlieten uit angst, of onder geweld moesten verlaten.[16] Tijdens deze "wilde verdrijvingen" kwamen de meeste Duitsers in de Sovjetzone terecht. Op 24 februari 1946 begonnen de "officiële" verdrijvingen uit Tsjechoslowakije. In eerste instantie werden 2.400 Duitsers per dag per trein naar de Amerikaanse bezettingszone in Duitsland gestuurd, maar dit aantal werd al snel opgeschroefd en vanaf de zomer werd er ook naar de Sovjetzone gedeporteerd. Tot 30 september 1946 was een totaal van bijna 1,7 miljoen Duitsers bereikt. Volgens de gegevens van het Tsjecho-Slowaakse ministerie van binnenlandse zaken zijn er in totaal 2.165.135 Duitsers verdreven.[17] Bij dit aantal zijn de slachtoffers van de “wilde verdrijvingen” niet meegerekend en evenmin de daarbij omgekomenen. De meesten van de 300.000 overgebleven, van hun staatsburgerschap ontheven, Duitstaligen zijn op den duur ook geëmigreerd naar Duitsland, wanneer dat hun werd toegestaan, want een groot aantal industriële specialisten moest blijven om de fabrieken en hun productie gaande te houden. In totaal zijn volgens een schatting uit 1958 van het Statistisches Bundesamt 275.000 Tsjecho-Slowaakse Duitstaligen omgekomen, op de vlucht, in internering, in moordpartijen of standrechtelijke executies.[18] Tsjecho-Slowaakse bronnen erkennen als slachtoffer alleen enkele tienduizenden die, vanwege verondersteld verzet en sabotage, door Tsjechische milities werden geëxecuteerd.[19]

De omgekomenen bij vlucht, verdrijving, internering en uitwijzing[bewerken]

Lijken van vermoorde Duitse burgers te Nemmersdorf

Het kritisch nagaan van de geschiedenis van de verdrijvingen wordt bemoeilijkt door het gebruik van politiek-correcte begrippen. In de staten die mede verantwoordelijk zijn voor verdrijvingen, worden ze aangeduid met eufemismen als ‘evacuatie’, ‘emigratie’ of ‘repatriëring’ (terugkeer naar huis), ‘reallocatie’ (verplaatsing) of ‘verwijdering’ (Engels: removal), waarmee zakelijkheid en legitimiteit gesuggereerd worden, vaak in de impliciete context van een uitwijzing die slechts vreemdelingen en kolonisten zou betreffen. De westelijke geallieerden hadden voorkeur voor de meer neutrale term ‘transfer’ (overbrenging) om de verdrijving van deze bevolkingsgroepen aan te geven. In West-Duitsland werd daar tegenover gesproken van ’vlucht en deportatie’ in een emotionele context. In de DDR was het onderwerp taboe. Naar schatting vluchtten in de eerste drie maanden van 1945 vijf miljoen mensen in zogenaamde Trecks (karavanen), georganiseerd per dorp, voor het Sovjet-leger uit, dat door plundering, verkrachting en willekeurige executies de bevolking in een panische angst bracht. Nazi-autoriteiten verboden vooralsnog de bevolking om te vertrekken omdat zij zich tot de laatste man en vrouw diende te verzetten of heldhaftig ten onder moest gaan. Hierdoor kwamen de karavanen pas op gang nadat deze autoriteiten zelf de benen hadden genomen. Inmiddels brak een algehele chaos uit. Na doortocht van het Sovjet-leger volgde dan incidenteel een gewelddadige verdrijving door nationale, met name Poolse en Tsjechische, milities van de bevolking welke dicht bij de (nieuw te trekken) grenzen woonde. Daarmee werden bevolkingsvrije zones met Duitsland geschapen die beter te controleren waren. Voorlopig bleven zeven miljoen mensen achter totdat hun planmatig georganiseerde uitwijzing plaats kon vinden met toestemming van de geallieerden, nadat hierover in Potsdam afspraken waren gemaakt. Hun afvoer nam vanaf de zomer van 1945 nog ruim drie jaar in beslag en verliep met afgesproken contingenten in spoorwagons naar de geallieerde bezettingszones. De aantallen omgekomen slachtoffers zijn nog steeds een punt van discussie, waar de betrokken landen menen dat alleen de standrechtelijk wegens verzet geëxecuteerden of in straatgeweld vermoorden, als zodanig zouden kunnen gelden. Hoe men dat ook wil kwalificeren, vast staat dat uit de betrokken gebieden 2,5 miljoen Duitse staatsburgers en Duitstaligen tussen eind 1944 en eind 1948 zijn verdwenen. Velen kwamen om als direct gevolg van oorlogshandelingen: doelbewuste bombardementen op de vluchtelingencaravanen vanuit de lucht of artillerievuur waarin de zij in de frontzones terechtkwamen. Bevriezing tijdens de vlucht, die bij temperaturen van onder de -20°C plaatsvond, was een veel voorkomende doodsoorzaak. Dit trof vrouwen en kinderen in de eerste plaats omdat de mannen op dat moment onder de wapenen waren aan het oostfront, waar zij, voor zover zij het overleefden, krijgsgevangen zouden worden gemaakt. De na de zomer van 1945 nog af te voeren achtergeblevenen, werden voorlopig geïnterneerd in getto’s of kampen, en moesten daar in zodanig slechte leefomstandigheden verblijven dat velen er het leven lieten door uitputting, epidemieën, verhongering, onbehandelde ziekten en ook door strafexecuties. Een miljoen Duitse militairen afkomstig uit de betrokken gebieden, kwam om aan het front in de eindfase van de oorlog, of daarna in krijgsgevangenschap. Van die laatsten overleefden twee op drie en dezen werden in de loop van de jaren vijftig naar Duitsland uitgewezen. Strikt genomen kunnen de militairen niet als verdrijvingsslachtoffers gelden en daarom moeten zij in ieder geval van het totaal van 2,5 miljoen afgetrokken worden, waarmee het op 1,5 miljoen slachtoffers komt. De discussie over de werkelijke toedracht en de slachtoffer-categorisering wordt nog steeds verduisterd door nationale emoties en uit angst voor volkenrechtelijk te funderen aanspraken op achtergelaten en ontvreemd bezit.

Een overzicht per gebied:[8]

Gebied Vluchtelingen en gedeporteerden Doden en vermisten Achtergebleven
Oostelijk Duitsland 6.944.000 1.225.000 1.101.000
Tsjechoslowakije 2.921.000 267.000 250.000
Overige landen 1.865.000 619.000 1.294.000
Totaal 11.730.000 2.111.000 2.645.000

De Vertriebenen in de Bondsrepubliek[bewerken]

Duitse Postzegel
Betoging te Bonn in 1952

In de Bondsrepubliek Duitsland organiseerden de uitgedrevenen en vluchtelingen zich in Vertriebenenverbände (per huidige deelstaat) en Landsmannschaften (regionale verenigingen per voormalig Duits gebied). In 1957 ontstond de overkoepelende Bund der Vertriebenen. In de communistische Duitse Democratische Republiek waren soortgelijke verenigingen verboden. Van de totale bevolking van Duitsland woonde vóór 1945 ruim een vijfde in de gebieden die nu Pools waren geworden, of voor de oorlog tot een niet-Duitse staat behoorden, zoals Tsjechoslowakije, Hongarije, Joegoslavië en Roemenië. Veel huidige Duitsers hebben dus voorouders uit die gebieden. Nadat de Bund der Vertriebenen langere tijd vooral het onrecht van de uitdrijving benadrukte, poogt de huidige voorzitster Erika Steinbach (sinds 1998) in discussie te komen met deze landen, wat deze echter afwijzen, uit angst voor aanspraken van de verdrevenen op hun voormalig bezit en een beroep op de universele mensenrechten, die met hun collectieve veroordeling en onteigening massaal geschonden zouden zijn.[20]

Algemene literatuur (onder andere)[bewerken]

  • T. Schieder e.a., Dokumentation der Vertreibung der deutschen Bevölkerung aus Ost-Mitteleuropa, Bonn-Berlijn, 5 delen, 1953-1961 samengesteld per land/regio
  • E. Lemberg/ F. Edding, Die Vertriebenen in Westdeutschland, 3 delen, Kiel 1959
  • div. auteurs Leidensweg der Deutschen im kommunistischen Jugoslawien, 4 delen, uitg. Arbeitskreis Dokumentation im Bundesverband der Landsmannschaft der Donauschwaben aus Jugoslawien, Sindelfingen, en de Donauschwäbische Kulturstiftung, München 1991-1994
  • T. Urban, Der Verlust, Die Vertreibung der Deutschen und Polen im 20. Jahrhundert, München 2004
  • P. H. van der Plank, Etnische zuivering in Midden-Europa, Leeuwarden 2004 (diss. RUG) Hoofdstuk VII