Korenmolen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zelfkruier met zelfzwichting en houten achtkant op stenen voet
Zelfkruier met zelfzwichting en houten twaalfkant op stenen voet
Korenmolen de Windlust te Kortenoord.

Een korenmolen, graanmolen of meelmolen is een molen waarmee uit graan meel wordt gemalen.

Al in de oudheid maalden mensen hun graan; aanvankelijk met twee over elkaar wrijvende stenen, zoals de napjesstenen, later met ronddraaiende handmolens of kweerns, weer later met watermolens of windmolens. In het verleden rustten het windrecht of de rechten op het malen van graan bij de plaatselijke heersers. In de zogenaamde banmolens of dwangmolens moest men op last van de plaatselijke heerser het graan laten malen, waarvoor een provisie betaald moest worden. Pas in de Franse tijd kwam in de Lage Landen een einde aan deze feodale regeling.

Als een graanmolen enkel voor tarwe, rogge of spelt wordt/werd gebruikt, duidt men deze molen respectievelijk aan als tarwemolen, roggemolen of speltmolen.

Molenstenen[bewerken]

De twee molenstenen verrichten in de korenmolen het eigenlijke maalwerk. De onderste steen, de ligger, zit vast aan de vloer van de steenzolder, met daarboven met een kleine tussenruimte de loper (de maalsteen die kan draaien). Daar tussenin valt het graan door het kropgat in de draaiende loper op de ligger.

De afstand tussen de twee stenen is door de molenaar nauwkeurig in te stellen door een speciaal mechanisme, de licht genoemd. Met behulp van de lichtstok worden door de molenaar 2 of 3 balken via hefboomwerking op of neer gelaten, waardoor de loper hoger of lager komt te staan. Om het werk van de molenaar te verlichten is in veel molens een regulateur aangebracht, die met middelpuntvliedende kracht door middel van gewichten aangedreven wordt en zo meehelpt de loper op de goede hoogte ten opzichte van de ligger te laten draaien. De hoogte van de afstelling is onder andere afhankelijk van de aandrijfkracht, van het te malen product en de gewenste fijnheid van het meel.

De beste maalsnelheid wordt bij een windmolen bereikt als het wiekenkruis 60 tot 80 enden (wieken) per minuut ronddraait.

Door scherpsel (groeven) in de stenen wordt het graan naar de buitenzijde van de stenen gedreven en daardoor gemalen.

Aan- en afvoer van graan[bewerken]

Het te malen graan wordt met behulp van het luiwerk vanaf de begane grond naar de steenzolder gehesen. Het luitouw wordt met een molenaartje of met een zakkenklem aan de zak vastgemaakt. Papieren zakken worden met behulp van een luimat opgehesen. Vervolgens wordt het in het kaar bovenop de maalkuip of maalstoel gestort. Via een uitstroomopening, die open of gesloten kan worden, komt het graan in de schuddebak. Deze bak wordt door de steenspil heen en weer bewogen, waardoor het graan gedoseerd in het kropgat valt. In de houten steenkuip wordt het meel, door een aan de loper bevestigde aanjager, meegenomen tot het een gat in de meelring passeert om vervolgens in de meelpijp te vallen. Het wordt daarna op de maalzolder opgevangen in de maalbak, waaronder een meelzak hangt (zie foto hieronder).

Productievermogen[bewerken]

Het productievermogen van een korenmolen hangt af van de lengte van het gevlucht, de biotoop, de wiekverbeteringen, het aantal maalkoppels en de fijnheid van het meel. De productie bij grof malen zoals dat gebeurt bij voer voor koeien en kippen is 50% hoger dan bij het malen voor consumptie. Veel molens hadden een maalkoppel voor veevoer en een maalkoppel voor consumptie. Ook de plaats in Nederland is van belang, omdat er aan de kust meer wind is dan in het binnenland. Een korenmolen met een gevlucht van 25 meter en twee maalkoppels kan jaarlijks 500.000 tot 530.000 kg graan vermalen.[1] Met uitschieters zo heeft De Kraai toen deze molen nog in Amsterdam stond in 1843 1.057.466 kg gemalen[2].

Fotogalerij[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. H.A. Visser, Zwaaiende wieken. Over de geschiedenis en het bedrijf van de windmolens in Nederland.
  2. De Kraai, korenmolen van Westbroek, Karien Scholten, 2012, blz. 17