Gebastioneerd vestingstelsel


Het gebastioneerde vestingstelsel (ook trace italienne genoemd) is een vorm van fortificatie waarbij meerdere ruwweg pijlvormige bastions vooruitspringen uit de vestingmuur. Dit vestingstelsel deed zijn intrede toen vuurwapens als kanonnen steeds effectiever werden op het slagveld en de effectiviteit werd voor het eerst bewezen bij de Slag om Pisa in 1500.
De oudste vorm was het Italiaans vestingstelsel uit de 15e eeuw en in de drie eeuwen daarna werd het in heel Europa overgenomen en verder ontwikkeld. In de Lage Landen werd het aangepast tot het oud-Nederlands vestingstelsel.
Geschiedenis
[bewerken | brontekst bewerken]De voorlopers van het stelsel waren de laat-middeleeuwse fortificaties. Deze forten hadden vaak ronde torens of basteien, waardoor altijd een dode hoek ontstond. Vijanden die tot in deze dode hoek wisten te komen, konden de muur dan ondermijnen zonder dat men hen met zware wapens kon beschieten vanaf de muur. In de meer ontwikkelde middeleeuwse forten werd dit zwakke punt enigszins gecompenseerd door mezekouwen, gaten tussen de kraagstenen. Wil men een fort echter bestand maken tegen kanonvuur, dan moeten de kantelen véél dikker worden, hetgeen deze mezekouwen onmogelijk maakt.
Het doel van de bastions is om een vestiging weerbaarder te maken tegen aanvallen met kanonnen, zodat men niet alleen vanuit alle hoeken kon verdedigen, maar ook de eigen muren in de gaten kon houden zonder dode hoeken. Het gebastioneerde stelsel was dus beter verdedigbaar en leende zich voor een actieve verdediging, naast de oudere passieve verdediging.
Doordat de bastions voor de weermuur uitstaken en in de regel meer ruimte boden, werden hier meestal de kanonnen geplaatst.
Doorontwikkeling
[bewerken | brontekst bewerken]Naarmate de tijd verstreek werden veel forten uitgebreid met voorwerken. Dit betekende dat de tegenstander eerst een heel aantal voorposten in moest nemen of vernietigen om bij de daadwerkelijke bastions uit te komen. Dit werd met name belangrijk doordat ondermijning zich al snel ontwikkelde tot een van de beste manieren om een bastionfort in te nemen, zolang de grond en het grondwaterpeil het toelieten om sappen en tunnels te graven. De voorposten van de vesting waren open aan de keelzijde (achterzijde), waardoor ze geen dekking aan de aanvaller gaven, en waren waar mogelijk via tunnels of bruggen verbonden met de hoofdstelling. Hoek, afstand en hoogte van de voorwerken werden zodanig berekend dat de kanonnen op de bastions eroverheen konden schieten zonder last te hebben van een dode hoek.
Gecombineerd met ravelijnen, hoornwerken en kroonwerken kon een dergelijke fortificatie worden veranderd in een complexe, symmetrische structuur. Onder andere Michelangelo gebruikte een bastionvesting ter verdediging van de stad Florence. De Nederlandse architect Menno van Coehoorn is bekend om zijn doorontwikkeling van het stelsel tot het Nieuw-Nederlands vestingstelsel, dat overigens nergens volledig is toegepast.
Gebastioneerde vestingen waren duur om te bouwen. De 22 bastions van Amsterdam kostten bijvoorbeeld 11 miljoen florijnen. Siena ging in 1544 zelfs failliet aan de kosten van de verdedigingswerken.
Met de ontwikkeling van steeds beter geschut raakte het gebastioneerde stelsel na verloop van tijd verouderd. Halverwege de 19e eeuw werden vele stadsfortificaties afgebroken en bijvoorbeeld vervangen door een ring van forten op grotere afstand van de stad zelf, vaak volgens het polygonaal stelsel.