Museum De Lakenhal

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Museum De Lakenhal
Museum De Lakenhal
Museum De Lakenhal
Opgericht 1874
Locatie Leiden
Coördinaten 52° 10′ NB, 4° 29′ OL
Type Beeldende kunst
Kunstnijverheid
Leidse historie
Personen
Directeur Meta Knol
Aantal bezoekers 65.000 (2014)
Museum De Lakenhal
Museum De Lakenhal
Entree van het museum
Entree van het museum
Website
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur
De Lakenhal in de Atlas de Wit, 1698
Isaac Claesz. van Swanenburg, De wolbereiding, 1595
Rembrandt van Rijn, De brillenverkoper, 1623-1624, olieverf op paneel, 21 x 17,8 cm
Theo van Doesburg, Glas-in-loodcompositie III, 1917

Museum De Lakenhal is sinds 1874 het gemeentelijk kunstmuseum van Leiden. Het museum is gevestigd aan de Oude Singel in de voormalige Leidse lakenhal uit 1640, ontworpen door Arent van 's-Gravesande. Het gebouw is een rijksmonument.[1]

In 2010 won het museum de Museumprijs Zuid-Holland voor het project Werk in Uitvoering.

Geschiedenis[bewerken]

Functie als lakenhal[bewerken]

De Lakenhal werd in 1642 in de Leidse binnenstad gebouwd en geldt als een van de hoogtepunten van het Hollands classicisme. Tot 1800 diende het gebouw ter keuring van het laken. Hier kwamen de gouverneurs en staalmeesters van het lakengilde bijeen. De collectie van het museum bevat stukken die herinneren aan de omvangrijke Leidse textielindustrie. Zo staan de stadia van wolproductie afgebeeld op een grote reeks zestiende-eeuwse schilderijen van de Leidse burgemeester Isaac Claesz. van Swanenburg (de vader van Jacob van Swanenburgh, een van Rembrandts leermeesters). De lakenhandelaren leverden hun stoffen af op het voorplein, waar de staalmeesters het keurden. In de grote gildezaal, ook wel Grote Pers genoemd, kregen de balen dan een loden zegel als waarmerk. Exemplaren hiervan zijn gevonden in Indonesië, Zuid-Afrika en Amerika. In 1823 verloor de Lakenhal deze functie als gevolg van het verval van de textielnijverheid en kwam het gebouw in gebruik als Kamer van Koophandel en cholerahospitaal.

Historisch bewustzijn van Leiden[bewerken]

Al sinds het Leidens ontzet in 1574 viert Leiden traditiegetrouw het 3 oktoberfeest, omdat de stad op die dag verlost werd van de Spaanse belegering. Vooral tijdens de negentiende-eeuwse jubileumvieringen werd er groots uitgepakt. Zo is in 1824 in het stadhuis van Leiden ter gelegenheid van de 250-jarige herdenking de eerste historische tentoonstelling van Nederland gehouden. Een maand voor de opening had het stadsbestuur de burgers opgeroepen hiervoor alles in te brengen wat "van die tijd nog was bewaard gebleven of daarop betrekking had". Er werden tientallen objecten ingezameld. De expositie in de Raadszaal van maandag 4 tot zaterdag 9 oktober trok 4846 bezoekers. Verreweg de grootste publiekstrekker was het immense, zes meter brede doek De zelfopoffering van Burgemeester Van der Werff van de Antwerpse kunstenaar Matthijs van Bree, dat in 1818 door koning Willem I aan de stad Leiden was geschonken. Naar aanleiding van dit enorme succes werd besloten het schilderij voortaan elk jaar op 3 oktober gratis te tonen.

Van hospitaal tot museum[bewerken]

In 1869 besloot Leiden de monumentale Laecken-Halle te verbouwen tot stadsmuseum. Stadsarchitect Jan Willem Schaap kreeg de opdracht de tweede verdieping van de oude Lakenhal geschikt te maken als tentoonstellingsruimte. Hij ontwierp een nieuw trappenhuis waar de zestiende-eeuwse gravenramen uit de Leidse schuttersdoelen een plek kregen. Om het daglicht in de zaal toe te laten zette hij ramen in de zeventiende-eeuwse kap en in het plafond.

Toen de bovenste verdieping van de Lakenhal in 1872 als museum werd ingericht, kreeg de 3 oktobercollectie de meest prominente plaats. Om De zelfopoffering centraal te kunnen plaatsen verhoogde men zelfs het plafond. Met de verhuizing van de stadscollectie moest het museum de traditionele gratis vertoning van het schilderij van Van Bree op 3 oktober overnemen. De verbouwing duurde twee jaar. Dat betekende dat vóór de officiële opening op 27 april 1874 – de grootse viering van het driehonderdjarig jubileum van het Beleg en Ontzet – het museum tussen de verbouwingen door in 1872 en 1873 op 3 oktober tijdelijk open moest. Ter beveiliging zette men politieagenten in en werden de museumtrappen "met planken belegd". Ondanks de bezorgdheid over de grote toestroom bezoekers verliep alles goed. Zo staat in het jaarverslag van 1872 dat "het lokaal door 4000 personen in beste orde werd bezocht".

Uitbreiding[bewerken]

Door de enorme aanloop werd het meteen duidelijk dat het museum te klein was. De roodbruin gekleurde wanden waren van onder tot onder behangen met schilderijen en wapenborden. Ook de vitrines stonden propvol met bokalen, penningen, zegels en relieken die aan het Beleg en Ontzet herinnerden. Kort daarop besloot de Gemeenteraad dat ook de eerste verdieping van de Lakenhal beschikbaar moest komen. Het oude gebouw was echter niet geschikt voor kunsttentoonstellingen. Dankzij een schenking van 10.000 gulden van de zakenman en letterkundige Daniël Hartevelt (1824-1895)[2] kreeg de Lakenhal in 1890 een nieuwe kunstzaal, die bekendstaat als de Harteveltzaal. In 1923 volgde de uitbreiding met de Papevleugel aan de Lange Scheistraat.

Rembrandtjaar 2006[bewerken]

Het museum speelde in 2006 een grote rol in de herdenkingen van Rembrandt van Rijn, die in 1606 of 1607 in Leiden geboren werd. Het museum organiseerde onder meer vier tentoonstellingen:

  • Rembrandt en zijn moeder
  • Rembrandt de meesterlijke verteller: etsen uit de verzameling Frits Lugt te Parijs
  • Rembrandt en Picasso
  • Rembrandts landschappen.

Het museum had in 2006 één schilderij van Rembrandt (in bruikleen) in de collectie: het Historieschilderij uit 1626, eerder bekend als Koning Tullus en de Horatii. Door de combinatie van klassieke ruïnes met 16e- en 17e-eeuwse kleding is onduidelijk of hij een scène weergaf uit de oudheid of uit zijn eigen tijd. Rembrandt beeldde op het schilderij ook zichzelf uit.

Collectie[bewerken]

Het museum bezit als gemeentelijke instelling vooral plaatselijke voorwerpen die de Leidse historie in beeld brengen, bijvoorbeeld het beleg van 1573-1574 en het Leids ontzet op 3 oktober 1574. Naast werk van Rembrandt bezit het belangrijk werk van de beroemde schilder en etser Lucas van Leyden. Voorts hangt er werk van Leidse kunstenaars als Jan Lievens, Jan Steen, Quiringh van Brekelenkam, Lucas van Leyden, Gerrit Dou (de bekendste van de Leidse fijnschilders), Menso Kamerlingh Onnes en H.P. Bremmer. Het museum bevat zowel eigentijdse als oudere kunst.

In 2012 wist Museum De Lakenhal met steun van de gemeente Leiden, het Mondriaan Fonds, de Vereniging Rembrandt en de Vereniging van Belangstellenden in De Lakenhal, een tweede schilderij van Rembrandt te verwerven naast het Historieschilderij. Dit paneel De brillenverkoper (1623-1624) is zijn vroegst bekende schilderij, dat deel uitmaakt van de reeks De vijf zintuigen.[3] Rembrandt schilderde het omstreeks zijn 17e levensjaar in zijn geboortestad Leiden.

Restauratie en nieuwbouw[bewerken]

Eind 2009 stelde de gemeente Leiden een bedrag van 13,5 miljoen euro beschikbaar voor de restauratie van het rijksmonument De Laecken-Halle uit 1642 en de uitbreiding met een nieuwe vleugel in de museumtuin. Vanaf 17 oktober 2016 tot aan het voorjaar van 2019 is het museum hiervoor gesloten.

Voor het verwerven van gelden voor de nieuwbouw en restauratie is in 2011 het Lucas van Leyden Mecenaat opnieuw opgericht onder voorzitterschap van oud-minister van cultuur L.C. Brinkman.

Externe link[bewerken]