Orde van het Gulden Vlies

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een keten en juweel van de Orde van het Gulden Vlies (Oostenrijkse tak) in het museum Grand Curtius
Filips de Goede met de keten van de door hem ingestelde Ridderorde.
Keizer Karel V met een keten van de orde op een portret van Orley.
De graaf van Artois, Karel X van Frankrijk met het Gulden Vlies. Na 1700 droegen de Franse en Spaanse Bourbons de versierselen van de Orde van het Gulden Vlies en de Orde van de Heilige Geest als teken van de verbondenheid van het Huis Bourbon.
Graaf Philipp von Sinzendorf in de ordekledij van het Gulden Vlies; Hyacinthe Rigaud
De Britse prins-gemaal Albert draagt op dit portret zijn Spaanse Gulden Vlies aan een lint om de hals
Frans V van Modena droeg zijn Oostenrijkse Gulden Vlies om de hals.
Wapenborden herinneren in een aantal kerken aan de kapittels van de orde. Zo ook hier in de Sint-Baafskathedraal te Gent
Albert I, derde koning der Belgen, en zijn zoon de hertog van Brabant met zijn Spaans Vlies om de hals.
Spaans gulden vlies volgens Maximilian Gritzner.

De Orde van het Gulden Vlies (Frans: Ordre de la Toison d'Or, Duits: Orden vom Goldenen Vlies, Spaans: Orden del Toisón de Oro) is een exclusieve ridderorde. De leden worden vliesridders of toisonisten genoemd, zij behoren in de streng katholieke Oostenrijkse tak allen tot de Europese adel. De Spaanse tak is al sinds lange tijd een orde van verdienste.

Geschiedenis[bewerken]

Ontstaan - de Orde onder de hertogen van Valois[bewerken]

De orde werd op 10 januari 1430 in Brugge ingesteld door Filips de Goede, hertog van Bourgondië, bij gelegenheid van zijn huwelijk met Isabella van Portugal. Met de instelling van deze orde wilde Filips de Goede verschillende doelen bereiken. Ten eerste gaf het zijn dynastie meer aanzien om aan het hoofd te staan van zo'n exclusieve orde. Ten tweede was het een manier voor de hertog en de adellijke elite om de banden aan te halen en invloed op elkaars beslissingen uit te oefenen[1]. De orde had dus ook een politieke functie[2]. De Orde werd erkend door de paus en geniet pauselijke privileges[3]. Een van de voorrechten van de ridders in deze orde is dat zij van de paus het recht hebben gekregen om in hun huishouding en ongeacht een interdict bijvoorbeeld in hun slaapkamer een mis te laten opdragen; het recht op een "Altare portabile"[4]. Dit voorrecht delen zij met hoge geestelijken en katholieke vorsten. De vliesridders werden ook vrijgesteld van veel van de verplichtingen rond de vastentijd. De echtgenotes en dochters van de vliesridders mogen alle kloosters, ook die met de strengste afgescheidenheid, betreden, maar daar niet overnachten. De Bul noemt biechtprivileges en rechten om - met terughoudendheid - van de gangbare tijdstippen voor het lezen van de mis af te wijken. De vliesridders verkrijgen door het op één dag bezoeken van twee of drie altaren de aflaten die verbonden zijn aan een pelgrimstocht naar een graf van een apostel zoals in Santiago de Compostella. Het bijwonen van een door de grootmeester voorgezeten kapittel van de orde levert een volle aflaat op.

De pausen zijn door de grootmeesters van de orde betrokken bij het formuleren en bevestigen van de statuten. De Bul Praeclarae devotionis sinceritas van 8 december 1516 keurde de uitbreiding tot 51 leden goed. De Bul Praeclarae devotionis sinceritas sloot de protestanten uit van lidmaatschap[5].

Paus Clemens XI breidde de al uitgebreide aflaten van de orde in 1712 en 1713 nog verder uit.

Bij de oprichting van de orde bestond ze uit vierentwintig ridders vier officieren: een schatbewaarder, een wapenmeester, een kanselier en een griffier, met aan het hoofd de hertog van Bourgondië[6]. Het aantal ridders werd in 1433 uitgebreid naar dertig[7]. Leden waren lid voor de rest van hun leven en konden alleen worden gedwongen om hun lidmaatschap weer in te leveren als zij de statuten (de regels) van de orde hadden geschonden [8].

De leden van de orde kwamen regelmatig bijeen op zogenaamde kapittel-bijeenkomsten. De locatie van deze bijeenkomsten verschilde, maar werd vaak in steden gelegen in de Zuidelijke Nederlanden gehouden[9]. Tijdens de regeerperiode van Filips de Goede kwam dit neer op 11 bijeenkomsten, en tijdens de regeerperiode van Karel de Stoute, die hem opvolgde als hoofd van de orde, werden er twee bijeenkomsten gehouden[9]. Deze kapittel-bijeenkomsten duurden meerdere dagen. Gedurende deze dagen waren er een aantal vaste elementen. Zo werden nieuwe leden gekozen als er plaatsen waren vrijgekomen wegens het overlijden van een lid. Ook werden er missen opgedragen voor de overleden leden. Daarnaast konden leden verschillende zaken inbrengen die met de orde te maken hadden. Leden hadden ook het recht de hertog te adviseren over militaire en staatszaken[9].

De Orde onder het Huis van Habsburg[bewerken]

Het hoofd van de orde waren de opeenvolgende erfgenamen van de hertog. Dus na de dood van Filips de Goede in 1467, volgde zijn zoon Karel de Stoute (1467-1477) hem op, waarna de Orde overging naar de Habsburgers door het huwelijk van de enige dochter van Karel de Stoute, Maria van Bourgondië met Maximiliaan van Oostenrijk (1477-1519).

In 1516 werd het aantal ridders in de orde uitgebreid naar vijftig leden[10].

De pauselijke privileges, toegekend door de bul van paus Leo X, tonen aan dat deze ridderorde niet alleen een staatsrechtelijk lichaam was maar ook als een religieuze gemeenschap werd beschouwd. De vergaderingen moesten plaats hebben in een kerk, waarbij de leden van de orde een gereserveerde plaats hadden in het koorgestoelte – plaatsen anders voorbehouden aan de clerus. Hierdoor vindt men in verschillende kerken de wapenschilden van de ridders van de Orde in het koorgestoelte (Gent, Brugge, Mechelen, Barcelona en Den Haag).

De motto's van de Orde van het Gulden Vlies zijn "Pretium Laborum" en "Non Vile" oftewel "Beloning voor werk" en "niet te koop". Op de keerzijde staat "Non Aliud", de Latijnse vertaling van het Franse "Autre n'auray". Dit "Ik begeer geen andere" slaat op het exclusiviteitsprincipe van de orde. Oorspronkelijk werden de ridders geacht geen andere orde, en vooral geen andere grootmeester, aan te nemen.

De bul van paus Leo X, waarbij de stichting van de orde werd bevestigd door de paus is voor de orde erg belangrijk. De bul bevindt zich sinds 1934 in het Haus-, Hof- und Staatsarchiv in Wenen[11]. De Bul plaatst de orde in de invloedssfeer van het kerkelijk recht en de rechtsmacht van de pausen.

Karel V heeft de ridders slechts eenmaal tijdens zijn lange regering bijeengeroepen voor een kapittel. Dat werd in Barcelona gehouden. Karel liet de titel van grootmeester na aan zijn zoon Filips II. Maar ook Karels broer, Ferdinand, die na de abdicatie van Karel V keizer werd, eigende zich het recht toe om ridders in deze orde te benoemen.

De vliesridders waren niet onderworpen aan de wereldlijke rechtsmacht, maar aan het eigen gerecht van de orde. Tijdens de regering van Filips II werd deze bepaling genegeerd. De veroordeling in 1568 door de "Bloedraad" en de daaropvolgende terechtstelling van de graven van Egmond en Hoorne, beiden ridder van het Gulden Vlies en dus onschendbaar, was immers in strijd met deze bepalingen. Er werden in de daaropvolgende jaren geen kapittelvergaderingen meer gehouden om koning Filips II de schande te besparen hiervoor ter verantwoording geroepen te worden. De gerechtelijke moord op de twee vliesridders belandde in de doofpot.

Tijdens de Spaanse Successieoorlog in de 18e eeuw, ontstond naast de Spaanse tak ook een Oostenrijkse tak van de orde. De Spaanse en Oostenrijkse kanselarijen correspondeerden vruchteloos over deze kwestie totdat in 1700 met de dood van Karel II de Spaanse Habsburgers uitstierven.

Filips van Anjou, kleinzoon van Lodewijk XIV van Frankrijk, uit het Huis Bourbon, die in 1700 als Filips V koning van Spanje werd, noemde zich, zonder dat hij daar een overtuigend recht op kon doen gelden, grootmeester van deze orde. Oostenrijk protesteerde tevergeefs.

De laatste Habsburgse keizer, Karel VI, stierf in 1740. Zijn dochter, Maria Theresia, erfde van haar vader niet alleen zijn grondgebied maar ook de zeggenschap over de orde. Het Huis Habsburg-Lotharingen erfde aldus de titel met de Oostenrijkse landen en de Oostenrijkse Nederlanden.

Paus Pius X heeft het privilege van het Altare portabile in een Breve van 10 februari 1913 nog eens bevestigd. Volgens kerkrechtsgeleerde Franz Xaver Brandmayr gelden alle aflaten en privileges nog steeds. Ze zijn in de steeds aangevulde Stiftbrief van de orde opgesomd[12].

Franse Revolutie[bewerken]

De schat van de orde was eeuwenlang in Brussel bewaard maar moest in 1794 voor de oprukkende Franse troepen worden gered. De schat werd in Wenen ondergebracht.

Jozef Bonaparte, Napoleons oudere broer, zag zich als koning van Spanje al Grootmeester van deze orde. Hij verleende het Gulden Vlies aan zijn broers Napoleon Bonaparte en Lodewijk Napoleon Bonaparte, koning van Holland.

Keizer Napoleon heeft op zijn beurt een "Orde van de Drie Gulden Vliezen" willen instellen. De keuze van de naam van deze orde wees erop dat hij een derde orde wilde instellen, hoger in rang dan de Spaanse of Oostenrijkse tak. Deze orde is niet tot bloei gekomen door het protest van de Légion d'honneur, dat niet op de tweede plaats wilde komen.

In 1815 speelde de Nederlandse koning Willem I met de gedachte om het Gulden Vlies in zijn rijk, dat grotendeels de landen van de Bourgondische hertogen omvatte, als een Nederlandse tak van de Orde in te stellen. Daar kwam niets van, waarschijnlijk omdat 's konings oudste zoon al ridder in de Spaanse orde was. Nederland zou daarmee ook de Habsburgers voor het hoofd hebben gestoten.

Negentiende en twintigste eeuw[bewerken]

Karel IV van Spanje nam in 1805 koning Lodewijk Napoleon Bonaparte van Holland op in het Spaanse Gulden Vlies.

Zonder recht daartoe te bezitten nam Joseph Bonaparte met de Spaanse troon ook de Orde van het Gulden Vlies in bezit. Hij benoemde vijf Spanjaarden in de orde; het ging om Manuel José de Negrete, duque de Campo Alange; Diego López Pacheco, duque de Frías; Carlo-Canuto-Sebastiano Ferrero Fieschi, príncipe de Masserano; Gonzalo O’Farrill en Miguel de la Grúa Talamanca, marqués de Branciforte[13].

Na de restauratie (het herstel van de monarchie van de Spaanse Bourbons) in 1813 zag men de Spaanse tak van de Orde van het Gulden Vlies als een civiele ridderorde die ook kon worden verleend aan protestanten zoals de Hertog van Wellington, koning George IV van het Verenigd Koninkrijk en de prins van Oranje, de latere koning Willem II.

In 1814 en 1816 volgden de prins van Oranje en koning Willem I. De latere koning Willem III werd in 1842 ridder en zijn zoon de prins van Oranje in 1863.

In 1924 werd ook prins Hendrik ridder van het Gulden Vlies. De protestantse koning Leopold I van België werd in 1835 in het Spaanse Gulden Vlies opgenomen. Al deze protestantse vorsten konden niet toetreden tot het Oostenrijkse Gulden Vlies.

Na de abdicatie van koning Alfons XIII in 1931 was de Spaanse tak van de orde jarenlang een zelden verleende Huisorde van de Spaanse koningsfamilie, totdat de monarchie met Juan Carlos weer hersteld werd in 1975. De Spaanse koning verleende de Orde van het Gulden Vlies de afgelopen jaren aan vooraanstaande Spaanse edelen, goede vrienden en bevriende staatshoofden. Keizer Akihito van Japan liet de zware gouden keten in zijn Madrileense hotelkamer liggen. De keten, die bij het overlijden van een ridder terug moet worden gebracht naar Spanje, is sindsdien zoek.

De Oostenrijkse tak van de orde bleef steeds het exclusieve bezit van het hoofd van het Huis Habsburg en houdt zich, tot op heden, aan de oude statuten. De laatste keizer, Karel I, nam in 1918 de kostbare gouden ordetekenen mee in ballingschap en gaf ze in bewaring aan zijn Zwitserse advocaat. Maar deze verduisterde het goud en verdween. De "Ordensschatz" bleef achter in Wenen. De belangrijkste stukken worden bewaard in de "Weltliche Schatzkammer" in het Kunsthistorisches Museum in Wenen, waaronder het "Schwurkreuz", het kruis waarop pasbenoemde ridders de eed aflegden.

De Oostenrijkse tak is eeuwenlang geregeld in kapittel bijeengekomen en ook nu nog vinden plechtige bijeenkomsten van de orde plaats. Karel van Habsburg-Lotharingen is "hoofd en soeverein" van de orde. Koning Juan Carlos I van Spanje is "soeverein".

De karakteristieken van de Spaanse tak van de orde[bewerken]

Wapen van (toenmalig) koningin Beatrix der Nederlanden als Dame in de Spaanse tak van Orde van het Gulden Vlies.

De Spaanse koning heeft tijdens het moderniseren van de monarchie en de ontwikkeling van het constitutionele koningschap in de 19e eeuw concessies moeten doen waar het zijn invloed op het decoratiestelsel betreft. De Spaanse regering heeft net als andere Europese regeringen de zeggenschap en ministeriële verantwoordelijkheid over de Spaanse orden verkregen. Toch bezit de Orde van het Gulden Vlies in Spanje karakteristieken van een huisorde van de Spaanse Bourbons. De koning en de prinsen van het Huis Bourbon, ook in de tak Bourbon-Beide Siciliën, werden en worden veelal Spaanse vliesridders.

De door Napoleon op de Spaanse troon gezette Jozef Bonaparte nam als Spaans koning ook het grootmeesterschap van de Orde van het Gulden Vlies over. Zijn benoemingen werden na zijn verdrijving en de restauratie van de Bourbons geschrapt.

De benoeming van de protestantse hertog van Wellington was een doorbraak. Voor het eerst werd een protestant vliesridder. Daarna werd de orde van het Gulden Vlies in Spanje meer en meer een orde van verdienste die aan politici en zelfs aan niet-christenen zoals de keizer van Japan werd verleend. De plechtigheden van de orde zijn sinds de 19e eeuw vervallen.

Koningin Isabella II van Spanje was als Spaans staatshoofd het enige vrouwelijke hoofd van de Orde van het Gulden Vlies.

Na haar val, tijdens de Eerste Spaanse Republiek, werd de president geacht grootmeester van de Spaanse orden, waaronder de tot de staatsorden gerekende Orde van het Gulden Vlies te zijn.

De verkozen koning Amadeus I van Spanje uit het Huis Savoye was, als Spaans staatshoofd, van 1870 tot 1873 ook grootmeester en chef van de Orde van het Gulden Vlies. Hij benoemde enige ridders.

In 1873 werd de monarchie hersteld. Alfons XII van Spanje en Alfons XII van Spanje waren grootmeester van de Orde van het Gulden Vlies.

Tijdens de Tweede Spaanse Republiek en het regentschap van Franco beschouwden de verbannen koning Alfons XIII van Spanje en zijn van de troon geweerde zoon de Graaf van Barcelona, zich als grootmeester en chef van de Orde van het Gulden Vlies. Zij waren zeer terughoudend met vijf benoemingen die, afgezien van koning Boudewijn der Belgen alleen in familiekring plaatsvonden[14].

De huidige koning, Juan Carlos van Spanje werd pas in 1977, twee jaar nadat hij in plaats van zijn vader de troon besteeg, door zijn vader als opvolger in al diens rechten en aanspraken erkend. Het hangt van de opvatting over legitimisme en de aanspraak van de Spaanse staat op de Orde van het Gulden Vlies af of men Juan Carlos vanaf 1975 of 1977 grootmeester en chef van de Orde van het Gulden Vlies laat zijn.

De huidige koning heeft sinds 1977 vijftien ridders benoemd. Daaronder is prinses Beatrix der Nederlanden, de eerste vrouw die de keten van de Orde van het Gulden Vlies droeg.

De koning en de prins van Asturië dragen vaak een miniatuur van het juweel aan een smal rood lint om de hals. Het gulden vlies zelf is slanker dan de Oostenrijkse variant van het gulden vlies, de pootjes van het ramsvel komen bijna bij elkaar.

Sinds 1995 is er geen Spaanse benoeming meer geweest.

De karakteristieken van het Oostenrijkse Gulden Vlies[bewerken]

Oostenrijks gulden vlies volgens Maximilian Gritzner

Anders dan in Spanje is het Gulden Vlies in Oostenrijk en ook na de val van de val de monarchie steeds een los van de staat staand instituut gebleven. De orde werd door Oostenrijk na de Eerste Wereldoorlog dankzij de inspanningen van kanselier Arthur Polzer-Hoditz en de vliesridder en interim-kanselier Max van Hohenberg (1902-1962) als instituut en rechtspersoon in het internationale recht erkend.[15] Frans-Jozef vond de ceremoniën en de rijke ordekleding niet meer bij zijn tijd passen. Zo werden de kapittels, de missen en de plechtige installatie na 1852 achterwege gelaten. Ook het dragen van de beroemde potence met de wapens van de ridders en de beëdiging van de kanselier vervielen. De ridders werden, net als de ridders van de andere orden, wèl bij de plechtige jaarlijkse processie op sacramentsdag verwacht. Daar droegen zij hun militaire- of hofuniformen. De vliesridders hoefden geen adelsproef te leveren. Dat zou gezien de beperkte en hoog aristocratische kring ook overbodig zijn geweest. Het was gebruikelijk om een speciale kleine keten van het Gulden Vlies in de wieg van de zonen van de keizer te leggen. Andere aartshertogen werden rond hun 16e of 18e verjaardag in de orde opgenomen, maar het initiatief daarvoor berustte bij de keizer die daar soms van afweek. Het Gulden Vlies bleef ondanks deze versobering hoog in aanzien en de keizers hebben de orde als instrument gebruikt om de hoge adel en ook buitenlandse staatshoofden aan zich te binden.
Koning George IV van het Verenigd Koninkrijk werd in juni 1814 met het Gulden Vlies gedecoreerd. Toch werd deze protestantse vorst nooit werkelijk vliesridder omdat hij als niet-katholiek niet tot de eedaflegging kon worden toegelaten. De 880e vliesridder wordt in de "liste nominale" beschreven als ontvanger van de versierselen "à titre honoraire et sans être admis au serment".
De orde bleef steeds het karakter houden van een persoonlijke band tussen de chef van het Huis Habsburg en de ridders, vrijwel zonder uitzondering Hongaarse magnaten en machtige edelen uit Bohemen, Italië en Oostenrijk.

De bijzondere vertrouwensband werd verbroken door de Oostenrijks-Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken Graaf Ottokar Czernin von und zu Chudenitz[16]. De politicus was op 16 augustus 1917 in de Orde van het Gulden Vlies opgenomen. Keizer Karel heeft zijn Minister van Buitenlandse Zaken op deze wijze aan zich willen binden met een band, die tussen vliesridder enerzijds en soeverein en chef anderzijds, die de kille politieke en staatsrechtelijke band te boven ging. Graaf Czernin-Chudenitz heeft zijn meester en diens op vrede gerichte geheime diplomatie tijdens de Sixtus-affaire desondanks verraden[17]. Het was een op keizer Karel's sterfbed uitgesproken wens dat Czernin-Chudenitz uit de orde gezet zou worden, een wens die zijn zoon Otto van Habsburg op 29 november 1996 vervulde.

Na de val van de monarchie kreeg het Gulden Vlies in de Oostenrijkse obediëntie een steeds meer religieus karakter. Chef en Grootmeester Aartshertog Karel van Habsburg spreekt in dit verband over "tijdloze religieuze wereldbeelden, ridderlijke deugden, respect voor de katholieke Kerk en in het bijzonder de verering van Maria"[18]. De ridders werden in in de kapel van Steenokkerzeel in kapittels bijeen geroepen, droegen daar eenvoudige zwarte mantels met daarover de gouden keten en voerden de oude rituelen van de orde weer uit. Daarbij werden zij bijgestaan door de officieren van de orde. De schat en het archief werden met veel moeite voor de orde bewaard.

Tijdens een kapittel wordt het laat-middeleeuwse gouden eedkruis ("Schwurkreuz") gebruikt. De ridders offeren munten en kaarsen. Voor de overleden ridders, vertegenwoordigd door een "tumba", een tafel met daarop de keten en het wapen van de overledene, wordt gebeden. De ridders luisteren ook naar een preek. De bijeenkomst op St. Andreasdag vindt tegenwoordig jaarlijks plaats. De afgelopen jaren gebeurde dat in beslotenheid in de Abdij van Heiligenkreuz in Duitsland. Celebranten waren jarenlang Gregor Henckel Donnersmarck O. Cist. en Abt Bruno Platter, de Hochmeister" van de Duitse Orde..

Versierselen[bewerken]

Versiersel van het Gulden Vlies met de "Grote Blauwe Diamant" van de Franse kroonjuwelen, de latere Hope diamant.

Het symbool van de orde is een klein gouden ramsvacht met kop en poten, door een ring gehaald, hangend aan een gouden keten, waarvan de 52 schakels het Bourgondische vuurslagmotief vertonen. De naam van de orde verwijst waarschijnlijk naar de Griekse mythologie. Een gulden vlies komt voor in de sage van Jason en de Argonauten die het Gulden Vlies moesten bemachtigen, een gouden ramsvacht. Het is onduidelijk waarom Filips de Goede niet voor een meer gebruikelijk bijbels thema of voor een heilige koos toen hij de naam en het kleinood van zijn ridderorde vaststelde. Er zijn achteraf meerdere verklaringen gegeven. Het gulden vlies zou suggereren dat de Bourgondische dynastie afstamde van de Trojanen en er is, eveneens achteraf, ook een bijbelse verwijzing gevonden in het Oude Testament.

De eerste kanselier van de Orde, Jean Germain, bisschop van Chalons verwees naar een passage in Richteren waar Gideon een ramshuid op de grond moest leggen en de daarop verzamelde dauw een teken Gods betekende voor zijn uitverkiezing. Deze passage, Richteren 6:37 wordt gelezen als een aankondiging van de geboorte van Christus.

De tweede kanselier, Willem de Fillastre verwees naar de vijf andere ramshuiden waarvan in het Oude Testament sprake is. Een andere, meer politieke, verklaring voor deze naam is het feit dat Filips de Goede (Jason) zijn belangrijkste leenmannen (de Argonauten) in een klein gezelschap plaatste waardoor deze zich belangrijker voelden dan de andere leenmannen, die niet in de orde zaten. Zo voorkwam Filips de Goede dat zijn leenmannen in opstand kwamen en hield hij de personele unie bij elkaar.

In de 15e eeuw werd het Gulden Vlies aan een zware keten van geschakelde vuurslagen gedragen. De ridders werden geacht hun keten altijd te dragen. Omdat dat onpraktisch was, stond Karel V hen in 1516 toe om ook een lichtere keten of een zijden band te gebruiken. In de 16e eeuw koos men bij minder formele gelegenheden voor lichtere ketenen van kleine ronde schakels.

In de 18e eeuw werd het gulden vlies steeds vaker samen met de vuurslag en een steen met geëmailleerde vlammen aan een rood lint om de hals of op de borst gedragen. Deze draagwijze werd al snel de norm aan de Europese hoven, en de keten en de habijt raakten in onbruik. De keten werd alleen nog bij de verlening gebruikt. Op de blauwe gesp van het halssieraad stond nu "PRETIVUM LABORVM" en "NON VILE" geschreven wat "als beloning voor prestaties" en "niet te koop" betekent. De adelsgemeenschap was nu ook een "orde van verdienste" geworden.

In de 18e eeuw werden de halssieraden, die privébezit waren en niet zoals de keten na de dood van een ridder teruggegeven moesten worden, vaak in strijd met het reglement met diamanten en robijnen versierd.

De door Filips de Goede ingevoerde ordekleding bestond uit een rode mantel. De hoofdbedekking was in de eerste jaren niet uniform, maar Karel de Stoute verordende een rode "chaperon", een baret met een lange huik. Er was ook een zwart rouwgewaad.

In de late 18e en vroege 19e eeuw raakte het ornaat in onbruik. De vroege 19e eeuw zag een korte opleving van het gebruik, maar na 1830 werd het kostuum ook aan het Weense hof niet meer gezien. Er waren geen investuren en feestelijke maaltijden meer en alleen de Oostenrijkse Keizers lieten zich nog in de mantel afbeelden.

De chef en soeverein van de Orde van het Gulden Vlies[bewerken]

De opvolging van de chefs en soevereinen is sinds de instelling van de orde niet onomstreden. Toen Karel III van Spanje op 1 november 1700 kinderloos stierf, en het Huis Habsburg in de Spaanse tak daarmee uitstierf, kwam daarover een diepgaand geschil. Filips V van Spanje uit het Huis Bourbon trad als universeel erfgenaam van zijn oud-oom in al diens rechten en hij nam ook de positie van "chef en souverein" van de Orde van het Gulden Vlies op zich. Voor de Duitse keizer, de Habsburger keizer Leopold I was het testament van zijn Spaanse verwant onaanvaardbaar.

De orde werd tussen 1555 en 1701 min of meer gedeeld door de twee Habsburgse heersers. De Spaanse koning was chef en soeverein, de Oostenrijks-Duitse Habsburgse heerser deed voordrachten en vulde gewoontegetrouw een derde van de rijen der ridders.

Op grond van artikel 65 van de statuten kon het bezit van de orde alleen in de vrouwelijke lijn op Filips van Bourbon vererven wanneer er in het Huis Habsburg geen mannelijke afstammelingen in directe lijn meer waren. Keizer Leopold I was wel degelijk zo'n afstammeling.

In 1701 en 1702 erkenden de elf Zuid-Nederlandse vliesridders Filips als hun meester. Filips beschikte ook over de archieven en de kostbare schat van de orde die in Brussel werd bewaard. De oorlog die uitbrak tussen Oostenrijk en haar bondgenoten Engeland en Nederland enerzijds en Frankrijk, Beieren en Oostenrijk anderzijds, de "Spaanse Successieoorlog", ging in eerste instantie over territoria.

Pas in 1703 maakte de tot Karel III van Spanje uitgeroepen aartshertog Karel van Oostenrijk aanspraak op de positie van chef en soeverein van de Orde van het Gulden Vlies. Drieëndertig vliesridders erkenden Karel en werden daarop door Filips uit de orde gezet. De Oostenrijkers gaven daarmee te kennen dat zij de orde als deel van de aanspraken van de Spaanse koning of die van de heerser over de Zuidelijke Nederlanden zagen. Hadden zij de soevereiniteit over de orde verbonden aan de erfopvolging binnen het Huis Habsburg dan was niet aartshertog Karel, maar zijn vader keizer Leopold I de pretendent geweest.

Toen Leopold I op 5 mei 1705 stierf werd aartshertog Jozef de nieuwe Habsburgse heerser. Jozef regeerde tot 17 april 1711 en maakte geen aansprak op de soevereiniteit over de Orde van het Gulden Vlies.

Aartshertog Karel benoemde als koning van Spanje pas in november 1707 eerst een schatmeester en een wapenkoning en liet zich na de dood van zijn broer en zijn verkiezing tot keizer van het Heilige Roomse Rijk 12 oktober 1711 tot chef en soeverein van het Gulden Vlies uitroepen. Dat geschiedde op 8 januari 1712. Op 9 januari 1712 werden 21 nieuwe ridders benoemd. Bij de Vrede van Utrecht in 1713 konden Spanje en Oostenrijk het niet eens worden over de aanspraken op de orde. De partijen kwamen wel overeen dat de Zuidelijke Nederlanden Oostenrijks werden en dat de ordeschat in Brussel met het gebied in Oostenrijkse handen zou vallen. In de instructie aan de Oostenrijkse gezant graaf Windischgrätz stipuleerde Wenen dat de Orde van het Gulden Vlies alleen maar aan de Spaanse koningen had toebehoord omdat deze Habsburgers heer der Nederlanden en de oudste erfgenamen van Maria van Bourgondië waren geweest. Deze redenering steunt op art. 65 van de statuten van de Orde van het Gulden Vlies.

In 1721 protesteerde keizer Karel VI in Londen tegen de benoeming van de vliesridders die door Filips waren benoemd.

Op 30 april en 1 mei 1725 kwamen de diplomaten in Kamerijk tot een werkzame oplossing. De beide vorsten, Karel en Filips, zouden beiden alle titels blijven voeren die zij al voerden. Daarbij behoorde in beide gevallen de aanspraak "chef en souverein" van de Orde van het Gulden Vlies te zijn.

In 1740 stierf Karel VI zonder een zoon na te laten. De pragmatieke Sanctie liet de Europese machten de opvolging van zijn oudste dochter Maria Theresia in alle landen van haar vader erkennen, maar ging op de aanspraken op de soevereiniteit over de Orde van het Gulden Vlies niet in. De Spaanse monarch Karel III zag zijn kans schoon om tegen het aantreden van een schoonzoon van de keizer, Franz Stephan van Lotharingen, als de nieuwe chef en soeverein te protesteren. Franz Stephan werd in 1742 als zodanig geïnstalleerd.

In 1748 protesteerde de Spaanse regering, opnieuw tevergeefs, tijdens de onderhandelingen die in de slordig geformuleerde[19] Vrede van Aken resulteerden, overeenstemming te bereiken. Maria Theresia was bereid om akkoord te gaan met een wederzijdse erkenning van de in Wenen en Madrid benoemde vliesridders. De onderhandelaar wilden tot een regeling in het verdrag komen maar in het uiteindelijke document werd de Orde van het Gulden Vlies niet genoemd. Het compromis was voor Spanje niet aanvaardbaar.

In 1752 werden de aanspraken op het Gulden Vlies voor het laatst aan de onderhandelingstafel van de Vrede van Aranjuez besproken. Dat was de laatste maal dat de orde onderwerp was van internationale onderhandelingen.


Lijst van chefs en soevereinen volgens de opvatting van de "Oostenrijkse" Orde van het Gulden Vlies[bewerken]

Lijst van chefs en soevereinen volgens de opvatting van de "Spaanse" Orde van het Gulden Vlies[bewerken]

Don Jaime de Bourbon heeft het Gulden Vlies in 1972 aan de Spaanse dictator Francisco Franco verleend. De doofstomme Spaanse prins, een zoon van Alfonso XIII van Spanje had als tweede zoon een claim op de Spaanse troon maar had daarvan in 1933 afstand gedaan. Later was hij daarop teruggekomen. Franco heeft het Gulden Vlies nooit gedragen[20].

De claim van de carlisten[bewerken]

Don Carlos of Karel VI van Spanje met de Orde van het Gulden Vlies en de karakteristieke rode pet van de carlisten

Tussen 1836 en 1931 hebben de pretendenten die carlisten worden genoemd acht ridders benoemd. Dat geschiedde in of rond 1836, 1838, 1850, 1870, 1875, 1895, 1900 en 1921. Het ging om een bisschop, een carlistische pretendent en zes hoge Spaanse edelen.

De carlisten zijn altijd sterk verdeeld geweest waar het de van Karel of Carlos afgeleide claim op de Spaanse (en ook Franse) troon ging. Don Carlos beschouwde zich als Karel V van Spanje, de wettige Spaanse heerser. Wie, zoals men in Spanje algemeen doet, vasthoudt aan de opvatting dat de Spaanse koning rechtens chef en soeverein van de Orde van het Gulden Vlies is, zal menen dat de carlistische pretendenten het recht hebben om het Gulden Vlies uit te reiken. Niet alle carlistische pretendenten hebben dat gedaan. Don Carlos Hugo van Bourbon-Parma heeft het Gulden Vlies op zijn bruiloft in Rome gedragen[21]. Dat baarde veel opzien, het is onbekend of de jonge carlistische pretendent daarmee wilde aangeven dat hij eigenlijk de legitieme koning van Spanje was. In ieder geval is niet bekend of Don Carlos Hugo door een van de chefs en soevereinen in de Orde van het Gulden Vlies is opgenomen. Over het op het huwelijk gedragen Gulden Vlies werd in de pers gespot.

Carloctavistische linie[bewerken]

Carloctavistisch versiersel van het Gulden Vlies.

De carloctavisten, pretendenten die door een kleine groep carlisten worden gesteund, hun claim berust immers op vererving in vrouwelijke lijn, maken ook aanspraak op de soevereiniteit over de Orde van het Gulden Vlies. Zij benoemden 21 ridders.

  • 23. Karel Pius van Oostenrijk-Toscane als Karel VIII van Spanje 1936 of 1943 - 1953
  • 24. Leopold I van Oostenrijk-Toscane als Leopoldo I van Spanje 1953 - 1956
  • 25. Karel van van Oostenrijk-Toscane als Karel IX van Spanje 1953 / 1956-1961
  • 26. Frans José van Oostenrijk-Toscane als Francisco José I van Spanje 1961-1975
  • 27. Domingo van Oostenrijk-Toscane als Domingo I van Spanje 1975 - heden. Hij benoemde zes ridders

De Orde van het Gulden Vlies in de koninkrijken der Nederlanden en België[bewerken]

De Nederlandse "Vader des Vaderlands", Willem van Oranje en andere vorsten uit de Huizen Chalon, Nassau en Breda waren ridders van het Gulden Vlies. De protestantse stadhouders kwamen niet in aanmerking voor benoeming in de tot 1805 strikt katholieke orden (in Spanje en Oostenrijk) van het Gulden Vlies. Tijdens het Spaanse en Oostenrijkse bestuur over de Zuidelijke Nederlanden werden de aldaar wonende hoge katholieke edelen wel opgenomen in zowel de Spaanse als de Oostenrijkse tak van de Orde.
De Franse Revolutie bracht een scheiding van Kerk en Staat en Napoleons oudere broer Jozef Bonaparte maakte van de Spaanse Orde van het Gulden Vlies een orde van verdienste die ook aan protestanten kon worden toegekend. Eén van hen was Willem, prins van Oranje, de latere koning Willem II. Ook koning Willem III, prins Hendrik en koningin Beatrix zijn in de Spaanse Orde opgenomen.

De Belgische koninklijke familie[bewerken]

In de Belgische koninklijke familie waren en zijn veel ketens aanwezig; drie koningen en een aartshertog kregen de Oostenrijkse keten. Vier koningen kregen de Spaanse keten. Leopold I was enkel een Spaans vliesridder, de koning was een protestant.

Koning Leopold II van België droeg net zoals zijn schoonbroer Maximiliaan van Oostenrijk het Spaanse Vlies. Zijn broer, de graaf van Vlaanderen, bezat de keten in de Spaanse tak. Ook zijn neef Albert I droeg het Oostenrijkse Gulden Vlies, terwijl diens zoon Leopold de Spaanse keten kreeg in 1923.

Koning Albert II van België is ridder in zowel het Spaanse als het Oostenrijkse Gulden Vlies, zijn schoonzoon aartshertog Lorenz is als Habsburger enkel in het bezit van de Oostenrijkse tak.

Zijn voorganger Boudewijn was ridder in de Spaanse afdeling, hun schoonbroer groothertog Jan van Luxemburg is ook ridder in de beide takken. Boudewijn was een van drie door Juan de Borbón, troonpretendent en graaf van Barcelona in de Spaanse orde opgenomen ridders.

De vuurslag van het Gulden Vlies en het Kruis van Bourgondië zijn terug te vinden in de Nederlandse Militaire Willems-Orde (1815) en de Belgische Decoration Civique (1867). Ook in België is enige malen overwogen om de Orde van het Gulden Vlies als Belgische Orde in te stellen.

De Orde van het Gulden Vlies in Georgië[bewerken]

Versiersel uit Georchië

Na de ineenstorting van de Sovjet-Unie heeft Georgië een orde van het gulden vlies ingesteld. Het versiersel van de Orde van het Gulden Vlies van Georgië lijkt niet op de oude Habsburgse orde. Georgië wordt door historici genoemd als het land Colchis waar Jason het gulden vlies roofde.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties

Noten

  1. D'Arcy Jonathan Dacre Boulton, Knight of the Crown, The Monarchical Orders of Knighthood in Later Medieval Europe 1325-1520, (1987), p. xviii
  2. Malcolm Vale. "Orders of Chivalry in the Fifteenth Century", War and Chivalry: Warfare and Aristocratic Culture in England, France and Burgundy at the End of the Middle Ages (1981), p. 33-62;
  3. Praeclarae devotionis sinceritas van 8 december 1516, opgesomd in "Das Haus Österreich und der Orden vom Goldenen Vlies. Blz. 101.
  4. Bul Praeclarae devotionis sinceritas van 8 december 1516
  5. Guy Stair Sainty op [], gezien op 5 augustus 2013.
  6. Sonja Dünnebeil, Die Protokollbücher des Ordens vom Goldenen Vlies, I, Statutes, p. 189
  7. Françoise de Gruben, Les Chapitres de la Toison d'Or à l'Époque Bourguignonne (1430-1477), p. 176
  8. Sonja Dünnebeil, Die Protokollbücher des Ordens vom Goldenen Vlies, I, Statutes, p. 202-204, D'Arcy Jonathan Dacre Boulton, Knight of the Crown, The Monarchical Orders of Knighthood in Later Medieval Europe 1325-1520, p. 377
  9. a b c Françoise de Gruben, Les Chapitres de la Toison d'Or à l'Époque Bourguignonne (1430-1477)
  10. Origins of the Golden Fleece. Antiquesatoz.com (September 8, 1953) Geraadpleegd op May 3, 2012
  11. Das Haus Österreich und der Orden vom Goldenen Vlies
  12. Das Haus Österreich und der Orden vom Goldenen Vlies. Blz. 104.
  13. Zie Goya Discovery
  14. Balduino, Rey de los Belgas 1930 1993 , 1962 Pablo, Rey de los Helenos 1901 1964, 1964 Roberto II, Duque de Parma[7] 1909 1974, Carlos, Duque de Calabria 1938 - , Constantino II, Rey de los Helenos
  15. Das Haus Österreich und der Orden vom Goldenen Vlies.Blz. 99
  16. 1196e Ridder op de liste nominale
  17. Elisabeth Cóvacs
  18. Voorwoord in "Das Haus Österreich und der Orden vom Goldenen Vlies"
  19. Oresko, Hibbs en Scott
  20. Stanley G. Payne, "The Franco Regime, 1936-1975" op [1] . Blz. 582
  21. Foto op glamour.blog[2]. Gezien op 12 augustus 2013

Bibliografie

  • "Schatten van het Gulden Vlies"; catalogus van de tentoonstelling t.g.v. "Europalia 87 Österreich" in het Paleis voor Schone Kunsten (het huidige BOZAR) te Brussel.
  • "Der Schatz des Ordens vom Goldenenen Vlies"; Hermann Fillitz, Wenen 1988
  • "Das Haus Österreich und der Orden vom Goldenen Vlies." Uitgave van de Ordenskanzlei. 2006. Daarin is een artikel van Elisabeth Cóvacs over Keizer Karl en Graaf Czernin opgenomen.