Gasthuis

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Icoontje doorverwijspagina Zie Gasthuis (doorverwijspagina) voor andere betekenissen van Gasthuis.
Sint-Paulusgasthuis, daterend van 1546, te Sint-Oedenrode in 1997

Een gasthuis was in de middeleeuwen een instelling voor de nachtelijk opvang van daklozen. De gasten aan wie een slaapplaats werd geboden varieerden van landlopers tot pelgrims. Later ontstonden vele vormen van gasthuizen, waarvan de belangrijkste was de opvang van zieken en bejaarden. Uit het gasthuis zijn het huidige ziekenhuis, verpleeghuis en verzorgingshuis ontstaan.

Een veelgebruikt synoniem voor gasthuis is godshuis. Het woord godshuis is echter minder scherp omlijnd omdat het meerdere betekenissen heeft.

Etymologie[bewerken]

Het woord gasthuis is een samenstelling van gast in de betekenis van vreemdeling, en huis. Het woord is waarschijnlijk afgeleid van het middeleeuws Latijnse hospitale, dat huis voor ontvangst van vreemdelingen betekent. De oorspronkelijke betekenis was reeds in de 17e eeuw verouderd en verdrongen door de betekenis liefdadig gesticht of godshuis. Nog later verschoof de betekenis naar ziekenhuis.[1]

Geschiedenis[bewerken]

De steden die in de middeleeuwen in de Lage landen ontstonden, ondervonden overlast van vreemdelingen die geen onderdak hadden. Deze daklozen vormden een bont gezelschap van weggelopen lijfeigenen, ontsnapte misdadigers, mensen die verbannen waren of door een oorlog alles waren kwijtgeraakt. Soms waren er ook pelgrims bij die geen herberg konden betalen en handwerkslieden die elders niet toegelaten werden tot een gilde en in de stad hun geluk kwamen beproeven. De stedelijke besturen trachtten zich van deze vreemdelingen te ontdoen, maar ze slaagden daarin niet omdat godsvruchtige inwoners zich over hen ontfermden. Aan de kloosterpoorten werden aalmoezen uitgedeeld en de broederschappen die zich wijdden aan de zeven werken van barmhartigheid richtten gasthuizen op om de vreemdelingen te herbergen. Het gasthuis werd vernoemd naar de beschermheilige van de broederschap. Om reizigers die aankwamen als de stadspoort gesloten was, toch onderdak te kunnen bieden, werden ook buiten de poorten gasthuizen ingericht. Ook gasthuizen voor besmettelijke zieken en geesteszieken waren buiten de stadspoorten gelegen.[2]

De bouw van een gasthuis begon doorgaans met de oprichting van een kapel; de zorg voor de ziel ging voor die van het lichaam. De eerste gasthuizen bestonden uit een lange zaal die uitkwam op de kapel. De zaal had een schouw waarin een open vuur kon worden ontstoken. De bedden stonden langs de kanten en de gasten konden zich warmen bij het open vuur. De zaal had een opzichter, die in dienst was van de beherende broederschap. Hij zorgde voor het schoonhouden van de inrichting en hield orde onder de gasten. Omdat de broederschappen alle vormen van barmhartigheid wilden betrachten, begonnen ze de gasten zo nu en dan ook te voeden en te laven. Na verloop van tijd kreeg dit meer omvang en werd het regel. Nog later werd ook voedsel uitgereikt aan arme inwoners van de stad en ontstonden de zogenaamde 'armenpotten'.[2]

De ontwikkeling zette zich door en de gasthuizen gingen ook hulpbehoevende gasten opnemen voor meerdere nachten, zodat ze duurzaam onderhouden en ook verpleegd konden worden. Gewoonlijk gold deze zorg zieken en bejaarden. Maar langzaamaan werd de zorg uitgebreid en ontstonden verschillende soorten gasthuizen, elk met een eigen doelgroep. Voorbeelden van doelgroepen zijn zieken en bejaarden, pelgrims op weg naar een bepaalde bedevaartplaats, leden van een bepaald gilde.[2]

De meeste van deze vormen van middeleeuwse gasthuizen hebben zich in de loop der tijd niet kunnen handhaven. Met de groei van het reizigersverkeer groeide het aantal herbergen en verloor het gasthuis de hotelfunctie. Het aantal gasthuizen liep daardoor sterk terug. Een aantal gasthuizen nam in de 17e eeuw een chirurgijn in dienst. Die kreeg een verbandzaal tot zijn beschikking, waarin hij operaties uitvoerde. Later gingen ze ook doctoren toelaten en ontwikkelden deze gasthuizen zich tot ziekenhuizen. Andere gasthuizen gingen zich toeleggen op huisvesting, verzorging en verpleging van ouden van dagen. De welgestelden onder hen konden eigen kamers huren, terwijl de minder bedeelden op zalen werden ondergebracht. Er waren aparte zalen voor mannen en vrouwen, waardoor arme echtparen gescheiden werden. Veel van deze gasthuizen zijn geëvolueerd tot moderne verpleeg- en verzorgingshuizen.[3]

Gasthuizen per plaats[bewerken]

Amsterdam[bewerken]

In Amsterdam bevond zich het Binnengasthuis bij de Grimburgwal. Voor de alteratie in 1578 waren hier het Oude en Nieuwe Nonnenklooster, nadien het Sint Pietersgasthuis. Sinds de opening van het Buitengasthuis in 1635, werd het oorspronkelijke gasthuis Binnengasthuis genoemd. In 1981 verhuisde het Binnengasthuis, samen met het Wilhelminagasthuis, naar het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam Zuidoost. Sindsdien is het terrein van het Binnengasthuis grotendeels in gebruik bij de Universiteit van Amsterdam.

Arnhem[bewerken]

De Drie Gasthuizen

Bredevoort[bewerken]

Gasthuis (Bredevoort)

Delft[bewerken]

Reinier de Graaf Gasthuis

Deventer[bewerken]

Natuurstenen grenspaal bij Lettele, die ooit de landerijen markeerde van het Heilige Geest Gasthuis te Deventer.

Vanaf de 13de eeuw ontstonden in Deventer diverse gasthuizen, waaronder het Geertruidengasthuis, het Sint-Elisabeths- en Sint-Jurriëngasthuis, het Voorster Gasthuis en het Heilige Geest Gasthuis. Veelal waren deze gasthuizen aan kloostergemeenschappen verbonden. Het Heilige Geest Gasthuis, het oudste, was al in 1267 gevestigd op de hoek van de Brink en de Kleine Overstraat. Aanvankelijk was het huis ingericht als slaapplaats voor armlastige reizigers en vreemdelingen. Later vonden ook zieken en bejaarden er onderdak. In 1645 werd het gasthuis verplaatst naar het inmiddels verdwenen Meester Geertshuis aan de Bagijnenstraat, dat ooit door Geert Grote was gesticht.[4]

Inkomsten kwamen naast giften vooral uit grondbezit. Het Heilige Geest Gasthuis bezat gronden rond Deventer, die werden verpacht. De grenzen van deze landerijen werden aangegeven door natuurstenen paaltjes met het opschrift “G†G”, zoals er op de Enk bij Lettele nog een is terug te vinden.[5]

Gouda[bewerken]

Het Catharinagasthuis aan de Oosthaven te Gouda

Het Catharina Gasthuis in Gouda dateert uit de 14e eeuw en heeft tot 1910 dienstgedaan als ziekenhuis. Na de komst van het Van Itersonziekenhuis werd er een bejaardenhuis van gemaakt. Deze functie vervulde het gebouw tot 1938. Na negen jaar van leegstand werd het gebouw in 1947 geschikt gemaakt als museum het Catharijne Gasthuis, het latere MuseumgoudA. Het Sint Elisabeth Gasthuis in Gouda stond oorspronkelijk aan de Spieringstraat, verhuisde in 1577 naar de Kleiweg. Het gebouw deed dienst als bejaardentehuis voor vrouwen. Na de komst van een nieuw verzorgingstehuis (Huize Juliana) in 1938 werd het gebouw aan de Kleiweg afgebroken.

Groningen[bewerken]

Het Middengasthuis aan de Kleine Rozenstraat in Groningen

In Groningen wordt het begrip gasthuis voornamelijk gebruikt voor wat in andere steden een hofje wordt genoemd. Sommige van de Groningse hofjes hebben overigens wel de functie van gasthuis gehad.

In alfabetische volgorde: Aduardergasthuis, Affien Olthofsgasthuis, Juffer Tette Alberdagasthuis, Sint Anthonygasthuis, Gerarda Cockinghagasthuis, Corneliagasthuis, Doopsgezind Gasthuis, Jacob- en Annagasthuis, Jan Luitjes of Jannes Baroldigasthuis, Latteringegasthuis, Juffer Margarethagasthuis, Sint Martinusgasthuis, Middengasthuis (Kleine Rozenstraat), Middengasthuis (Grote Leliestraat), Pelstergasthuis, Pepergasthuis, Pieternellagasthuis, Remonstrants Gasthuis, Schoonbeeks of Wytzesgasthuis, St. Annengasthuis, Typografengasthuis, Ubbenagasthuis, Anna Varwersgasthuis, Gasthuis voor den Werkende stand en Zeylsgasthuis.

's-Hertogenbosch[bewerken]

Groot Ziekengasthuis, locatie van het Jeroen Bosch Ziekenhuis.

Leeuwarden[bewerken]

Leeuwarden kent een aantal gasthuizen, de bekendste is het Sint Anthony Gasthuis tussen de Grote Kerkstraat en de Groeneweg. De panden van het Sint Anthony Gasthuis zijn te herkennen aan de gouden bel aan de gevel. Dit is een symbool van Sint Anthonius net als het varkentje, de rozenkrans, een staf in de vorm van een T, een boek en een fakkel. Het Gabbema Gasthuis aan de Wijbrand de Geeststraat en het Marcelis Goverts Gasthuis aan de Noordersingel deze is thans in gebruik als hospice. In de omgeving van de Grote of Jacobijnerkerk liggen een drietal hofjes: Het Boshuisengasthuis, het Luilekkerland en het oude Ritske Boelema-Gasthuis. Deze laatste is een aantal jaar geleden omgebouwd tot 3 woonhuizen.

Maastricht[bewerken]

Maastricht telde in 1500 dertien gasthuizen; in 1626 waren er daarvan nog maar zes over. Binnen de claustrale singel van het Sint-Servaaskapittel lagen het Sint-Servaasgasthuis en het Sint-Jacobsgasthuis, die zich beide primair op zieke en behoeftige bedevaartgangers richtten. Vanaf de zestiende eeuw nam het aantal pelgrims in Maastricht sterk af, waardoor veel gasthuizen verdwenen of zich op andere doelgroepen gingen richten.[6]

Rotterdam[bewerken]

Het Sint Franciscus Gasthuis is oorspronkelijk opgericht voor kosteloze opname van arme Rooms-katholieke zieken.

De ingang aan de Boterstraat in Utrecht van het St. Eloyen Gasthuis

Utrecht[bewerken]

De plaats Utrecht telde 18 of meer gasthuizen, met als oudste het voormalige Catharijnegasthuis dat uiterlijk in 1133 werd gesticht door johannieters. Zieke smeden werden gedurende vele eeuwen verzorgd en verpleegd in (de directe omgeving van) het eigen gildehuis, het thans nog bestaande Sint Eloyen Gasthuis. In 1858 werd door F.C. Donders het Ooglijdersgasthuis opgericht, wat ook wel het Nederlandsch Gasthuis voor Behoeftige en Minvermogende Ooglijders genoemd werd.

Zaltbommel[bewerken]

Groote Bommelsche Gasthuis

Zwolle[bewerken]

In Zwolle bevindt zich het Pestengasthuis dat haar naam heeft ontleend aan het feit dat hier mensen met de pest werden behandeld.

Zie ook[bewerken]