Menso Kamerlingh Onnes

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Menso Kamerlingh Onnes
Zelfportret
Zelfportret
Persoonsgegevens
Geboren 25 februari 1860
Overleden 29 juni 1925
Geboorteland Nederland
Beroep(en) schilder
Oriënterende gegevens
Stijl(en) Haagse School
RKD-profiel
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur
Graf van Kamerlingh Onnes in Voorschoten

Menso Kamerlingh Onnes (Brussel, 25 februari 1860 - Oegstgeest, 29 juni 1925) is een kunstschilder die wordt gerekend tot de Haagse School.

Familie[bewerken]

Menso is de broer van Nobelprijswinnaar Heike Kamerlingh Onnes en zwager van de schilder Floris Verster. Hij trouwde op 12 november 1891 in Bloemendaal met Auguste Catharina Tutein Nolthenius. Zij kregen twee dochters en een zoon: de schilder en ceramist Harm Kamerlingh Onnes.

Werk[bewerken]

Hij werd oorspronkelijk beïnvloed door de Haagse impressionisten: circa 1880 maakte hij landschappen in de stijl van de Haagse School. Later voelde hij zich meer aangetrokken tot de jongere generatie, die zich meer richtte op de mens en het leven in de stad. Hij schilderde en aquarelleerde veel stillevens, waaronder 'bloemverbeeldingen', waaraan hij soms titels gaf ontleend aan Baudelaire, bijvoorbeeld Les Fleurs du mal.

Kamerlingh Onnes schilderde portretten van onder anderen zijn broer Heike en van andere professoren van de Universiteit Leiden, onder wie Lorentz, Van Bemmelen, Van der Vlugt en Suringar. Deze portretten zijn bijeengebracht in de Menso Kamerlingh Onnes kamer in het Academisch Historisch Museum. Werk van hem, waaronder het portret van zijn zuster Jenny Kamerlingh Onnes, hangt ook in Museum De Lakenhal in Leiden.

Literatuur[bewerken]

  • Floris Verster en Menso Kamerlingh Onnes. Akwarellen en tekeningen ca. 1885-1900. Leiden, Museum de Lakenhal, 1977. Geen ISBN.
  • Catalogus tentoonstelling Menso Kamerlingh Onnes. 15 Dec. 1945-20 Jan. 1946. Leiden, Museum De Lakenhal, 1945.
  • C. Kikkert: "M. Kamerlingh Onnes". In: Elseviers geïllustreerd maandschrift vol. 19 (1909), afl. 38, pag. 361-370