Willem van Oranje

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Zie Willem van Oranje (doorverwijspagina) voor andere betekenissen van Willem van Oranje.
Willem van Oranje
1533–1584
Portret van Willem van Oranje in 1580
door Adriaen Thomasz Key
Prins van Oranje
Periode 1544–1584
Voorganger René van Chalon
Opvolger Filips Willem
Graaf van Nassau-Oranje
Periode 1544–1584
Voorganger
Opvolger Maurits
Stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht (Filips II)
Periode 1559–1567
Voorganger Maximiliaan II van Bourgondië
Opvolger Maximiliaan van Hénin-Liétard
Stadhouder van Franche-Comté (Filips II)
Periode 1559[1]/61[2] – 1567
Stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht (Staten-Generaal)
Periode 1572–1584
Voorganger Maximiliaan van Hénin-Liétard (Filips II, tot 1573)
Opvolger Joost de Soete (Utrecht)
Maurits van Nassau (tot 1589 alleen in Holland en Zeeland)
Stadhouder van Friesland en Overijssel
(Staten-Generaal)
Periode 1580–1584
Voorganger George van Lalaing (Filips II, tot 1581)
Opvolger Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg (Friesland)
Adolf van Nieuwenaar (Overijssel)
Vader Willem de Rijke
Moeder Juliana van Stolberg

Willem (Dillenburg, 24 april 1533Delft, 10 juli 1584), prins van Oranje, graaf van Nassau-Dillenburg, beter bekend als Willem van Oranje of onder zijn postume bijnaam Willem de Zwijger en in Nederland vaak Vader des vaderlands genoemd, was aanvankelijk stadhouder (plaatsvervanger) voor de regerend heer der Nederlanden.

Een van de lijfspreuken van de prins was Je maintiendrai (Frans voor 'Ik zal handhaven'), dat in het wapen van het Koninkrijk der Nederlanden verankerd werd. Het volkslied van de latere staat Nederland draagt vanaf 1932 zijn naam: het Wilhelmus. Nederlandse sportploegen in nationaal verband dragen sinds de twintigste eeuw een oranje outfit die terug te voeren is op zijn titel van Prins van Oranje.

Jeugd (1533–1555)

Gezin

Willem van Oranje met de generaalsstaf in de rechterhand, geschilderd door Anthonie Mor omstreeks 1554. Hij was door Karel V op 22-jarige leeftijd tot kapitein-generaal, opperbevelhebber van het Maasleger gemaakt en stichtte in 1555 de legerplaats Philippeville in de oorlog tegen de Fransen.

Willem van Oranje werd 24 april 1533 tegen drie uur in de ochtend op het ouderlijk slot Dillenburg geboren, als oudste kind uit het huwelijk van Willem I van Nassau-Dillenburg (Willem de Rijke, 1487-1559), graaf van Nassau, en de 21 jaar jongere Juliana van Stolberg (1506-1580). Zijn vader had uit een eerder huwelijk al een dochter en zijn moeder had uit eveneens een eerder huwelijk vier kinderen. Na hem werden nog elf kinderen geboren, waarvan er tien de volwassen leeftijd bereikten.

Op 4 mei 1533 werd Willem onder grote belangstelling in de slotkapel gedoopt volgens de katholieke traditie,[3] om Karel V te vriend te houden. Alleen Karel V kon Willem de Rijke helpen in de lang spelende kwestie van de bezetting van Katzenelnbogen door de landgraaf van Hessen Filips I, een gebied dat hem wettelijk toekwam. Het conflict werd pas in maart 1558 opgelost met een definitief akkoord tijdens een rijksdag in Frankfurt.[4]

Tot zijn elfde levensjaar kreeg Willem een opvoeding in lutherse zin op het stamslot Dillenburg in Duitsland. Zijn moeder was overtuigd protestant en bracht dat over op haar kinderen.

Prins van Orange

In 1544 erfde Willem van Oranje het prinsdom Orange van zijn op 15 juli 1544 overleden neef René van Chalon (in Breda geboren als Reynaert van Nassau). Omsloten door Frankrijk was Orange, een territorium van 12 bij 25 kilometer, een twistappel tussen Frankrijk en het Heilige Roomse Rijk, de officiële soeverein. De 26-jarige René had bij testament bepaald dat Willem van Nassau zijn opvolger zou worden. Ook keizer Karel V, destijds heer der Nederlanden en keizer van het Heilige Roomse Rijk, stemde daarmee in. De elfjarige Willem verkreeg door de erfenis de prestigieuze titel van prins. Naast de lijfspreuk Je maintiendrai Chalon voerde hij dus ook de titel prins van Oranje. Willem erfde van zijn neef ook belangrijke voorrechten en bezittingen in de Nederlanden.

Karel V verbond aan de erfenis een voorwaarde: overgang tot het rooms-katholieke geloof en opvoeding aan het hof in Brussel. Vanwege het belang van de erfenis gingen de ouders 'met enige tegenzin' akkoord. Willem kreeg twee voogden: Jean de Mérode (gestorven 1550) voor zijn belangenbehartiging (zoals beheer van talloze domeinen, kastelen en pachten), Claude Bouton, heer van Corbaron, voor zijn opvoeding en onderwijs en Adolf von Holstein-Schaumburg, hulpbisschop van Keulen, als 'oppervoogd'. Antoine Perrenot de Granvelle, bisschop van Atrecht en vertrouweling van de keizer, nam hen alle drie op 11 januari 1545 de eed af.[5] Willem van Oranje zou zijn prinsdom nooit met eigen ogen aanschouwen.

Aan het hof van keizer Karel werd de Duitstalige Willem ingewijd tot diplomaat. Hij kreeg twee Duitse leeftijdgenoten mee: graaf Wolfgang von Isenburg en graaf Georg von Westerburg. Hij leerde Latijn, Frans, Spaans, Italiaans en het lokale Brabants-Nederlands. Daarnaast leerde hij paardrijden, jagen, schermen, vechten met het zwaard en de lans, dansen en retorica. Willem zal ook werk van de veel gelezen Erasmus tot zich genomen hebben, 'de grootste erudiet en de scherpste denker van de Lage Landen'.[6] Ondanks zijn omvangrijke bezittingen en latere eretitel „Vader des Vaderlands“, sprak Willem het Nederlands van zijn tijd niet perfect. Het Frans, de taal van de hoge adel, beheerste hij wel. Landvoogdes Maria van Hongarije (1505-1558) nam hem mee op haar inspectiereis in het voorjaar van 1545 door Gelre, Drenthe, Groningen, Overijssel en Utrecht.

Er ontstonden contacten op allerlei niveaus. Fernando Álvarez de Toledo, hertog van Alva en staatssecretaris Granvelle leerde hij kennen. Ook kreeg hij in 1545 Karel V te zien, toen deze naar Brussel was teruggekeerd en in 1549 Karels zoon Filips, die uit Spanje kwam.[7] Het bleek dat de jonge prins zich uitstekend wist te redden. Zijn levenshouding werd gekenmerkt door optimisme en welsprekendheid. Hij bleek over diplomatieke gaven te beschikken. Hij kreeg zijn bijnaam De Zwijger niet vanwege zwijgzaamheid, maar vanwege zijn gewoonte nooit het achterste van zijn tong te laten zien.

In 1549 kwam Filips II naar Brussel. Vader en zoon hadden elkaar zes jaar niet gezien. Er volgde een weken durende rondreis door de zuidelijke gewesten van de Nederlanden, waar ook Maria van Hongarije en Willem van Oranje aan deelnamen.

Huwelijk

Op 8 juli 1551 trad de 18-jarige Willem in het huwelijk met Anna van Egmont. Zoals gebruikelijk in zijn kringen was het huwelijk gebaseerd op berekening en familiebelang. Door het huwelijk vergrootte hij zijn belangen in de Nederlanden. De Nederlanden bestonden in die tijd uit 17 provinciën. Op 9 december 1553 werd hun dochter Maria geboren (gestorven 1554). Op 19 december 1554 werd Willems eerste zoon geboren: Filips Willem van Oranje.

Samenzwering van Maurits van Saksen en Hendrik II

In Duitsland werd Karel V uitgedaagd door Maurits van Saksen en Albrecht van Brandenburg en er dreigde na zeven jaar vrede weer oorlog met Frankrijk, waar Hendrik III Frans I als koning was opgevolgd. De opstandige lutherse vorsten zwoeren samen met de Franse koning. Het was hun bedoeling Karel V ten val te brengen, maar vooral Granvelle werd gezien als de kwade genius van de hardvochtige politiek van de keizer.[8] De keizer moest tot over de Brennerpas vluchten voor Maurits van Saksen, die met een leger naar het zuiden trok. Hendrik II nam Metz in. Willem van Oranje trok als kolonel met een troepenmacht naar Artesië en ging later op in een legermacht onder aanvoering van Adriaan van Croÿ, heer van Roeulx, tot aan het Île de France.[9] Er werd vrede gesloten met Maurits van Saksen met het Verdrag van Passau.[10]

Filips II huwde in 1554 met de katholieke Engelse koningin Maria Tudor, nadat een gezantschap onder Lamoraal van Egmont naar Londen was afgereisd om de verloving te regelen. Die taak was eigenlijk aan Willem van Oranje toebedeeld.

Abdicatie van Karel V

De ster van de jonge Willem rees gestaag. Hij werd een van de belangrijkste edelen aan het hof. Toen Karel op 25 oktober 1555 terugtrad als koning van Spanje, keizer van het Heilige Roomse Rijk en heer der Nederlanden, leunde hij bij deze plechtigheid gehouden in Aula Magna van het Paleis op de Koudenberg, op de schouder van de 22 jaar jonge prins. Tegen zijn zoon Filips II zei Karel over prins Willem: "Houd deze jongeman in ere, hij kan je waardevolste raadgever en steun zijn". In deze periode toonde Willem zich nog een trouwe volgeling van de Rooms-Katholieke Kerk.

Op 7 september 1556 deed Karel V ook afstand van het keizerschap. Willem van Oranje bracht de oorkonde en Karels regalia over naar Karels broer de rooms-koning Ferdinand. Tien dagen later vertrok Karel V met een vloot van zestig schepen uit Vlissingen naar Laredo, samen met zijn zuster Maria van Hongarije, die op 25 oktober 1555 ook afstand had genomen van de Nederlandse politiek.

Raadsman van Filips II (1555–1559)

Bevelhebber in het keizerlijke leger

Karel V
Filips II

Op 22 juli 1555 werd Willem van Oranje, na de dood van Maarten van Rossum (7 juni 1555) en bij afwezigheid van Emanuel Filibert van Savoye (1528-1580), benoemd tot kapitein-generaal, het opperbevel over het keizerlijke leger in de Nederlanden. Toen op 5 februari 1556 voor vijf jaar een wapenstilstand met Frankrijk werd gesloten (Vrede van Vaucelles) betekende dat weer het einde van Willems bevelhebberschap.[11]

In 1555 werd Filips II heer der Nederlanden en het jaar daarop ook koning van Spanje, waar hij overigens al vanaf 1539 als regent voor zijn vader optrad. Filips II was een overtuigd aanhanger van de Rooms-Katholieke Kerk. De reeds in 1550 ingevoerde strenge 'plakkaten' tegen de aanhangers van Maarten Luther hadden zijn volledige instemming. Hij zag het als zijn levensdoel om één groot rijk te scheppen met slechts één godsdienst, het rooms-katholicisme. Op dit punt wilde Filips van geen wijken weten.

Prins Willem was daarentegen opgewekt, sociaal vaardig en ambitieus. Hoewel trouw aan de Rooms-Katholieke Kerk, had hij waardering voor de kritische humanist Erasmus. Hij was in deze tijd vooral bezig met (de financiering rond krijgen van) de strijd tegen een andere rooms-katholieke staat.

Ridder van het Gulden Vlies

Op 16 januari 1556 droeg Karel V het koningschap van Spanje definitief aan Filips over, met zijn bezittingen in Zuid-Italië en de koloniën in Amerika en Azië. De koning trachtte nadrukkelijk Willem van Oranje aan zich te binden. Op 30 januari 1556 werd Willem ridder in de Orde van het Gulden Vlies. De ridders verplichtten zich het 'ware geloof' tot elke prijs te verdedigen. Een juridisch voorrecht was, dat leden alleen door de orde zelf voor eventuele misdaden berecht konden worden. 'Geen rechtbank, wereldlijke of kerkelijke overheid had nog vat op de vliesridders; zij regelden, onder leiding van de vorst, onderling hun zaken, En de leden moesten beloven te leven volgens de strikt katholieke rite, met dagelijks misbezoek.'[12]

Er werd op 10 augustus 1557 slag geleverd rond Saint-Quentin. Emanuel Filibert was opperbevelhebber, Willem tweede man. Lamoraal van Egmond slachtte met zijn cavalerie 5000 Franse soldaten af en nam zo goed als de hele legerleiding gevangen, van de 7000 krijgsgevangenen waren er 600 van adellijken huize. De stad zelf viel op 27 augustus, Filips II leidde zelf het slotoffensief en admiraal Gaspard de Coligny werd gevangen genomen. Filips zou zich na deze campagne nooit meer op het slagveld laten zien.

Op 24 maart 1558 stierf Willems echtgenote Anna, na koorts en een 'zware en wonderlijke zwaarmoedigheid', zoals de vermaarde Leuvense medicus Andreas Vesalius aan hem schreef. Op 7 februari 1556 was hun derde kind geboren, Maria, maar na augustus 1555 was hun eerste dochter met dezelfde naam overleden. Willem moest zijn verblijf in Frankfurt, tijdens de rijksdag, waarbij Ferdinand, de broer van Karel V, tot keizer werd benoemd, voortijdig afbreken. Op 21 september 1558 overleed Karel V in Yuste, enkele weken later overleed diens zuster Maria van Hongarije, 'kort nadat ze zich had laten overhalen in de Nederlanden nog enige tijd als landvoogdes op te treden.'[13] Op 17 november stierf Maria Tudor, de echtgenote van Filips II.

In 1557 nam Willem zijn broer Lodewijk (1538-1574) onder zijn hoede en in 1558 ging hij deel uitmaken van Willems hof. Hij zou Willem veel vergezellen en zich later ook tot belangrijk diplomaat ontwikkelen, met name in onderhandelingen met Franse hugenoten.

Raad van Filips II

In het kader van de vredesonderhandelingen met Frankrijk, die in april 1559 zouden leiden tot de Vrede van Cateau-Cambrésis, kreeg Willem van Filips belangrijke diplomatieke opdrachten. Daardoor leerde hij de groten van Europa kennen. Hij ontmoette onder anderen koning Hendrik II van Frankrijk en was samen met de hertog van Alva een van de belangrijkste raadsheren van Filips. Willem werd bovendien door Filips benoemd tot stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht.[14]

Echter, tussen Filips en de Nederlandse adel boterde het niet erg. Filips maakte liever gebruik van raadgevers van elders, zoals de Spanjaarden Ruy Gómez de Silva, de hertog van Alva en de topdiplomaat van Franse afkomst Nicolas Perrenot de Granvelle, die zijn vader al zo goed gediend had. Ruy Gómez, van Portugese afkomst, was 'het geheimzinnig opererende alter ego van Filips II'. aan het hof vervulde hij de rol van sumiller de corps, 'degene die het private huishouden van de koning bestierde en uit hoofde van zijn functie ook op diens kamer de nacht doorbracht.'[15] In praktijk was Ruy Gómez Filips' voornaamste adviseur. Zijn tegenpool was Alva, breed ontwikkeld met een machiavellistische kijk op de wereld en 'een machiavellistische manier van formuleren: helder, cynisch en genadeloos.' Viglius van Aytta was president van de 'Geheime Raad'. Toen Filips in het najaar van 1559 naar Spanje vertrok, was geen enkele Nederlandse edelman daar echt rouwig om. Volgens een onbevestigd verhaal dat in 1680 pas in druk verscheen, zou hij prins Willem bij het afscheid hebben toegevoegd, nadat hij had gezegd dat de opstandigheid van de Staten hun diepere beweegredenen waren: "Niet de Staten, maar gij, gij, gij." ('No los estados, ma vos, vos, vos') Filips was kennelijk vooral in Willem teleurgesteld.[16] Ze zouden elkaar nooit meer zien.

Vrede van Cateau-Cambrésis

In juni 1559, dus na het sluiten van de Vrede van Cateau-Cambrésis, zou Willem van Oranje nog een ontmoeting hebben gehad met de Franse koning. Calvinisme dreigde vanuit Noord-Frankrijk het zuiden van de Nederlanden te 'infecteren' en in kringen rond Filips II leefde grote angst voor calvinisten: ze 'toonden veel heilig hervormingsvuur, hadden sterke leiders, waren goed georganiseerd en waren niet afkerig van geweld'. Er werd tussen Spanje en Frankrijk gesproken over het (gezamenlijk) bestrijden van de ketterij. Alva kwam met plannen om 'overal in de hele christenheid' de ketterij 'uit te roeien'. De Franse koning zou, tijdens een jachtpartij tussen 15 en 28 juni 1559, hebben verondersteld dat Oranje hiervan ook geheel op de hoogte was en Oranje deed alsof, zodat hij 'lang en breed' veel details te weten kwam over de Spaanse plannen.

Tot de overeengekomen vredesafspraken zouden zijn nagekomen waren Alva, Egmond en Van Oranje 'gijzelaars' van Frankrijk. In zijn Apologie uit 1580, toen hij vogelvrij was verklaard door Filips, kwam Willem op deze ontmoeting terug. De Franse koning zou hem mededelingen hebben gedaan over het gezamenlijke plan van de katholieke vorsten Hendrik en Filips om door middel van inquisitie, vervolging, tirannie en plakkaten deze ketterij in Frankrijk en in de Nederlanden uit te roeien. Willem van Oranje geeft in zijn Apologie aan dat naar aanleiding van dit gesprek zijn weerstand en verzet tegen Filips zouden zijn ontstaan. Hierin lezen we over deze zaak het volgende:

Ik wil gaarne toegeven dat ik toen een grote mate van medelijden voelde met zovele mensen van eer die aan de dood overgeleverd waren; tevens voelde ik mee met dit land, waarmee ik zozeer verbonden ben en waar men dacht een zekere vorm van inquisitie in te voeren die wreder zou zijn dan de Spaanse.

Sommige geschiedkundigen betwijfelen de historiciteit van deze ontmoeting sterk. Klink stelt in Opstand, politiek en religie bij Willem van Oranje dat de argumenten voor ontkenning niet sterk zijn.[17] 'De laatste tijd is de twijfel aan de historiciteit van dit verhaal sterk afgenomen' (Van Stipriaan, 2021).[18] Tot 1559 zou Willem koning Filips in ieder geval nog loyaal dienen, o.a. namens de Spaanse koning als plaatsvervanger-landsheer, als diens stadhouder, van de gewesten Holland met West-Friesland, Zeeland en Utrecht. De weerslag daarvan is te lezen in het Nederlandse volkslied: Den koning van Hispanje heb ik altijd geëerd.

Nadat in Le Cateau-Cambrésis op 2 april 1559 de vrede tussen Frankrijk en Engeland was getekend, kwam op 3 april de vrede tussen Frankrijk en Spanje tot stand, waar twee huwelijken een onderdeel van vormden: Emanuel Filibert huwde Margaretha, de zuster van de Franse koning en Filips II huwde met Elisabeth, de dochter van Hendrik II.

Tussen de huwelijken door werd een riddertoernooi georganiseerd, waarbij de Franse koning hendrik II aan het oog werd verwond. Hij stierf op 10 juli 1559 aan zijn verwondingen en werd opgevolgd door de vijftienjarige Frans II. Frans II zou eind 1560 overlijden, waarop de negenjarige Karel IX de Franse koning werd, onder regentschap van Catharina de' Medici.

Hertogin Christine van Lotharingen was de gastvrouw geweest tijdens de vredesbesprekingen en verschillende edelen zagen haar graag als nieuwe landvoogdes. Willem van Oranje wenste zelfs haar dochter Renata te huwen, maar Filips II gaf aan beide voorstellen niet zijn fiat.[19] Hij koos voor zijn halfzuster Margaretha van Parma als nieuwe landvoogdes, de bastaarddochter van Karel V en Johanna van der Gheynst, een burgervrouw uit Oudenaarde.

Belastingen

In de gewesten heerste grote onvrede over de belastingen. Holland wilde op 9 januari 1559 de honderdste en vijftigste penning niet betalen. Grote en rijke abdijen en kloosters en ook de hoge adel hoefden niet of nauwelijks belasting te betalen. Egmond, Horne en Oranje hadden voor zichzelf belastingvrijdommen geregeld. De negenjarige bede, die Filips II aan de Staten-Generaal vroeg kwam uit op 7,2 miljoen gulden en 2,4 miljoen ineens.[20]

Hervorming kerkelijke structuur

In het voorjaar van 1559 gaf paus Paulus IV met zijn bul Super universas zijn fiat 'aan een in het diepste geheim voorbereid voorstel om in de Nederlanden de kerkelijke structuur te herzien en het aantal bisdommen op te voeren van vier naar zeventien. Filips II was hiervan uiteraard op de hoogte, zijn raadsman Viglius ook, die al in 1557 de theoloog Franciscus Sonnius aan het werk had gezet om de bisschoppelijke herindeling uit te denken'[21] Filips hoopte hiermee 'een hele reeks doelen in één keer te bereiken: meer centrale sturing, meer inkomsten, en een fijnmazig apparaat om ketterij op te sporen en te bestraffen.' Het plan was 'omgeven met de grootst denkbare geheimhouding.' Het voorstel was om drie nieuwe aartsbisdommen in te stellen, Mechelen, Utrecht en Kamerijk, en daaronder vijftien gewone bisdommen. Een aantal grote en rijke abdijen, van oudsher prominent vertegenwoordigd in de gewestelijke Staten, werden onder bisdommen gebracht. Van de negen kanunniken per bisdom werd gevraagd of ze in de theologie of rechten waren gepromoveerd, ook als het edelen betrof. De landsheer hield het recht (aarts)bisschoppen te benoemen, waarmee Filips II Rome trotseerde. Door deze hervorming kreeg Filips II niet alleen meer zeggenschap over de (aarts)bisdommen, maar werd het 'religieuze en politieke krachtenveld' herschikt. Filips' naaste adviseurs kregen sleutelposten. 'In ieder nieuw bisdom kregen twee kanunniken een aanstelling als inquisiteur met bijzondere volmachten tot vervolging over te gaan bij enige verdenking van ketterij.' Het verlies zat bij de adel en de gewesten en iedereen die sympathiseerde met nieuwe godsdienstige ideeën. De landvoogdes en koning hadden het plan met slechts twee à drie getrouwen voorbereid. Terwijl de edelen als lid van de Raad van State er wel op zouden worden aangesproken. De hoofdlijnen van het plan lekten in januari 1561 uit.[22]

Het optuigen van een fijnmazig opsporingsnetwerk met al die nieuwe inquisiteurs zouden alleen maar tot hevige vervolging en grote onrust leiden.[23] Willem van Oranje had er net als andere hoge adel in het geheel geen zeggenschap over. In 1564 kon hij het niet goedvinden dat 'vorsten wilden heersen over het geweten van mensen, en hun vrijheid van geloof en godsdienst ontnemen.'[24]

In de oppositie (1559–1566)

Antoine Perrenot de Granvelle werd in 1561 verheven tot kardinaal en benoemd tot aartsbisschop van Mechelen.

Filips II benoemde in 1559 Margaretha van Parma tot landvoogdes voor de Nederlanden. De feitelijke machthebber was echter een vertrouweling van Filips, Antoine Perrenot de Granvelle als adviseur van Margaretha, die in 1561 bovendien kardinaal en aartsbisschop van Mechelen werd. 'Het nieuws over Granvelles kardinaalsbenoeming riep ongeloof, cynisme en spot wakker bij de hoge adel.'[25]

Er was ook een Geheime Raad waarin vertrouwelingen van Filips waren opgenomen. Filips voerde strenge plakkaten voor de vervolging van de protestanten in. Op het punt van het rijksbestuur streefde hij naar een krachtig centraal gezag, ten koste van lokale privileges, waaronder bijvoorbeeld de eigen belastingpolitiek van de Staten-Generaal. Vooral de invoering van de Tiende Penning riep heel wat spanning en weerstand onder de burgers op. De politiek inzake de religie en het landsbestuur gaf ook spanning met de adel in de Nederlanden. Onder de hoge adel kwamen onder anderen Filips van Montmorency, graaf van Horne, Lamoraal, graaf van Egmont, en Willem van Oranje in verzet. Op 23 juli 1561 stuurden Lamoraal en Willem van Oranje een brief naar Filips II, omdat ze zich als leden van de Raad van State gepasseerd voelden door het voortdurend eigenmachtige optreden van Granvelle en als leden van de Raad hun ontslag indienden. Filips van Montmorency, graaf van Horne, bracht in november een antwoord terug, waarin stond dat Filips II met Margaretha van Parma verbeteringen zou doornemen.[26]

Op 11 maart 1563 stuurden prins Willem, Horne en Egmont een scherpe en waarschuwende brief aan koning Filips II. Het resultaat van dergelijke brieven was echter averechts. Het deed Filips II zich nog meer vastbijten in zijn voorgestane intimidatiepolitiek.

De achterdocht van Filips II tegen prins Willem werd bovendien gevoed door Willems huwelijk, na het overlijden van Anna van Egmont in 1558, met Anna van Saksen, een nichtje van August, de lutherse keurvorst van Saksen, op 25 augustus 1561 in Leipzig. Anna van Saksen was de dochter van de overleden Maurits van Saksen en kleindochter van landgraaf Filips I van Hessen, die overigens tegen het huwelijk was. Uit het oogpunt van familiebelangen was dit huwelijk nauwkeurig overwogen. Door dit huwelijk kreeg prins Willem belangrijke relaties onder de Duitse vorsten.

De Geheime Raad kreeg steeds meer invloed op de feitelijke gang van zaken. De Raad van State werd als regeringscollege amper serieus genomen. De prins protesteerde door van juni 1563 tot augustus 1564 uit de vergaderingen van de Geheime Raad weg te blijven. Najaar van 1564 wendde de Raad van State zich opnieuw tot Filips over de gevolgen van de gevoerde politiek. In de besluitvorming over de brief aan de koning sprak prins Willem op 31 december 1564 een rede uit, de zogenaamde 'Oudejaarsrede'. De rede behoort tot de hoogtepunten in de Nederlandse geschiedenis, maar slechts delen zijn bewaard gebleven. In deze urenlange rede voerde hij openlijk en duidelijk een pleidooi voor gewetensvrijheid van de onderdanen. Lange tijd is hieruit door latere geschiedschrijvers de volgende zin geciteerd: Ik kan niet goedkeuren dat vorsten over het geweten van hun onderdanen willen heersen en hun de vrijheid van geloof en godsdienst ontnemen. Dit is echter onvolledig, want bijvoorbeeld Viglius noteerde dat hij had gezegd: En hoewel hij [Willem van Oranje] zelf besloot te hechten aan de katholieke godsdienst, kon het hem echter niet behagen, dat vorsten willen heersen over het geweten van mensen en hun de vrijheid van geloof en godsdienst ontnemen.[27] Dat Willem hier zou hebben gezegd dat hij hechtte aan het katholieke geloof, zou ongemakkelijk kunnen zijn voor Nederlandse (protestantse) geschiedschrijvers, en het eerste zinsdeel wordt dan ook nog steeds vaak weggelaten; feit blijft dat Willem van Oranje pas eind 1573 weer protestants werd.

Op 18 januari 1565 bracht Egmont de wens van de Raad van State over aan Filips II. In de beruchte Brieven uit het bos van Segovia wees Filips het verzoek van de Raad van State radicaal af. De plakkaten werden zelfs verscherpt, mede naar aanleiding van de besluiten van het Concilie van Trente dat de protestanten vervloekte in 126 'anathema's'. Jezuïeten, onder leiding van hun tweede generaal-overste Diego Laínez, hadden veel invloed op de uitkomst van het concilie.

Bovendien moesten de belastingmaatregelen zo nodig met geweld worden ingevoerd. De centralisatie van de besluitvorming werd doorgedrukt. Het conflict tussen Filips en prins Willem was een feit. De aanloop naar de Opstand was begonnen. Op 25 december 1565 werd het Verbond der Edelen opgericht.[28] Willem wachtte de komst van Alva echter niet af. Hij vluchtte in april 1567 met zijn gezin naar Duitsland, waarna markies Maximiliaan van Hénin-Liétard op 17 juni 1567 benoemd werd tot stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht en deze Willems functie als stadhouder dus overnam. Alleen Willems 12-jarige zoon Filips Willem bleef achter in Leuven, waar hij studeerde. Hij werd in 1568 afgevoerd naar Spanje, om een goede katholieke opvoeding te krijgen. Willem zou hem nooit meer terugzien. Margaretha trad af als landvoogdes uit protest tegen Alva, die haar betrekkelijk verzoeningsgezinde beleid doorkruiste. Alva werd vervolgens benoemd als haar opvolger.

Strijd vanuit Duitsland (1567–1572)

Antwerpen

Op 13 maart 1567 vond bij Antwerpen de Slag bij Oosterweel plaats. Filips van Lannoy, heer van Beauvoir en kapitein van de lijfwacht van Margaretha van Parma, versloeg in deze slag een leger van de geuzen onder leiding van Jan van Marnix, heer van Toulouse. De overlevende gevangengenomen geuzen werden niet als krijgsgevangenen maar als ketterse rebellen beschouwd en als zodanig behandeld. Ze werden ter dood gebracht op het rad of aan de galg. Willem van Oranje, die onder meer burggraaf was van Antwerpen, weigerde zelf en verbood ook de Antwerpenaren om vanuit de stad de geuzen te hulp te komen.

Dillenburg

Hij vertrok een maand later, op 15 april 1567, naar Dillenburg en hoewel hij van daaruit Alva zijn diensten aanbood, viel op 16 december in de Raad van Beroerten het besluit om ook Willem te vervolgen. De dagvaarding werd in januari 1568 openbaar gemaakt. Zoon Filips Willem werd naar Spanje afgevoerd om daar een degelijke katholieke opleiding te krijgen en al de bezittingen van de Prins van Oranje in de Nederlanden werden verbeurd verklaard. Hij begon daarop vanuit Dillenburg in Duitsland met het werven van troepen en nam de wapens op tegen de hertog van Alva. Willem van Oranje rechtvaardigde zijn verzet tegen de koning en weersprak de beschuldiging en veroordeling door de Raad van Beroerten in de volgende documenten:

  1. La justification du prince d'Oranges (de Verantwoordinge). Op het titelblad van dit document staat een Bijbeltekst uit Psalm 37, De goddeloze beloert de rechtvaardige, en zoekt hem te doden. Maar de Heere laat hem niet in diens handen vallen en houdt hem niet voor onrechtvaardig, ook al wordt hij geoordeeld (Psalm 37:32-33). Een Bijbeltekst die in verdedigingsgeschriften vaak voorkomt.
  2. Summarische Anzeige.
  3. Printzische Entschuldigung. Recent onderzoek van Klink heeft aan het licht gebracht dat in de Printzische Entschuldigung verzetsmotieven van Luther en Calvijn terugkomen.

Eerste invasie

Zie ook Oranjes eerste invasie (1568)

Hierna lanceerde Oranje zijn eerste invasie in de Nederlanden. Zijn zwager Willem IV van den Bergh werd als eerste verslagen in de Slag bij Dalheim (25 april 1568). Op 25 mei 1568 leverde een legertje van Oranje, onder leiding van zijn broer Lodewijk, slag tegen de koningsgezinden onder leiding van de stadhouder van Groningen, Jan van Ligne, graaf van Arenberg in de Slag bij Heiligerlee. Het was een overwinning voor de opstandelingen, maar hier sneuvelde wel Willems broer Adolf. Alva wist het effect te neutraliseren door de onthoofding van Egmont en Horne op 6 juni 1568 op de markt in Brussel . Daarna ging het slecht met de krijgsverrichtingen van Oranje. Hij verloor in 1568 de Slag bij Jemmingen in het toen reeds volledig calvinistische Oost-Friesland. Ook in Brabant verloor hij de Slag bij Geldenaken tegen Alva op 22/23 oktober 1568. Alles bij elkaar leverde het jaar 1568 militair-strategisch winst voor de Spanjaarden, en de financiële middelen van de prins waren eigenlijk uitgeput.

Watergeuzen en calvinisten in Emden

Wel trachtte Willem in de volgende jaren, 1569-1571, slag te leveren, maar blijvende winst of opstand onder de bevolking leverde dit alles niet op. De door de prins verwachte steun vanuit Duitsland was ook zeer gering. Zijn hoop op steun van de hugenoten, die te lijden hadden onder de Spaanse interventie in de Hugenotenoorlogen in Frankrijk, bleek ijdel te zijn. Van een opstand onder de gewone bevolking in de Nederlanden was ook geen sprake. Wel ontving de prins enige steun van her en der verspreide en vervolgde calvinisten, hoewel hijzelf nog geen calvinist was. Dezen woonden in Emden (Oost-Friesland), Londen, Frankfurt, Straatsburg etc., waar vluchtelingengemeenten waren. Militaire steun kreeg de prins van de watergeuzen, wier bezittingen ook geconfisqueerd waren. Aan hen reikte hij kaperbrieven uit om Spaanse schepen te plunderen.

Het lukte Oranje niet calvinisten direct te verenigen met de lutheranen onder de 'Augsburgse Confessie' van laatstgenoemden. Een dergelijk verbond had verschillende Duitse vorsten overstag doen gaan om bijstand te verlenen aan de strijd in de Nederlanden. De calvinisten waren al verdeeld in noordelijke 'rekkelijken' en zuidelijke 'preciezen', zoals ze decennia later zouden worden aangeduid. 'Bij de precieze Nederlandse calvinisten was er veel minder begrip of ontzag voor andersdenkenden.'[29] In de stad Emden waar veel ballingen zich verzamelden, verbleven ook 'spiritualisten' of 'libertijnen', waaronder Hendrik Niclaes en zijn sekte 'Huis der Liefde', waar over 'gewetensvrijheid' werd gedebatteerd en de vrijheid in politieke zin om met andersdenkenden naar oplossingen te mogen zoeken. Humanisten, kunstenaars (Pieter Brueghel) en schrijvers als Dirck Volckertsz. Coornhert (die een agent van Oranje werd[30]), zijn met deze beweging en Oranje en diens kringen in verband gebracht.[31]

Internationaal overleg

Onderhandelingen in Frankrijk in de zomer van 1571, met onder meer Francis Walsingham, de ambassadeur voor de Engelse koningin Elizabeth I, over een herverdeling van de Nederlanden na een gezamenlijke strijd, leverden niets op: Frankrijk zou Artesië en Vlaanderen krijgen, de Duitse vorst Oranje zou Brabant, Luxemburg en Gelderland toekomen en Holland en Zeeland aan Engeland toevallen. Er was geldgebrek. Het hele project zakte tenslotte roemloos in elkaar toen ook Alva ervan kennis nam.[32] De enige hoop was nog dat Frankrijk de opstand zou steunen.

Agenten van Oranje

Niet het geloof, maar de economie bracht de Nederlandse bevolking uiteindelijk eind 1571, begin 1572 in beweging. Op een gegeven moment sloten veel kooplieden zelfs liever hun winkels en kantoren, dan tien procent belasting (tiende penning) te betalen: stakingsacties. zonder een definitief akkoord met de Staten-Generaal, ging Alva op 31 juli 1571 over tot invoering van de tiende en twintigste penning (vijf procent belasting).[33] Oranje wist toen uit calvinistische, lutherse en katholieke edelen, lokale en gewestelijke bestuurders en middenstanders agenten te rekruteren, die opereerden tussen Dillenburg en de plaatsen waar veel ballingen zaten (zoals Emden). Edelen waren gemotiveerd, omdat ze sinds het ondertekenen in 1566 van het 'Compromis' en de komst van Alva als vogelvrij golden; bestuurders konden een hele reeks maatregelen (verscherpte geloofsvervolging, fiscale maatregelen, inkwartiering van veeleisende soldaten enz.) niet meer bij de bevolking rechtvaardigen; burgers leden onder geloofsvervolging en belastingmaatregelen. Er werd gevreesd voor vergaande knechting en verarming van de Nederlanden.[34]

Vader des vaderlands

Oranje kreeg een latijnse tekst met advies in handen van de in Duisburg werkzame Nederlandse schoolmeester Hendrik Geldorpius, met de datering 17 april 1571, waarin hij voor het eerst met het klassieke epitheton patria patriae (vader des vaderlands) werd aangeduid. De tekst werd in 1574 gedrukt onder de titel Belgicae liberandae ab Hispanis Hypodeixis.[35]

Wilhelmus

Eind 1571, begin 1572 werd het Wilhelmus geschreven, dat spoedig het lijflied van grote groepen opstandige Nederlanders zou worden. Het lied kent 15 strofen en werd op een dan nog heel recente Franse melodie geschreven. Onder de tekst stond geen naam, datum of plaats. Er is veel gespeculeerd over wie de dichter van dit lied geweest kan zijn. Er is gedacht aan Filips van Marnix, Dirck Volkertsz. Coornhert, Willem van Haecht, Jan Baptista Houwaert, Adriaen Saravia, Petrus Datheen en Johan Fruytiers. 'Toch lijkt één ding voor zichzelf te spreken: dit lied moet in de wereld zijn gekomen met medeweten en goedvinden van Oranje.'[36]

Strijd in Holland en Zeeland (1572–1576)

Zie ook Oranjes tweede invasie (1572)

De druk op de bevolking nam toe. Alva voerde de Tiende Penning in, een vorm van belasting die enorm veel verzet opriep. De Nederlanden werden in 1571 door de pest geteisterd. Duizenden calvinisten vluchtten het land uit. In 1572 werden Naarden en Mechelen uitgemoord door Alva's troepen, bij wijze van intimidatie, die echter averechts werkte. Zelfs in het katholieke zuiden, in Brussel, ontstond een winkelstaking tegen de belastingvoorstellen van Alva.

Den Briel

Te midden van toenemende spanningen veroverden de watergeuzen op 1 april 1572 Den Briel (inname van Den Briel). Weliswaar gingen deze watergeuzen wel vaker aan land om te roven en te plunderen, maar omdat ze niet meer in Engeland mochten verblijven besloten ze op 1 april 1572 in Den Briel te blijven en hesen er de geuzenvlag. De invloed op latere ontwikkelingen waarbij, ondanks Willems voorafgaand verbod hiertegen, ook negentien monniken werden vermoord, kan moeilijk worden overschat. Bloedbaden door de calvinistische factie en watergeuzen zoals de moord op de katholieke Martelaren van Gorcum, werden niet meer bestraft.

Andere steden volgen

De inname van Den Briel bleek uiteindelijk een signaal voor een algemene volksopstand waar Oranje en zijn broers al vijf jaar op uit waren. Onmiddellijk riep de prins de bevolking der Nederlanden in een schrijven van 14 april 1572[37] op tot verzet tegen Alva, de landvoogd van de Nederlanden. Op 6 april 1572 verklaarde Vlissingen zich voor de prins. Op 1 mei volgde Terneuzen, op 3 mei Veere, en 21 mei Enkhuizen, strategisch gelegen aan de Zuiderzee. Binnen twee maanden schaarden 26 steden in Holland en Zeeland zich achter de prins. Deze steden hadden binnen hun muren grote invloedrijke calvinistische - en tevens kleinere lutherse - gemeenschappen. In het najaar van 1572 waren in graafschap Holland en graafschap Zeeland alleen de steden Amsterdam, Middelburg en Goes nog in Spaanse handen - in deze steden was de burgerij goeddeels rooms-katholiek gebleven. Andere steden kozen tegen Alva, voor de prins. Het jaar 1572 vormde zo een belangrijk keerpunt in de geschiedenis van de Opstand.

Gruwelijkheden

De gruwelijke moorden door de opstandelingen en geuzen op katholieke geestelijken in Den Briel op 9 juli 1572, in Roermond op 23 juli en in andere gebieden van de Nederlanden, werden door Willem niet publiekelijk veroordeeld, ondanks zijn vroegere pleidooien voor godsdienstvrijheid. In heel Europa werd met afschuw gereageerd op het nieuws van de wreedheid die Willem van Oranjes troepen aan de dag legden bij de inname van Roermond op 23 juli 1572.[38] Nadat zij met geweld was ingenomen, werd de stad niet alleen geplunderd, maar ook werden vele van haar katholieke geestelijken waaronder 12 monniken van de Kartuizerorde gruwelijk vermoord (de martelaren van Roermond).[39][40] De prins was hiervan op de hoogte, maar greep niet in en veroordeelde de calvinistische daders ook later niet.[41]

Bij de Eerste Vrije Statenvergadering van de Staten van Holland van 15 tot 29 juli in Dordrecht liet de prins zich vertegenwoordigen door Filips van Marnix van Sint-Aldegonde als zijn gezant. Hij gaf Marnix een duidelijke instructie, met dagtekening van 13 juli 1572, mee.[42] Daarin vroeg de prins van Oranje, in ruil voor bescherming van de steden, dat zij zich zouden verbinden voor drie maanden soldij te beginnen met 100.000 kronen voor de eerste maand.

Bartholomeüsnacht

Admiraal Gaspard de Coligny (1519-1572), de leider van de hugenoten, die Oranje te hulp wilde komen met een hugenotenleger, schilderij van François Clouet.

Oranje hoopte weer op steun van de Franse hugenoten, maar na de Bartholomeusnacht, een massale moordpartij op de Franse protestanten in augustus 1572, leek dit uitgesloten gezien de enorme verzwakking van de Franse protestantse adel door het bloedbad.

Oranje ontving nog op 11 augustus 1572 een brief van de Franse admiraal Gaspard de Coligny, dat er versterkingen voor hem werden georganiseerd. Coligny was zelf voornemens de troepen persoonlijk aan te voeren. De conservatief-katholieke factie van het Conseil van de Franse koning Karel IX, zoon van Catharina de' Medici, 'was sterk gekant tegen een oorlog met Spanje en zag ook niets in het plan om de protestanten in het noorden te hulp te komen'. Coligny en Catharina de' Medici stonden 'verbitterd en verwijtend tegenover elkaar'. Het huwelijk tussen Hendrik van Navarra, de zoon van Jeanne d'Albret, de koningin van Navarra ('die sinds de dood van Condé kon gelden als de aanvoerder van de hugenotenbeweging'[43]) en Margaretha van Valois, de zuster van de Franse koning, was tot stand gekomen met de hulp van Lodewijk van Nassau. Lodewijk was in Frankrijk om voor Oranje steun te verwerven voor de opstand in de Nederlanden. Op Sint-Bartholomeüs (nacht van 23 op 24 augustus 1572) werd Coligny vermoord 'en met hem nog zo'n drieduizend feestvierders die ervan verdacht werden tot de harde kern van de hugenoten te behoren of ermee te sympathiseren.(..) De jacht op protestanten leidde elders in Frankrijk tot nog eens zevenduizend slachtoffers. In één keer viel alle Franse steun voor de Nederlandse opstandelingen weg.'[44]

Holland

Ook door financiële tekorten verliep de strijd in Brabant desastreus. Alva wist in het najaar zonder slag of stoot de stad Mechelen te heroveren. De prins begaf zich daarop naar Holland om op 20 oktober 1572 in Enkhuizen voet aan wal te zetten. In Ransdorp werden in de daaropvolgende novembermaand door Willems bondgenoot en fanatieke geuzenleider Diederik Sonoy talrijke franciscanen vermoord. In december 1572 begon het beleg van Alva rond Haarlem.

Musius

In november 1572 dineerden Willem, Lumey en Willems persoonlijke vriend, de 72-jarige renaissancegeleerde en priester Cornelis Musius, prior van het Sint-Agathaklooster in Delft, waar de prins vaak verbleef. 'Oranje liet hem [Musius] zelfs aan het hoofd van de tafel zitten. Waarop Lumey eiste dat Oranje de 'paap' aan de lange zijde liet plaatsnemen, of dat hij anders de man het hoofd zou afhakken.' Toen de intimidaties van Lumey daarna bleven aanhouden, vluchtte Musius op 9 december naar Den Haag. 'Oranje stond erop dat hij meteen weer naar Delft zou komen. De volgende dag liep Musius bij zijn terugkeer naar Delft recht in de armen van Lumey en zijn geuzentroepen, die juist op weg waren gegaan om via Leiden naar Haarlem op te trekken. Ze dwongen Musius mee te gaan naar Leiden. Daar werd hij meteen na aankomst gruwelijk gemarteld. Lumey wilde van hem horen waar de kostbaarheden van het Sint-Agathtaklooster waren gebleven.' De prins van Oranje kon niet verhinderen, dat Musius een gruwelijke dood aan de strop stierf. 'De berichten over deze gruwelijke moordlust moeten oranje wanhopig gestemd hebben. Het was de zoveelste wandaad die Lumey en zijn mannen in deze weken begingen. Nadat hij Lumey en zijn rechterhand Barthold Entens op 5 januari 1573 weer in Delft ontving, werden ze opgesloten. Op 9 januari benoemde Oranje Willem van Bronckhorst van Batenburg als legeraanvoerder in Lumeys plaats.[45] Van een latere veroordeling van het schijnproces tegen Musius door Willem is ook geen sprake[bron?], hetgeen talrijke katholieke edelen en burgers argwanend maakte tegenover de Opstand.

Alva verlaat de Nederlanden

In de jaren 1572-1576 wist de prins wel vele Hollandse en Zeeuwse steden te bewegen tot een opstand tegen Alva. In december 1573 hield de prins een toespraak tot de kapiteins van de Zeeuwse vloot. Zo diep was de indruk die zijn woorden maakten, dat de officieren als één man uitriepen te zullen vechten tot de laatste druppel bloed, al zouden ze een jaar geen geld ontvangen en ook alles verliezen wat zij bezaten.[46] Bij de protestanten kon de prins geen kwaad doen; de katholieken echter bleven terughoudend, mede door de bloedbaden tegen katholieke geestelijken door de opstandelingen. De tot dan toe formeel nog katholieke prins van Oranje ging eind 1573 weer over naar het protestantisme - nu in zijn calvinistische vorm, waar hij tot zijn elfde levensjaar luthers was opgevoed. Hij bezocht in deze periode verschillende steden in Holland en Zeeland. De situatie bleef wankel. Haarlem gaf zich in juli 1573, na een beleg van 9 maanden, over aan de Spanjaarden. Alkmaar wist echter een Spaans beleg te doorstaan, tot het op 8 oktober 1573 door de watergeuzen werd ontzet. Alva moest zich bij Alkmaar terugtrekken en zijn vloot ging op 11 oktober 1573 ten onder op de Zuiderzee. Louis de Boisot nam daarbij de admiraal van de Spaanse vloot, de graaf van Bossu, tevens stadhouder van regeringswege van Holland, Zeeland en Utrecht, krijgsgevangen.[47] Op 18 december 1573 verliet Alva de Nederlanden 'met de beschadigde reputatie van een groot veldheer die een zootje ongeregeld er in zes jaar tijd niet onder had gekregen. Zijn militaire inspanningen hadden zo'n twaalf miljoen dukaten gekost en de situatie alleen maar onbeheersbaarder gemaakt.'[48] Zijn missie was mislukt. Volgens Voltaire heeft de Spaanse hertog in zijn campagne ruim 15.000 Nederlanders ter dood laten brengen. Zijn opvolger was Requesens.

Leidens ontzet

Eind oktober 1573 werd de Hollandse stad Leiden ingesloten door een Spaans leger. Begin 1574 droeg Willem van Oranje zijn jongere broers Lodewijk en Hendrik op om als afleidingsmanoeuvre de stad Maastricht aan te vallen, in de hoop dat het Spaanse leger de insluiting van Leiden dan zou opheffen. De Spanjaarden trokken inderdaad weg, hoewel de aanval op Maastricht niet doorging omdat te stad te sterk verdedigd was. Nog voordat het Spaanse leger arriveerde, versloeg een ander dat van Lodewijk en Hendrik bij de Slag op de Mookerheide, waarbij beide broers om het leven kwamen. Leiden werd vervolgens opnieuw door de Spanjaarden ingesloten en Willem van Oranje wilde de stad deze keer ontzetten door de omgeving onder water te zetten en met een bewapende geuzenvloot over het ondergelopen land naar Leiden te varen. De prins was hiervoor echter afhankelijk van de Staten van Holland, die voor dit plan toestemming moesten geven. Uiteindelijk was het niet Willem van Oranje, maar vooral Paulus Buys die de Staten van Holland wist te overtuigen het plan uit te voeren en op 3 oktober 1574 werd door admiraal Boisot Leiden ontzet.

Oranje legde in oktober 1574 in de Staten van Holland belangrijke verklaringen af over de voortgang en het doel van de Opstand. Via zijn netwerk zocht hij in Engeland, Frankrijk en onder de Duitse vorsten steun.

Afscheid van Anna van Saksen

Willem had zijn echtgenote Anna van Saksen inmiddels verstoten, nadat aan het licht was gekomen dat zij overspel had gepleegd met Jan Rubens, de latere vader van de schilder Peter Paul Rubens. Willem nam in 1571 afscheid van haar. Op 22 augustus 1571 beviel zij van een dochter, Christina van Dietz, die vanwege de lange afwezigheid van Willem van Oranje niet van hem kon zijn. Zij was al eerder moeder geworden van vijf andere kinderen, onder wie van de latere stadhouder en prins van Oranje Maurits. Anna claimde dat die wel van haar echtgenoot afkomstig waren. De reden waarom Willem van Oranje zijn tweede echtgenote had verstoten, bleef voor het Nederlandse volk lang verborgen. Pas in de negentiende eeuw werd hierover voor het eerst gepubliceerd.[49] Anna werd onder curatele van haar eigen familie geplaatst, kreeg streng huisarrest in kasteel Beilstein in het Westerwald en stierf op 18 december 1577. Jan Rubens werd gevangengezet op de Dillenburg en kwam in 1573 vrij na de betaling van een borgsom van 6000 taler.[50]

Charlotte van Bourbon

Portret van Charlotte van Bourbon door Daniel van den Queborn.

'Scheiding met echtbreuk als grond was niet echt een begaanbaar pad omdat Oranje en ook [schoonfamilie] Saksen en Hessen het overspel met Jan Rubens niet in de wereld wilden hebben.'[51] Abdis Charlotte van Bourbon was naar Heidelberg gevlucht, waar calvinisten de volle bescherming genoten van Frederik III, de keurvorst van de Palts, en zijn echtgenote Amalia van Nieuwenaar (de weduwe van Hendrik van Brederode), en toegetreden tot de gereformeerde kerk. De keurvorst en vorstin vertegenwoordigden 'haar eigen ouders'. Amalia kende Anna van de tijd die ze samen doorbrachten in Keulen en kon wellicht aantonen dat Anna geen volwaardige partner meer kon zijn.[52]

Marnix was door Oranje op geheime missie gestuurd: in Heidelberg per brief een aanzoek doen aan Charlotte de Bourbon, in het Duitse Rijk hoogleraren vinden voor de nieuwe universiteit in Leiden en in het Poolse Krakau mogelijk onderzoek doen naar de kans dat Oranje de nieuwe Poolse koning kon worden. Hendrik had zijn Poolse koningschap moeten verruilen voor het Franse, na het overlijden van zijn broer Karel IX (30 mei 1574) en zo was de Poolse troon vacant geworden.[53] Vóór Hendrik was het Poolse koningshuis en nog meer de Poolse bevolking sterk hervormingsgezind.[54] Charlotte antwoordde per brief niet onwelwillend te staan tegenover Oranjes aanzoek.

Volgens Guillaume Feugueray, de Franse hugenootse theoloog van de universiteit van Leiden, was het overspel van Anna van Saksen voldoende grond om Oranjes huidige huwelijk als ontbonden te beschouwen. Ook volgens een vijftal gezaghebbende predikanten was dit huwelijk opgehouden te bestaan en was Oranje vrij een nieuw huwelijk aan te gaan.[55]

Op 12 juni 1575 trouwde de prins in Den Briel met Charlotte van Bourbon, de dochter van Louis van Bourbon, de hertog van Montpensier, die nauw verwant was aan het Franse koningshuis. Met dit huwelijk distantieerde Oranje zich verder van het Duitse Rijk en schoof meer op naar Frankrijk en het calvinisme.

In tegenstelling tot de andere huwelijken, zo blijkt uit zijn briefwisseling, ging het hier niet om een huwelijk uit louter berekening maar om wederzijdse genegenheid. Op 11 juli 1575 droegen de Staten van Holland en Zeeland aan prins Willem de Hoge Overheid op.[56]

Het onbereikbare ideaal (1576–1579)

Pacificatie van Gent

De feestelijke intocht van de Prins van Oranje in Brussel op 22 september 1577. Prent uit 'de Nassausche Oorloghen' van Willem Baudartius.

In maart 1576 overleed landvoogd Requesens plotseling, terwijl Spanje in ernstige financiële moeilijkheden verkeerde. De onrust nam in de loop van 1576 in alle 17 gewesten toe doordat de Spaanse soldaten, die geen soldij kregen, aan het muiten sloegen. De prins speelde hierop in en wist in deze periode in alle gewesten een goede positie te verwerven. Begin 1576 riep bijvoorbeeld Gent de hulp van de prins in tegen de Spanjaarden. De muiterij bereikte een dieptepunt met de Spaanse Furie, toen Antwerpen op 4 november zwaar te lijden had van plundering en brandschatting. De afkeer van Spanje was toen algemeen, zowel onder protestanten als katholieken. Op 8 november 1576 kon Oranje daardoor zijn grootste politieke succes boeken met de Pacificatie van Gent. Deze legde de bestaande toestand in alle 17 gewesten van de Lage Landen op het terrein van de religie vast en verenigde die tegen het Spaanse gezag. Op 22 september 1577 werd Oranje feestelijk onthaald in Brussel.[57] Op 18 september 1577 was Oranje in Antwerpen, de grootste stad van de Lage Landen. De macht en invloed van Oranje bereikten een hoogtepunt.

Landvoogd Don Juan

De nieuwe landvoogd Juan van Oostenrijk moest met lede ogen de intocht van Oranje in Brussel aanzien. "Als was hij de Messias in eigen persoon", zei Don Juan. Voor Don Juan was het tot rust brengen van de Nederlanden slechts een klus tussendoor op weg naar Engeland. 'Daar ging hij, op aandringen van de paus en met goedkeuring van Filips II, door middel van een invasie een katholieke omwenteling op touw zetten, die Elizabeth moest verdrijven en Maria Stuart op de troon brengen.'[58] Maar de klus in de Nederlanden duurde langer dan gepland en mislukte finaal.

Verzoening met koning Filips en vrijheid van godsdienst voor de calvinisten waren niet te combineren. De Pacificatie van Gent liep op een mislukking uit. De calvinisten, die heer en meester waren over Holland en Zeeland, wilden geen vrijheid voor de katholieken die nog een belangrijk deel van de bevolking en zelfs van de lagere adel vormden. De katholieken wilden in de gebieden waar zij de overhand hadden, geen vrijheid voor de calvinisten ― die overigens in de Noordelijke Nederlanden buiten de gewesten Holland en Zeeland zeer zwak tot geheel niet vertegenwoordigd waren (in Friesland bestonden wel mennonitische gemeenten).

Unie van Brussel

In april 1577 kwam de eerste Unie van Brussel met de Spaanse landvoogd Don Juan tot stand, gesloten door de Staten-Generaal van de Nederlanden. De eerste Unie van Brussel verplichtte de gewesten het katholiek geloof te behouden of vrij toe te staan (dat laatste voor wat Holland en Zeeland betrof).

De eenzijdig door de Staten-Generaal afgekondigde Tweede of Nadere Unie van Brussel van december 1577 was toleranter richting de gereformeerde godsdienst die ook toegestaan moest worden buiten Holland en Zeeland. De tweede of Nadere Unie van Brussel van de Staten-Generaal die tegemoet wilden komen aan de opstand en ook de calvinisten verregaande godsdienstvrijheid toestond, werd op 1 februari 1578 door koning Filips II de facto beëindigd, door afzetting van de leden van de Staten-Generaal. Willem van Oranje stond vrijwel buitenspel tijdens de Unie van Brussel, ondanks zijn hoge overheid over de gewesten Holland en Zeeland.

Landvoogd Matthias

Op 11 oktober 1577 nam Oranjes echtgenote Charlotte van Bourbon haar intrek in het familieslot van de Nassaus in Breda.[59] Op 13 oktober 1577 werd Oranje verkozen tot ruwaard van Brabant. De Staten kozen in december 1577 de twintigjarige aartshertog Matthias, de broer van keizer Rudolf II, als hun eigen landvoogd en Oranje als zijn luitenant-generaal en plaatsvervanger. Hij werd door Oranje ingewerkt, maar Matthias' formele macht was zeer beperkt.[60] Het Staatse leger werd 31 januari 1578 bij Gembloux vernietigend verslagen door het leger van Don Juan, er vielen ongeveer 6000 doden aan Staatse kant, enkele tientallen aan Spaanse.[61]

Matthias zou op 15 mei 1581 afstand doen van de landvoogdij en op 29 oktober Antwerpen verlaten.[62]

De Unies van Utrecht en Atrecht

Unie van Atrecht en Utrecht

De Unie van Atrecht (met name de vrijwel geheel katholieke Franstalige gewesten) en de Unie van Utrecht (met name de Nederlandstalige gewesten, onder regie van Oranjes broer Jan van Nassau, stadhouder van Gelderland) in 1579 betekenden het begin van de eigen weg van Noord- en Zuid-Nederland. Uiteindelijk bleek Oranjes ideaal van één land met één landheer en religievrijheid te hoog gegrepen.

De Noordelijke Nederlanden, verenigd in de Unie van Utrecht, vervolgden onder leiding van de prins en Holland en Zeeland de weg van de Opstand. Verschillende vredesbesprekingen, onder andere in Keulen, liepen op niets uit. Filips wilde onder geen beding vrijheid van godsdienst toestaan.

Vredesbesprekingen in Keulen

Oranje had geprobeerd een coalitie te smeden tussen katholieken en calvinisten in de Nederlanden en hun recht op gewetensvrijheid te garanderen, de zogeheten 'religievrede'. Hij riep op tot eendracht en het verdedigen van het 'vaderland'. Met deze coalitie kon het Spaanse juk mogelijk worden afgeworpen. Oranje had er moeite mee de orthodoxe calvinisten, met name in Gent, ervan te overtuigen dat katholieken en hun kerken en kloosters met rust moesten worden gelaten. De Spanjaarden hadden er daarentegen baat bij de verschillende partijen uit elkaar te spelen, volgens het principe 'verdeel en heers'.

Henegouwen, Artesië en de andere ondertekenaars van de Unie van Atrecht verzoenden zich al vóór de vredesonderhandelingen in Keulen met Filips II. Op 29 juni 1579 viel Maastricht na vier maanden belegering door Farnese, van het sturen van een ontzettingsleger was het niet gekomen. Veel katholieken waren hierover verbolgen.

Tijdens de vredesbesprekingen in Keulen voerde Aggaeus van Albada namens de Staatse delegatie het woord en deed er later verslag van, de Acta pacificationis verscheen in 1580 in druk bij Plantijn. In Albada's redevoeringen zat veel ideeëngoed van Castellio; 'ze waren dan ook principiële pleidooien voor gewetensvrijheid', in Spaanse ogen 'gevaarlijke nieuwigheden, die de ketterij vrij spel dreigden te geven.' Albada zette in de Acta uiteen: 'de Staten hebben hun landen en bezittingen niet van de koning verkregen, maar de koning heeft juist van hen de hoogste macht ontvangen.' Vindiciae contra tyrannos (1579, Bazel) was een ander geschrift uit die tijd, waarin gesteld werd 'dat iedere monarch die zijn macht misbruikte en in tirannie verviel, afgezet mocht worden.' Zogeheten monarchomachen (strijders tegen alleenheersers) wilden 'een rem zetten op alle vormen van gewetensdwang, omdat die bijna altijd uitliep op tirannie en het doden van onschuldige mensen. De inquisitie in Spanje, het optreden van Alva in de Nederlanden en de Bartholomeusnacht in Frankrijk waren er de sprekende voorbeelden van.' Filips II 'stond niet boven de wet, maar was er uitdrukkelijk aan onderworpen. Het was een rechtstreekse ontkrachting van het absolutisme.' De Spaanse delegatie in Keulen wilde veel concessies doen, vooral om de katholieken die zich de laatste jaren hadden afgekeerd van alles wat Spaans was, weer in het kamp van de koning te trekken. Oranje waarschuwde dat de Spanjaarden niet te vertrouwen waren en niets liever wilden dan de inquisitie zo snel mogelijk invoeren.[63] Er kwam een heftige lastercampagne aan het adres van Oranje op gang, waaronder het anonieme, 'wel heel giftige' Lettre d'un gentilhomme, vray patriot à Messieurs les Etats Generaulx, dat door heel Europa in druk verscheen en in korte tijd enorm veel reputatieschade aanrichtte. Oranje zou de vrede in de weg staan. Jan van der Linden, abt van de abdij Sint-Geertrui, maakte er een Nederlandse vertaling van en verzoende zich met Filips II. Ook Aarschot, de stadhouder van Vlaanderen, en Havré liepen over en verlieten hun zetels in de Raad van State en in de Staten-Generaal, nog vóór het einde van de Keulse besprekingen.[64]

Laatste levensjaren (1579–1584)

Parma slaat terug

De laatste jaren van zijn leven waren voor de prins moeilijk. In 1579 kwam Alexander Farnese, een zoon van Margaretha van Parma en later hertog van Parma, als landvoogd naar de Nederlanden. De hertog van Parma was een geduchte tegenstander, die door militaire en politieke behendigheid het zuiden grotendeels voor de koning wist te behouden.

Apologie

In augustus 1579 ontsnapte Willem tijdens de Slag om Baasrode, bij Antwerpen, ternauwernood aan gevangenneming door Spaanse troepen. Op 15 maart 1580 tekende de koning een vogelvrijverklaring van de Prins van Oranje.[65] De prins verdedigde zich hiertegen in zijn Apologie. In de Apologie werd uitgebreid gebruik gemaakt van de aanklacht van Bartolomé de Las Casas tegen het Spaanse optreden in Mexico en Peru in Amerika. Daar werd de oorspronkelijke bevolking op grote schaal uitgemoord, alles leeggeplunderd en was een hoogwaardige beschaving welbewust te gronde gericht. De ware aard van de Spanjaarden zou wreed en hooghartig zijn. Met zijn Apologie gaf Oranje een enorme impuls aan de 'zwarte legende': een absolute veroordeling van Spanjaarden om hun wrede en hoogmoedige aard en hun daaruit voortkomende wandaden.[66] De Staten gaven op 17 december 1581 toestemming de Apologie te laten drukken en uit te geven.

Willem van Oranje kort voor zijn dood

Anjou

Op Willems initiatief werd de 25-jarige Franse kroonprins, de hertog van Anjou, naar de Nederlanden gehaald. Hij zou als een soort boegbeeld de soevereiniteit op zich moeten nemen, met als bedoeld effect dat Frankrijk een bondgenoot zou worden tegen de gemeenschappelijke vijand Spanje. Dit liep uit op een heftige competentiestrijd tussen de hertog van Anjou en de Staten-Generaal, die de feitelijke macht wilden blijven uitoefenen. Op 5 juli 1581 droegen de Staten van Holland en Zeeland de Hoge Overheid opnieuw op aan de prins van Oranje.

Plakkaat van Verlatinghe

Op 26 juli 1581 zwoeren de Staten-Generaal Filips II formeel af als koning in de Plakkaat van Verlatinghe; tot dan toe ging de Opstand in wezen om niet meer dan herstel van traditionele vrijheden en privileges van de provincies. Dit plakkaat is een van de geboortepapieren van de Nederlandse natie.

Daarmee was de jonge republiek nog niet van Frans van Anjou af. Op 19 februari 1582 hield hij met zijn troepen een 'blijde inkomst' in Antwerpen om zijn machtspositie te versterken, maar dat liep later op een ramp uit.

Moordpoging

Na Willems vogelvrijverklaring werden er verschillende aanslagen op het leven van de prins gepleegd. Op 18 maart 1582 pleegde Jean Jaureguy uit Bilbao in het kasteel in Antwerpen een mislukte aanslag. Een kogel raakte Oranje onder zijn rechteroor, was door zijn mondholte gegaan en had zijn lichaam bij zijn linkeroor verlaten. De aanslagpleger werd direct door omstanders neergestoken en overleed. In zijn zakken had hij een verzameling bontjes, poedertjes, crucifixen en toverijartikelen; op zijn onderhemd waren kruisen en toverkarakters aangebracht. Jaureguy had een administratief baantje bij de Spaanse koopman Gaspar d'Anastro, die in Antwerpen was gevestigd. Anastro was al naar Farnese in Doornik gevlucht om zijn beloning veilig te stellen. Een dominicaan, die kort tevoren Jaureguy de biecht had afgenomen en van zijn plannen wist, werd opgepakt, en ook de secretaris van Anastro. Ze werden 'zonder al te veel bewijsvoering' op de Grote markt gewurgd en gevierendeeld. Hun afgerukte ledematen werden bij de stadspoorten opgehangen.[67] Toen Antwerpen later in handen van Farnese kwam, groeven enkele jezuïeten de stoffelijke resten van Jaureguy op. Ze werden lange tijd als relieken tentoongesteld.[68]

Op 5 mei 1582 overleed Charlotte van Bourbon die hem ten koste van haar eigen gezondheid verpleegd had. Ze had in zes jaar zes dochters gebaard en stierf, zwanger van een zevende kind. Oranje was mentaal en fysiek te zwak om bij haar begrafenis aanwezig te kunnen zijn. Oranje had inmiddels 11 kinderen. Van de twee zonen werd er een al 15 jaar gevangen gehouden.

Franse Furie

Op 17 januari 1583 verdedigde de wantrouwende Antwerpse bevolking zich tegen binnenstormende Franse troepen, toen Anjou een staatsgreep pleegde, en slachtte tenminste 1500 man van zijn Franse troepen af, waaronder tientallen edelen. Het werd bekend als de 'Franse Furie'. Vierhonderd Fransen werden gevangen genomen. De Franse koning Hendrik III had speciaal maarschalk Armand de Gontaut, baron van Biron, gestuurd met 'een troepenmacht van 3300 man Zwitserse garde, 1500 man voetvolk en enkele vendels ruiters. Biron had ook de hertog van Montpensier meegekregen met 4500 man voetvolk en tien vendels cavalerie. Anjou zou zogenaamd in Antwerpen gevangen worden gehouden en moeten worden bevrijd door Franse troepen.[69] Na zijn mislukte staatsgreep hield Anjou het voor gezien en keerde terug naar Frankrijk. Hij had zijn hoofdkwartier in Château-Thierry. Het idee van Willem om Anjou binnen te halen werd hem algemeen kwalijk genomen.

Louise de Coligny

De prins huwde op 12 april 1583 met de 27-jarige Louise de Coligny, dochter van Gaspard de Coligny, de legendarische, vermoorde leider van de hugenoten in Frankrijk. Ze was ruim tien jaar weduwe. Ze was tijdens de Bartholomeusnacht niet alleen haar vader verloren, maar ook haar echtgenoot Charles de Téligny. Op 29 januari 1584 werd Frederik Hendrik geboren.

De toestand in de Nederlanden werd echter zienderogen moeilijker. Parma wist op allerlei gebied het initiatief te krijgen. Op 22 juli 1583 moest Oranje Antwerpen verlaten. Hij vestigde zich in Vlissingen, waar hij een huis had laten optrekken door Simon Stevin. In december verhuisde hij naar Delft, het Agathaklooster werd het Prinsenhof en kwam in zijn bezit. In mei 1584 verzoende Brugge zich met Parma. De Zuidelijke Nederlanden kwamen weer onder de Spaanse koning.

Balthasar Gerards

Balthasar Gerards (in het Frans Balthasar Gerard) stond in mei 1584 voor Oranje en overhandigde hem een brief, waarin hij om een onderhoud vroeg met een van zijn secretarissen. Een paar dagen later mocht hij bij Villiers zijn verhaal doen. Gerards had authentieke lakzegels (zegelstempel) van de Luxemburgse gouverneur Pieter Ernst van Mansfeld, waarmee brieven konden worden vervalst. Bondgenoten in Frankrijk zouden daar meer mee kunnen, besloot Villiers in overleg met Oranje en Gerards kon meereizen met Oranjes gezant Noël de Caron, heer van Schoonewalle, naar Anjous hoofdkwartier in Château-Thierry om de lakzegels te overhandigen.

Gerards had uitgebreid overleg gehad met het Spaanse kamp van Farnese vóór hij in het voorjaar van 1584 naar Delft reisde. Hij had in februari 1582 zijn woonplaats Dole verlaten, omdat hij een grote haat koesterde jegens Oranje en hij aangemoedigd werd door de enorme beloning en beloofde heiligverklaring (die er overigens nooit is gekomen). In Luxemburg woonde een neef van Gerards, die secretaris was van stadhouder Pieter Ernst van Mansfeld, Gerards werd er klerk en zo kwam Gerards aan de originele lakzegels. In maart 1584 nam hij ontslag, in Trier nam een jezuïet hem de biecht af. Hij vertelde hem zijn moordplan en de biechtvader adviseerde hem contact op te nemen met de landvoogd Farnese in Doornik. Farnese overlegde met Christoffel d'Assonville, heer van Hauteville, en ze raakten ervan overtuigd dat Gerards geschikt was. Gerards was immers bezeten van het idee een God welgevallig werk te gaan verrichten. Hij ging nog eens ter biecht en verkreeg absolutie.[70]

Landsheer Anjou stierf op 10 juni 1584 aan een slepende ziekte en Gerards was degene die de brieven met het overlijdensbericht van Château-Thierry naar Delft bracht. Hij wachtte daarna op nadere instructies. Hij werd bij Oranje geroepen, die nog in bed lag (Gerards had tot zijn spijt geen dolk bij zich), om details te vertellen. Gerards werd als hulp en koerier van Noël de Caron weer terugverwacht in Frankrijk. Er werd gewerkt aan brieven die hij weer mee zou nemen. Toen begon Gerards aan een mogelijkheid te denken om Oranje met een pistool neer te schieten. Hij vroeg op 8 juli aan Villiers extra geld om zich net te kunnen kleden voor zijn bezoek aan Frankrijk. Van het geld kocht hij op 9 juli geen schoenen en kousen, maar twee pistolen met munitie bij nota bene een Frans lid van Oranjes lijfwacht. De lijfwacht zou later met een dolk de hand aan zichzelf slaan, toen hij erachter kwam dat de moord was gepleegd met de wapens die hij aan de moordenaar had verkocht.

Moord

De kogelgaten in de muur, stille getuigen van de moord op Oranje
Enkele uren na de moord werd in Delft een vergadering van de Staten Generaal gehouden. In de kantlijn van het verslag schreef iemand de laatste woorden van Willem van Oranje: "Mon Dieu ayez pitie de mon âme; Mon Dieu ayez pitie de ce pauvre peuple" (Mijn God, heb medelijden met mijn ziel. Mijn God, heb medelijden met dit arme volk)[71]

Op 10 juli 1584 pleegde de Fransman Balthasar Gerards (die zich voordeed als de protestant François Guyon) zijn fatale aanslag.

Gerards sprak Oranje aan toen die de trap afkwam om het middagmaal te gebruiken. Gerards vroeg om een paspoort. Oranje lunchte die middag met Rombertus van Uylenburgh, burgemeester van Leeuwarden,[72] zijn zus Katharina, zijn vrouw, drie dochters en de weduwe van Günther van Schwarzenburg in het Prinsenhof te Delft.[73] Oranje wilde van de Friese rechtsgeleerde in het bijzonder informatie over het unieke Friese rechtssysteem. Na deze maaltijd wilde Oranje, komende door een nu niet meer bestaande deur vanuit het gastenkwartier, de trap naar zijn slaap-/werkkamer oplopen.[74] In de tussentijd ging Gerards in zijn herberg zijn pistolen halen. Het ene laadde hij met drie, het andere met twee kogels. Hij hing daarna rond bij de stallen van het Prinsenhof. Omstreeks 13.30 u. verliet het gezelschap de eetzaal. Bij het verlaten van de eetzaal sprak Oranje kort met enkele Engelse officieren van het Staatse leger. Daarna stond hij op het punt de trap op te gaan naar zijn werkvertrek op de eerste verdieping. Oranje werd van zeer korte afstand door Gerards, die zich achter een pilaar had opgehouden, nog wel gehinderd door lijfwachten, doodgeschoten. Gerards gebruikte daarvoor een radslotpistool.[75]

Oranjes laatste woorden waren volgens de overlevering Mon Dieu, mon Dieu, ayez pitié de moi et de ce pauvre peuple, wat wordt vertaald als "Mijn God, Mijn God, heb medelijden met mij en met dit arme volk"[71] Al moet deze uitspraak volgens Herman Pleij wel aan Oranje worden toegedicht, het is volgens een onderzoek dat in maart 2012 werd gepresenteerd vrijwel zeker dat hij dit niet toen heeft gezegd. De woorden werden wel al op de dag van de moord gedocumenteerd. Waarschijnlijk had Oranje ze al eerder bedacht, wetende dat ieder uur zijn laatste kon zijn. Ze waren goed gekozen, er was over nagedacht.[76]

Met het schot dat Gerards loste kwamen drie kogels vrij, verbonden aan een draadje, waarvan er twee doel troffen en een door het hart van Willem van Oranje ging. Die was vrijwel zeker op slag dood en dus niet in staat nog iets te zeggen. De onderzoekers baseerden zich onder meer op het oorspronkelijke Latijnse sectierapport dat Pieter van Foreest en Cornelis Busennius opstelden.[77] De vertaling van het rapport is volgens historici eigenzinnig gedaan en strookt niet met het Nederlandstalige verslag dat dezelfde artsen uitbrachten aan de Staten-Generaal. Volgens getuigenverklaringen heeft Willem van Oranje wel nog iets gezegd tegen zijn stalmeester Jaques de Malderée, maar het is onduidelijk wat dat was.[78] 'Zijn zuster zou hem nog in het Duits hebben gevraagd of hij 'zijn ziel stelde in de handen van Jezus Christus', waarop Oranje ook in het Duits ja zou hebben geantwoord.'[79]

Terechtstelling van de moordenaar

De moordenaar werd na een wilde achtervolging gegrepen en veroordeeld tot de zwaarste lijfstraf die beschikbaar was:

Zijn rechterhand waarmee hij het moorddadige feit gepleegd heeft, zal met een gloeiende tang afgeknepen worden; vervolgens zal men met gloeiende tangen op verscheidene plaatsen op zijn lichaam het vlees afknijpen tot op het bot. Vervolgens vierendele men hem levend waarna het hart uit zijn borstkas gesneden en hem in het gezicht geworpen zal worden. Ten slotte zal men zijn hoofd afhakken waarna zijn vier uiteengetrokken delen op de Haagpoort, Oostpoort, Ketelpoort en de Waterslootsepoort tentoongesteld dienen te worden. Zijn hoofd moet op een staak gespietst en vervolgens bij het voormalige huis van de prins geplaatst worden.

Gerards tartte tijdens het verhoor zijn beulen, die daardoor meenden dat ze met de duivel zelf te maken hadden. De martelingen tijdens de terechtstelling 'stopten pas toen Gerard hart uit zijn lijf werd gesneden en kloppend en wel in zijn gezicht werd gedrukt. De moordenaar van Oranje gaf eindelijk de geest. Hij werd alsnog gevierendeeld'.[80] Het hoofd prijkte enige tijd als afschrikwekkend voorbeeld op de Schooltoren op de stadsmuur tot de priester Sasbout Vosmeer - hij was apostolisch vicaris in Delft - het meenam naar de bisschop van Keulen, die er overigens weinig prijs op stelde.[bron?] Het hoofd 'dook omstreeks 1615 op in Keulen, waar het nog lang als reliek werd vereerd, zo intens was de vreugde bij veel katholieken.'[81]

Twee weken na de moord op Willem van Oranje werd op 25 juli 1584 in de Sint-Janskathedraal van 's-Hertogenbosch door kanunniken uit dankbaarheid het Te Deum gezongen.[82] Dit uit blijdschap vanwege de dood van de uitvoerder van de uithongeringspolitiek van de stad, die in de Meierij van 's-Hertogenbosch aan twee derde van de bevolking het leven kostte.[83] Tevens was de bevolking bevreesd voor het mogelijke lot van 's-Hertogenbosch na een inname door de Staatse troepen van de prins, zoals de plundering en burgermoord die Roermond in 1572 was overkomen toen Willem van Oranje die stad veroverde.[40] De blijdschap was van korte duur. Diezelfde avond sloeg de bliksem in de toren en ontstond grote schade aan de kathedraal. De hoge middentoren brandde geheel af, klokken vielen uit de toren, altaren en het orgel van Hendrik Niehoff uit 1533 werden onherstelbaar beschadigd. De schilder Hans van de Ven heeft dit tafereel op doek vastgelegd.[84] De 'brand moet tot in Maastricht te zien zijn geweest. Dit nieuws ontlokte Henricus Agylaeus, een oude vertrouweling van Oranje, de opmerking: 'God straft meteen.' '[85]

Graf

Praalgraf afgebeeld in Hugo de Groot: Nederlandtsche jaerboeken, 1681

Oranje werd op 3 augustus 1584 begraven in de Nieuwe Kerk in Delft. Volgens een eerder testament had hij in de Grote Kerk in Breda begraven willen worden, dicht bij zijn eerste vrouw Anna van Buren, omringd door zijn illustere voorgeslacht. Maar breda was nog bezet door de Spanjaarden. Ook na de herovering in 1590 bleef Oranje in Delft. Op de begrafenis kwamen enkele duizenden mensen de laatste eer bewijzen. Het graf was eenvoudig, in een hoekje van de kerk, 'gemaakt van ruwe stenen en cement. Het kwam maar net boven de grond uit, met wat houten staken erop, helemaal zwart geschilderd', aldus de Engelse student Fynes Morrison, die de Nieuwe Kerk in het voorjaar van 1593 bezocht.[86] Pas tijdens het Twaalfjarig Bestand werd in 1615 een echt grafmonument ontworpen door de fameuze architect en beeldhouwer Hendrick de Keyzer.

Op 12 april 1588 ontstond de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, een nieuw soeverein land, die er zonder Oranje niet was geweest.[87]

Lijfspreuken

Een van de lijfspreuken van de prins luidde: Je maintiendrai (Frans voor 'Ik zal handhaven'). Aan het eind van zijn leven breidde de prins deze uit: Je maintiendrai l'honneur, la foy, la loi de Dieu, du Roy, de mes amis et moy ('Ik zal de eer, het geloof, de wet van God, van de koning, van mijn vrienden en mij handhaven'). De oorspronkelijke lijfspreuk ("Je maintiendrai Chalon") was afkomstig van Oranjes erflater René van Chalon. Willem van Oranje wijzigde deze later[(sinds) wanneer?] in "Je maintiendrai Nassau".[bron?]

Zijn levensmotto was Saevis tranquillus in undis (bewaar de rust als de golven hoog dreigen te gaan), verbeeld door een ijsvogeltje.[88]

Nalatenschap en betekenis

Welke rol Oranje voor zichzelf had weggelegd, zal een discussie tussen historici blijven.[89] De prins overleed[90] en de zaak van de Opstand leek in deze tijd op een dieptepunt gekomen. De politiek-maatschappelijke, alsmede de strategische leiding, viel na de dood van de prins feitelijk in handen van de uiterst bekwame landsadvocaat van Holland, Johan van Oldenbarnevelt. Na ongelukkige pogingen om buitenlandse vorsten aan de Republiek te binden via de Franse kroonprins Frans van Anjou en Robert Dudley, de graaf van Leicester, als vertrouweling van Elizabeth I van Engeland, was rond 1589 de rolverdeling tussen Willem van Oranjes zoon Maurits van Nassau en Oldenbarnevelt duidelijk. De militaire leiding kwam in handen van Maurits. Van Oldenbarnevelt wist voor de Staten in de loop van circa vijftien jaren de zaak van de Republiek effectief te bepleiten. Zij bleken in staat het tij van de Tachtigjarige Oorlog definitief ten gunste van de Republiek te keren.

Standbeeld van Willem van Oranje op het Plein in Den Haag

Diverse historici oordeelden uitvoerig over Willem van Oranje:

In 1642 geeft P.C. Hooft zijn Nederlandse Historiën uit. De geschiedenis van de Opstand en het leven van Willem van Oranje worden uitvoerig beschreven. Het eindoordeel van de 17e-eeuwse Hooft over Willem van Oranje is dan nog als volgt:

Immers dit zal niemand loochenen, dat geen vorst onder de zon ooit vuriger bemind, en hoger geachte mocht worden van zijn onderdanen, dan Zijne Doorluchtigheid geweest is van Hollanders en Zeeuwen.[91]

De Belgische historicus Henri Pirenne kwalificeerde de moord op Oranje als een nutteloos misdrijf. Willem van Oranje had immers zijn betekenis al lang verloren. Hij was nauwelijks in staat geweest de opmars van Parma het hoofd te bieden. De moord op de prins en opportunistische diplomaat is later door de Oranjefactie flink politiek uitgebuit.

De historicus Jan Romein rekende hem tot de erflaters van de Nederlandse beschaving. Willem van Oranje stond volgens hem aan de wieg van de Nederlandse natievorming (en zelfs etnogenese). De pretenties van de Habsburgers (het stichten van een centraal geleid wereldrijk met één godsdienst) zouden zijn stukgelopen op zijn vasthoudendheid.

Feitelijkheden uit het leven van de prins als de plundering en burgermoord in Roermond in 1572, de brandschatting en burgermoord in de meierij van 's-Hertogenbosch, worden ten behoeve van de betekenis van Willem van Oranje voor de Nederlandse geschiedenis tot op heden vaak veronachtzaamd, verzwegen of zelfs goedgepraat.[bron?]

De Zwijger

Volgens de Leidse hoogleraar Robert Fruin was de bijnaam voor Willem pas in de 17e eeuw in omloop gekomen. Het 'astutus Guglielmus' (slim of sluw) van de inquisiteur Titelmans, zou bij de 17e-eeuwse katholieke geschiedschrijver Strada vervormd zijn tot 'taciturnus' (hij die zwijgt, zijn diepere bedoelingen niet prijsgeeft). Maar kort na de dood van Oranje in 1584 schreef de Groninger boer Abel Eppens een kroniek, waarin Alva had gezegd: 'Men moet zich hoeden voor de zwijgende Willem'. Dus de bijnaam was bij Oranjes leven wel degelijk in omloop. De 'dissimulatio' (dissumulatie), het verhullen van de eigen bedoelingen, hoorde bij het Habsburgse machtscomplex en Willem leerde het in de jaren dat hij deel uitmaakte van de hofentourage van Karel V en Filips II. 'Onoprecht handelen van heersers wordt vaak met het denken van Machiavelli in verband gebracht, maar als praktijk was het aan de Europese hoven al eeuwenoud. Machiavelli trok dit handelen tot zijn uiterste door, als manier om tot elke prijs een bepaald doel te bereiken.' Ook volgens Il cortegiano van Castiglione, een handboek voor hoofs gedrag, werd het zich handhaven aan het hof voorgesteld als een vorm van toneelspelen. Door de almaar voortgaande geloofsvervolging werd het waarschijnlijk van levensbelang de eigen overtuiging voor de buitenwereld verborgen te houden. Ook het zich snel ontwikkelende vorstenabsolutisme kan ertoe hebben bijgedragen dat raadslieden zich zo veel mogelijk op de vlakte hielden en geen controversiële meningen verkondigden.[92]

Chronologie

1533–1549

1550–1559

  • 8 juli 1551: de prins van Oranje huwt Anna van Egmont, gravin van Buren. Door dit huwelijk krijgt hij grotere belangen in de Nederlanden.
  • 29 maart 1552: Willem wordt ingehuldigd als baron van Breda.
  • 1552–1555: hij dient als overste in het leger van keizer Karel V.
  • 25 oktober 1555: Karel V doet afstand van de troon. Zijn zoon Filips volgt hem op als heer der Nederlanden.
  • 24 maart 1558: Anna van Egmont, de eerste vrouw van prins Willem, overlijdt.
  • 1558-1559: Willem heeft een buitenechtelijke relatie met Eva Elincx waaruit een buitenechtelijke zoon Justinus van Nassau (later onder andere admiraal) voortkomt.
  • 1559: Willem wordt door Filips benoemd tot stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht.

1560–1569

  • 25 augustus 1561: Willem huwt met Anna van Saksen.
  • 11 maart 1563: Willem richt samen met de graven van Horne en Egmont een scherpe brief aan Filips II.
  • augustus 1563 – maart 1564: prins Willem woont de vergaderingen van de Raad van State niet bij in verband met zijn protest tegen de godsdienstpolitiek van Filips II.
  • 13 maart 1564: Granvelle vertrekt uit het landsbestuur. Oranje bezoekt weer de vergaderingen van de Raad van State.
  • 31 december 1564: Oranje houdt een urenlange rede in de Raad van State over de godsdienstpolitiek, de inquisitie, de Plakkaten en de plaats van de Staten-Generaal. Hij doet publiekelijk de uitspraak: Ik kan niet goedkeuren dat vorsten over de gewetens heersen.
  • 18 januari 1565: Egmont is in Madrid om verzachting van het beleid te vragen. Filips wijst dit af.
  • juli 1565: een graantekort dreigt in de Nederlanden. Er is maatschappelijke onrust.
  • 20 oktober 1565: de Brieven van Segovia komen aan in de Nederlanden. Elke vorm van versoepeling van het ingezette beleid wordt radicaal afgewezen.
  • 24 december 1565: oprichting van het Verbond der Edelen onder leiding van Lodewijk van Nassau en Hendrik van Brederode.
  • 23 januari 1566: Willem van Oranje verdedigt in een brief aan Margaretha van Parma een vorm van godsdienstige tolerantie. Protestanten zouden vrijheid van godsdienst moeten hebben.
  • 5 april 1566: het Verbond der Edelen biedt een smeekschrift aan de landvoogdes aan. Haar raadgever Berlaymont typeert de edelen als gueux (bedelaars). Hieruit ontstaat later de naam geuzen.
  • 13 juli 1566: Willem van Oranje bezoekt het onrustige Antwerpen. Hij weet de rust te herstellen, mede door de protestanten een zekere vorm van godsdienstvrijheid toe te staan. Oranje heeft hier de eerste ontmoetingen met de calvinisten.
  • 10 augustus 1566: in Vlaanderen begint de Beeldenstorm. Oranje had dit verwacht en hoopt erop dat Filips nu aan de wensen van het volk zal toegeven. De Beeldenstorm houdt aan tot 21 augustus.
  • 3 oktober 1566: Oranje heeft een onderhoud met Egmont en Horne. Hij merkt dat beide heren zich niet sterk willen maken tegen Filips II.
  • 15 april 1567: Willem vertrekt uit Breda naar Duitsland (Dillenburg). Maximiliaan van Hénin-Liétard wordt Willems opvolger als stadhouder.
  • 22 augustus 1567: Alva komt aan in Brussel. Hij is de nieuwe landvoogd.
  • september 1567: de Raad van Beroerten wordt ingesteld. Egmont en Horne worden gevangengezet.
  • 16 december 1567: de Raad van Beroerten besluit tot vervolging van Willem van Oranje.
  • januari 1568: Willem wordt openbaar gedagvaard voor zijn aandeel in de onlusten van 1566. Zijn bezittingen in de Nederlanden worden verbeurdverklaard.
  • 14 februari 1568: Willems oudste zoon Filips Willem wordt opgepakt en naar Spanje overgebracht voor een opvoeding aan het Hof.
  • 4 maart 1568: Willem antwoordt officieel op de dagvaarding met La justification du prince d'Oranges, maar besluit naar de wapens te grijpen en doet "als Luthers geloofsgenoot" beroep op de Duitse vorsten. Ook met agenten van koningin Elizabeth van Engeland in de Nederlanden heeft hij reeds vroeger in het geheim onderhandeld.
  • Voorjaar 1568: Oranje heeft zich in betrekking gesteld met de Watergeuzen en aan Sonoy en anderen commissie verstrekt om aan de Eemsmonding en op de kust graaf Lodewijk te ondersteunen met een actie.
  • April 1568: mislukte aanslag op Alva bij Groenendaal.
  • 25 april 1568: Villiers lijdt een eerste nederlaag in de slag bij Dalheim.
  • Eind april 1568: Lodewijk van Nassau dringt met omstreeks 6000 man Duitse en Waalse huurlingen en emigranten Groningerland binnen. Hij wordt voor Groningen opgehouden.
  • 23 mei 1568: Lodewijk biedt met succes slag bij Heiligerlee tegen het leger van Vlaanderen onder Arenberg, die sneuvelt. Broer Adolf sneuvelt eveneens.
  • 28 mei 1568: Alva laat het paleis van Kuilemberg (Culemborg), waar het verbond der Edelen gesloten was, tot op de grond afbreken. Hij besluit tevens tot een strafexpeditie naar het noorden, na bekentenissen van Villiers die het netwerk van de prins aan het licht brengen.
  • 1 juni 1568: eerste terechtstelling van edelen in Brussel.
  • 2 juni 1568: terechtstelling van Villiers en van Straelen.
  • 5 juni 1568: Egmont en Horne onthoofd te Brussel.
  • 21 juni 1568: in de Slag bij Jemmingen verslaat Alva Lodewijk van Nassau, die ternauwernood al zwemmend ontkomt.
  • 28 augustus 1568: Alva vestigt zijn hoofdkwartier ten westen van Maastricht.
  • 31 augustus 1568: Willem van Oranje verzamelt een legermacht van 25.000 man in Rommersdorf en rukt op naar Overmaas
  • 20 oktober 1568: Willem van Oranje verliest de Slag bij Geldenaken.
  • 22-23 oktober 1568: Alvorens de Maas over te steken, verklaart Oranje zich de verdediger van ‘de vrijheid des vaderlands’. Met een samenraapsel van iets meer dan 25.000 man aan Duitse soldeniers, Franse hugenoten, Vlaamse en Waalse Calvinisten als leger verliest hij de slag om Brabant.
  • 5 november 1568: na het vernemen van de nederlaag van een hugenotenleger onder Genlis besluit Willem van Oranje de aftocht te blazen via Henegouwen.
  • 17 november 1568: Oranjes ontredderde leger steekt plunderend en rovend de Franse grens over om zich met de hugenoten in Frankrijk te verenigen.
  • November 1568: een Frans leger betwist hun de doortocht. Ten einde raad voert Oranje zijn leger door Champagne en Lotharingen naar Straatsburg, waar hij het ontbindt.
  • Eind 1568: met een twaalfhonderdtal ruiters die zich bereid verklaren hem te volgen, trekt hij vergezeld van zijn broers Lodewijk en Hendrik westwaarts richting Gascogne om zich daar bij de strijdende hugenoten te voegen.
  • Alva stuurt Mansfeld met 1500 ruiters om de koning van Frankrijk bij te staan in zijn strijd tegen de hugenoten.
  • 1568-1571: prins Willem probeert regelmatig slag te leveren met Alva en de Spanjaarden. Alva heeft echter nadrukkelijk de overhand. Steun van elders blijft uit. Ook ontstaat er geen volksopstand in de Nederlanden. De onderdrukkingspolitiek van Alva lijkt succesvol.
  • Juni 1569: de prins verenigt zich bij Limoges met de hugenoten onder admiraal de Coligny die met moeite in Gascogne stand houdt.
  • September 1569: de prins geeft Adriaan van Bergen commissie als admiraal van de watergeuzen.
  • Oktober 1569: nieuwe nederlaag der hugenoten bij Montcontour en bijna gelijktijdige vlucht van Oranje naar Dillenburg.

1570–1579

Willem van Oranje, Gebrandschilderd Glas 25 in de Sint-Janskerk in Gouda: "Het ontzet van Leiden"
  • 1570: ontevredenheid in de Nederlanden wordt aangewakkerd via geheime contacten met Oranje. In Spiers richten uitgewekenen zich tot de Rijksdag voor steun van de keizer.
  • 8 februari 1570: Sonoy, die de geheime betrekkingen met Holland en het Sticht leidt, ontvangt een commissie van Oranje voor contributies. Ook met de watergeuzen onderhoudt de prins verder geheime contacten, met zijn broer Lodewijk als tussenpersoon.
  • 5 augustus 1570: door de Vrede van Saint-Germain krijgt de prins zijn erfgoed in Orange terug.
  • Winter 1570-71: dat Willem Filips van Marnix van Sint-Aldegonde definitief in dienst neemt wekt vertrouwen van de calvinisten in hem en maakt samenwerking tussen rekkelijken en preciezen onder de uitgewekenen mogelijk.
  • 1 april 1572: de watergeuzen veroveren Den Briel. Aanhangers van Oranje in de Hollandse en andere steden zijn nog weinig talrijk, maar de Geuzenopstand begint. Op 6 april verklaart Vlissingen zich voor de prins, nadat daar aanzienlijke benden Engelse vrijwilligers aanmeerden. Op 1 mei volgt Terneuzen, op 21 mei, evenwel tegen de zin van de stedelijke regenten, Enkhuizen. Begin juli hebben 26 steden zich voor de prins verklaard. In het najaar van 1572 zijn in Holland en Zeeland alleen Amsterdam, Middelburg en Goes nog in Spaanse handen. Alle andere delen van Holland en Zeeland staan achter de prins.
  • 7 juni 1572: onder het geweld van de geuzen wijkt het Hof van Holland uit Den Haag naar Rotterdam, vervolgens naar Amsterdam. De eerst naar Leiden gevluchte Haagse Rekenkamer vlucht verder naar Utrecht met achterlating van haar archieven.
  • 7 juli 1572: Oranjes tweede invasie begint als hij met 24.000 man bij Duisburg de Rijn overtrekt. Enkele dagen later duikt de Franse edelman De Genlis met ongeveer 7500 hugenoten als versterking op in Henegouwen, maar verliest de Slag bij Saint-Ghislain.
  • 9 juli: Lumey en de Martelaren van Gorcum.
  • 15 juli 1572: mislukte poging tot Statenvergadering in den Haag.
  • 19 juli 1572: onwettige vergadering van de Staten in Dordrecht omdat het in Den Haag niet meer lukte. De prins laat er zich vertegenwoordigen door Filips van Marnix van Sint-Aldegonde.
  • 20–23 juli 1572: Oranje erkend door de Statenvergadering als "gouverneur-generaal en luitenant van de koning over Holland, Zeeland, West-Friesland en het Sticht Utrecht". Land- en zeemacht van Holland worden onder zijn bestuur gesteld met Lumey als zijn vertegenwoordiger en plaatsvervanger.
  • 23 juli 1572: Inname van Roermond door Oranje.
  • 31 juli 1572: aansluiting van Bommel bij het opstandige Holland.
  • Augustus 1572: nieuwe leden van de Rekenkamer aangewezen evenals rentmeesters, ontvangers en drie oorlogscommissarissen, nominatie samengesteld voor nieuwe leden van het Hof van Holland, waaruit de prins zou kiezen en dat te Delft vergaderde.
  • 27 augustus 1572: het plunderend leger van Oranje steekt de Maas over naar Brabant, waar Tienen en Diest de poorten openen, maar Leuven en Brussel hem halsstarrig de toegang weigeren. Brabant en Vlaanderen zijn niet tot hulp aan de opstand bereid, maar zijn troepen vallen Dendermonde en Oudenaarde binnen.
  • September 1572: Oranje begeeft zich naar Henegouwen ter hulp van Lodewijk die de belegering van Bergen niet kan volhouden tegenover Alva. Juliano Romero overvalt in een camisada het nachtelijk kamp van de prins, die ternauwernood ontsnapt. Hij keert terug naar Brabant en geeft het ontzet van Bergen op.
  • Eind september 1572: de moedeloze prins keert van Mechelen met zijn onbetaalde, plunderende, muitende benden naar de Maas af en ontbindt zijn leger te Roermond.
  • 20 oktober 1572: terugkomst prins, intocht in Enkhuizen.
  • 16 november 1572: inname van Zutphen door Alva.
  • 1 december 1572: inname van Naarden.
  • 11 december 1572: half jaar Beleg van Haarlem door Alva gaat in om Holland van Zeeland te scheiden.
  • 9 augustus 1573: Oranje zendt een brief aan de Staten ter aanmoediging van de opstand.
  • 8 oktober 1573: Alkmaar wordt ontzet.
  • oktober 1573: de prins gaat over tot het calvinisme.
  • 18 december 1573: Alva verlaat de Lage Landen. Zijn opvolger is Requesens.
  • december 1573: het Spaanse leger slaat het beleg rond Leiden.
  • Februari 1574: Oranjes derde invasie door Lodewijk van Nassau om de prins op diens verzoek uit zijn netelige positie in Holland te halen mislukt.
  • 19 februari 1574: Middelburg wordt door de watergeuzen genomen.
  • mei 1574: de Spaanse vloot wordt op de Zuiderzee door de watergeuzen verslagen.
  • voorjaar 1574: Zeeland, Bommel en Buren sluiten zich door een verbond bij Holland aan.
  • juni 1574: Requesens stelt het Algemeen Pardon voor, waar de prins met zijn medestanders en de predikanten van worden uitgesloten. Vooral het overwegend katholieke deel van de bevolking, dat krachtens het pardon op een genadige behandeling rekent, dringt daarna op onderhandelen aan.
  • 3 oktober 1574: Leiden wordt door de watergeuzen, onder leiding van admiraal Lodewijk van Boisot, ontzet.
  • oktober-november 1574: de prins legt in de Staten van Holland belangrijke verklaringen af over de voortgang van de Opstand en de voorwaarden voor vrede.
  • voorjaar 1575: er worden opnieuw ernstige onderhandelingen in Breda gestart, die de prins politiek aanzien verlenen. Rasseghem en Leoninus vertegenwoordigen de landvoogd. Ook een vertegenwoordiger van de keizer is aanwezig.
  • 12 juli 1575: prins Willem treedt in het huwelijk met Charlotte van Bourbon.
  • 8 november 1576: Pacificatie van Gent.
  • 18 september 1577: Oranje bemiddelt bij de spanningen en onrust in Antwerpen.
  • 22 september 1577: Oranje houdt een intocht in Brussel.
  • 4 januari 1578: de prins is in Gent.
  • 6 januari 1579: Unie van Atrecht.
  • 23 januari 1579: Unie van Utrecht.
  • 28 juli 1579: de prins legt tegenover de Staten-Generaal verantwoording van zijn handelen af.

1580–1584

Praalgraf in de Nieuwe Kerk in Delft
  • 15 maart 1580: Alexander Farnese tekent de ban tegen de prins van Oranje.
  • 13 december 1580: Willem van Oranje biedt de Staten-Generaal zijn Apologie aan. Op 17 december 1580 geven de Staten toestemming de Apologie te laten drukken.
  • 5 juli 1581: de Staten van Holland en Zeeland erkennen de prins van Oranje als de Hoge Overheid.
  • 26 juli 1581: de Staten aanvaarden de Acte van Verlatinghe.
  • 18 maart 1582: Jean Jaureguy doet een vergeefse aanslag op het leven van de prins.
  • 12 april 1583: de prins huwt met Louise de Coligny.
  • 22 juli 1583: de prins moet Antwerpen verlaten.
  • november 1583: Vlaanderen is geheel in handen van Parma.
  • 29 januari 1584: Frederik Hendrik wordt geboren.
  • 10 juli 1584: de prins wordt door Balthasar Gerards vermoord. De lijkschouwing en balseming van de prins wordt uitgevoerd door zijn lijfarts en vriend Pieter van Foreest samen met Cornelis Busennius.
  • 3 augustus 1584: het lichaam van de prins wordt in het koor van de Nieuwe Kerk in Delft bijgezet in een tijdelijk grafmonument. Op een onbekend tijdstip is de kist met het lichaam van de prins in een kelder onder het koor bijgezet. Deze kelder is nu deel van de Koninklijke Grafkelders van de Oranjes onder en achter het tussen 1614 en 1623 gebouwde praalgraf van Willem van Oranje. Het hart van de prins blijkt bij de balseming apart te zijn gehouden. Het werd in een kleine loden doos teruggevonden onder de gisant.

Huwelijken en kinderen

Zie Huwelijken van Willem van Oranje voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Willem van Oranje is viermaal getrouwd geweest. Achtereenvolgens waren zijn vrouwen:

  1. Anna van Egmont van Buren (1551–1558), huwelijk eindigde door het overlijden van Anna van Egmont. Ze was de dochter van Maximiliaan van Egmont (graaf van Buren en van Leerdam) en van Françoise de Lannoy.
    1. Maria (22 november 1553 – 7 december 1555?)
    2. Filips Willem (19 december 1554 – 20 februari 1618), prins van Oranje, trouwde met Eleonora de Bourbon-Condé
    3. Maria (7 februari 1556 – 10 oktober 1616), gehuwd met Filips van Hohenlohe-Neuenstein
  2. Anna van Saksen (1561–1571), huwelijk eindigde door nietigverklaring
    1. Anna (31 oktober 1562, vrijwel direct daarna overleden)
    2. Anna (5 november 1563 – 13 juni 1588), gehuwd met Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg
    3. Maurits (18 december 1564 – 8 december 1566)
    4. Maurits (14 november 1567 – 23 april 1625), stadhouder, prins van Oranje (1618–1625)
    5. Emilia (10 april 1569 - 16 maart 1629), gehuwd met Emanuel van Portugal
  3. Charlotte van Bourbon (1575–1582), huwelijk eindigde door het overlijden van Charlotte van Bourbon
    1. Louise Juliana (31 maart 1576 – 15 maart 1644), gehuwd met Frederik IV van de Palts
    2. Elisabeth van Nassau (26 april 1577 – 3 september 1642), gehuwd met Henri de La Tour d'Auvergne
    3. Catharina Belgica (3 of 31 juli 1578 – 12 april 1648), gehuwd met Filips Lodewijk II van Hanau-Münzenberg
    4. Charlotte Flandrina (18 augustus 1579 – 16 april 1640), abdis van het klooster van St. Croix bij Poitiers
    5. Charlotte Brabantina (17 september 1580 – augustus 1631), gehuwd met Claude de la Trémoille, hertog van Thouars
    6. Emilia Secunda Antwerpiana (9 december 1581 – 28 september 1657), gehuwd met Frederik Casimir van Palts-Landsberg
  4. Louise de Coligny (1583–1584), huwelijk eindigde door het overlijden van Willem van Oranje
    1. Frederik Hendrik (29 januari 1584 – 14 maart 1647), stadhouder, prins van Oranje (1625–1647)

Willem van Oranje verwekte bij Eva Elincx een zoon: Justinus van Nassau (1559–1631).

Voorouders

De voorouders van Prins Willem van Oranje
Prins Willem van Oranje, graaf van Nassau
(1533-1584)
Vader:
Graaf Willem van Nassau
Willem de Rijke
(1487-1559)
Grootvader:
Graaf Jan V van Nassau
(1455-1516)
Overgrootvader:
Graaf Jan IV van Nassau
(1410-1475)
Overgrootmoeder:
Gravin Maria van Loon-Heinsberg
(1424-1502)
Grootmoeder:
Landgravin Elisabeth van Hessen-Marburg
(1466-1523)
Overgrootvader:
Landgraaf Hendrik III van Hessen
(1441-1483)
Overgrootmoeder:
Anna van Katzenelnbogen
(1443-1494)
Moeder:
Gravin Juliana van Stolberg
(1506-1580)
Grootvader:
Botho VIII van Stolberg-Wernigerode
(1467-1538)
Overgrootvader:
Hendrik van Stolberg
(1436-1511)
Overgrootmoeder:
Mathilde van Mansfeld
(1440-1468)
Grootmoeder:
Anna van Eppstein-Königstein
(1481/2-1538)
Overgrootvader:
Graaf Filips van Eppstein-Königstein
(† rond 1481)
Overgrootmoeder:
Louise de la Mark
(1450-1524)

Bibliografie

  • L. P. GACHARD, Correspondance de Guillaume le Taciturne, prince d'Orange, 6 delen, Brussel, 1850-1857.
  • P. J. BLOK, Willem de Eerste, Prins van Oranje, 2 delen, Amsterdam, 1919-20.
  • L. KNAPPERT, Willem van Oranje, een vader des vaderlands, Haarlem, 1933.
  • H. L. T. DE BAUFORT, Willem de Zwijger, Rotterdam, 1950.
  • Y. CAZAUX, Guillaume le Taciturne, Antwerpen, 1973.
  • Rob VAN ROOSBROECK, Willem de Zwijger, Antwerpen, Mercatorfonds, 1974. ISBN 90 61 53 028 8
  • Olaf MÖRKE, Willem van Oranje. Vorst en vader van de republiek, Atlas, 300 blz. (vertaling van: Wilhelm von Oranien: (1533–1584). Fürst und "Vater" der Republik, Stuttgart 2007, ISBN 3-17-017669-2)
  • Hans-Joachim BÖTTCHER. Anna Prinzessin von Sachsen 1544 - 1577. Eine Lebenstragödie. Dresdner Buchverlag 2013. ISBN 978-3-941757-39-4

Wetenswaardigheden

Het boek met de laatste woorden van Willem van Oranje. Foto genomen in De Verdieping van Nederland, tijdens "Backstage event KB & NA 8-6-2013"[93] op 8 juni 2013
Boeken ter decoratie met het portret van Willem van Oranje in Attractiepark Toverland.
  • Willem van Oranjes wapenschild en wapenspreuk Je maintiendrai (ik zal handhaven) werden overgenomen voor het nationale Nederlandse wapenschild en de wapenspreuk.
  • Willem van Oranje had een hondje, Pompey. Deze zou hem in 1572 tijdens een Spaanse nachtelijke overval op zijn kamp hebben gered van een moordaanslag.
  • De kleuren van de Prinsenvlag (oranje, wit, blauw), een historische vlag van Nederland, stammen af van de livreikleuren van Willem van Oranje.
  • Het Wilhelmus, sinds 1932 het Nederlandse volkslied, is een ode aan Willem van Oranje. Het is ook een acrostichon: de eerste letters van alle coupletten van het Wilhelmus vormen samen Willem van Nassov.[94]
  • Willem van Oranje is ook opgenomen in de eregalerij van reformatoren uit de 16e eeuw. Deze galerij bevindt zich in Genève.[95] Naast de beeltenis van Willem van Oranje is geschreven: D'ondersaten en zijn niet van Godt gheschapen tot behoef van den prince om hem in alles wat hy beveelt weder het goddelick oft ongoddelick recht oft onrecht is onderdanigh te wezen ende als slaven te dienen maer den prince om d'ondersaten will sonder dewelcke hy geen prince en is om deselve met recht ende redene te regeren.
  • Willemstad in Noord-Brabant is naar Willem de Zwijger vernoemd.
  • Willem van Oranje is als een van de vijftig thema's opgenomen in de canon van Nederland van de commissie-Van Oostrom.
  • De Internationale Astronomische Unie maakte op 22 januari 2008 bekend dat een klein astronomisch object, voorheen bekend als nummer 12151, voortaan Oranje-Nassau heet ter ere van Willem van Oranje. Planetoïde Oranje-Nassau heeft een doorsnede van ongeveer vijf kilometer en draait tussen de banen van Mars en Jupiter. Het rotsachtige object doet drie aardse jaren en negen aardse maanden over een omloop om de zon.
  • In 2005 werd Willem van Oranje genomineerd voor de titel De grootste Nederlander. Hij eindigde op de tweede plaats, al bleek een groot aantal telefonische stemmen niet op tijd ter plekke te zijn gekomen. Indien die ook geteld waren zou Willem van Oranje de winnaar zijn geweest.
  • Via twee dochters van zijn zoon Frederik Hendrik, Albertine Agnes en Henriëtte Catharina van Nassau, was Willem van Oranje betovergrootvader van prins Johan Willem Friso van Nassau-Dietz. De nakomelingen van Johan Willem Friso bezetten alle erfbare tronen in Europa, waaronder de Nederlandse.
  • Er werden standbeelden opgericht voor Willem van Oranje in Den Haag (aan het Noordeinde en op het Plein), Delft, Dillenburg, Wiesbaden, Genève, Brussel (Kleine Zavel), Antwerpen, Dordrecht (aan het Hof), Buren.

Externe links

Op andere Wikimedia-projecten