Beleg van Oostende

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Beleg van Oostende
Onderdeel van Tachtigjarige Oorlog
Het beleg van Oostende, door Peter Snayers
Het beleg van Oostende, door Peter Snayers
Datum 5 juli 1601 - 22 september 1604
Locatie Oostende, graafschap Vlaanderen, Nederlanden
Resultaat Inname door Spanje
Strijdende partijen
Flag of Cross of Burgundy.svg Spanje Prinsenvlag.svg Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
Leiders en commandanten
Flag of Cross of Burgundy.svg Albrecht van Oostenrijk
Flag of Cross of Burgundy.svg A. Spinola
Flag of Cross of Burgundy.svg Van den Bergh
Flag of Cross of Burgundy.svg Graaf van Bucquoy
Flag of Cross of Burgundy.svg De Velasco
Flag of Cross of Burgundy.svg F. Spinola
Prinsenvlag.svg Vander Noot
(mrt 1601/mei 1603)
Flag of England.svg Vere
(jul 1601)
Prinsenvlag.svg Van Dorp
(mrt 1602)
Prinsenvlag.svg Ghistelles
(dec 1603)
Prinsenvlag.svg Van Loon
(mrt 1604)
Prinsenvlag.svg De Buvry
(apr 1604)
Prinsenvlag.svg Van der Meer
(apr 1604)
Prinsenvlag.svg Van Utenhove
(jun 1606)
Prinsenvlag.svg De Hertaing
(jun 1604)
Troepensterkte
17.000 - 35.000 4.700 (met rotering)
Verliezen
45.000 52.000
Portaal  Portaalicoon   Tachtigjarige Oorlog

Het Beleg van Oostende was de belegering van Oostende tussen 5 juli 1601 en 22 september 1604 door de koninklijke Spaanse troepen van aartshertog Albrecht van Oostenrijk tijdens de Tachtigjarige Oorlog. De strijd was uitermate bloedig. Aan beide kanten vielen meerdere tienduizenden doden.

Sinds het begin van de Nederlandse Opstand was de stad in handen van de opstandelingen, die later de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden zouden vormen. Vlaanderen werd in de jaren 80 van de zestiende eeuw door Spanje veroverd. Alleen Oostende kon uit Spaanse handen blijven. Vanuit die stad werden plundertochten gehouden op het Vlaamse platteland en werden dorpen gedwongen contributie te betalen. Toen in 1600 de Republiek gebruikmaakte van Oostende om Vlaanderen binnen te vallen, steeg de druk aan Zuid-Nederlandse kant om de stad in te nemen.

Op 5 juli werd het beleg voor Oostende geslagen. De aartshertog was echter niet in staat de stad volledig te blokkeren. Op zee hadden Engelse en Nederlandse schepen de overhand. Daardoor bleef het de hele belegering mogelijk manschappen, munitie en levensmiddelen naar de stad te zenden. De belegering werd een uitputtingsslag en beide partijen wilden de strijd niet opgeven. Uit heel Europa waren de ogen gericht op de belegering waardoor het ook een prestigekwestie geworden was. Maurits van Nassau probeerde door meerdere steden te belegeren de aartshertog weg te lokken van Oostende, maar zonder succes. Omdat de aartshertog weinig voortgang boekte werd hij door de Spaanse koning Filips III vervangen door de Genuees Ambrogio Spinola. Als bankier had hij meer financiële middelen en boekte in korte tijd veel vorderingen. Op 22 september 1604 moest de stad capituleren.

Na drie jaar en drie maanden vechten was de stad compleet verwoest en ontvolkt. De belegering van Oostende heeft de meeste slachtoffers gekost en het langst geduurd van alle belegeringen tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Het verlies voor de Republiek was minder groot doordat het kort daarvoor Sluis had veroverd. Door de duur en inspanning werd het beleg veel vergeleken met de belegering van het antieke Troje.

Situering[bewerken]

Voorgeschiedenis[bewerken]

De situatie in de Nederlanden begin 1601.

De Tachtigjarige Oorlog begon midden jaren zestig van de zestiende eeuw in de Nederlanden als een opstand. De reden was onder andere onvrede over de centraliseringsdrang van de regering in Brussel, en de vervolging van protestanten. Het verzet werd hard neergeslagen door het Spaanse leger maar zij was niet in staat het hele land te controleren. In het noorden en westen was het verzet harder. Daar was zij door het maritieme overwicht en het dichte net van steden in staat belasting te heffen dat de verdediging financierde. In 1579 sloten de noordelijke provincies een defensieverdrag, de Unie van Utrecht. Later zouden zij een zelfstandige republiek vormen. De zuidelijke provincies bleven trouw aan de Spaanse koning. Onder de Spaanse commandant Parma werd een groot deel van de Nederlanden en de nieuwe republiek veroverd, op Zeeland, Holland en Friesland na. In het zuiden waren alleen Bergen op Zoom, Venlo en Oostende nog in Staatse handen. De Spaanse Armada zou een genadeklap moeten geven maar die werd op zee vernietigd door de Engelsen en Nederlanders. Ondertussen kreeg koning Filips II van Spanje ook te maken met een oorlog met Frankrijk dat voor hem een hogere prioriteit had. De Republiek kreeg hierdoor wat adem en het lukte tussen 1588 en 1598 het oosten en noorden terug te winnen.

In mei 1598 werden de Nederlanden door Filips II geschonken aan zijn dochter Isabella en haar aanstaande man aartshertog Albrecht van Oostenrijk. Hoewel het paar soeverein waren over de Nederlanden, bleven zij financieel en militair afhankelijk van Spanje. Filips had als voorwaarde opgenomen dat, mocht het paar kinderloos blijven, het land terug kwam aan Spanje. In september datzelfde jaar overleed Filips II die werd opgevolgd door Filips III van Spanje.

Spanje had in 1598 vrede gesloten met Frankrijk. Met Engeland en de Republiek was Spanje nog mee in oorlog. De Republiek had in 1599 de mogelijkheid in te gaan op een vredesinitiatief van Spanje. Daartoe werd echter niet besloten omdat legeraanvoerder Maurits van Nassau en landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt, Spanjes bedoelingen wantrouwden en de eenheid in de Republiek wilden behouden, ondanks de hoge kosten en onzekerheid die de oorlog met zich meebracht.

Prins Maurits gezeten op de witte strijdhengst hem geschonken na de overwinning bij de Slag bij Nieuwpoort, door Paulus van Hillegaert. circa 1633-1635

Vanaf 1600 werd de strijd gevoerd om de Zuidelijke Nederlanden. Duinkerke werd het volgend doelwit van de Republiek. Het was een havenstad langs de Vlaamse kust waarvandaan kapers en koninklijke schepen veel schade toebrachten aan de Hollandse en Zeeuwse scheepvaart en de vissersvloot. Een invasieleger onder leiding van Maurits trok diep Vlaanderen binnen. Het zag de kans tot deze gewaagde onderneming doordat het Spaanse leger geplaagd werd door muiterijen. Albrecht echter was in staat de muiterij te stoppen en razendsnel met zijn leger op te trekken richting het Staatse invasieleger. Bij Nieuwpoort werden de Staatsen verrast en moesten zij gedwongen slag leveren, die zij wonnen. De tocht naar Duinkerken werd afgeblazen en het Staatse leger trok zich terug naar Oostende, waar het inscheepte en terug voerde. De overwinning bewees dat het Staatse leger zich prima kon meten met het Spaanse leger. De Spanjaarden wilden deze nederlaag wreken door Oostende, het laatste Staatse bastion in de Zuidelijke Nederlanden, te heroveren.

Vesting Oostende[bewerken]

Map met het beleg van Oostende in een vroeg stadium. De nieuwe haven (rechtsboven) is reeds in gebruik genomen na het doorsteken van de dijk.

Oostende was een arme vissersplaats in Vlaanderen, gelegen aan de Noordzee en had zo'n 3000 inwoners. Voordat de stad versterkt werd vanaf 1572 had het geen middeleeuwse verdedigingswerken omdat de inwoners zich voldoende beschermd voelden door kreken, schorren en polders. Regelmatig overstroomde het land rondom de stad door getijdenwater.

Toen de Opstand uitbrak en Oostende in 1572 werd gebruikt door geuzen, besloot de Spaanse regering de stad in 1573 te versterken. Eerst nog met palissades en toegangspoorten. In 1578, toen Oostende de kant van de Staatse troepen had gekozen, werd de stad gebastioneerd en kreeg het de eerste aarden bolwerken. Tot 1601 werden de versterkingen meerdere keren uitgebreid en verbeterd.

De stad was omringd door een wal met onregelmatig geplaatste hele en halve aarden bastions. Aan de westkant en zuidoostkant hadden de courtines een naar binnen gekeerde knik, een getenailleerde vorm. Rondom de stad lag een gracht met daaromheen een getenailleerde bedekte weg met ravelijnen en wapenplaatsen. Daarvoor lag voor een gedeelte een voorgracht. In het oosten deed de Geul dienst als voorgracht. Aan de zeezijde was de oude haven en stad beschermd met ravelijnen op de zeedijk. De vestingwerken waren specifiek ontworpen op de situatie in Oostende en het bevatte elementen uit het Oud-Italiaans, Nieuw-Italiaans en Oud-Nederlands vestingstelsel. Heel innoverend was het plaatsen van een buiten geknikte courtine tussen twee bastions aan de kant van de Nieuwe haven. Daarmee werd de lange courtine gehalveerd en kon vanuit de teruggetrokken flanken van de bastions de courtine met de Oostpoort verdedigd worden en konden vijandelijke schepen op de Geul beschoten worden. Dit was een voorbeeld van het polygonaal stelsel dat in de negentiende eeuw de norm zou worden in de vestingbouw.

Inundatie was ook een belangrijk verdedigingsmiddel. Na de mislukte driedaagse belegering door de commandant van het Spaanse leger, de hertog van Parma in 1583 werden in 1584 de duinen afgegraven ten oosten en westen van de vesting. Daarnaast werd de zeedijk ten oosten van de stad doorgestoken. Hier zou door de getijwerking later de Geul vormen en het bracht grote delen land rondom de stad onder water.

Het Vlaamse platteland had veel last van de plundertochten die vanuit Oostende werden ondernomen tussen 1584 en 1599 door garnizoenssoldaten. De vrijbuiters kwamen zo ver als de streek rondom Brugge, Veurne, Ieper en Rijsel. Later stopten de plundertochten in ruil voor contributies die de dorpen moesten betalen. Als reactie lieten de Vier Leden van Vlaanderen vanaf 1598 een dubbele ring met forten, schansen en andere veldwerken rond de stad bouwen om het Oostendse garnizoen binnen te houden. Een ring met onder andere de forten Oudenburg, Plassendale en Snaaskerke kwam 1900 tot 2700 meter van de stad te liggen. Een andere ring met de forten Sint-Albertus, Sint-Elisabeth (of Isabella), Sint-Clara en dat van Bredene werd dichter bij de stad geplaatst. De forten waren met elkaar verbonden door waterlopen en wegen. De stad bleef bereikbaar via de zee. Tijdens de grote belegering werden de twee ringen verder uitgebreid maar de structuur bleef hetzelfde.

Garnizoen en bevoorrading[bewerken]

Kort na het begin van de belegering bedroeg het aantal militairen in Oostende 4500-4700. In de twee maanden na het begin van de belegering kwamen zo'n 7000 Staatse militairen aan in Oostende, waaronder 3000 Engelsen. De Engelse koningin Elisabeth I steunde de Republiek met geld en troepen volgens het verdrag van Nonsuch uit 1585. Gewonden en omgekomen soldaten werden ververst met nieuwe aanwas. In november 1601 bedroeg de sterkte van het garnizoen ongeveer 5700 man. Een aantal dat door de jaren heen ongeveer gelijk bleef, maar ook belangrijke schommelingen kende.

De gouverneur en of de opperbevelhebber had de leiding over het garnizoen. Gedurende de belegering hebben negen verschillende personen de leiding gekregen. Karel van der Noot was vanaf het begin tot 9 december 1603 gouverneur. Toen generaal Francis Vere aankwam kreeg hij de leiding over het garnizoen. Na zijn vertrek nam Frederik van Dorp dat over tot 31 mei 1603. Vander Noot werd opgevolgd door Pieter van Ghistelles tot hij omkwam op 29 maart 1604. Zijn vervanger kwam een aantal dagen later om het leven op 5 april. De opvolger Jacques de Buvry raakt gewond en werd geëvacueerd. Jacob van der Meer werd de nieuwe gouverneur maar ook zijn leiderschap was van korte duur. Hij overleed en werd op 8 juni 1604 opgevolgd door Antoon van Utenhove. Door verwondingen werd hij vervangen door Daniël de Hertaing.

De belegeraars waren niet in staat de stad volledig af te sluiten waardoor het bevoorraad kon blijven worden vanuit de zee. Het was de achilleshiel van de stad. De oorspronkelijke haven in het westen was echter na een maand onbruikbaar omdat het te dicht bij het Spaanse kanonvuur lag. Om die reden werd een nieuwe haven ingericht in het noorden door het doorsteken van twee dijken. Gedurende het beleg wisten 3000 schepen Oostende te bereiken met allerlei goederen als wapens, munitie, verstevigingsmateriaal, medicijnen, levensmiddelen, wijn, bier en brandstof. Ook werden manschappen gebracht, en gehaald en gewonden en zieken meegenomen. Levensmiddelen werden geleverd en verkocht door circa 15 zoetelaars die pendelden tussen Oostende en Zeeland. Schade aan particulieren veroorzaakt door oorlogshandelingen werd vergoed. De bevoorrading van Oostende verliep goed. Er was gedurende het beleg nooit een tekort geweest aan voedsel, wapentuig en andere benodigdheden, en het garnizoen heeft nooit gemuit.

Koninklijk leger[bewerken]

Aartshertog Albrecht van Oostenrijk, met op de achtergrond Oostende.

Het leger onder leiding van Aartshertog Albrecht van Oostenrijk bestond aan het begin van de belegering uit 17.000 man van verschillende nationaliteiten, waaronder Spanjaarden, Walen, Duitsers, Italianen en Bourgondiërs. Later groeide het aantal uit tot 35.000 man. De regimenten bestonden uit soldaten van dezelfde natie om conflicten te mijden. Tussen de verschillende nationaliteiten was veel rivaliteit, wat soms leidde tot hevige ruzies. De ruzies werkten contraproductief voor de vorderingen op het beleg. Albrecht had hier geen antwoord op. Iets wat zijn opvolger Ambrogio Spinola wel lukte door naties verschillende opdrachten te geven.

De soldij van een soldaat bedroeg vier á vijf stuivers per dag. Het dagloon was daarmee lager dan van een ongeschoolde arbeider. Omdat een soldaat het hele jaar door betaald werd kwam het jaarsalaris wel gelijk uit met een ongeschoolde arbeider. Het salaris was net genoeg om een gezin van te onderhouden. Tweemaal per maand werden de soldaten na de telling uitbetaald als er geld was. De Zuidelijke Nederlanden waren voor de uitbetaling afhankelijk van geldzendingen uit Spanje. Als die niet aankwamen konden soldaten niet uitbetaald worden en was er kans op muiterijen. Tijdens de belegering van Oostende kreeg Albrecht een aantal keer te maken met muiterijen vanwege achterblijvende betalingen. Spinola had dit probleem niet aangezien hij uit een bankiersfamilie kwam en de financiering kon voorschieten voor een goedkoper rentetarief dan de Spaanse koning dat kon. Voedsel moest door de militairen zelf gekocht worden. De overheid zorgde dat voedsel tegen een goedkoop tarief te verkrijgen was, ook al viel dat soms niet mee.

Spaanse gewonden werden ondergebracht in gasthuizen in Vlaanderen. Toen die vol waren werden kloosters gebruikt. Twee hospitalen werden in het legerkamp opgericht.

Voorbereiding[bewerken]

Na de Staatse veldtocht in Vlaanderen en de slag bij Nieuwpoort was het voor de regering in Brussel duidelijk dat actie ondernomen moest worden. Oostende bleek voor de noordelijke provincies een te goede uitvalsbasis en steunpunt voor militaire campagnes in Vlaanderen. Op de aartshertog Albrecht werd druk uitgeoefend door de afgevaardigden om hier een eind aan te maken. Als eerste liet hij de forten opnieuw bezetten en herstellen na het vertrek van Maurits en zijn leger uit Oostende. Vanaf toen gingen steeds meer geruchten dat de aartshertog ook daadwerkelijk het beleg zal slaan rond de stad. In september 1600 ging het gerucht dat het beleg voorbereid werd. Toen bekend werd dat 5000 militairen klaar stonden in Spanje om naar de Zuidelijke Nederlanden gezonden te worden bestond er geen twijfel meer. Maurits, bewust van het belang van Oostende liet de stad verder versterken en bevoorraden. De ervaren kolonel Karel vander Noot werd aangesteld als gouverneur.

In het voorjaar van 1601 kwam het nieuws dat Albrecht versterking uit Italië kon verwachten van 9000 man. Steden en kasselrijen in Vlaanderen spanden zich in om het beleg te laten slagen door het verlenen van ruime financiële en materiële steun. Om Albrecht geen kans te geven Oostende aan te vallen, stelde Maurits voor om Rijnberk aan te vallen. De Engelse generaal Francis Vere zou met zijn leger Hulst bedreigen om een mogelijk ontzettingsleger te belemmeren. Het beleg van Rijnberk was gaande toen Albrecht te maken kreeg met een Spaanse muiterij in de schansen Sint-Isabella en Grotendorst rond Oostende vanwege achterstallige betalingen. Albrecht verzamelde zijn leger bij Brugge. Hij leek van plan te zijn het leger in te zetten tegen de muiters. Ook de Noordelijke Staten-Generaal waren die mening toegedaan en zonden geen versterkingen van Rijnberk naar Oostende. Niets was minder waar en op 5 juli bereikte Albrechts leger van 17.000 man de stad. De belegering was een feit.

Omsingeling[bewerken]

Map van Oostende en omgeving in 1601, uit Delle guerre di Fiandra libri VI, door Pompeo Giustiniano, 1606.

Bij aanvang van het beleg was de stad aan de landzijde reeds omringd door forten. Albrecht verdeelde het leger onder vier legerkampen. Zelf legerde hij in fort Sint-Albertus. Zes regimenten onder leiding van Agustin de Mexiá werden gelegerd in de duinen ten westen van de stad. In het oosten bij Bredene werd Frederik van den Bergh gelegerd met twee regimenten. De twee overige kampen waren kleiner en werden later rond de stad toegevoegd. De ruiterij werd ondergebracht in Raversijde. Via de duinen aan beide zijden van de stad was het beste mogelijk de stad te naderen. Wel waren de Geul en de Westhaven aan die kant het breedst en diepst. Het zuiden was minder geschikt aangezien dat land tweemaal daags onder water kwam te staan. Meteen werd met het graven van loopgraven en aarden wallen begonnen om de kwartieren te versterken. Van een echte afsluiting was geen sprake aangezien de stad via de zee bereikbaar bleef.

1601: aanvang[bewerken]

Eerste aanval en tegenaanval en de komst van Vere[bewerken]

Figuratief plan van Oostende en omliggende tijdens het beleg. Door ingenieur Le Poivre, 1602.

Al een dag na aankomst werd het vuur op Oostende geopend vanuit het westen. Op 8 juli werd de stad voor het eerst beschoten vanuit het oosten. Het merendeel van de bevolking van Oostende werd hierop geëvacueerd naar Zeeland. Zo'n 600 mannen en jongens bleven over om te helpen bij de verdediging. De aartshertog had zijn aanval voorzien op de oude stad en haven in het noordwesten. Hij verwachtte dat dit de zwakke plek in de verdediging was. Hij vermoedde dat, als hij de oude haven in bezit zou krijgen, de bevoorrading geblokkeerd kon worden, waardoor de stad zou moeten capituleren. Op 10 en 11 juli werd de aanval in het zuidwesten op de bastions Porc-Espic (Everzwijn), Zandhil en Helmond begonnen. Musketiers namen de bastions onder constante beschietingen, terwijl een compagnie Walen de bastions bestormden. In het oosten werd onderwijl de stad voortdurend beschoten door Frederik van den Bergh, zodat de belegerden hun aandacht moesten verdelen. Toch kregen de aanvallers geen bastion in handen en werd de aanval gestaakt. Na deze aanval werd door de belegerden een aanval uitgevoerd in het westen. Met duizend man probeerden ze kanonnen van de vijand onbruikbaar te maken. De Spaanse ruiterij dreef hen echter terug, waarop het Oostendse geschut hevig terugschoot. Na de eerste week vechten waren aan Staatse zijde 500 doden gevallen en aan Spaanse zijde 700.

De gouverneur liet de Staten-Generaal weten dat hij meer manschappen nodig had. Engelsen troepen werden naar Oostende gezonden zodat het aantal verdubbelde tot 8000 man. De leiding over het garnizoen werd overgedragen aan de Engelse generaal Francis Vere. Dit was nodig om goedkeuring te krijgen van de Engelse koningin Elisabeth I. Hij kwam op 15 juli aan in Oostende met versterkingen. Vere werd door de Staten-Generaal opgedragen de vesting actief te verdedigen, wat betekende dat hij ook buiten de vesting aanvallen moest doen. Zelf was Vere erg ambitieus en hij wilde Maurits graag als veldheer naar de kroon steken. Maurits moest van de Staten-Generaal tijdens het beleg van Rijnberk 2000 man onttrekken en naar Oostende sturen. Begin augustus vroeg Vere om nog eens 2000 man. Maurits wilde niet nog meer manschappen overhevelen naar Oostende omdat er dan te weinig man voor het veldleger over zou blijven om nog een serieuze aanval te doen. Toch liet de Staten-Generaal hem geen keus.

Na aankomst liet Vere de vestingwerken in de polder in het zuidwesten extra versterken omdat het voor de vijand mogelijk was de Ieperleet om te leggen en daarmee de gracht droog te leggen. Op 16 juli werden 's nachts nieuwe redoutes, wallen en borstweringen aangebracht. Ook liet hij er nieuwe barakken, wapenplaatsen en een hospitaal bouwen. De Spanjaarden geleid door Frederik van den Berg probeerden de Engelsen te verdrijven door een aanval met 1000 man, maar slaagden er niet in. Wel konden ze schansen en batterijen oprichten om een verdere opmars te voorkomen. Van den Berg werd in het oostelijke kwartier opgevolgd door de graaf van Bucquoy.

De vorderingen van Albrechts leger in het westen gingen zo voorspoedig dat zij eind juli de bevoorrading van Oostende via de Oude haven steeds beter konden hinderen. De Staatse ingenieur David van Orliens, die aanwezig was in Oostende raadde aan de oostelijke contrescarp te doorbreken zodat aan die zijde een nieuwe haven kon komen. Die zou in verbinding komen met de Geul. Toen Albrecht het plan doorkreeg liet hij snel schepen met stenen en visnetten zinken voor de monding van de Geul, maar het plan mislukte. Nu konden schepen redelijk veilig de nieuwe haven bereiken. Alleen de kanonnen van Bucquoy konden de Geul bereiken, maar voor een echte dreiging stonden ze te ver weg. De Spaanse halve maan werd aangelegd als extra bescherming van de haven.

Tijdens een inspectie aan bastion Zandhil raakte Vere gewond aan zijn hoofd en moest Oostende verlaten. Hij werd tijdelijk opgevolgd door Karel vander Noot.

Vorderingen aartshertog Albrecht en diversie van Maurits en Willem Lodewijk[bewerken]

Oostende en de Grote Kat zijn afgebeeld op de achtergrond. Op de voorgrond drie officieren op paarden. Daarachter het fort Sint-Albert met daarachter het aartshertogenlijke kamp. Rechts de vaart met scheepjes afkomstig van Brugge met voorraden. Uiterst recht is fort-Isabella. Door Sebastiaen Vrancx, 1601/1615.

Op 22 augustus werd door de belegerden de Groenendijk in het westen tussen de halve maan en het bastion Porc-Espic doorgestoken zodat het hele land erachter onder water kwam te staan. De Spanjaarden waren ver gevorderd met naderingswerken en deze actie liet hun loopgraven onder water lopen en wegspoelen. Bovendien bleef er nu ook met eb water in de gracht staan waardoor het bijna onmogelijk was de stad te naderen via het westen. Het was een risico omdat hiermee ook de Oostendse verdedigingswerken schade zouden oplopen.

Na de val van Rijnberk op 31 juli, werd Oostende versterkt door 23 vendels soldaten afkomstig uit Rijnberk onder leiding van de graaf van Châtillon. De graaf zou enige dagen later omkomen in Oostende.

Ondertussen bleef de stad bevoorraad worden door honderden schepen. De Staten-Generaal verwachtte dat de aartshertog het beleg zou opheffen zodra het winter werd. De aartshertog daarentegen zag hoe de stad met gemak bevoorraad worden en gaf de hoop op de stad dit jaar nog te veroveren. Hij was niet in staat gebleken de bevoorrading te stoppen. Toch dacht hij dat de bevoorrading in de winter moeilijker zou zijn voor de Staatsen vanwege de winterstormen. Om die reden besloot hij de belegering in de winter voort te zetten. Meteen na die beslissing, begin oktober, werden de kwartieren geschikt gemaakt voor een overwintering met het oprichten van houten barakken.

Eind september en oktober, toen Vere reeds was teruggekeerd, waaide en regende het hevig. Aan de kant van belegeraars en verdedigers veroorzaakten de slechte weersomstandigheden veel schade. Loopgraven werden niet meer bemand en ziektes en desertie nam toe.

Brand in fort Albertus op 13 november 1601.

Om de bevoorrading van de stad te blokkeren werd in het oosten van de stad, in de polder van Bredene gewerkt aan een groot platform waar kanonnen op geplaatst konden worden. Hier vandaan konden schepen op de Geul beschoten worden. De constructie kreeg de naam Luisbos. Een direct gevolg was dat zoetelaars midden november niet meer op Oostende durfden te varen. Om hen over te halen werden vergoedingen flink verhoogd en beloofd werd schade door oorlogshandelingen te vergoeden. Ook in het westen liet Albrecht een constructie bouwen. Het werd een platform van 40 meter hoog en kreeg de naam: Grote Kat. Het platform bood plaats aan acht kanonnen. De kanonnen konden vanaf die hoogte de hele stad bestrijken waardoor het een grote dreiging vormde. De bouw van de Grote Kat liep vertraging op door een brand en storm halverwege november die fort Sint-Albertus verwoestte. Door diezelfde storm werd ook Luisbos beschadigd.

De Staten-Generaal en Maurits wilden graag de stad te hulp schieten. Echter een directe aanval op de belegeraars was niet haalbaar. Daarvoor waren de belegeraars te goed verschanst. Daarom kozen de Staten-Generaal en Maurits voor een diversie. Met een diversie hoopten ze het Spaanse leger weg te lokken van Oostende, of op zijn minst de vorderingen te vertragen. Op twee november verscheen het leger van Maurits en Willem Lodewijk bij 's-Hertogenbosch. Het leger was te klein om de stad volledig af te sluiten waardoor de stad makkelijk versterkt kon worden door Spaanse militairen. Na drie weken werd de belegering vanwege de kou opgeheven. De afleidingsmanoeuvre had niet als resultaat dat het Spaanse leger werd weggelokt van Oostende maar het zorgde wel voor een tijdelijke vertraging van de belegeringswerken.

List van Vere[bewerken]

Francis Vere voerde een list uit toen de situatie in Oostende nijpend was.

In december was de situatie in de stad ernstig. Door ziekte en desertie nam het aantal weerbare mannen in de stad af tot 2000. Werkzaamheden moesten door minder man gedaan worden waardoor de druk op de beschikbare manschappen toenam. Het vroor en de brandstof raakte op waardoor men gedwongen was het hout van palissades te gebruiken als brandstof. Verdedigingswerken werden niet meer gerepareerd en waren op sommige plekken verlaten. De aartshertog liet een aanval uitvoeren op de polder die maar net afgeslagen kon worden. Generaal Vere leek terneergeslagen en niet meer bij machte om het garnizoen te leiden.

Spionnen informeerden de aartshertog over de nijpende situatie en Albrecht besloot een aanval voor te bereiden. De grote aanval was geplant in de nacht van 22 op 23 december. Vere kwam erachter en, wetende dat een grote aanval nooit afgeslagen kon worden in deze situatie, zag geen andere uitweg dan het bedenken van een list. Hij liet onderhandelingen over een overgave aanknopen. De aartshertog stemde in en gaf Vere vier dagen de tijd. Hiermee kreeg Vere tijd om de vestingswerken te repareren en kon hij wachten op versterkingen. Hij wist dat in Zeeland versterkingen wachtten op verscheping maar door het slechte weer was het nog niet mogelijk geweest. Ondertussen was de overgave groot nieuws. Uit de omgeving kwamen belangstellenden kijken. Ook op de Europese hoven was het nieuws. Echter, toen de eerste versterkingen waren gearriveerd liet Vere aan Albrecht weten dat hij de capitulatie introk. De aartshertog was woedend over de onsportieve actie. Hij wist immers dat als hij de aanval had doorgezet, hij de stad makkelijk had kunnen innemen.

1602: rustig jaar[bewerken]

Grote aanval[bewerken]

Grote aanval op de verdedigingswerken door aartshertog Albrecht op 7 januari 1602.

De gevreesde stormaanval van de aartshertog kwam alsnog op 7 januari 1602 alleen waren dit keer de omstandigheden veel minder gunstig. 's Morgens liet de aartshertog de kanonnen zo'n 2000 schoten afvuren. Daarna liet hij 's avonds de stad vanuit vier kanten bestormen. Doordat het eb was stonden de Geul en de Westhaven zo goed als droog. Echter werd de aanval in het oosten te laat ingezet waardoor de Geul niet meer overgestoken kon worden. De aanvallers veroverden dan maar de Spaanse halve maan. Eenmaal in handen werden de Spaanse militairen zwaar beschoten vanuit het Zuiderbolwerk waarna zij met grote verliezen terugtrokken. In het westen was de aanval door 4000 Spanjaarden en Italianen voorzien op de oude haven en het bolwerk Zandhil. Ook waren de bastions Porc-Espic en Helmond en de polderwerken doelwit. Vere was voorbereid op de aanval en had 4000 weerbare mannen ter beschikking waarvan het merendeel in het westen werd ingedeeld. Kartouwen werden geladen met nagels, kettingen en ijzeren schilfers die veel slachtoffers maakten onder de belegeraars. Het werd duidelijk dat de aanval mislukt was en het sein voor de terugtocht werd gegeven. Op dat moment liet Vere de sluis van de Oude Haven openen waardoor het water in de polder snel steeg en veel soldaten verdronken. Soldaten die door het water werden ingesloten werden gedood. Uiteindelijk vonden 2500 manschappen van de aartshertog de dood, terwijl het garnizoen 40 doden en 100 gewonden telde.

Na de mislukte bestorming brak er een muiterij uit in het Spaanse kamp. Er was woede over de manier waarop de soldaten als kanonnenvoer werden opgejaagd. De aartshertog liet vijftig muiters wurgen en stuurde 150 muiters naar de galeien.

De Staten-Generaal waren niet blij met de list van Vere en riepen hem terug naar Den Haag. In Oostende werd hij opgevolgd door Frederik van Dorp. Nieuwe manschappen werden naar de stad gezonden zodat in maart het volledige garnizoen vervangen was.

In de maanden na de grote aanval werd geen andere grote aanval meer geplant. Albrecht probeerde een andere strategie namelijk het hinderen van bevoorradingsschepen. Luisbos en aan de andere kant werd de Grote Kat verder uitgebouwd. Het werk vlotte langzaam en een storm in februari veroorzaakte grote schade aan deze werken. Doordat een aanval uitbleef had het garnizoen tijd om vestingwerken te herstellen en een derde haven uit te graven tussen de halve manen Leugenaar en Mozestafel. Daarnaast werden in de stad huizen afgebroken en opnieuw opgebouwd, werden huizen gevuld met aarde om aangrenzende huizen te beschermen, en werden grote afweerschilden opgericht die bescherming moesten bieden op straat.

Maurits' veldtocht en muiterij in Hoogstraten[bewerken]

Tocht van Maurits door Brabant naar Grave, 1602.

Het mislukte beleg van 's-Hertogenbosch had laten zien dat met een kleine legermacht Albrecht niet van Oostende weggelokt kon worden. De Staten-Generaal waren overtuigd dat het met een grote legermacht wel zou lukken en daarom werd het leger uitgebreid met 10.000 manschappen en 2.000 ruiters en werden er 6.000 waardgelders aangenomen, zodat het veldleger uit 24000 man bestond. Nog nooit was het veldleger van de Republiek zo groot geweest. De verwachtingen waren daarom ook hoog. Maurits kreeg de opdracht met het leger Brabant binnen te trekken om daar een veldslag uit te lokken met het leger van de aartshertog. Een deel van het Spaanse leger werd bij Oostende weggehaald en had zich onder leiding van Mendoza verschanst bij Sint-Truiden. Maurits' leger kwam in de buurt maar Mendoza ging de confrontatie niet aan. Een directe aanval op het verschanste leger leek niet haalbaar en daarom besloot Maurits zich terug te trekken. Het stadje Grave werd dan maar belegerd dat op 18 september na twee maanden kon worden ingenomen. Ondanks de grootte van Maurits' leger was het niet groot genoeg gebleken om echt een vuist te maken tegen Albrechts leger.

Tegelijk met de inval kreeg Albrecht te maken met een nieuwe muiterij. Een deel van de muiters liep over naar Maurits. Een ander deel had zich verschanst in het kasteel van Hoogstraten. Albrecht knoopte onderhandelingen aan met de muiters maar zonder resultaat.

Pest breekt uit[bewerken]

In de zomer van 1602 brak een pestepidemie uit in de stad. Twee pestmeesters werden aangesteld en in augustus was ongeveer een derde van het garnizoen ziek. Vanwege de vele doden moest het kerkhof opgehoogd worden en ook werden nieuwe barakken voor de soldaten gebouwd om de hygiëne te verbeteren. Ondanks dit vielen er in november nog dagelijks 60 á 80 doden. Er vielen meer doden door de pest dan door gevechten. Ook het Spaanse leger kreeg in het voorjaar te maken met ziekten in het kamp, zoals pest, buikloop en hete koorts die hun tol eisten.

1603: veranderende strategie[bewerken]

Polderwerken veroverd[bewerken]

De verovering van de forten in de polder door het Spaanse leger, april 1603.

Na anderhalf jaar was er nog weinig vooruitgang geboekt. Filips III begon zijn geduld te verliezen. Zo benoemde bij Don Luis de Velasco tot generaal van de ruiterij zonder het raadplegen van Albrecht. Verder nam Filips III de controle over de gelden die Spanje betaalde voor het leger. Albrecht leed hierdoor gezichtverlies en hij had moeite het te accepteren.

Maurits kon in 1603 pas laat op campagne omdat de provincies het niet eens werden over het doel, Brabant of Oostende en Sluis.

Het werk aan Luisbos en Grote Kat begon uiteindelijk zich uit te betalen. Nu de constructies voltooid waren bleken zij uiterst effectief. In de stad richtten de werken grote schade aan en de bevoorrading van het garnizoen werd moeilijker.

Tijdens een storm in april werd een nieuwe grote aanval ingezet. Een kleinere aanval bij baston Porc-Espic was bedoeld ter afleiding van een grote aanval op de polderwerken ten zuid van de stad. Doordat het garnizoen zich concentreerde op Porc-Espic konden de onderbezette polderwerken snel ingenomen worden. Twee tegenaanvallen leidde tot zware verliezen onder het garnizoen, maar zonder het terugwinnen van de polder. De verdediging moest nu gevoerd worden vanuit de daarachter liggende ravelijnen en hoofdwal. Met het verlies van de polder zaten de soldaten van het garnizoen meer opeengepakt en vielen makkelijker slachtoffer door Spaanse beschietingen. Na inname van de polder kwam Albrecht naar Oostende om de manschappen te persoonlijk feliciteren.

Tegenslagen voor Albrecht[bewerken]

Het ontzet van de muiters van Hoogstraten door Maurits in augustus 1603.

Frederik Spinola, de broer van Ambrogio Spinola, de latere bevelhebber van de Spaanse troepen, was bevelvoerder over de galeien die vanuit Sluis opereerden. De broers waren telgen uit een Genuese familie van handelaren, bankiers en militairen. De taak van Frederik was om de bevoorrading van Zeeland naar Oostende te hinderen. Op 23 mei 1603 kwam in het Gat van Sluis het tot een treffen tussen de Staatse vloot en Frederiks galeien. Frederik overleefde de zeeslag niet en met hem 800 andere soldaten. De galeien werden vernietigd of zwaar beschadigd. De nederlaag was een domper voor Albrecht. Voor de Staatse schepen werd het weer veiliger op de wateren.

De overwinning op zee gaf de belegerden motivatie voor een aanval op de houten constructies Luisbos, Grote Kat en de Groenendijk. Met vuurballen werden in de zomer de constructies in brand geschoten. De Grote Kat brandde 13 dagen toen het door regen werd geblust. Musketiers voorkwamen dat er geblust kon worden. Ondanks de brand was het platform na reparatie weer bruikbaar. De Groenendijk brandde in 25 dagen volledig af. Luisbos werd vanuit de stad via een schipbrug door soldaten benaderd, maar die aanval werd afgebroken toen Bucquoy met de ruiterij kwam opdraven.

Een andere tegenslag voor Albrecht had te maken met de muiters van Hoogstraten. De aartshertog wilde de muiters tot gehoorzaamheid dwingen. Hij vertrok met een klein leger en kanonnen vanuit Oostende naar Hoogstraten in de hoop dat zij bij het zien van het leger zich zouden overgeven. De muiters hadden zich goed verschanst er waren niet van plan zich over te geven. Albrecht belegerde kort het kasteel, maar toen ook Maurits met een leger verscheen om de muiters te hulp te schieten, brak Albrecht het beleg af.

Werken van Pompeo Targone[bewerken]

Werking van de stormbrug van de Italiaanse ingenieur Pompeo Targone, februari 1604.

In november 1602 kwam de door de paus gestuurde Italiaanse ingenieur Pompeo Targone aan in het kamp van de aartshertog. Hij hield zich bezig met het ontwerpen van ingenieuze belegeringswerken. Deze constructies moesten de inname van de stad versnellen. Albrecht had veel vertrouwen in de constructies en stelde veel geld beschikbaar. Targones constructies zoals een grote rollende schanskorf, een grote verrijdbare stormbrug of een drijvende batterij waren door missende natuurkundige kennis geen succes. De grote verrijdbare ophaalbrug was 40 meter lang en werd door 40 paarden voortgetrokken. De brug had naar de gracht gereden moeten worden om daar de brug neer te laten zodat Spaanse soldaten de stad konden betreden. Maar toen tijdens het rijden een van de vier wielen kapot geschoten werd moest de aanval worden gestaakt.

Komst Ambrogio Spinola[bewerken]

Ambrogio Spinola, door Michiel van Mierevelt, 1609.

Ambrogio Spinola zou uiteindelijk het bevel krijgen over de troepen rond Oostende. In de lente van 1603 had hij al gesproken met de Spaanse koning Filips III over het overnemen van het opperbevel in ruil voor het financieren van de belegering. Spinola liet vooraf door enkele van zijn bekwame Italiaanse officieren onderzoek doen naar de haalbaarheid van het slagen van de belegering. In oktober hadden Filips III en Spinola een akkoord gesloten. Spinola kreeg het opperbevel van de troepen rond Oostende. Albrecht trok zich terug. Bij aankomst liet Spinola meteen veranderingen doorvoeren. Hij verving officieren, hij betaalde achterstallige soldijen uit, en hij liet een telling van de manschappen uitvoeren. Uit de telling bleken er meer dan 3000 soldaten minder te zijn dan er uitbetaald werd. Ook liet hij voortaan verschillende naties in zijn leger verschillende taken uitvoeren, zoals graafwerkzaamheden. Dit vergrootte de rivaliteit en verhoogde de productiviteit. Door de veranderingen kregen de troepen weer moed.

Om de druk van Oostende te halen werd opnieuw door Maurits een poging gewaagd om 's-Hertogenbosch te belegeren. Deze moest echter weer opgeheven worden na het intreden van de kou.

1604: slotfase[bewerken]

De Laatste Afsnijding, Nieuw Troje genoemd, is op deze kaart te herkennen aan de reduit met rode daken.

Opmars Spinola en Nieuw Troje[bewerken]

Het plan van Spinola was om de bevoorrading af te snijden door het plaatsen van batterijen bij de mondingen van de Geul en de Westhaven. Daarnaast moest de stad benaderd worden met approches, de gracht overgestoken met galerijen en de wal opgeblazen met buskruitmijnen.

Vanaf januari werden de aanvallen heviger. De versterkingen in de westelijke contrescarp werden hevig beschoten, zodat in maart de volledige contrescarp ingenomen werd. Een maand later werd de Polderravelijn door Walen en de Westravelijn door Italianen ingenomen. Hiermee kon een aanval voorbereid worden op de hoofdwal. In de Republiek nam de bezorgheid toe. Het leek een kwestie van tijd te zijn voor de stad ingenomen zou worden. De vraag kwam op hoeveel geld en mensenlevens nog opgeofferd moesten worden voor de verdediging.

Achter de hoofdwal breidde ondertussen de ingenieur David van Orliens een eerste afsnijding voor. Dit bestond uit een nieuwe wal en drie bastions dat werd gegraven achter de bestaande wal. Hiermee kon het garnizoen zich terugtrekken wanneer de belegeraars de wal in handen zouden krijgen. Vanaf juni zou ook gewerkt worden aan een reduit, de tweede afsnijding, die ook wel Nieuw Troje genoemd werd. Deze werd ontworpen door ingenieur Ralf Dexter.

Beleg van Sluis[bewerken]

Eind juni 1604 was de hoofdwal ingenomen door de aanvallers. Het garnizoen zette de verdediging voort vanachter de eerste afsnijding.

In april voerde Maurits een nieuwe diversie door met zijn leger aan te komen in Zeeuws-Vlaanderen. Spinola reageerde door Oostende af te schermen met het plaatsen van een deel van zijn leger tussen Oostende en Sluis. Oostende kon niet bereikt worden. Oldenbarnevelt zag veel militair en economisch voordeel in het veroveren van Sluis en daarom werd het beleg op 19 mei voor die stad geslagen. Toen bleek dat Maurits het beleg van Sluis begon, ging in Oostende de aanval weer verder.

Op 28 mei werd het bastion Porc-Espic ingenomen. Eind juni volgden ook het Polderbolwerk, Westbolwerk en Helmond, waardoor de hele westelijke wal in handen kwam van het aartshertogenlijke leger. De gevechten waren hevig en 1200 manschappen van het garnizoen kwamen erbij om. Het volgende doel werd de oude stad in het noorden. Onder het garnizoen was weinig vertrouwen meer in een goede afloop. Kanonnen en voorraden die niet meer nodig waren werden in het geheim teruggehaald naar Holland.

Het beleg van Sluis was gaande en Albrecht vroeg Spinola een poging te wagen om de stad te ontzetten. Spinola verzamelde met tegenzin een leger en trok naar Zeeuws-Vlaanderen maar slaagde er niet in de stad te ontzetten. Kort daarna op 20 augustus capituleerde Sluis.

Diplomatie en capitulatie[bewerken]

Paar dagen later op 25 augustus werd de vrede tussen Engeland en Spanje gesloten. Onder koningin Elizabeth I van Engeland kregen de Staten-Generaal steun in de vorm van manschappen en geld. Elizabeth werd na haar dood in maart 1603 opgevolgd door koning Jacobus I die voor vrede was. Na het sluiten van de vrede vertrokken de Engelse soldaten uit de Republiek en uit Oostende.

Toen Spinola met het leger was teruggekeerd van Sluis gingen de aanvallen weer in volle hevigheid verder. Spinola was berekend op een mogelijk ontzet van Oostende na de inname van Sluis, en plaatste troepen tussen Sluis en Oostende. Zandhil, het bastion dat als de sleutel van de vesting werd beschouwd, werd op 13 september ingenomen. Hierna vielen de andere bastions rond de oude stad één voor één. Midden september werd de eerste afsnijding, die minder sterk was als de hoofdwal, ingenomen en op 19 september was de oude stad in handen van Spinola. Alleen de Laatste Afsnijding was nog over. Omdat de situatie onomkeerbaar was kreeg de gouverneur Daniel de Hertaing toestemming om te capituleren. Vooraf werden nog predikanten, Spaanse deserteurs en een groot deel van het geschut overgebracht naar Zeeland. Op 20 september gaf de gouverneur aan te willen onderhandelen over een overgave. Twee dagen later werd de capitulatie getekend die eervol was voor de verdedigers. Op 22 september verlieten de drieduizend soldaten de stad met hun wapens, brandend lonten, kogel in de mond en vliegende vaandels. Een paar dagen later bezochten Albrecht en Isabella de verwoeste en verlaten stad.

Situatie in Oostende[bewerken]

Herdenkingsmunt toen het beleg van Oostende nog gaande was in 1603. Aan de voorzijde is afgebeeld een fabel van Aesopus, over de vos die de haan uit de boom lokt. Aan de achterzijde een plattegrond van Oostende.

Voor de soldaten die gediend hebben in de stad moet de situatie verschrikkelijk zijn geweest. Zij hadden te maken met een psychologische druk van de omsingeling, het oorverdovend schieten, kameraden die omkwamen of verminkt werden en dat op een kleine ruimte. Hoeveel slachtoffers gemaakt werden bleek wel in 1604. Begin 1604 werd een brandbrief geschreven door acht kolonels en vierendertig kapiteins aan de Staten-Generaal met het verzoek tot een spoedig ontzet. Bij de capitulatie van de stad vijf maanden later, bleek van de groep alleen veertien kapiteins nog in leven te zijn.

Sommige soldaten stierven voordat zij de stad bereikten. Een kolonel stierf met symptomen wat nu bekend staat als shellshock. Soldaten stierven bij zulke groten getale, dat regelmatig compagnieën gerouleerd moesten worden. Een compagnie dat gediend had ging naar Zeeland, en een nieuwe compagnie kwam ervoor in de plaats. Hierdoor konden kapiteins de compagnieën buiten Oostende weer op sterkte brengen.

In Oostende stond bijna geen huis meer overeind. Het hout in de daken werd gebruikt voor palissades. Het steen werd gebruikt om grote obstakels te bouwen op de wegen. Die obstakels moesten kanonskogels opvangen van Spaanse kanonnen. Continue werd er getimmerd en gegraven aan verdedigingswerken. De soldaten sliepen in houten hutten die verspreid over de stad stonden.

Het eten bestond uit roggebrood, maar er was ook okshoofden wijn, bier, schapenvlees, varkensvlees, vers fruit en oesters te verkrijgen via de zoetelaars. Drinkwater was besmet door de vele doden en daarom werd voornamelijk bier gedronken. Er was tabak tegen de koud en voor de gezondheid. Turf en kolen werden gebruikt voor verwarming.

Een beschikbare kamer moest door 30 tot 50 man gedeeld worden. Door de drukte was bijna ieder schot van de Spanjaarden op de stad raak en ook de aanvallen waren hevig. Bij sommige grote aanvallen stierf een kwart van het garnizoen of raakte ernstig gewond. De chirurgijns hadden tot 1 oktober 1601 al 500 amputaties verricht. Zieken en gewonden werden overgebracht naar gasthuizen op het Zeeuwse eiland Walcheren. Later werden ook zieken en gewonden overgebracht naar Holland, Utrecht en zelfs naar Friesland. In het Middelburgse gasthuis zijn in de periode van de belegering meer dan 10.000 soldaten opgenomen geweest. Het totaal aantal gewonden moet nog vele tienduizenden meer zijn geweest. Om het garnizoen toch op sterkte te houden werden compagnieën regelmatig ververst. Hierdoor konden compagnieën die gediend hadden elders garnizoensdiensten verrichten en onderwijl de uitgedunde compagnie aanvullen. Gemiddeld bedroeg een terugkerende compagnie 45 man, wat een verlies van 25 man betekende. Een schatting van Victor Enthoven is dat 150.000 man gediend moeten hebben in Oostende.

Overledenen werden in Oostende begraven. Door de veelheid aan doden werd dat een probleem op zich. Het drinkwater raakte besmet en de beschikbare grond raakte op. Toen het leger van Spinola steeds meer terrein won, werd het beschikbare land om doden te begraven kleiner en kleiner. In het voorjaar van 1604 was er gewoonweg geen grond meer over verdedigingswerken te repareren. Om die reden werden doden opgegraven zodat het zand gebruikt kon worden voor het opwerpen van nieuwe wallen en de botten voor de versteviging ervan. Soldaten die deze klus uitvoerden kregen een flinke premie. De vijand sprak er schande van.

Nasleep[bewerken]

Oostende[bewerken]

Na de overgave was Oostende verlaten en grotendeels verwoest. De aartshertogen wilden dat de stad weer opgebouwd zou worden. Zij verleenden de stad vrijstellingen en privileges. Mensen die naar de stad wilden trekken kregen belastingvrijstellingen, gratis burgerschap en het recht een beroep uit te oefenen. Waarschijnlijk heeft de aanpak gewerkt want in 1608 bedroeg het inwonersaantal zo'n 2000. Veertig jaar na de inname was het aantal gegroeid tot 4381 inwoners.

Uit de uitgaven aan publieke werken kan opgehaald worden waar de overheid geld aan besteedde. In de eerste jaren werden de dringendste zaken aangepakt, zoals bestrating, herstelling van de wallen, sluizen en de kaai aan de Brugse poort. Na reparaties werd de Sint-Pieterskerk in 1606 weer in gebruik genomen. In 1610 werd met de bouw begonnen van het nieuwe stadhuis. Tussen 1627 en 1631 werd de Grote Markt bestraat en werd het schepenhuis hersteld. Een jaar later werd het huis van de gouverneur gebouwd, het Gouvernement of Ruwaertshuys. Ook kloosters vestigden zich in Oostende namelijk die van de Zwartzusters en Kapucijnen.

Oostende moest een belangrijke havenstad worden. De haven werd verbeterd en op aandringen van Spinola werd een kanaal gegraven die Oostende met Brugge en Gent moest verbinden.

Voortzetting van de strijd[bewerken]

De Republiek stond er alleen voor na de vrede tussen Frankrijk en Spanje en tussen Engeland en Spanje. Dat betekende dat Spanje zich vol kon richten op de Republiek. Op zee werd door de Republiek de aanval ingezet op Spaanse en Portugese schepen. Op land werd de aanval gestaakt omdat gebleken was in 1602 dat een aanval in Brabant grote logistieke problemen met zich meebracht. Een aanval op Antwerpen was niet haalbaar omdat het leger daarvoor te klein was. De aartshertogen hadden meer en betere opties om aan te vallen en daarom koos de Republiek voor het defensief. In de twee opvolgende jaren ging Spinola inderdaad in de aanval en veroverde Oldenzaal, Lingen, Lochem en Groenlo. De Republiek zat in het nauw en Spanje kreeg te maken met financiële problemen, waardoor onderhandelingen over een vrede in februari 1608 begonnen. Uiteindelijk werd het een wapenstilstand voor de duur van twaalf jaar. Na het Twaalfjarig Bestand werd de strijd weer voortgezet. De veroveringen van Spinola werden teruggewonnen door Maurits en zijn opvolger Frederik Hendrik. Beide partijen stelden steeds meer geld beschikbaar voor het leger zonder dat dit voor een van de partijen veel terreinwinst opleverde. Moegestreden werd in 1648 de Vrede van Münster getekend.

In de media[bewerken]

Zinneprent van Ambrogio Spinola die de doorn (Oostende) uit de poot van Leo Belgicus haalt.

Over het beleg is uitvoerig geschreven. Vooral aan protestantse zijde was de belangstelling groot. Doordat het beleg zolang duurde werd het door steeds meer journalen, nieuwskaarten en in historische publicaties opgepikt. Hierbij zijn ook veel illustraties geproduceerd. De meeste originele afbeeldingen zijn te vinden in Belägerung der Statt Ostende uit 1604 door een anonieme schrijver. Deze publicatie is verschenen in het Duits, Engels en Frans. Andere bronnen uit die tijd die het beleg beschreven zijn: De Bloedige ende strenge Belegeringhe Der Stadt Oostende/ in Vlaenderen van Henrick van Haestens uit 1613 en Oostende Vermaerde Belegheringhe van Philip Fleming uit 1621. Die laatste is bijzonder omdat de schrijver de persoonlijke secretaris was van de gouverneurs tijdens de belegering en daardoor veel heeft meegemaakt.

De stad werd veel met het antieke Troje vergeleken. Die stad werd eveneens als Oostende belegerd door een grote troepenmacht gedurende een lange periode. Ook werd soms de vergelijking met Carthago gemaakt.

Aanhalingsteken openen

‘t Belegh van Oostende passeert Troye en Carthago
Oostends langh belegh, ‘t gewelt aldaer bedreven,

Met al die listigheyt, en mannelijcke feyten:
Soodanigh zijn, dat noch Troia, noch ‘t verheeven Carthago, met daer om d’eer sullen durven pleyten.

Aanhalingsteken sluiten
— uit Nassauschen laurencrans uit 1610

Na het verlies van Oostende werd in het noorden veel moeite gedaan om het verlies niet zo groot te laten lijken. Door Oostende te vergelijken met een berg zand en steen leek Sluis veel waardevoller. Hugo de Groot dichtte in 1604 Ostenda loquitur waarin hij vraagt aan Fortuna wie het dorre onvruchtbare grafveld mag bezitten.

In het zuiden, hoewel de vreugde groot was, werd minder geschreven over de overwinning. Er werden gedichten en liederen geschreven ter gelegenheid van de capitulatie. Een reden was dat er minder intellectuelen waren om erover te schrijven. Daarnaast was het zo dat een totaal ontvolkt Oostende was gewonnen en steden in Zeeuws-Vlaanderen waren verloren. Tot slot was de verovering een verdienste van Spinola en niet van de aartshertog. Om de laatste niet voor het hoofd te stoten, werd maar gezwegen.

In latere eeuwen werd weinig aandacht besteed aan de belegering. Meer aandacht ging uit naar het beleg van Leiden of dat van Antwerpen waar duidelijker een winnaar viel aan te wijzen. Oostende paste niet in de nationalistische geschiedenis van de negentiende eeuw en begin twintigste eeuw.

Nabeschouwing[bewerken]

De belegering van Oostende heeft de meeste slachtoffers gekost en het langst geduurd van alle belegeringen tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Het aantal slachtoffers aan Spaanse zijde was rond de 45.000 man en aan Staatse zijde zo'n 52.000. Ook qua financiën waren de kosten hoog. Voor de Staatsen kwamen de totale kosten uit op 4 miljoen gulden. Ook aan de kant van de aartshertog moesten de kosten enorm zijn geweest.

De stad had rond 1600 geen grote economische en militaire waarde. De reden van de grote krachtsinspanning aan beide zijden was prestige. Alle ogen van Europa waren gericht op Oostende en geen van de partijen wilde gezichtsverlies leiden. Op dit gebied hadden de aartshertogen gewonnen. Op strategisch gebied had de Republiek echter gewonnen. In de tijd dat het Spaanse leger haar handen vol had aan Oostende, had het Staatse leger terreinwinst geboekt met de verovering van Rijnberk, Grave, Sluis, Cadzand, IJzendijke, Aardenburg en de belangrijke forten Lillo en Liefkenshoek. Sluis was in dit rijtje veruit de belangrijkste. Op termijn waren deze veroveringen belangrijker geweest dan Oostende.

De strategie van Albrecht met het drie jaar lang afsluiten en uithongeren van de stad bleek niet te werken. De stad bleef bereikbaar via de zee door het overwicht dat Nederlandse en Engelse schepen hadden. Spinola's benadering met isolatie en aanvallen had een veel beter resultaat. Hij gaf de verschillende naties verschillende opdrachten wat de rivaliteit versterkte en de snelheid verhoogde. Van meerdere kanten werd de stad aangevallen zodat ontdekt kon worden welke zijde het zwakst was. Daar werd vervolgens de aanval op geconcentreerd. In latere jaren zou deze techniek verder verfijnd worden.

Overblijfselen van het beleg[bewerken]

Bij graafwerkzaamheden worden nog regelmatig skeletten opgegraven die dateren van de periode van de grote belegering. De overblijfselen worden gevonden op plekken waar nooit officiële begraafplaatsen zijn geweest. Uit onderzocht op zestig skeletten is gebleken dat het bijna iedere keer ging om jonge mannen tussen de zestien en negenentwintig jaar oud. Daarnaast bleek uit de botten dat zij relatief zwaar leven hadden gehad. Enkelen vertoonden juist overvoedingsziekten waaruit blijkt dat die opgeklommen waren tot een hogere sociale trede. Bij het Pekelbolwerk werden graven gevonden in opgeworpen wallen die dienden ter verdediging van de stad.

In Walraversijde, enkele kilometers ten westen van Oostende zijn skeletten van paarden gevonden. Hier, vroeger aangeduid als Raversijde, bevond zich het ruiterkwartier. Naast skeletten van paarden is daar ook een vizier van een helm opgegraven. Een andere vondst was een deel van een kruik waar het jaartal 1601 op voorkomt.

Van de vele forten die rond Oostende waren aangelegd was lange tijd alleen fort Sint-Isabella nog herkenbaar in het landschap. Voordat het gebied verkaveld werd is er archeologisch onderzoek uitgevoerd. Door tijdsgebrek kon niet alles worden onderzocht. Tijdens het onderzoek zijn er restanten van gebouwen uit het fort gevonden en allerlei voorwerpen, voornamelijk aardewerk, maar ook ijzeren kanonskogels, loden kogeltjes en koperen munten. Een fort dat nog wel herkenbaar is in het landschap is fort Nieuwendamme. Dit fort was in 1584 aangelegd bij een sluis en moest bescherming bieden tegen aanvallen vanuit Oostende.

Literatuur[bewerken]

  • Gils, Robert, 1-1-2004. Het Beleg van Oostende (1601–1604). Vesting 2004 (1): 2-11.
  • Graaf, Ronald de, Oorlog, mijn arme schapen: een andere kijk op de Tachtigjarige Oorlog 1565-1648, Uitgeverij Van Wijnen, Franeker, NL, 2004, 686 p. ISBN 9051942729.
  • Groen, Petra, De Tachtigjarige Oorlog. Van opstand naar geregelde oorlog. 1568-1648, Uitgeverij Boom, Amsterdam, NL, 2013, 496 p. ISBN 9789461054753.
  • Groenveld, Simon; Leeuwenberg, H.L.Ph., De Tachtigjarige Oorlog. Opstand en consolidatie in de Nederlanden (ca. 1560 - 1650), 2e herziene en aangevulde druk [1e druk: 2008]. De Walburg pers, Zutphen, 2012, 432 p. ISBN 9789057308383.
  • Israel, Jonathan I., Conflicts of Empires, 1585-1713, The Hambledon Press, London, GB, 1997, 504 p. ISBN 1852851619.
  • Lombaerde, Piet, 10-10-1987. De vestingbouwkundige werken van Oostende 1572-1865. De Plate 1987 (10): 236-249.
  • Piceu, Tim, Over vrybuters en quaetdoenders. Terreur op het Vlaamse platteland (eind 16de eeuw), Davidfonds Uitgeverij NV, Leuven, BE, 2008, 293 p. ISBN 9789058265357.
  • Werner, Thomas, De val van het Nieuwe Troje. Het beleg van Oostende. 1601-1604, Uitgeverij Davidsfonds NV, Leuven, BE, 2004, 208 p. ISBN 9058262804.
  • Vos De, Luc, Veldslagen in de Lage Landen, Uitgeverij Davidsfonds NV, Leuven, BE, 1995, 255 p. ISBN 9789061528951.
  • Vries De, Dirk, Oostende verloren, Sluis gewonnen, 1604; een kroniek in kaarten; catalogus bij een tentoonstelling in de Leidse Universiteitsbibliotheek van 12 augustus-12 september 2004, Universiteitsbibliotheek Leiden, Leiden, NL, 2004, 176 p.


Eerste opstand (1567-1570): Valencijn · Wattrelos · Lannoy · Oosterweel · Eerste invasie (Dalheim · Heiligerlee · Groningen · Eems · Jemmingen · Geldenaken · Loevestein)
Tweede opstand (1572-1576): Den Briel · Vlissingen · Tweede invasie (Valencijn · Bergen · Saint-Ghislain · Roermond · Diest · Leuven · Mechelen · Dendermonde · Zutphen · Bredevoort · Zwolle · Kampen · Steenwijk) · Oudenaarde · Stavoren · Dokkum · Don Frederiks veldtocht (Mechelen · Diest · Roermond · Zutphen · Naarden · Geertruidenberg · Haarlem · Diemen · Alkmaar) · Vlissingen · Borsele · Zuiderzee · Alkmaar · Leiden · Reimerswaal · Derde invasie · Mookerheide · Lillo · Zoetermeer · Buren · Oudewater · Schoonhoven · Krimpen aan de Lek · Woerden · Bommenede · Zierikzee · Muiden · Aalst · Slag bij Vissenaken · Maastricht · Antwerpen · Spanjaardenkasteel (Gent)
Algemene opstand (1576-1578): Utrecht · Steenbergen · Breda · Amsterdam · Gembloers · Zichem · Beleg van Limburg · Inname van Dalhem · Nijvel · Kampen · Rijmenam · Aarschot · Deventer
Parma's 9 jaren (1579-1588): Maastricht · 's-Hertogenbosch · Baasrode · Kortrijk · Delfzijl · Oldenzaal · Groningen · Mechelen · Zwolle · Hardenbergerheide · Coevorden · Halle · Steenwijk · Kamerijk · Doornik · Noordhorn · Breda · Aalst · Oudenaarde · Punta Delgada · Lochem · Eindhoven · Gent · Aalst · Terborg · Antwerpen · Zutphen · Kouwensteinsedijk (Antwerpen) · Amerongen · IJsseloord · Boksum · Axel · Neuss · Rijnberk · Grave · Zutphen · Warnsveld · Venlo · Sluis · Bergen op Zoom · Grevelingen
Maurits' 10 jaren (1588-1598): Zoutkamp · Breda · Steenbergen · Veldtocht van 1591 (Zutphen · Deventer · Delfzijl · Knodsenburg · Hulst · Nijmegen) · Steenwijk · Coevorden · Luxemburg · Geertruidenberg · Coevorden · Groningen · Hoei · Grol · Calais · Hulst · Veldtocht van 1597 (Turnhout · Venlo · Rijnberk · Meurs · Grol · Bredevoort · Enschede · Ootmarsum · Oldenzaal · Lingen · Rijnberk · Zaltbommel)
11 jaren strijd (1598-1609): Nieuwpoort · Rijnberk · Sluis · Oostende · Spinola 1605-1606 (Oldenzaal · Lingen · Bergen op Zoom · Mülheim · Wachtendonk · Kasteel Krakau · Bredevoort · Berkumerbrug · Grol · Rijnberk · Lochem · Grol · Gibraltar
Twaalfjarig Bestand (1609-1621): Gulik-Kleefse Successieoorlog (Gulik) · Wezel · Antwerpen
Eindstrijd (1621-1647): Gulik · Steenbergen · Bergen op Zoom · Veluwe · Breda · Oldenzaal · Grol · Baai van Matanzas · 's-Hertogenbosch · Veluwe · Wesel · Veldtocht langs de Maas (Venlo · Roermond · Maastricht) · Rijnberk · Maastricht · Philippine · Tienen · Schenkenschans · Breda · Venlo · Maastricht · Kallo · Duins · Sint-Vincent · Hulst · Antwerpen · Venlo · Puerto de Cavite