Beleg van Leiden (1573-1574)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Reviewer's Award nl.png Dit artikel ondergaat een review. Denk mee, help mee, geef commentaar op de review-pagina.
Beleg van Leiden (Leidens Ontzet)
Onderdeel van de Tachtigjarige Oorlog
Leidens ontzet door Otto van Veen, gemaakt tussen 1574 - 1629.
Datum 30 oktober 1573 - 3 oktober 1574
Locatie Leiden, Nederlanden
Resultaat Staatse overwinning
Strijdende partijen
Prinsenvlag.svg Nederlandse opstandelingen Flag of New Spain.svg Leger van Vlaanderen
Leiders en commandanten
George de Montigny, heer van Noyelles
Dirk van Bronkhorst
Jan van der Does
Jacob van der Does
Pieter Adriaansz. van der Werff
Willem van Oranje
Lodewijk van Boisot
Francisco de Valdez
Hertog van Alva
Don Luis de Requesens
Troepensterkte
• ~ 600 man schutterij
• enkele honderden vrijbuiters
• ~ 800 man garnizoen[1]
9.000 à 10.000 man[2]
Verliezen
ruim 2000 tot bijna 6000 inwoners[3] ?
Portaal  Portaalicoon   Tachtigjarige Oorlog
Leiden

Het Beleg van Leiden was de belegering van Leiden door het Spaanse leger tijdens de eerste fase van de Tachtigjarige Oorlog, de Nederlandse Opstand. De belegering vond plaats van 30 oktober 1573 tot 3 oktober 1574, met een onderbreking van een maand in het voorjaar van 1574. Het beleg eindigde met de bevrijding van de stad. Het werd het meest heroïsche beleg tijdens de Opstand.

De Opstand was in 1573 door de Spaanse landvoogd Alva bijna in de hele Nederlanden neergeslagen. Het verzet hield alleen nog stand in delen van Holland en Zeeland. In oktober 1573 werd Leiden het volgende doelwit van Alva. Generaal Francisco de Valdez kreeg de opdracht om het beleg uit te voeren. Valdez sloot de stad met forten en schansen af van de buitenwereld in een poging de stad door verhongering tot overgave te dwingen.

Oranje vroeg zijn broer Lodewijk van Nassau een afleidingsmanoeuvre in het oosten van de Nederlanden uit te voeren om het Spaanse leger weg te lokken van Leiden. Bang dat hun toevoer doorsneden zou worden, hieven de Spanjaarden de belegering op en trokken naar het oosten. Bij Mook volgde in april 1574 een veldslag waarin het leger van Lodewijk verpletterend werd verslagen. Vlak daarna hervatten de Spanjaarden de belegering van Leiden.

In de maanden daarna ontstonden voedseltekorten in de stad en de bevolking dreigde gaandeweg te verhongeren. Zou Leiden vallen dan zou ook Delft onhoudbaar zijn geworden en was mogelijk de opstand gesmoord. In een wanhoopsdaad stemden de Staten van Holland in met het plan om een groot deel van het zuiden van Holland onder water te zetten om zo de Spaanse troepen te verdrijven.

Na het doorsteken van de dijken rukten geuzen met bewapende platbodems door het water richting de omsingelde stad. In de nacht van 2 op 3 oktober verliet het Spaanse leger de laatste schans op de weg naar Leiden. De dag erop voeren de geuzen met bootjes Leiden binnen en deelden voedsel uit aan de hongerige bevolking. Ter herdenking van de belegering en het ontzet van de stad wordt in Leiden ieder jaar op 3 oktober Leidens Ontzet gevierd.

Voorgeschiedenis[bewerken | bron bewerken]

De Nederlanden in het jaar 1573. De Opstand beperkte zich tot Zeeland en Holland.

In de tweede helft van de 16e eeuw kreeg de reformatie voet aan de grond in de Nederlanden. Op gezag van de Spaanse koning en heer van de Nederlanden, Filips II, werd de nieuwe religie onderdrukt. De onvrede die daardoor ontstond werd versterkt door de centraliseringsdrang van Filips II en de economische malaise. Met de beeldenstorm kwam het in 1566 tot een uitbarsting. Daarop benoemde Filips II de hertog van Alva tot landvoogd van de Nederlanden met de opdracht om orde op zaken te stellen.[4]

Alva kwam in 1567 in de Nederlanden aan met een leger van 10.000 man. Zijn harde aanpak had een averechts effect, en protestanten en gematigde katholieken kwamen tegen hem in verzet, onder leiding van Willem van Oranje. Aanvankelijk leden de opstandelingen nederlagen, maar in 1572 slaagden de watergeuzen erin om Den Briel te veroveren. Vanuit die stad werden andere steden in Zeeland en Holland, al dan niet met geweld, overgehaald zich aan te sluiten bij de opstand. Gaandeweg volgden steeds meer steden in de rest van de Nederlanden hun voorbeeld.[5]

Alva en zijn zoon Don Frederik begonnen datzelfde jaar een strafexpeditie tegen de opstandige steden. Daarbij werden Mechelen, Zutphen en Naarden bruut geplunderd. Bang geworden gaven veel steden zich zonder slag of stoot over. Alleen steden in Holland en Zeeland staakten hun verzet niet, de opstand was daar al diep geworteld. Voor hen was een grens overschreden en op genade van de Spaanse overheid kon niet meer gerekend worden.[6] Daarom verhardden zij in hun strijd in plaats van zich over te geven.[7]

Don Frederiks snelle opmars haperde begin 1573 bij Haarlem. Het kostte hem ruim zeven maanden om de stad in te nemen en na afloop werden het garnizoen en prominente burgers omgebracht.[8] Hierna richtte hij zijn aanval op het noordelijk deel van Holland, maar zijn volgende belegering, bij Alkmaar, mislukte doordat de opstandelingen het land rond de stad onder water zetten. Het strategisch gelegen Leiden werd het volgende doelwit en Alva gaf zijn generaal Valdez de opdracht om de stad in te sluiten.[9]

Situatie in Holland en Zeeland[bewerken | bron bewerken]

Leiden in het midden van de zestiende eeuw[bewerken | bron bewerken]

Leiden en omgeving in het derde kwart van de zestiende eeuw, door Jacob van Deventer.

Leiden was een van de vijf hoofdsteden van het middeleeuwse Holland, naast Dordrecht, Haarlem, Delft en Gouda. In de vijftiende eeuw kwam daar nog Amsterdam bij.[10] De stad had haar groei en welvaart te danken aan de lakenindustrie waarvan het hoogste productieniveau in de eerste decennia van de zestiende eeuw werd bereikt. Vanwege allerlei redenen zette de lakenindustrie daarna een daling in en kwam tegen 1560 zelfs tot stilstand. Door het wegvallen van werk nam verpaupering in de zestiende eeuw in hoog tempo toe.[11][12]

Leiden telde tijdens het beleg tussen de veertien- en vijftienduizend inwoners.[13] De stad had voornamelijk ouderwetse laat-middeleeuwse verdedigingswerken, bestaande uit rechte muren en halfronde muurtorens en was omgeven door een gracht.[14][13] Het stadsbestuur liet, gezien de politieke omstandigheden, uit voorzorg vier schansen rond de stad bouwen, om gevaar vroegtijdig te kunnen signaleren en te weerstaan.[15] De schansen lagen aan de Poelbrug, bij Ter Wadding, op de Steenweg naar Rijnsburg en bij Lammen.[16]

Hoewel meerdere stadsbestuurders de regering van Filips II actief steunden, koos Leiden in 1572 de kant van de opstandelingen. Dat was voornamelijk het werk van enkele voormalige ingezetenen die de stad in 1567 hadden verlaten vanwege de repressie die volgde op de Beeldenstorm, en die in juni 1572 terugkeerden. Vooral Pieter Adriaansz. van der Werff, Jan Cornelisz. Paedts van Santhorst, Huych Jansz. van Alckemade en Willen Jan Reyersz. van Heemskerck speelden een grote rol in de beslissing om aan te sluiten bij de opstandelingen.[17] Kort daarna kwamen de geuzenlegers de stad binnen en werden kerken en kloosters geplunderd. De eerste gereformeerde dienst werd op 20 juli 1572 gehouden in de Vrouwekerk.

Als reactie op de antikatholieke maatregelen verlieten veel katholieken de stad, evenals een aantal regeringsgezinden, onder wie zestien leden van de bestuurlijke elite, de zogenaamde ‘glippers’.[18][19] De vrijgekomen plaatsen in het bestuur werden opgevuld door opstandelingen, maar een streng gereformeerde signatuur kreeg het stadsbestuur niet.[20] Een aantal glippers keerden terug, nadat zij op 6 september 1572 gewaarschuwd werden dat hun bezittingen geconfisqueerd zouden worden als zij wegbleven. Ze keerden niet allemaal terug; uit teruggevonden rekeningen blijkt dat van tachtig personen de goederen werden geconfisqueerd, maar het werkelijke aantal ligt waarschijnlijk hoger.[21] Toen Spaanse troepen de stad naderden, vluchtten opnieuw katholieke inwoners de stad uit.

De schutterij vormde de ruggengraat van de verdediging. Zij telde 600 leden die tijdens de belegering werden ondersteund door enkele honderden vrijwilligers of vrijbuiters. De vrijbuiters werden geleid door Andries Allertsz en na zijn dood door Jan van der Does. Daarnaast beschikte de militaire gouverneur van Leiden, George de Montigny, heer van Noyelles, tijdens het eerste beleg over 800 Waalse soldaten.[1] De militair gouverneur tijdens het tweede beleg was Dirk van Bronkhorst die na zijn dood werd vervangen door Jan en zijn aanverwant Jacob van der Does. De vier burgemeesters ten tijde van de belegering waren Pieter van der Werff, Cornelis van Noorden, Cornelis van Zwieten en Jan Halfleiden. Zij waren over het algemeen gematigd in hun optreden, alleen Van der Werff was een fanatieke voorvechter van de opstand.[13]

Het Spaanse leger in de Nederlanden[bewerken | bron bewerken]

Francisco de Valdez, prent uit 1649, door Cornelis Visscher. De Valdez had als Spaans generaal de leiding over de belegering.

De Spaanse koning Filips II wilde de Opstand in de Nederlanden zo snel mogelijk breken. Hij en zijn adviseurs waren bang dat anders ook in andere Spaanse bezittingen, zoals Napels en Milaan een opstand zou uitbreken.[22] Met krachtig optreden dachten zij dit te kunnen bereiken. Het leger werd daarom uitgebreid om maximale militaire druk te kunnen uitoefenen. De kosten hiervan waren enorm, maar de regering verwachtte dat het verzet snel gestaakt zou worden. Het lukte Alva echter niet om de opstand snel te onderdrukken, waardoor de oplopende kosten leidden tot financiële problemen. De regering in Brussel was voor de betaling van het leger vrijwel volledig afhankelijk van geldzendingen uit Spanje. Het geld dat binnenkwam was lang niet voldoende om de kosten te dekken. De betalingsachterstand van soldij was in augustus 1573 opgelopen tot 7,5 miljoen florijnen.[8]

Het Spaanse leger in de Nederlanden bestond in maart 1574 uit 86.000 manschappen en was daarmee het grootste leger van het zestiende-eeuwse Europa.[23] Het was een huurlingenleger, waarin naast huursoldaten uit Spanje en de Nederlanden ook Duitse en Zwitserse landsknechten dienden. Van het totaal aantal manschappen bestond zo’n 12.000 man uit cavalerie.[24] De manschappen uit Spanje vormden de elitetroepen in de Nederlanden.[25] Zij waren ervaren strijders en de kans op desertie was kleiner dan van huurlingen uit andere landen, vanwege de grote afstand naar hun thuisland. In 1573 kwamen 3000 van hen vanuit Italië, via de Spaanse weg, aan in de Nederlanden.[26] In het veld was het Spaanse leger superieur aan het opstandelingenleger en de infanterie was, volgens historicus J.W. Wijn, de beste van Europa.[27]

Het Spaanse leger had tijdens de jaren zeventig van de zestiende eeuw te maken met grote verliezen. Een deel werd veroorzaakt door ziekte en sterfte, maar het grootste deel kwam door desertie. De troepen hadden voortdurend te maken met honger en andere tegenslagen. Tussen mei 1572 en augustus 1573 verloor de Spaanse infanterie gemiddeld 2 procent van de manschappen per maand. Tussen maart 1574 en mei 1576 was dit maandelijks 1 procent. Onder de niet-Spanjaarden bedroeg het verlies zelfs tussen de 2 en 7 procent per maand.[28]

Eerste beleg[bewerken | bron bewerken]

Omsingeling en verloop[bewerken | bron bewerken]

Boomgaard behorende bij klooster Lopsen, net buiten de Rijnsburgerpoort werd in 1573 gekapt, zodat voedsel niet in Spaanse handen kon vallen. Een man begint in het midden aan het kappen van de laatste boom. Door Lucas Arentsz. in 1573.

Rekening houdend met een naderende belegering, verordende het stadsbestuur in november 1572 in overleg met Willem van Oranje het neerhalen van alle boomgaarden, tuinen, huizen en schuren buiten de stadsgracht. Het voorkwam dat Spanjaarden het zouden gebruiken als beschutting, en de stad kreeg een vrij schootsveld. Hierna werd alles tot een halve mijl, of een half uur gaans van de stad verwijderd. In een volgende fase werden kastelen, kloosters en kalk- en steenovens in een ruime omtrek van de stad gesloopt. Restanten werden zoveel mogelijk naar de stad gebracht zodat die niet in handen van de tegenstander konden vallen. Om de voedselvoorziening niet in gevaar te brengen bleven de korenmolens draaien zolang de vijand niet in de buurt kwam. Toen de Spanjaarden Leiden naderden, werden de houten standaardmolens snel ontmanteld en binnen de stad op de wallen herbouwd.[29]

Het Spaanse leger splitste zich na de mislukte belegering van Alkmaar op en een deel zette onder Romero door naar Rijnland. Daar trok het via Wassenaar en 's-Gravenzande naar het onvoltooide fort van Maassluis. De opmars verliep zo snel dat de Spanjaarden bij Maassluis Marnix van Sint-Aldegonde, een belangrijke medewerker van Oranje, gevangen konden nemen. Na Maassluis namen zij Vlaardingen in.[30] Valdez zelf ging naar Den Haag en Delft. De eerste stad nam hij zonder problemen in, maar de aanval op Delft mislukte. Daarop sloeg hij op 30 oktober een beleg om Leiden.

De eerste fase van de belegering bestond uit het bezetten van het omliggende platteland.[31] Valdez betrok de bestaande schansen rondom de stad en liet ook nieuwe schansen oprichten. Hij vormde de dorpen Leiderdorp, Zoeterwoude, Leidschendam en Voorschoten om tot forten met wallen en grachten. Objecten in en rond de dorpen liet hij afbreken zodat de vrijgekomen materialen gebruikt konden worden bij de bouw.[32]

Binnen enkele weken was Leiden bijna volledig van de buitenwereld afgesloten. Aan de noordzijde was Leiden vanuit Haarlem en Amsterdam niet bereikbaar door de Spaanse bezetting van de Haarlemse en Leidse meren. Via de Oude Rijn ten westen en oosten was de stad ook niet te bereiken. Alleen vanuit het zuiden, aan de kant van Gouda en Delft, was het door het waterrijke gebied nog enigszins mogelijk van en naar de stad te reizen. Zo konden boden nog over en weer gestuurd worden, hoewel dat levensgevaarlijk was.[33][34] Beide partijen vernielden kloosters en kastelen om te voorkomen dat de tegenpartij er voordeel uit kon halen. Zo werden de abdij van Loosduinen, de abdij van Leeuwenhorst en het kasteel Keenenburg door de opstandelingen gesloopt. De Spanjaarden op hun beurt sloopten Huis te Warmond op 6 december 1573.[35]

Tijdens het eerste beleg was de voedselvoorziening in de stad redelijk. Leiden bezat een voorraad graan die groot genoeg was om een lange belegering uit te kunnen zitten. Het graan, dat bedoeld was voor het geval Haarlem ontzet zou worden, was blijven liggen toen Haarlem in Spaanse handen viel. Binnen de stad bevonden zich veel gevluchte boeren die hun vee hadden meegebracht. De koeien konden overdag buiten de poorten geweid worden, omdat de Spanjaarden ver genoeg weg waren. De belegerden verzamelden ook stiekem hooi uit de omgeving voor de paarden in de stad.[36]

Door de ruime aanwezigheid van voedsel heerste gedurende de vijf maanden die de eerste belegering duurde, geen hongersnood in de stad.[37] Om voedsel te besparen mochten naar de stad gevluchte personen vanaf 3 januari 1574 uit de stad vertrekken. Eind januari begon de stad met uitdeling van brood aan de armen.[36] Vanaf 5 maart 1574 kon iemand die wilde vertrekken zelfs een paspoort krijgen.[38] In het voorjaar legden warmoezeniers kooltuinen vlak onder de wallen aan. Van deze kooltuinen zou dankbaar gebruik gemaakt worden tijdens de tweede belegering.[39]

Anders dan bij Haarlem en Alkmaar kozen de belegeraars ervoor de stad niet actief te belegeren. Niet beschieten en aanvallen, maar uithongeren werd de aanpak. Het ontbrak hen aan kanonnen van zwaar kaliber,[34] en daarnaast leerde de ervaring met Haarlem en Alkmaar dat een actieve belegering de overwinning niet dichterbij bracht.[40] De afwachtende houding van de Spanjaarden leidde tot verwarring bij de opstandelingen. Willem van Oranje gaf op 17 november vanuit Delft aan, dat hij niet wist wat de Spaanse bedoelingen waren en op welke stad ze het hadden voorzien, omdat hij geheel omsingeld en omringd was door vijanden.[33]

Kort na het begin van de belegering, in december 1573, werd Alva na zes jaar dienst in de Nederlanden, teruggeroepen.[41] Zijn aanpak had niet gewerkt.[42] Zijn opvolger was Don Luis de Requesens, die op dat moment gouverneur van Milaan was en die een gematigder beleid moest voeren.[43][44]

Noodmunten[bewerken | bron bewerken]

Papieren noodmunt van een kwart gulden uit 1574, gemaakt van oud samengeperst drukwerk.

Tijdens de belegering had het stadsbestuur een tekort aan contant geld, waardoor betalingen voor de verdediging in het gedrang dreigden te komen.[45] De steden Haarlem, Middelburg en Alkmaar hadden dat probleem aangepakt door noodmunten te slaan, maar Leiden had gebrek aan edelmetaal en bezat geen munthuis. De Leidenaren bedachten de oplossing om noodmunten te maken van papier. Een primeur, niet alleen voor Nederland maar voor heel Europa.[46]

Op 6 december 1573 vroeg Leiden toestemming om de munten te slaan aan Willem van Oranje, die op 12 december de gevraagde toestemming verleende. Meteen daarna gaf het stadsbestuur opdracht om muntstempels te snijden, dopbeitels te vervaardigen en vellen van drukwerk aan elkaar te lijmen tot dikke platen. Daarvoor werden onder meer boeken gebruikt met religieuze Latijnse teksten, zoals misboeken. Uit de platen werden vervolgens rondellen gedopt, waaruit met behulp van de stempels de munten werden geslagen. Het betrof munten van een gulden en munten van een kwart gulden.[47]

Op 19 december bracht de stad de eerste guldens in omloop en op 24 december volgden de eerste kwart guldens. In totaal liet Leiden 8000 guldens en iets meer dan 35.000 kwart guldens slaan.[48] Op 16 januari 1574 werden de eerste vervalsingen gesignaleerd. Het stadsbestuur riep alle burgers op hun papieren munten naar het stadhuis te brengen om ze te laten controleren en te laten kloppen om de echtheid aan te geven. Hierbij werden 11 valse guldens en 22 valse kwart guldens aangetroffen.[49] Naast papieren munten waren ook koperen noodmunten in omloop gebracht.

Na het terugtrekken van de Spanjaarden in het voorjaar van 1573, kondigde de stad aan dat zij van plan was het papieren geld in te trekken en zilverstukken in de plaats te geven. Daartoe werden zilveren munten ergens in de tweede helft van maart geslagen. Voor de productie ervan werd zilver gebruikt dat stadseigendom was en zilver dat ingezameld was bij kerken en gilden. De munten zijn in een kleine oplage uitgegeven, waarschijnlijk doordat Oranje er niet mee instemde dat de stad ze wou uitgeven boven de intrinsieke waarde.[50]

Het inwisselen van de papieren munten kon vanaf 28 maart. De meeste burgers boden een klein bedrag aan en kregen een vergoeding in natura, bestaande uit brood, rijst, vis of erwten. Inwoners die een groot bedrag wilden inwisselen, werden contant uitbetaald. Voor ongeveer 4500 gulden aan papiergeld werd niet ingewisseld. Mogelijk zijn de betreffende munten niet door het stadsbestuur verspreid. Het kan ook zijn dat munten verloren gegaan zijn of worden bewaard in openbare dan wel particuliere verzamelingen. Op 30 maart werden de koperen munten ingetrokken.[49][50]

Bij de tweede belegering liet het stadsbestuur nieuwe zilveren munten slaan. De koperen munten werden weer in omloop gebracht, maar nu tegen een lagere waarde: ze waren geklopt waarmee werd aangegeven dat ze de waarde hadden van een achtste stuiver. Na afloop van de belegering zijn alle koperen munten ingetrokken.[51]

Vanwege de fascinatie voor de geschiedenis van Leiden en de Opstand zijn na afloop van het beleg fantasie-noodmunten gemaakt. Het merendeel is van papier of karton en hoewel ze veelal overeenkomsten vertonen met de originele noodmunten, wijken ze qua stijl en formaat nogal af van de stukken die in officiële archivalische bronnen genoemd worden.[52]

Afleiding en de Slag op de Mookerheide[bewerken | bron bewerken]

Het eerste beleg van Leiden werd opgeheven na dreigingen van Lodewijk van Nassau in het oosten van de Nederlanden. Zijn leger werd verpletterend verslagen door een snel oprukkend Spaans leger bij de Slag op de Mookerheide, op 14 april 1574. Ets van Frans van den Wijngaerde, 1643 - 1645.

Willem van Oranje had geen mogelijkheden om de belegeraars bij Leiden aan te vallen. Hij had onvoldoende manschappen voorhanden en het Spaanse leger zat te goed verschanst. Willem vroeg zijn broer Lodewijk van Nassau om als afleidingsmanoeuvre met een leger de zuidelijke stad Maastricht aan te vallen, in de hoop zo de Spanjaarden weg te lokken van Leiden. In februari 1574 trok Lodewijk van Nassau met zijn troepen vanuit het huidige Duitsland naar Maastricht maar kon de vestingstad door het sterke garnizoen en goede bevoorrading niet veroveren.[53][54]

Noodgedwongen verliet Lodewijk de omgeving van Maastricht en trok langs de oostelijke oever van de Maas naar het noorden.[53] Het plan was dat hij zich bij Willem van Oranje zou voegen. Willem adviseerde Lodewijk om bij Varik de Maas over te steken. Dat bericht zou zijn broer echter niet meer bereiken.[55] Op 14 april 1574 stuitte hij bij verrassing op Spaanse troepen onder leiding van Sancho d'Ávila. Deze waren bij Grave via een tijdelijke schipbrug de Maas overgestoken en sneden Lodewijk iets zuidelijker bij Mook de pas af. Zowel Lodewijk, als Willems jongere broer Hendrik van Nassau sneuvelden in de Slag op de Mookerheide die toen ontstond.

Valdez, door Oranjes strategie bang geworden dat hij van bevoorrading zou worden afgesneden, had intussen het beleg van Leiden opgebroken en was met zijn troepen naar het oosten getrokken. En op 22 maart was er ook in de omgeving van Den Haag geen Spaanse soldaat meer te zien. Valdez was echter te laat om zich op de Mookerheide bij de troepen van d'Avila te voegen.[56] Zoals de Spaanse troepen gewend waren, eisten ze na de overwinning bij Mook hun soldij op. Het was echter gezien de financiële problemen onmogelijk hen meteen uit te betalen, waardoor muiterij uitbrak. Bijna was Valdez om het leven gebracht, maar hij wist de manschappen met succes weer in het gareel te krijgen.

Toen alle Spaanse troepen waren weggetrokken, ontsloeg Leiden het garnizoen van Waalse huursoldaten en gaf opdracht enkele schansen dicht bij de stad te slechten. Ondanks aandringen van Willem van Oranje liet het stadsbestuur na om de voedselvoorraden weer op peil te brengen. Het was ook niet eenvoudig om aan voedsel te komen. De oogsttijd moest nog komen, de landerijen rondom Leiden waren geruïneerd en er kon geen graan van Amsterdam worden gekocht, omdat die stad regerings-/Spaans gezind was. Valdez was op de hoogte van de krappe voedselsituatie in de stad en wilde de situatie uitbuiten.[57][58]

Tweede beleg[bewerken | bron bewerken]

Insluiting[bewerken | bron bewerken]

De Bilhamerkaart met de omsingeling van Leiden, gemaakt door Bilhamer ten tijde van het beleg. Bilhamer was een ingenieur voor het Spaanse leger en heeft wegen, waterlopen en schansen gedetailleerd afgebeeld op de kaart.[59] Kopie van T. Reets uit 1717 naar een origineel van Bilhamer.

Na de slag bij Mook pakten de Spanjaarden de belegering van Leiden snel weer op. Via Rhenen, Montfort, Woerden, Alphen en Zoeterwoude keerde Valdez terug naar de omgeving van Leiden. Rond 18 mei 1574 verschenen de eerste soldaten aan de oostzijde van de stad.[60] Vanuit meerdere kanten rukten de Spaanse troepen op, via de duinen vanuit Haarlem, via het Haarlemmermeer richting Leiderdorp, via de Rijn bij Schoonhoven en via de zijde van Alphen aan den Rijn. Hierdoor zagen de verdedigers zich gedwongen de krachten te verdelen.[61] De Spanjaarden bezetten in de nacht van 25 op 26 mei opnieuw de belegeringswerken, die de opstandelingen grotendeels onaangetast hadden gelaten. In de vroege ochtend van 26 mei ondernam Andries Allertsz. met een 30-tal vrijbuiters een verkenningstocht. Bij Leiderdorp liepen ze in een hinderlaag, waarbij Andries Allertsz. sneuvelde, samen met vier vrijbuiters.[62] Later die dag kwamen de Spanjaarden tot aan de stadsmuren en namen al het grazende vee mee; ze hadden geleerd van het eerste beleg.[63][64]

Willem van Oranje hoorde een maand na afloop van de nederlaag bij Mook. Het was hem op dat moment onduidelijk wat de bedoelingen waren van de Spanjaarden. Op 20 mei leek het erop dat zij het voorzien hadden op Gorcum of Zaltbommel. Spaanse soldaten waren inderdaad op weg naar Gorcum, maar toen zij zagen dat de stad goed versterkt was, gingen zij door naar de Betuwe. Op 26 mei werd Oranje geïnformeerd dat Spaanse soldaten onder leiding van Valdez gezien waren bij Leiderdorp en Leidschendam.[65]

Op 29 mei deden Spanjaarden een tevergeefse poging om Delft in te nemen, maar ze slaagden er wel in Den Haag te bezetten. Bernardino de Mendoza, een hoge Spaanse legerofficier, heeft een verslag nagelaten waarin hij de gebeurtenissen in de Nederlanden van 1567 tot 1577 beschreef. Hij vermeldt onder andere dat de Spaanse troepen in Den Haag gastvrij werden onthaald door katholieke inwoners en dat de Spanjaarden hoopten op een strenge winter waarin ze de bevroren stadsgracht van Leiden zouden kunnen oversteken.[66][67]

Begin juni was Leiden omsingeld door een 9.000 à 10.000 man sterk belegeringsleger. Anders dan tijdens de eerste belegering sloten niet minder dan drie linies de stad aan de zuidkant af. Deze lagen van Ter Wadding via Lammen naar Leiderdorp, van Ter Wadding via de versterkte dorpen Zoeterwoude en Voorschoten naar Leiderdorp en de laatste van Den Haag, Voorburg, Leidschendam, Zoetermeer naar Benthuizen en Hazerswoude. Naast deze linies bezaten de Spanjaarden ook vooruitgeschoven posten onder meer in het Westland. Zodoende was vrijwel heel zuidelijk Holland betrokken bij de belegering.[68]

De belegeraars beschikten over een gordel van schansen die de stad omsloten en nog werden uitgebreid. Aan de oostzijde waren de Rijn en de wegen daarlangs afgesloten door het tot fort omgevormde Leiderdorp. Dichter naar de stad, voorbij kasteel Rodenburg, lag de schans Roomburg. Met de klok mee lag de volgende schans ten zuiden van de stad bij Lammen, op een strategische plaats van waaruit de waterverbinding met Delft, Zoeterwoude en Leiderdorp, en de weg met Zoeterwoude beheerst konden worden. De Leidenaren hadden getracht de bouw te verhinderen door een aanval met zes schepen maar dit was mislukt. De schans die de Spanjaarden bouwden was waarschijnlijk niet dezelfde als de schans die de stad bij Lammen had laten aanleggen. Die van de stad lag waarschijnlijk op de andere oever, aan de stadszijde. De Rijn en de wegen ten westen van de stad werden afgesloten door middel van de Waddingerschans en de schans bij het galgenveld, die gereed kwam op 30 augustus.

De uitval op de Boshuyserschans op 29 juli 1574. Spanjaarden worden door schutters en vrijbuiters, gemarkeerd met een witte band om de arm, gedood. Rechts springen vrijbuiters met behulp van verrejagers over de polderslootjes. Links een schip op de Rijn dat hevig vuurt op Spanjaarden bij het galgenveld. Maker anoniem, uit eerste helft van de zeventiende eeuw.

De Spanjaarden bouwden de volgende versterking in de gordel, de Boshuyserschans, als een vooruitgeschoven post. Vanaf half juli werd de stad vanuit die schans met musketten beschoten. Verder van de stad, ten zuidwesten lag de Jaep Claesz. dubbelschans op het punt waar de Oude Vliet samenkwam met de Vliet. De Voskuil was een schans, ten noordwesten van Leiden, die de weg naar Oestgeest en Rijnsburg beheerste. Nabij de Voskuil lag de schans aan de Poelbrug die de Leidenaren hadden opgeworpen. Op 7 juni kwam deze in de handen van de Spanjaarden waardoor zij de koolvelden onder vuur konden nemen. Dichter op de stad, bij de Rijnsburgerpoort, trachtten de belegeraars een vooruitgeschoven post op te richten, maar een uitval vanuit de stad verhinderde dit. Ten noorden van de stad lag de schans bij de Kwakel die de rivier de Mare bewaakte. Een andere schans in het noorden lag aan de Broekweg om het grote weiland onder controle te houden. In het noordoosten beheerste de schans aan de Dwarswetering de plek waar de vaart in de Zijl uitkwam.[69]

Eind juli voerden de Leidenaren een grote uitval uit op de schans bij Boshuysen, van waaruit Spaanse troepen constant met musketten de stad in het vizier hielden. Een ieder die zijn hoofd boven de stadswal uitstak werd beschoten. Voorafgaand de uitval had het stadsbestuur beloningen in het vooruitzicht gesteld, zowel voor de eersten de schans wisten te bereiken als voor inwoners die een hoofd of een oor terugbrachten. Na de aanval zouden wel honderd Italiaanse en Spaanse hoofden zijn binnengebracht. De aanvallers maakten gebruik van flessen gevuld met buskruit en zwavel, die met een aangestoken lont naar de Spaanse troepen werden geworpen. Ondanks het succes bleef het bij deze uitval. Volgens Mendoza kwam dat door de verslechterende situatie in de stad: "Het leek alsof de stad niet bewoond was, want niemand verliet de stad of vertoonde zich op de muren".[70]

Situatie in Leiden[bewerken | bron bewerken]

mei - juli 1574[bewerken | bron bewerken]

Eerste burgemeester Van der Werff biedt zijn lichaam aan als voedsel voor de hongerige bevolking van Leiden, als zij zich maar niet zou overgeven aan de Spanjaarden. Deze bekende scene is in werkelijkheid niet voorgevallen en is bedacht om na de belegering de reputatie van de burgemeester op te poetsen. Geschilderd door Mattheus Ignatius van Bree in 1816 of 1817.

De voedselvoorraden waren door nalatigheid van het stadsbestuur niet op peil gebracht na de eerste belegering. Om te voorkomen dat schaarste zou leiden tot sterke prijsstijgingen stelde het bestuur eind mei voedselprijzen vast voor boter, kaas, rogge en tarwe. In juni lukte het geuzen en Leidenaren om schepen met voedsel de stad binnen te krijgen. De lading van de schepen, die door de geuzen veroverd waren, bestond uit hammen, bier, boter, manden met mondvoorraad, buskruit en kleding.[63]

De militaire gouverneur Noyelles was na het eerste beleg ontslagen vanwege losbandige gedrag. Oranje verving hem door Dirk van Bronkhorst. Hoewel de stad eigenlijk te weinig militairen bezat voor tegenacties, werd een groep Engelse soldaten de toegang tot de stad geweigerd. Dit om overlast te voorkomen. Op 29 mei nam Jan van der Does de leiding van de vrijbuiters over van de gesneuvelde Andries Allertsz.[71] Kort daarop werden de vrijbuiters uitgebreid met een nieuwe groep bestaande uit 151 Leidenaars, geleid door Johan van Duvenvoirde van Warmond.[72]

Eind juni nam de onrust onder de bevolking toe. Militair gouverneur Dirk van Bronkhorst liet hierop een galg voor het stadhuis plaatsen die als afschrikmiddel diende. Verder ging het stadsbestuur vanaf 3 juli brood uitdelen aan de armen. De bedeelden konden kiezen om hiervoor te betalen of als tegenprestatie te werken aan de vesten.[73] Burgers werden tevens verplicht om een eventueel overschot aan graan over te dragen aan het stadsbestuur, zodat dit herverdeeld kon worden. Er werden huiszoekingen gedaan om te controleren of mensen geen voedsel achterhielden.

Om voedsel te besparen werden op 6 juli katholieke glippers opgeroepen de stad te verlaten. Ditmaal werd erbij vermeld dat – in tegenstelling tot wat in 1572 gebeurd was – hun goederen niet geconfisqueerd zouden worden. Vrouwen van wie de man de stad was ontvlucht werden gedwongen om met hun kinderen te vertrekken. De mannen zouden de Spanjaarden hebben geholpen. Er zijn twee gevallen bekend van vrouwen met kinderen die, nadat zij de stad waren uitgezet, werden opgewacht door aanhangers van het bewind van Filips II. De groepen moesten zich uitkleden en naakt terugkeren naar de stad. In beide gevallen werden zij weer in de stad toegelaten.[74]

Rond 10 juli brak de pest uit in de stad. Vanaf 1 augustus mocht zoete melk niet meer los verkocht worden en mocht alleen nog worden gebruikt om boter en kaas te maken. Het restproduct karnemelk mocht wel verkocht worden. Daarnaast werd opgetreden tegen het verkopen van groente op de zwarte markt. Kennelijk waren er groenten beschikbaar die mogelijk binnen de stad werden geteeld of toch van sommige kooltuinen buiten de stad afkomstig waren.[75]

Het gros van de glippers was alleen uitgeweken om de uitkomst van de belegering af te wachten. Slechts enkelen van hen heulden actief met de Spanjaarden en schreven brieven aan het stadsbestuur. Daarin probeerden ze de bestuurders ervan te overtuigen dat de situatie uitzichtloos was en dat het beter zou zijn om de stad over te geven, zoals begin september zou blijken.[76]

Ondanks de druk dacht de harde kern van het Leidse bestuur niet aan overgeven. Deze groep bestond onder anderen uit: Jan van der Does, verantwoordelijk voor het stadsverdediging, stadssecretaris Jan van Hout en militair gouverneur Dirk van Bronkhorst. Zij vormden een minderheid maar waren vurige pleitbezorgers voor het voortzetten van het verzet. De overige bestuurders behoorden tot de afwachtende middengroep, en waren eerder handhavers van de gevestigde orde dan bestuurlijke vernieuwers. Warm liepen zij niet voor de Opstand.[77] Leden van de harde kern stonden in contact met geuzen buiten de muren met behulp van postduiven.[78]

augustus - oktober 1574[bewerken | bron bewerken]

Weergave van de ellende in de stad die ontstond vanwege gebrek aan voedsel en de uitbraak van de pest. Prent uit 1612 – 1614, door Willem de Haen.

De situatie verslechterde toen op 5 augustus het brood voor de armen op was. In plaats van brood ging het stadsbestuur over op het verkopen van moutkoeken. Vanaf deze periode gingen Leidenaren geld lenen of kostbaarheden verkopen om aan geld te komen. De armsten waren er het slechtst aan toe en voor het eerst moesten nu ook personen uit de middenklasse en de rijken inleveren. Een volkstelling werd uitgevoerd om te inventariseren hoeveel monden gevoed moesten worden. Hierbij werden 12.456 inwoners geteld. Ook keek men naar de voorraden die inwoners in huis hadden liggen. Blijkbaar konden de rijke inwoners nog putten uit hun voorraden.[79]

Een hongeroproer brak op 27 augustus uit onder de vrijbuiters. Zij dreigden hun dienst op te zeggen en de stad te verlaten als zij geen eten en drinken zouden krijgen. Ditmaal werden opnieuw alle huizen doorzocht voor voedsel. Alles werd meegenomen wat niet binnen veertien dagen nodig was zodat het uitgedeeld kon worden aan de armen. Voedsel mocht alleen gekocht worden als de eigen voorraad op was. Op 31 augustus was geen brood, kaas of groente meer voorhanden. Vanaf toen werden iedere dag tien á elf stuks vee geslacht en kreeg ieder gezin dat geen eten meer had per gezinslid twee pond vlees voor vier dagen.[80] Toen ook het rundvlees op begon te raken werden vanaf 24 september paarden geslacht om iedereen een pond vlees te geven voor twee dagen.[81]

Op 5 september kwamen twee brieven binnen uit het Spaanse kamp met vredesvoorstellen. Een brief was ondertekend door een uitgeweken katholiek en de ander door Valdez. Valdez beloofde het stadsbestuur gratie te schenken bij overgave. Van Bronkhorst lag op sterven wat een gevoelige klap was voor de haviken in het stadsbestuur. Eerste burgemeester Van der Werff nam de leiding over en vanwege de uitzichtloze situatie en de toenemende druk vanuit de bevolking, stelde hij voor om onderhandelingen aan te gaan en daarmee in te gaan op het voorstel van Valdez. De grote meerderheid van de stadsbestuurders was voor onderhandelen. Het waren Jan en Jacob van der Does en Jan van Hout die zich hier heel hevig tegen verzetten. Zij wezen op de voorbeelden van Haarlem en Naarden waar de bevolking werd afgeslacht ondanks beloften van de regering.[82] Onderhandelen zou ook eedbreuk naar Oranje betekenen. Opnieuw kwam een brief binnen op 8 september die opnieuw tot hevige discussies leidde. Bronkhorst was intussen aan de pest overleden en hij werd als militair gouverneur opgevolgd door Jan van der Does en zijn aanverwant Jacob van der Does. Het was de secretaris Jan van Hout die een oplossing bood voor de impasse. Hij liet alle bestuurders afzonderlijk hun wens uitspreken en zou dit noteren. Hierdoor bonden de meeste voorstanders van onderhandelen in, omdat zij niet als weifelaars te boek wilden staan.[34] Daarnaast wist men dat ontzet nabijkwam.[83]

Dat het stadsbestuur onder de druk van de verhongerende bevolking standvastig bleef, was mede te danken aan de schutterij. Die zorgde voor de verdediging van de stad en hielden de burgers in toom.[84] In 1577 zou de reputatie van Van der Werff opgepoetst worden door een uitgave met een passage waarin Van der Werff zijn lichaam zou hebben aangeboden aan de hongerige bevolking. Mogelijk is dit zelf door Van der Werff ingegeven aangezien hij in 1576 opnieuw burgemeester van Leiden werd.[85]

Doorsteken van de dijken[bewerken | bron bewerken]

Na het doorsteken van de Hoge Zeedijk (rechtsboven) liep het land onder water en konden bootjes oprukken richting Leiden. Ets uit 1623 - 1625, maker anoniem.

Spaanse veteranen hadden de stad ingesloten en versterkten de blokkade gedurende de zomer. Ondanks grootschalige desertie en dreigende muiterij leek het slechts een kwestie van tijd voordat de stad zou vallen.[86] Zou Leiden vallen dan was Delft ook onhoudbaar en was de Opstand mogelijk de kop ingedrukt.[31] Om dat te voorkomen zette Willem van Oranje alles op alles om Leiden te redden. Via postduiven informeerde hij de hongerende bevolking dat zij moest volhouden en dat hij de stad zou ontzetten.

Meerdere opties werden bekeken om Leiden uit deze benarde positie te krijgen. Een frontale aanval op de Spaanse posities of een afleidingsmanoeuvre werd onmogelijk geacht en hulp van de Franse hugenoten zou te lang duren. Met de landsadvocaat van Holland, Paulus Buys voerde Oranje overleg of in een wanhoopsdaad overgegaan kon worden op de impopulaire inundaties. De Staten van Holland gaven, na twee maanden overleg en mede door inspanningen van Paulus Buys,[87][88] uiteindelijk op 30 juli toestemming om de dijken door te breken.[89] Twee dagen later werd de plattelandsbevolking opgeroepen zich met have en goed te begeven naar de dichtstbijzijnde steden.[90] Uit angst dat hun huizen geplunderd zouden worden werd weinig gehoor gegeven aan de oproep. Op 7 augustus werd daarom een nieuwe oproep gedaan.[90]

Het was een riskante poging. Het water moest immers helemaal vanuit de Maas en IJssel komen omdat die rivieren nog onder controle waren van de opstandelingen, in tegenstelling tot het IJ. Een groot deel van Zuid-Holland zou overstromen. Daarbij was het vooraf helemaal niet zeker dat het water het hoger gelegen Rijnland en Leiden zou bereiken. Dat zou afhangen van de wind en regenval. Tot slot was men bang dat landerijen voorgoed zouden vergaan.[68]

Er werd niet gewacht tot het hele platteland was ontruimd. Op 3 augustus werd opdracht gegeven dijken langs de Maas en de Hollandse IJssel, bij Capelle aan den IJssel, IJsselmonde en Rotterdam, op zestien plaatsen door te steken.[90] Het doorgraven van de dijken gebeurde gecontroleerd zodat de dijklichamen niet zouden verzwakken bij het binnenstromen van het water. Na 14 augustus werden ook de sluizen bij Vlaardingen, Schiedam en Rotterdam geopend.[91] Om te zorgen dat het water de achterliggende gebieden zou bereiken moesten ook polderdijken doorgestoken worden. Dit werk werd uitgevoerd door tientallen, zo niet honderden pioniers die door de dorpen en steden aangesteld werden. In een latere fase werden nog eens 640 pioniers geworven om de inundatie te versnellen.[92]

Aanval en bevrijding[bewerken | bron bewerken]

Met een stippellijn op de kaart is de opmars van de geuzenvloot weergegeven. Kaart van J.W. de Jongh circa 1900.

Een ontzettingsvloot van ondiep stekende schepen werd samengesteld die over het ondergelopen land kon varen. Een maand na het doorsteken van de eerste dijken was een vloot van 320 schepen verzameld waarvan een deel bestemd was voor de aanval en een deel voor het transport.[93] De schepen werden waarschijnlijk rondom de steden gevorderd. De bevelhebber over de vloot was Louis de Boisot die over zeventig galeien beschikte die elk 27 tot 36 bemanningsleden telde. Deze galeien vormden de aanvalsvloot en waren bewapend met kleine kanonnen als bassen en gotelingen vanwege het lichte gewicht. De aanvalsvloot werd gevolgd door een vloot van 250 kleine vaartuigen die soldaten, oorlogstuig en levensmiddelen vervoerden.[94]

Na het gebied verkend te hebben en het water voldoende was gestegen, vertrok op 10 september de vloot vanuit Rotterdam. Op 11 september werd hevig geschoten om de controle te krijgen over de Landscheiding, bestaande uit een lange hooggelegen weg, tussen het Rijnland en Delfland. Deze moest doorgraven worden om het waterpeil in Rijnland te laten rijzen. Vier dagen later in de nacht van 15 op 16 september werd het Leidse stadsbestuur via boden geïnformeerd dat de Landscheiding was doorstoken en dat het moest volhouden. De inhoud van de brief werd aan de Leidenaren kenbaar gemaakt om het moreel hoog te houden.[95]

Soldaten delen eten uit vanuit bootjes na het ontzet. Prent uit 1612 - 1614 door Willem de Haen.

Tussen de Landscheiding en Leiden lagen nog twee verhoogde wegen, de Groeneweg en de Voorweg. De Groeneweg werd door de geuzen op 12 september veroverd, maar zij leden een nederlaag bij de Voorweg, net voor het Zoetermeerse Meer, waar Valdez zich goed had verschanst. Via een omtrekkende beweging, op aanraden van mannen die vertrouwd waren in de omgeving, werd een andere route gevonden. Daar stuitten zij op 19 en 20 september op een onbewaakte dijk van Rijnland die meteen doorgestoken werd.[95] Een dag later kon de vloot doorvaren naar de Noord Aa, ten noorden van het Zoetermeerse meer. Vanaf dat punt stokte de opmars omdat het waterpeil nog niet voldoende was gestegen.[96] Na verloop van tijd draaide de wind en regende het dagenlang waardoor het waterpeil op 1 oktober voldoende was gestegen.[97][98] Volgens Valdez was het platteland verworden tot een oceaan.[99] Valdez, die zich teruggetrokken had op Zoeterwoude en de plaats versterkte en de dijken verhoogde, moest zich ook hier terugtrekken door hevig artillerievuur en het stijgende water. Door het stijgende water brak paniek uit in het Spaanse kamp en sloegen de soldaten op de vlucht. De laatste grote schans tussen de stad en de geuzenvloot was de Lammenschans maar ook deze werd in de nacht van 2 op 3 oktober door de Spanjaarden verlaten.[100][101] Het was een Leidse straatjongen die als eerste de verlaten Lammenschans verkende en daar volgens de legende een ketel met hutspot vond.[95]

Nederlandse bevoorradingboten konden hierna de stad binnenkomen met voedingsmiddelen die vervolgens vanuit het St. Jacobsgasthuis werden verdeeld. Mannen, vrouwen en kinderen kregen allen een half brood, met een stuk kaas en een pekelharing. Velen zouden zich dood gegeten hebben omdat zij al lang geen brood meer gegeten hadden en hun spijsvertering de overvloed niet aankon.[81] Naar schatting kwamen ruim 2000 tot bijna 6000 inwoners om het leven,[3] waarvan de meesten in de laatste maanden door ondervoeding maar voornamelijk aan de pest en andere besmettelijke ziekten. Slachtoffers vielen onder alle bevolkingsgroepen maar de armsten hadden een grotere kans te sterven.[102]

Het ontzet was van doorslaggevende betekenis. De Spanjaarden ontruimden de omgeving en voor Zeeland, Zuid-Holland en Noord-Holland boven de steden Haarlem-Amsterdam was de opstand nu zo goed als buiten gevaar.[97] Het beleg zou het meest heroïsche worden tijdens de Opstand.[103]

Nasleep[bewerken | bron bewerken]

Gevolgen voor Leiden[bewerken | bron bewerken]

Uitsnede van een gebrandschilderd glas-in-loodraam van de Sint-Janskerk in Gouda, waarop Willem van Oranje en het ondergelopen land staan afgebeeld tijdens het beleg van Leiden.

In Leiden werden enkele dagen na het ontzet door Willem van Oranje vier nieuwe burgemeesters en acht nieuwe schepenen benoemd. Daarnaast wijzigde hij de Veertigraad, waaruit de burgemeesters gekozen werden, en bracht het aantal raadsleden omlaag naar achtentwintig. De ingreep was een duidelijk schending van de stedelijke privileges, maar Oranje vond de zuivering nodig omdat de stad bijna was overgegeven aan Valdez. Door de maatregelen kwamen personen in het stadsbestuur waarvan Oranje wist dat zij de opstand ten volle ondersteunden.[104] Zelfs Van der Werff moest het veld ruimen als burgemeester. Bij de zuivering werden niet alle katholieken verwijderd. Wel kregen de haviken nu de overhand in het stadsbestuur.[84] Pas bij het sluiten van de Pacificatie van Gent in 1576 werd het aantal raadsleden weer teruggebracht tot veertig. Ook mochten glippers vanaf toen terugkeren naar de stad en hun geconfisqueerde goederen terugkrijgen. Wel moesten zij trouw beloven aan de prins van Oranje.[105]

Als bekroning van het volhouden werd Leiden uitgekozen om de eerste universiteit van de opstandelingen te krijgen.[101] Op 8 februari 1575 werd de Universiteit Leiden door de Staten van Holland en Zeeland gesticht, fictief uit naam van Filips II.

Gevolgen voor de omgeving[bewerken | bron bewerken]

De gevolgen van het beleg voor de omgeving waren groot. Beide partijen maakten zich schuldig aan gewelddadigheden tegen boeren en burgers. Zo was het dorp Pijnacker door Spanjaarden binnengevallen en in brand gestoken. Ook het dorp en het kasteel van Egmond en Westzaandam waren in brand gestoken door Spaanse troepen, terwijl geuzen Capelle aan den IJssel en Delfshaven hadden aangevallen en vernield en beide partijen delen van Waddinxveen in brand hadden gestoken. Uit angst voor aanvallen had de magistraat van Haagambacht een wacht ingesteld die ’s nachts langs de kust moest rijden om te letten op onraad.[106]

Daarnaast maakten beide partijen zich schuldig aan berovingen om aan geld te komen. In Monster werden in 1573 33 plunderingen en roverijen genoteerd en 60 in 1574. Een Oranjeaanhanger ontdekte bij terugkeer dat van zijn huis aan de Haagse Hofvijver niets meer dan een kelder en schutting over was. Koningsgezinde soldaten uit Amsterdam die het op geuzen voorzien hadden, bleken na terugkomst voornamelijk voorbijgangers beroofd te hebben. Bij Delft hadden Spanjaarden in een nacht zeshonderd stuks vee geroofd. In Langeraar was het vee van een inwoner door geuzen gestolen. Nadat de inwoner het vee had teruggekocht van de geuzen, werd het vee door Spaanse soldaten afgenomen, omdat de inwoner met de vijand zou heulen. Gewassen in Delfland en Rijnland van uitgeweken boeren werden in 1574 van het land gehaald en tegen opbod verkocht. Geld werd verstopt om het niet kwijt te raken zoals de beheerder van penningen van de armenzorg van Monster deed in 1573. Een andere manier van de geuzen om aan geld te komen was via gijzelingen. Een rijke inwoner van Ouderkerk werd twee weken na het beleg van Leiden door geuzen gegijzeld en na betaling van duizend Rijnse guldens vrijgelaten.[107]

De inundaties hadden ervoor gezorgd dat straten in Rotterdam, Delft en Gouda onder water stonden. Boeren waren opgeroepen zich met have en goed in veiligheid te brengen.[108] In de buurt van Leiden waren veel boeren naar het hoger gelegen Noordwijk gegaan. Een Leidenaar berichtte dat hij daar meer dan duizend beesten had gezien.[109] Boeren meer landinwaarts gelegen trokken naar Delft, Rotterdam of Gouda. De Markt van Gouda rond het stadhuis leek door de vele dieren, hoewel het onder water stond, wel op een veemarkt. De boeren mochten alleen de stad in als zij voldoende geld hadden om zich een jaar van voedsel te kunnen voorzien. Velen waren hierdoor gedwongen hun vee onder de prijs te verkopen.

De onderwaterzettingen zorgden er ook voor dat turfstekers hun werk niet meer konden doen. Vervoer was tevens onmogelijk gemaakt doordat de turfbootjes en andere scheepjes gevorderd waren. Sowieso was vervoer over de hoofdverkeersaders van Holland, zoals de Hollandse IJssel, Gouwe, Oude Rijn onmogelijk geworden, doordat de vaarwegen vanwege de overstromingen onzichtbaar waren. Sluizen waren dikwijls verlaten en overtomen soms geblokkeerd of kapotgeslagen. Over land waren de dijken niet meer berijdbaar door de doorstekingen.[110]

Een dag na het ontzet van Leiden werd besloten dat de gaten in de Maas- en IJsseldijken hersteld moesten worden. De gaten in de Hoge Zeedijk van Schieland werden begin 1575 gedicht. Grote delen van het binnendijkse land zou echter nog jarenlang blank staan. In Alphen bijvoorbeeld was op 21 februari 1576 nog 92,6% van het land ongebruikt. Een half jaar later meldde de heer van Hiérges dat nog grote delen van het land onder water stonden. In het Westland werden in 1577 nog hele delen, die toen nog zelfs deels blank stonden, als wild aangemerkt. In Abtsrecht aan de Schie stond 44,7% van de 113 morgen, die bij de abdij van Egmond hoorde, nog onder water. Het was een grote onderneming om binnen de hoogheemraadschappen alle bruggen, kades, wegen, sluizen, overtomen, poldermolens en verlaten te herstellen. In 1578 werd begonnen aan het bevaarbaar maken van de meeste waterwegen door het lichten van scheepswrakken. Tegen 1580 waren de meeste klussen geklaard, zodat het ongeveer zes jaar duurde voordat grote delen van zuidelijk Holland weer bruikbaar waren.[111]

Voortzetting van de strijd[bewerken | bron bewerken]

Na het fiasco bij Leiden leek de kans op een snelle beëindiging van de Opstand voor Spanje verkeken.[112] Don Luis de Requesens liet de koning weten dat het met de beschikbare tijd en geld onmogelijk was om de vierentwintig rebellerende Hollandse steden te veroveren. Alleen door heel Holland onder water te zetten, verwachtte Requesens de opstand te kunnen smoren. Filips II wilde hier echter niet aan beginnen. De actie zou onomkeerbaar zijn, steden die loyaal waren zouden getroffen worden en het zou slecht zijn voor de reputatie van Spanje.[113] Wel kreeg de landvoogd toestemming van de koning om het Hollandse platteland af te branden. In de daaropvolgende maanden boekte het koninklijke leger successen met de verovering van Buren, Oudewater, Schoonhoven en Bommenede.[114] Met deze snelheid had de opstand binnen een jaar neergeslagen kunnen worden.[115]

Er volgden in het voorjaar van 1575 vredesbesprekingen en ondanks dat Filips II de rebellen een generaal pardon wilde geven, liepen de besprekingen op niets uit.[43] De opstandelingen eisten meer macht voor de Staten-Generaal en eisten dat het protestantisme toegelaten werd. Op beide punten wilde Filips II niet instemmen.[116] Progressie naar een vrede bleef uit en de financiële situatie van Spanje werd steeds nijpender, doordat de handel tussen de Amerika’s en Sevilla in een recessie belandde[117] en de kosten van het staande leger enorm toegenomen waren na de hervatting van de oorlog met de Turken.[118]

Op 1 september 1575 moest Spanje de betalingen aan de bankiers opschorten en raakte het bankroet. Hierdoor bleven betalingen aan het Spaanse leger in Vlaanderen ook uit en dat zorgde voor groeiende ontevredenheid onder de manschappen. Tot overmaat van ramp overleed Requesens, die nog enige autoriteit had over de troepen, op 5 maart 1576. Toen betalingen maanden later nog steeds uitbleven sloeg het leger aan het muiten.[119] Nadat Zierikzee werd ingenomen op 13 juli 1576 verliet het leger muitend de stad en plunderde Aalst. Het garnizoen in de citadel van Antwerpen plunderde op haar beurt op 4 en 5 november het rijke Antwerpen, wat bekend kwam te staan als de Spaanse Furie.[115]

Uit angst voor de muitende Spaanse troepen sloten de regeringsgezinde provincies, buiten Filips II om, in 1576 vrede met de opstandige provincies Holland en Zeeland, de Pacificatie van Gent. De provincies traden nu gezamenlijk op en benoemden eigenhandig een landvoogd. Filips II liet het hierbij niet zitten en gaf opdracht om zijn gezag te herstellen.[120] De opstandelingen wisten in de opvolgende jaren grip te houden op de noordelijke Nederlanden die in 1588 de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden zouden vormen. De strijd werd in 1609 voor twaalf jaar gestaakt en bij het aflopen in 1621 weer voortgezet. In 1648 werd de Vrede van Münster getekend.

In de cultuur[bewerken | bron bewerken]

Magdalena Moons smeekt Valdez om de bestorming van Leiden een nacht uit te stellen. Een dag later werd Leiden ontzet. Deze bekende scene werd geïntroduceerd in een latere versie van het toneelspel van Reynier Bontius uit 1645, en berust waarschijnlijk niet op waarheid.[121] Schilderij van Simon Opzoomer, 1840-1850.

Vanaf de zeventiende eeuw waren voorstellingen over belegeringen, zoals over Breda, Antwerpen, Haarlem en Wenen erg populair. Het beleg van Leiden was echter de belangrijkste inspiratiebron. Tussen 1606 en 1999 zijn er achttien toneelspelen en zes muziekstukken met het beleg van Leiden als thema uitgebracht.[122] Het Leidse stadsbestuur stimuleerde met subsidies opvoeringen die het beleg als thema hadden. Zij bleven hiermee zelfs doorgaan nadat de Staten van Holland in 1597, onder druk van de kerk, het opvoeren van toneelvoorstellingen verbood. Regelmatig, mogelijk om de zeven jaar, werd in de zeventiende eeuw tijdens de oktobermarkt een voorstelling over de belegering gehouden. Deze voorstellingen trokken enorm veel bezoekers en de inkomsten daaruit waren voor weeskinderen.[123]

Eind 1574 publiceerde Fruytiers een dramatisch verslag van de gebeurtenissen.[124] In 1577 volgde een herdruk en in deze versie werd voor het eerst beschreven hoe moedig en standvastig burgemeester Van der Werff was door zich aan de hongerige bevolking ter consumptie aan te bieden. Hij kreeg een heldenstatus terwijl hij in werkelijkheid bereid was tot het doen van concessies. Door latere Leidse geschiedschrijvers zou deze versie van het verhaal herhaald worden.[125] De eerste keer dat dit verhaal in een uitvoering werd gebruikt was in 1606 door Duym.[121] In het stuk legde Duym vooral de nadruk op het lijden van de bevolking.

Andere schrijvers die een toneelstuk uitbrachten over de belegering waren Jacob van Zevencote in 1626 en Reynier Bontius in 1645. Die van Bontius zou het meest succesvolle belegeringsstuk worden. Tot rond 1850 is het stuk 104 keer gedrukt. Het werd na 1660 jaarlijks opgevoerd in de Amsterdamse Schouwburg.[126] Dit stuk van Bontius was ook het eerste waar aan Magdalena Moons een heldenrol werd toegedicht. Dat was nadat de Italiaanse historicus Famiano Strada in 1632 schreef over de rol die Moons speelde, een verhaal dat in 1641 werd overgenomen door Jan Jansz Orlers.[127] Sindsdien werd zij, afwisselend als verloofde of maîtresse, uitgebeeld als degene die Valdez ervan had weerhouden om de stad te bestormen. Dat dit verhaal waarschijnlijk verzonnen is, kon opgemaakt worden aan het feit dat Valdez over te weinig geschut beschikte om een aanval op de stad uit te voeren.[121]

Een wandtapijt uit 1587 waarop meerdere gebeurtenissen van het ontzet staan afgebeeld. Door de Delftse wever Joost Jansz. Lanckaert vervaardigd in opdracht van het Leidse stadsbestuur.

In de negentiende eeuw waren geschiedkundige toneelspelen heel populair vanwege het opkomende nationalisme. In deze periode zijn wel zeven nieuwe toneelstukken en vier muziekspelen uitgebracht. Het populairst was "Het onzet der Stad Leyden" van M. Westerman in 1809. Deze werd tussen 1810 en 1865 in Leiden het vaakst opgevoerd.[128] Een opera met de titel "Le siège de Leyde" ging op 4 maart 1847 in première in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag. Het initiatief hiervoor kwam van koning Willem II. De componist was Adolphe Vogel en de librettist Hippolyte Lucas. Ook in het buitenland bestond interesse in het verhaal. In Duitsland verscheen in 1852 het stuk "Vaterland über alles! Oder: der Einsatz von Leyden", geschreven door J. von Plötz. In Engeland kwam datzelfde jaar het stuk "Waldeck or the Siege of Leyden" uit van Angiolo Slous. "L’Assedio di Leida, melodramma tragico" was een opera, door Errico Petrella gecomponeerd, dat in 1856 in première ging in Milaan.[129]

Tot 2005 was de meest recente uitvoering over het beleg van Toneelgroep Het Arsenaal in 1999 met "OntZ".[130]

Het ontzet is ook op andere manieren uitgebeeld. In 1587 bestelde het stadsbestuur een enorm wandtapijt met het ontzet als thema en in 1612 kwam daar nog een schilderij bij. Op dat schilderij werd het ontzet vergeleken met de verlossing van de joden uit de handen van de farao. De stad Leiden schonk in 1601 een gebrandschilderd glas-in-loodraam aan de Sint-Janskerk in Gouda met het beleg van Samaria door de Syriërs als metafoor voor de belegering van Leiden.[131]

Herdenking[bewerken | bron bewerken]

Zie 3 oktoberfeest voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Monument voor Leidens Ontzet, vervaardigd door Johan Coenraad Altorf en onthuld op 3 oktober 1924 door koningin Wilhelmina

De jaarlijkse herdenkingsdienst in de Pieterskerk stamt uit 1574 en is het oudste element van de herdenking. De eerste vond op dezelfde dag plaats als het ontzet. In latere jaren tot aan de negentiende eeuw waren andere vormen van feestelijkheden of herdenkingen, die met het ontzet te maken hadden, veel minder talrijk. Wel werd de stichting van de universiteit, op 8 februari 1575, iedere honderd jaar gevierd. Bij het tweede eeuwfeest was er een optocht met historische figuren als Willem van Oranje, burgemeester Van der Werff en Van Hout. Tijdens de viering van het 250-jarig bestaan van de universiteit in 1825 deelden studenten haring en wittebrood uit, werd een concert uitgevoerd en was er vuurwerk. Om de herinnering aan het beleg en ontzet levend te houden hielden studenten vanaf 1825 ieder lustrum een voorstelling en het Museum De Lakenhal toonde vanaf 1872 gerelateerde voorwerpen, zoals de kookpot. Op 3 oktober 1884 werd een standbeeld voor Van der Werff opgericht in het naar hem vernoemde Van der Werfpark. De toenemende belangstelling voor de gebeurtenissen uit 1573-1574 leidde op 13 mei 1886 tot de oprichting van de 3 October Vereeniging.[132] Sindsdien draagt zij zorg voor de jaarlijkse organisatie van alle officiële evenementen op 3 oktober (en als dit op een zondag valt op 4 oktober). Veel mensen die in Leiden werken zijn dan vrij, op de Waag wordt haring met wittebrood uitgedeeld en in de stad en wijde omgeving wordt hutspot met klapstuk gegeten.[133]

Tijdens de 350-ste viering van Leidens Ontzet op 3 oktober 1924 onthulde koningin Wilhelmina een monument ter ere van de helden van 1574. Het monument aan het Plantsoen, gemaakt door Johan Coenraad Altorf, draagt de beeltenissen van prins Willem van Oranje, Jan van Hout (stadssecretaris), Jan van der Does (legeraanvoerder) en Louis Boisot (geuzenvlootadmiraal).

Overblijfselen[bewerken | bron bewerken]

Het beleg is op meerdere gebieden nog tastbaar. Zo zijn documenten van het stadsbestuur die de periode van het beleg van Leiden beslaan grotendeels bewaard gebleven. De belangrijkste stukken, de vroedschapsboeken met de notulen van de vergaderingen van de vroedschap, die de periode 18 maart 1572 tot halverwege 1577 beslaan, ontbreken echter.[134] Waarschijnlijk is de periode wel beschreven maar zijn de stukken ontvreemd en niet meer teruggebracht. De genomen besluiten zijn wel bewaard gebleven in de aflezingsboeken. Die bevatten de besluiten die aan de bevolking kenbaar zijn gemaakt. Soms valt uit die boeken te lezen dat de bevolking een hart onder de riem werd gestoken, zoals op 29 september 1574 toen de bevolking werd medegedeeld dat een postduif was aangekomen met een bericht dat het ontzet op handen was. Een ander overblijfsel zijn de registers van de volkstelling van 7 augustus 1574. Daarnaast zijn er rekeningen overgebleven met uitgaven van het stadsbestuur, monsterrollen met het aantal soldaten, kwitanties voor de levering van voedsel en administraties van in beslag genomen kerkelijke goederen.[135]

Andere schriftelijke overblijfselen die bewaard zijn gebleven zijn onder andere brieven van admiraal Boisot aan Jan van der Does van 22 en 26 september 1574, het Dagverhaal, een verslag dat was opgeschreven door een onbekend persoon in Leiden ten tijde van het beleg en een bundel stukken van burgemeester Van der Werff. Van der Werff schreef dit om zijn inspanningen voor de Opstand vast te leggen voor het nageslacht.[136]

Tot 2020 waren in de grond geen sporen gevonden van de Spaanse schansen die rondom Leiden hebben gelegen. Na de belegering waren de wallen van de Spaanse schansen neergehaald en de grachten gedempt. Van de Spaanse Lammenschans was lange tijd niet bekend waar het precies gelegen had. In 1846 schreef Van der Aa dat de Lammenschans bij de verbreding van het Rijn-Schiekanaal moet zijn verdwenen. De gemeentelijk archeoloog van Leiden herhaalde dat vermoeden nog eens in 2012.[137] De komst van de nieuwe RijnlandRoute was een reden om opnieuw bronnenonderzoek uit te voeren naar de ligging ervan. Hieruit kwam een vermoeden dat de ligging op de zuidoever van het Rijn-Schiekanaal gezocht moest worden. Aangezien die zijde niet vergraven was bij de verbreding, was de kans groot dat resten nog steeds aanwezig waren.[138] Bij een opgraving die volgde in oktober 2020, vonden archeologen op de aangegeven plek naast de Europaweg de resten van de Lammenschans, zoals een deel van een gracht en een aantal gebruiksvoorwerpen.[139]

Een ander relict dat bewaard zou zijn gebleven is een metalen kookpot die volgens de overlevering door een kleine jongen, Cornelis Joppenszoon, werd gevonden in het legerkamp bij Lammenschans. Er zaten nog wortelen, uien, vlees en pastinaken in, teken dat de Spaanse soldaten halsoverkop waren vertrokken.[140] Uit deze ingrediënten zou het gerecht hutspot zijn ontstaan, dat tot op de dag van vandaag in Leiden en omstreken traditioneel op 3 oktober wordt gegeten. Gerecht, kookpot en jongen die deze zou hebben gevonden, groeiden uit tot symbolen voor het Leidens Ontzet. Bij Lammenschans herinnert een standbeeld hieraan.[140] Andere voorwerpen die bewaard zijn, zijn een aarden potje, een stuk van een Spaanse vaandel en een spel kaarten. Momenteel worden deze voorwerpen bewaard in Museum De Lakenhal.[141]

Bronnen[bewerken | bron bewerken]

Noten[bewerken | bron bewerken]

  1. a b Marsilje, J.W. (Red.) (2002): Leiden, de geschiedenis van een Hollandse stad tot 1574, blz. 206
  2. Nimwegen, O & Sicking, L., 'De Opstand' in De Tachtigjarige Oorlog. Van opstand naar geregelde oorlog. 1568-1648 blz. 77
  3. a b Sicking, Louis H.J. (2003): Geuzen en glippers, goed en fout tijdens het beleg van Leiden, blz. 19
  4. Groenveld, S. & Leeuwenberg, H.L.Ph., etc. (2012): De Tachtigjarige Oorlog, opstand en consolidatie in de Nederlanden (ca. 1560-1650), blz. 86
  5. Groenveld, S. & Leeuwenberg, H.L.Ph., etc. (2012): De Tachtigjarige Oorlog, opstand en consolidatie in de Nederlanden (ca. 1560-1650), blz. 93-94
  6. Deursen van, A.Th. (2006): De geschiedenis van Nederland, De last van veel geluk, blz. 82
  7. Israel, Jonathan I. (2008): De Republiek 1477-1806, blz. 200
  8. a b Parker, Geoffrey (2004): The Army of Flanders and the Spanish Road, 1567-1659. The Logistics of Spanish Victory and Defeat in the Low Countries' wars, blz. 197
  9. Lem van der, Anton : Het beleg en ontzet van Leiden, op Dutch Revolt, Universiteit Leiden
  10. Marsilje, J.W. (Red.) (2002): Leiden, de geschiedenis van een Hollandse stad tot 1574, blz. 60
  11. Marsilje, J.W. (Red.) (2002): Leiden, de geschiedenis van een Hollandse stad tot 1574, blz. 113
  12. Wijsenbeek, Thera (2006): Honger, blz. 28
  13. a b c Lem van der, Anton : Het beleg en ontzet van Leiden
  14. Huizinga, Johan (1946): Leiden’s ontzet, blz. 7
  15. Van Oerle, H.A., De rol van de schansen bij het beleg 1572- 1574. In: Jaarboekje 1974 voor de geschiedenis en oudheidkunde van Leiden en omstreken, blz. 34 (1974).
  16. Van Oerle, H.A., De rol van de schansen bij het beleg 1572- 1574. In: Jaarboekje 1974 voor de geschiedenis en oudheidkunde van Leiden en omstreken, blz. 40-41 (1974).
  17. Jongste de, Jan A.F. (1998): Om de religie of om de vrijheid, Spanningen tussen stadhuis en kerk in Leiden na het beleg, blz. 7
  18. Jongste de, Jan A.F. (1998): Om de religie of om de vrijheid, Spanningen tussen stadhuis en kerk in Leiden na het beleg, blz. 8-9
  19. Maanen van, R.C.J. (2004): 3 oktober 1574, keerpunt in de Leidse geschiedenis, blz. 24
  20. Jongste de, Jan A.F. (1998): Om de religie of om de vrijheid, Spanningen tussen stadhuis en kerk in Leiden na het beleg, blz. 11
  21. Sicking, Louis H.J. (2003): Geuzen en glippers, goed en fout tijdens het beleg van Leiden, blz. 7-8
  22. Parker, Geoffrey (2004): The Army of Flanders and the Spanish Road, 1567-1659. The Logistics of Spanish Victory and Defeat in the Low Countries' wars, blz. 109
  23. Parker, Geoffrey (2004): The Army of Flanders and the Spanish Road, 1567-1659. The Logistics of Spanish Victory and Defeat in the Low Countries' wars, blz. 94
  24. Parker, Geoffrey (2004): The Army of Flanders and the Spanish Road, 1567-1659. The Logistics of Spanish Victory and Defeat in the Low Countries' wars, blz. 24
  25. Parker, Geoffrey (2004): The Army of Flanders and the Spanish Road, 1567-1659. The Logistics of Spanish Victory and Defeat in the Low Countries' wars, blz. 27
  26. Parker, Geoffrey (2004): The Army of Flanders and the Spanish Road, 1567-1659. The Logistics of Spanish Victory and Defeat in the Low Countries' wars, blz. 79
  27. Nimwegen, O & Sicking, L., 'De Opstand' in De Tachtigjarige Oorlog. Van opstand naar geregelde oorlog. 1568-1648 blz. 68
  28. Parker, Geoffrey (2004): The Army of Flanders and the Spanish Road, 1567-1659. The Logistics of Spanish Victory and Defeat in the Low Countries' wars, blz. 177-178
  29. Groenveld, S. (2001): 'Van vyanden und vrienden bedroevet'. De gevolgen van het beleg van Leiden voor de omgeving van de stad, blz. 16-17
  30. Graaf de, Ronald (2004): Oorlog, mijn arme schapen. Een andere kijk op de Tachtigjarige Oorlog. 1565-1648, blz. 178
  31. a b Israel, Jonathan I. (2008): De Republiek 1477-1806, blz. 201
  32. Groenveld, S. (2001): 'Van vyanden und vrienden bedroevet'. De gevolgen van het beleg van Leiden voor de omgeving van de stad, blz. 17-18
  33. a b Graaf de, Ronald (2004): Oorlog, mijn arme schapen. Een andere kijk op de Tachtigjarige Oorlog. 1565-1648, blz. 179
  34. a b c Lem van der, Anton: Het beleg en ontzet van Leiden
  35. Groenveld, S. (2001): 'Van vyanden und vrienden bedroevet'. De gevolgen van het beleg van Leiden voor de omgeving van de stad, blz. 18
  36. a b Wijsenbeek, Thera (2006): Honger, blz. 20
  37. Fruin, Robert (1874): Het beleg en ontzet der stad Leiden in 1574, M. Nijhoff, blz. 14
  38. Sicking, Louis H.J. (2003): Geuzen en glippers, goed en fout tijdens het beleg van Leiden, blz. 8
  39. Wijsenbeek, Thera (2006): Honger, blz. 21
  40. Fruin, Robert (1874): Het beleg en ontzet der stad Leiden in 1574, M. Nijhoff, blz. 12
  41. Deursen van, A.Th. (2006): De geschiedenis van Nederland, De last van veel geluk, blz. 87
  42. Elliott, J.H. (2002): Imperial Spain 1469-1716, [Eerste druk in 1963] blz. 262
  43. a b Elliott, J.H. (2002): Imperial Spain 1469-1716, [Eerste druk in 1963] blz. 263
  44. Groenveld, S. (2001): 'Van vyanden und vrienden bedroevet'. De gevolgen van het beleg van Leiden voor de omgeving van de stad, blz. 99
  45. Pol, Arent & Van der Veen, Bouke Jan (2007): Het noodgeld van Leiden, waarheid en verdichting, blz. 6
  46. Pol, Arent & Van der Veen, Bouke Jan (2007): Het noodgeld van Leiden, waarheid en verdichting, blz. 8
  47. Pol, Arent & Van der Veen, Bouke Jan (2007): Het noodgeld van Leiden, waarheid en verdichting, blz. 15
  48. Pol, Arent & Van der Veen, Bouke Jan (2007): Het noodgeld van Leiden, waarheid en verdichting, blz. 9
  49. a b Pol, Arent & Van der Veen, Bouke Jan (2007): Het noodgeld van Leiden, waarheid en verdichting, blz. 10
  50. a b Pol, Arent & Van der Veen, Bouke Jan (2007): Het noodgeld van Leiden, waarheid en verdichting, blz. 11
  51. Pol, Arent & Van der Veen, Bouke Jan (2007): Het noodgeld van Leiden, waarheid en verdichting, blz. 12, 16
  52. Pol, Arent & Van der Veen, Bouke Jan (2007): Het noodgeld van Leiden, waarheid en verdichting, blz. 19-20
  53. a b Ubachs, blz. 176
  54. Ubachs/Evers, lemma's 'beleg', 'garnizoen', 'vesting', 'Scharn', Tachtigjarige Oorlog'.
  55. De Graaf, passim
  56. Graaf de, Ronald (2004): Oorlog, mijn arme schapen. Een andere kijk op de Tachtigjarige Oorlog. 1565-1648, blz. 180-181
  57. Fagel, Raymond (1997): Leids beleg en ontzet door Spaanse ogen, blz. 8-9
  58. Marsilje, J.W. (Red.) (2002): Leiden, de geschiedenis van een Hollandse stad tot 1574, blz. 206-207
  59. Netiv, Ariela & Brandenburgh, Chrystel (2012): (Mooier dan) de werkelijkheid, Het beleg van Leiden in archief, beeld en bodem, blz. 28-30
  60. Groenveld, S. (2001): 'Van vyanden und vrienden bedroevet'. De gevolgen van het beleg van Leiden voor de omgeving van de stad, blz. 10
  61. Fagel, Raymond (1997): Leids beleg en ontzet door Spaanse ogen, blz. 11
  62. Robert Fruin, Het beleg en ontzet der stad Leiden in 1574 16-17. Martinus Nijhoff (1874). Geraadpleegd op 18 juni 2021.
  63. a b Wijsenbeek, Thera (2006): Honger, blz. 22
  64. Ongetwijfeld waren het niet alleen koeien die buiten de stadsmuur graasden, maar ook geiten, schapen, ganzen en varkens, zoals overal elders bij (vesting)steden. Maar de koeien waar wel het meeste waard.
  65. Graaf de, Ronald (2004): Oorlog, mijn arme schapen. Een andere kijk op de Tachtigjarige Oorlog. 1565-1648, blz. 181
  66. Fagel, Raymond (1997): Leids beleg en ontzet door Spaanse ogen, blz. 6-7, 12
  67. Vanwege ziekte had Bernardino de Mendoza de belegering niet van dichtbij meegemaakt maar vanaf het hoofdkwartier in Brussel. Zijn hoge positie verschafte hem veel gedetailleerde informatie over de belegering.
  68. a b Groenveld, S. (2001): 'Van vyanden und vrienden bedroevet'. De gevolgen van het beleg van Leiden voor de omgeving van de stad, blz. 11
  69. ‘’DE ROL VAN DE SCHANSEN BIJ HET BELEG 1572- 1574’’, door ir. H. A. van Oerle, uit Jaarboekje 1974 voor de geschiedenis en oudheidkunde van Leiden en omstreken, blz. 34-50
  70. Fagel, Raymond (1997): Leids beleg en ontzet door Spaanse ogen, blz. 14
  71. Robert Fruin, Het beleg en ontzet der stad Leiden in 1574 165. Martinus Nijhoff (1874). Geraadpleegd op 18 juni 2021.
  72. Marsilje, J.W. (Red.) (2002): Leiden, de geschiedenis van een Hollandse stad tot 1574, blz. 207
  73. Wijsenbeek, Thera (2006): Honger, blz. 23
  74. Sicking, Louis H.J. (2003): Geuzen en glippers, goed en fout tijdens het beleg van Leiden, blz. 8-9
  75. Wijsenbeek, Thera (2006): Honger, blz. 24
  76. Sicking, Louis H.J. (2003): Geuzen en glippers, goed en fout tijdens het beleg van Leiden, blz. 12
  77. Sicking, Louis H.J. (2003): Geuzen en glippers, goed en fout tijdens het beleg van Leiden, blz. 13-17
  78. Sicking, Louis H.J. (2003): Geuzen en glippers, goed en fout tijdens het beleg van Leiden, blz. 17
  79. Wijsenbeek, Thera (2006): Honger, blz. 25
  80. Wijsenbeek, Thera (2006): Honger, blz. 26
  81. a b Wijsenbeek, Thera (2006): Honger, blz. 27
  82. Sicking, Louis H.J. (2003): Geuzen en glippers, goed en fout tijdens het beleg van Leiden, blz. 18-19
  83. Marsilje, J.W. (Red.) (2002): Leiden, de geschiedenis van een Hollandse stad tot 1574, blz. 209
  84. a b Sicking, Louis H.J. (2003): Geuzen en glippers, goed en fout tijdens het beleg van Leiden, blz. 21
  85. Sicking, Louis H.J. (2003): Geuzen en glippers, goed en fout tijdens het beleg van Leiden, blz. 24
  86. Parker, Geoffrey (2004): The Army of Flanders and the Spanish Road, 1567-1659. The Logistics of Spanish Victory and Defeat in the Low Countries' wars, blz. 181
  87. Heijer den, Henk (2010): Holland onder water. De logistiek achter het ontzet van Leiden., blz. 5
  88. Tielhof van, Milja (2019): De prijs voor Leidens Ontzet, Waterbeheer rond 1574, blz. 19
  89. Huizinga, Johan (1946): Leiden’s ontzet, blz. 12
  90. a b c Heijer den, Henk (2010): Holland onder water. De logistiek achter het ontzet van Leiden., blz. 7-8
  91. Graaf de, Ronald (2004): Oorlog, mijn arme schapen. Een andere kijk op de Tachtigjarige Oorlog. 1565-1648, blz. 182
  92. Heijer den, Henk (2010): Holland onder water. De logistiek achter het ontzet van Leiden., blz. 9
  93. Heijer den, Henk (2010): Holland onder water. De logistiek achter het ontzet van Leiden., blz. 11
  94. Heijer den, Henk (2010): Holland onder water. De logistiek achter het ontzet van Leiden., blz. 13
  95. a b c Lem van der, Anton: Het beleg en ontzet van Leiden
  96. Heijer den, Henk (2010): Holland onder water. De logistiek achter het ontzet van Leiden., blz. 25
  97. a b Israel, Jonathan I. (2008): De Republiek 1477-1806, blz. 203
  98. Heijer den, Henk (2010): Holland onder water. De logistiek achter het ontzet van Leiden., blz. 28
  99. Fagel, Raymond (2017): De Spaanse belegeraar van Leiden, blz. 23
  100. Fagel, Raymond (1997): Leids beleg en ontzet door Spaanse ogen, blz. 18-19
  101. a b Huizinga, Johan (1946): Leiden’s ontzet, blz. 13
  102. Wijsenbeek, Thera (2006): Honger, blz. 28-29
  103. Israel, Jonathan I. (2008): De Republiek 1477-1806, blz. 201
  104. Jongste de, Jan A.F. (1998): Om de religie of om de vrijheid, Spanningen tussen stadhuis en kerk in Leiden na het beleg, blz. 9
  105. Sicking, Louis H.J. (2003): Geuzen en glippers, goed en fout tijdens het beleg van Leiden, blz. 21-22
  106. Groenveld, S. (2001): 'Van vyanden und vrienden bedroevet'. De gevolgen van het beleg van Leiden voor de omgeving van de stad, blz. 19
  107. Groenveld, S. (2001): 'Van vyanden und vrienden bedroevet'. De gevolgen van het beleg van Leiden voor de omgeving van de stad, blz. 20-21
  108. Groenveld, S. (2001): 'Van vyanden und vrienden bedroevet'. De gevolgen van het beleg van Leiden voor de omgeving van de stad, blz. 18-19
  109. Groenveld, S. (2001): 'Van vyanden und vrienden bedroevet'. De gevolgen van het beleg van Leiden voor de omgeving van de stad, blz. 22
  110. Groenveld, S. (2001): 'Van vyanden und vrienden bedroevet'. De gevolgen van het beleg van Leiden voor de omgeving van de stad, blz. 22-23
  111. Groenveld, S. (2001): 'Van vyanden und vrienden bedroevet'. De gevolgen van het beleg van Leiden voor de omgeving van de stad, blz. 24-25
  112. Israel, Jonathan I. (2008): De Republiek 1477-1806, blz. 205
  113. Parker, Geoffrey (2004): The Army of Flanders and the Spanish Road, 1567-1659. The Logistics of Spanish Victory and Defeat in the Low Countries' wars, blz. 114
  114. Nimwegen, O & Sicking, L. (2013): 'De Opstand' in De Tachtigjarige Oorlog. Van opstand naar geregelde oorlog. 1568-1648 blz. 78
  115. a b Duffy, Christopher (1979): Siege warfare, The fortress in the Early Modern World 1494-1660, blz. 73
  116. Israel, Jonathan I. (2008): De Republiek 1477-1806, blz. 206
  117. Elliott, J.H. (2002): Imperial Spain 1469-1716, [Eerste druk in 1963] blz. 264
  118. Groenveld, S. & Leeuwenberg, H.L.Ph., etc. (2012): De Tachtigjarige Oorlog, opstand en consolidatie in de Nederlanden (ca. 1560-1650), blz. 99
  119. Israel, Jonathan I. (2008): De Republiek 1477-1806, blz. 264
  120. Nimwegen, O & Sicking, L. (2013): 'De Opstand' in De Tachtigjarige Oorlog. Van opstand naar geregelde oorlog. 1568-1648 blz. 80-83
  121. a b c Bordewijk, Cobi (2005): Lof zij den Helden! Vier eeuwen Leidse stedentrots op het toneel, blz. 8
  122. Bordewijk, Cobi (2005): Lof zij den Helden! Vier eeuwen Leidse stedentrots op het toneel, blz. 5
  123. Bordewijk, Cobi (2005): Lof zij den Helden! Vier eeuwen Leidse stedentrots op het toneel, blz. 6
  124. Pollmann, Judith (2008): Herdenken, herinneren, vergeten. Het beleg en ontzet van Leiden in de Gouden Eeuw, blz. 7
  125. Bordewijk, Cobi (2005): Lof zij den Helden! Vier eeuwen Leidse stedentrots op het toneel, blz. 7
  126. Bordewijk, Cobi (2005): Lof zij den Helden! Vier eeuwen Leidse stedentrots op het toneel, blz. 15
  127. Pollmann, Judith (2008): Herdenken, herinneren, vergeten. Het beleg en ontzet van Leiden in de Gouden Eeuw, blz. 16-17
  128. Bordewijk, Cobi (2005): Lof zij den Helden! Vier eeuwen Leidse stedentrots op het toneel, blz. 23
  129. Bordewijk, Cobi (2005): Lof zij den Helden! Vier eeuwen Leidse stedentrots op het toneel, blz. 26
  130. Bordewijk, Cobi (2005): Lof zij den Helden! Vier eeuwen Leidse stedentrots op het toneel, blz. 28
  131. Pollmann, Judith (2008): Herdenken, herinneren, vergeten. Het beleg en ontzet van Leiden in de Gouden Eeuw, blz. 8
  132. Noordam, Dirk Jaap (1999): De historische optochten van de 3 October-Vereeniging, blz. 8-9
  133. Het Leidens Ontzet (1574) – Hutspot, haring en wittebrood, Historiek, 19 december 2020
  134. Netiv, Ariela & Brandenburgh, Chrystel (2012): (Mooier dan) de werkelijkheid, Het beleg van Leiden in archief, beeld en bodem, blz. 10-11
  135. Netiv, Ariela & Brandenburgh, Chrystel (2012): (Mooier dan) de werkelijkheid, Het beleg van Leiden in archief, beeld en bodem, blz. 10-15
  136. Netiv, Ariela & Brandenburgh, Chrystel (2012): (Mooier dan) de werkelijkheid, Het beleg van Leiden in archief, beeld en bodem, blz. 17-20
  137. Kok, R.S. (2018): Op zoek naar de Schans Lammen; een cultuurhistorisch onderzoek, blz. 41
  138. Kok, R.S. (2018): Op zoek naar de Schans Lammen; een cultuurhistorisch onderzoek, blz. 9, 61
  139. Resten van Schans Lammen gevonden aan voet Lammebrug, Sleutelstad, 10 oktober 2020, door IJsbrand Terpstra, geraadpleegd op 20 januari 2021
  140. a b (nl) Auteur: Redactie, Leidens Ontzet - Hutspot, haring en wittebrood. Historiek. Geraadpleegd op 2 april 2021.
  141. Kok, R.S. (2018): Op zoek naar de Schans Lammen; een cultuurhistorisch onderzoek, blz. 49
Eerste opstand (1567–1570):Valencijn · Wattrelos · Lannoy · Oosterweel · Eerste invasie (Dalheim · Heiligerlee · Groningen · Eems · Jemmingen · Geldenaken · Loevestein)
Tweede opstand (1572–1576):Den Briel · Vlissingen · Tweede invasie (Valencijn · Bergen · Saint-Ghislain · Roermond · Diest · Leuven · Mechelen · Dendermonde · Zutphen · Bredevoort · Zwolle · Kampen · Steenwijk) · Oudenaarde · Stavoren · Dokkum · Don Frederiks veldtocht (Mechelen · Diest · Roermond · Zutphen · Naarden · Geertruidenberg · Haarlem · Diemen · Alkmaar) · Vlissingen · Borsele · Zuiderzee · Alkmaar · Leiden · Reimerswaal · Derde invasie · Mookerheide · Lillo · Zoetermeer · Buren · Oudewater · Schoonhoven · Krimpen aan de Lek · Woerden · Bommenede · Zierikzee · Muiden · Aalst · Slag bij Vissenaken · Maastricht · Antwerpen · Spanjaardenkasteel (Gent)
Algemene opstand (1576–1578):Utrecht · Steenbergen · Breda · Amsterdam · Gembloers · Zichem · Beleg van Limburg · Inname van Dalhem · Nijvel · Kampen · Rijmenam · Aarschot · Deventer
Parma's 9 jaren (1579–1588):Maastricht · 's-Hertogenbosch · Baasrode · Kortrijk · Delfzijl · Oldenzaal · Groningen · Mechelen · Zwolle · Hardenbergerheide · Coevorden · Halle · Steenwijk · Kamerijk · Doornik · Noordhorn · Breda · Aalst · Oudenaarde · Punta Delgada · Lochem · Eindhoven · Gent · Aalst · Terborg · Antwerpen · Zutphen · Kouwensteinsedijk (Antwerpen) · Amerongen · IJsseloord · Boksum · Axel · Neuss · Rijnberk · Grave · Zutphen · Warnsveld · Venlo · Sluis · Bergen op Zoom · Grevelingen
Maurits' 10 jaren (1588–1598):Zoutkamp · Breda · Steenbergen · Veldtocht van 1591 (Zutphen · Deventer · Delfzijl · Knodsenburg · Hulst · Nijmegen) · Steenwijk · Coevorden · Luxemburg · Geertruidenberg · Coevorden · Groningen · Luxemburg (Hoei) · Grol · Calais · Hulst · Veldtocht van 1597 (Turnhout · Venlo · Rijnberk · Meurs · Grol · Bredevoort · Enschede · Ootmarsum · Oldenzaal · Lingen · Rijnberk · Zaltbommel)
11 jaren strijd (1598–1609):Nieuwpoort · Rijnberk · Sluis · Oostende · Spinola 1605-1606 (Oldenzaal · Lingen · Bergen op Zoom · Mülheim · Wachtendonk · Kasteel Krakau · Bredevoort · Berkumerbrug · Grol · Rijnberk · Lochem · Grol · Gibraltar
Twaalfjarig Bestand (1609–1621):Gulik-Kleefse Successieoorlog (Gulik) · Wezel · Antwerpen
Eindstrijd (1621–1647):Gulik · Steenbergen · Bergen op Zoom · Veluwe · Breda · Oldenzaal · Grol · Baai van Matanzas · 's-Hertogenbosch · Veluwe · Wesel · Veldtocht langs de Maas (Venlo · Roermond · Maastricht) · Rijnberk · Maastricht · Philippine · Tienen · Schenkenschans · Breda · Venlo · Maastricht · Kallo · Duins · Sint-Vincent · Hulst · Antwerpen · Venlo · Puerto de Cavite