Grote of Sint-Jacobskerk (Den Haag)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Grote of Sint-Jacobskerk
De Haagse toren
De Haagse toren
Plaats Den Haag
Gebouwd in 14-16e eeuw
Restauratie(s) 1829-1830, 1854-1856, 1866, 1878-1884, 1910-1921, 1956-1961, 1986-1987, 2000, 2002-2003, 2007, 2009[1][2]
Gewijd aan Jakobus de Meerdere (tot 1574)[1]
Monumentale status rijksmonument
Monumentnummer  17970
Architectuur
Bouwmateriaal baksteen en natuursteen
Afmeting 47,0 x 32,5 m (schip)
12,0 m breed (middenbeuk)[3]
Toren 92,5 m hoog
Koor 1492[1]
Schip 1400-1456[1]
Interieur
Preekstoel 1550[1]
Plattegrond voor de restauratie
Plattegrond voor de restauratie
Portaal  Portaalicoon   Christendom
Den Haag

De Grote of Sint-Jacobskerk is een kerkgebouw in het centrum van Den Haag. Het behoort met het Binnenhof en de Abdijkerk van Loosduinen tot de oudste gebouwen van Den Haag. De kerk staat aan de rand van het oude centrum, waar vroeger de markten waren. Aan de noordkant is het Kerkplein, waar vroeger het kerkhof lag. Aan de zuidkant is de Riviervismarkt, waar zoetwatervis verhandeld werd. Daaraan grenst de straat genaamd Visbanken, waar de zeevis vroeger verhandeld werd. In het verlengde van de Riviervismarkt ligt de Dagelijkse Groenmarkt, waaraan het Oude Stadhuis uit 1564 ligt. Omdat er tegen de kerk aan de kant van de Riviervismarkt kleine huisjes stonden, heet dat stukje straat 'Rondom de Grote Kerk'. Het gebied rond de kerk is beschermd stadsgezicht.

Geschiedenis[bewerken]

Kerkgebouw[bewerken]

De kerk is gebouwd op het hoogste punt van een oude duinrug, daterend uit de midden bronstijd, circa 1360 v.Chr. Al in die tijd was er op deze plek sprake van de aanwezigheid van mensen, getuige archeologische vondsten. De nabijheid van het hof van de graven van Holland, dat in de dertiende eeuw op ongeveer vierhonderd meter afstand op dezelfde duinrug is verrezen, veroorzaakte de komst van handelaren en werk- en ambachtslieden. In de dertiende eeuw is daardoor op deze plek een buurtschap ontstaan, dat al snel de naam Die Haghe kreeg.[4][5] Bronnen geven aan dat al in de 13e eeuw een (waarschijnlijk houten) kerk op deze plaats stond. Hoe deze houten kerk eruit heeft gezien is niet bekend. De kerkparochie werd ergens tussen 1280 en 1296 zelfstandig door toedoen van graaf Floris V. In 1337 spreken bronnen van de grote kercke, wat mogelijk duidt op een stenen gebouw.[6] Documenten uit 1399 verwijzen naar bouwwerkzaamheden, waarbij het duidelijk wordt dat het toen om een stenen kerk ging.[6] In de jaren 1420-1424 werd de 92,5 meter hoge kerktoren voltooid. De afmetingen van de kerk en de toren werden van een dusdanige omvang dat er in de vijftiende eeuw sprake was van een kerk waardig voor een stad.

Meer over de kerktoren in hoofdstuk: Haagse toren

De stenen kerk werd oorspronkelijk als kruiskerk gebouwd. In de gevel die aan de toren grenst zijn nog sporen aanwezig van de daklijn uit 1424. Deze wijzen op een schip met twee lage zijbeuken. Tussen 1434 en 1455 werden de beide lage zijbeuken verbreed en opgehoogd tot het dakniveau van het middenschip, waardoor de kruisvorm verloren ging.[6] Deze vergroting maakte de Sint-Jacobskerk tot het eerste voorbeeld van het Haagse hallentype, een type hallenkerk dat daarna in met name het graafschap Holland op grotere schaal zou worden ingevoerd. Bij dit type hallenkerk zijn de traveeën van de zijbeuken elk voorzien van een hoge topgevel met een eigen kap die dwars staat op het dak van de middenbeuk. Deze constructie maakte het mogelijk de zijbeuken van grote vensters te voorzien.

Brand van 1539[bewerken]

Door een blikseminslag in de toren van de kerk ontstond in 1539 een grote brand die schade veroorzaakte aan zowel de toren als kerkgebouw. Door middel van loterijen en inzamelingen werd geld bijeengebracht voor herstelwerkzaamheden, waarbij de vorm van vóór de brand behouden bleef. Echter, de houten trekbalken tussen de kapvoeten werden niet opnieuw aangebracht, of ze zijn toen verwijderd. Ook verwoestte het vuur de vermoedelijk aanwezige gebrandschilderde ramen. Onder andere Keizer Karel V, de bisschop van Utrecht en enkele bevriende stadbesturen schonken daarop nieuwe gebrandschilderde ramen voor de kerk.[1] Uit bronnen blijkt dat in de zestiende eeuw zeker veertien kerkramen nieuw gebrandschilderd glas hebben gekregen. Slechts twee van deze ramen hebben de tand des tijds doorstaan: het Annunciatieraam (1541) en het Keizer Karelraam (1547). Deze hebben beschilderingen van zeer hoge kwaliteit, welke worden toegeschreven aan Dirck en Wouter Crabeth. De overige werden vervangen door onbeschilderde glas-in-loodramen.[7]

Interieur[bewerken]

In 1456 vond in de Sint-Jacobskerk het negende kapittel plaats van de ridders van de Orde van het Gulden Vlies, onder voorzitterschap van hertog Filips de Goede. De wapenborden van de 34 deelnemende ridders werden bij die gelegenheid als herinnering tegen de muren van de kerk gehangen. Bij de brand in 1539 zijn ze verloren gegaan, maar bijna direct vervangen door nieuwe exemplaren.[1][8] De zestiende-eeuwse wapenborden sieren nog altijd het interieur en zijn zo uniek in Nederland dat ze recent officieel zijn aangewezen als Beschermd voorwerp in het kader van de Wet tot behoud van cultuurbezit.[9] De eikenhouten preekstoel met renaissance houtsnijwerk dateert uit 1550 en werd vermoedelijk gemaakt door Colijn de Nole. Elk van de vijf zijden toont een paneel van respectievelijk de vier evangelisten en Johannes de Doper. Tegen de voet staan vrouwelijke wezens met saterkoppen en bokkenpoten die als het ware de kuip dragen. Het rugpaneel, tegen de zuil aan, toont Mozes die de wetstafelen vasthoudt. De overhuiving laat vijf naar beneden kijkende koningsfiguren zien. Niet origineel is de bekroning, een zeskantig koepeltje waarop een rond tempeltje en een vergulde bol. Waarschijnlijk heeft daar het beeld van Sint Jacobus de Meerdere gestaan, de beschermheilige van de stad en de kerk. Mogelijk werd deze verwijderd tijdens of na de beeldenstorm.[10] Van na de reformatie zijn er wapenborden van vooraanstaande families uit Den Haag. In de kerk hangen veel rouwborden langs de muren. Na de Bataafse Revolutie in 1795 moesten alle wapenborden, titels en wapens op graven, verwijderd worden omdat zij een teken van adel waren, hetgeen niet paste in de gelijkheid, vrijheid en broederschap die zij nastreefden. Een bijzonder bord, vooral vanwege de grote maat, is het wapenbord van vrouwe Angenis Hooft, dat sinds maart 2011 weer in de kerk hangt.

Kapellen[bewerken]

De Mariakapel en de Heilige Kruiskapel zijn toevoeging die dateren van rond 1490. Deze hoge kapellen bestaan nog steeds en bevinden zich aan weerszijden van de kooromgang. Ergens in de periode daarna, maar vóór 1539, verrezen er nog drie kleinere kapellen aan de noordzijde van de kooromgang, de Heilig Grafkapel, Annakapel en Sacramentskapel. Rond 1540 telde de St.-Jacobskerk in totaal 12 kapellen. Ten tijde van de Reformatie verloren de kapellen hun oorspronkelijke functie. De kapellen werden een voor een afgebroken, op de Mariakapel, de Heilig Kruiskapel en de Van Assendelftkapel na.[11]

Van Assendelftkapel[bewerken]

Deze familiekapel werd vermoedelijk gebouwd rond het jaar 1455, in opdracht van ridder Gerrit van Assendelft, die er samen met zijn vrouw Beatris van Dalem begraven werd.[11] Zij lieten zich daar liggend afbeelden op een grafmonument. De kapel, met kruisgewelven en spitsboogramen, bevindt zich aan de zuidelijke zijde van de kerk. Na de kerkbrand van 1539 werd het huidige, in renaissancestijl uitgevoerde monument vervaardigd, dat is gemaakt van albast. Het is gesierd met zuiltjes met kapitelen, wapenschilden, engelenkopjes en bladornamenten.[12] Tot in 1558 werden leden van de familie Van Assendelft begraven in deze kapel.[1] De kapel en het grafmonument werden gerestaureerd in de zestiger jaren van de twintigste eeuw. Tegenwoordig wordt de kapel gebruikt voor onder meer kamermuziekconcerten en huwelijken.

Restauraties en onderzoeken[bewerken]

Onderzoek tijdens restauratiewerkzaamheden eind vijftiger jaren van de twintigste eeuw wees uit dat de kernen van de zuilen van het middenschip bestaan uit de oorspronkelijke, veertiende-eeuwse, ledestenen zuilen.[1] Zij waren in later eeuwen ter versteviging omkapseld. Tijdens archeologisch onderzoek in 2009 werden muren aangetroffen uit de veertiende eeuw, opgebouwd uit grote kloostermoppen, vermoedelijk daterend ergens uit de jaren tussen 1320 en 1350.[13] In de loop der eeuwen was er tegen de buitenkant van de kerk een onoverzichtelijk geheel van kapellen, schuren en woningen gebouwd. Op verzoek van het Haagse gemeentebestuur werden ze in de jaren vijftig van de negentiende eeuw afgebroken en in 1858 verrezen daarvoor in de plaats 27 armenhuisjes in een eenvoudige bouwstijl die meer uniform van karakter was.[1]

Grote restauratie van 1910[bewerken]

Tussen 1910 en 1921 vond de grootste en ingrijpendste restauratie plaats van de Moderne Tijd. De leiding was in handen van de beroemde architect Pierre Cuypers, terwijl de uitvoering voornamelijk werd begeleid door zijn zoon Joseph Cuypers, die eveneens architect was. Er werden onderdelen van de kerk gerestaureerd, gewijzigd, afgebroken en er werden enkele toegevoegd. De armenhuisjes werden gesloopt en ten zuiden van de toren werd tegen de kerk een door Pierre Cuypers zelf ontworpen kosterswoning gebouwd, die nog altijd aanwezig is. Het is een van de weinige bouwwerken van de hand van deze bouwmeester die in Den Haag te vinden zijn.[1] Ten oosten van de Van Assendelftkapel verrees een consistorieruimte in een zestiende-eeuwse stijl. Deze is eveneens nog steeds aanwezig en wordt nu gebruikt als café-restaurant. De steunberen van de kerk kregen natuurstenen afdekplaten. Aan de noordzijde van de kerk verrees een neogotisch entreeportaal, welke later weer is afgebroken. De loden bekleding van de dakruiter op de nok van de kap was eeuwenlang zandkleurig geschilderd geweest, maar werd nu loodkleurig grijs geverfd met een “bezande” afwerking.[1]

Ook in het interieur van de kerk vonden enkele ingrijpende veranderingen plaats. Alle zuilen werden van de verflagen ontdaan en voorzien van nieuwe natuurstenen kapitelen met bladornamenten. Het triforium in het hoogkoor kreeg natuurstenen balustraden. Tegen de noord- en zuidwand van het schip werden nieuwe galerijen toegevoegd. De in ca. 1830 aangebrachte gewelfbeschietingen werden met eikenhout bekleed. Het stucplafond van het hoogkoor, eveneens uit ca. 1830, werd vervangen door een houten netgewelf constructie. De ribben en delen van de plafondvelden werden van geschilderde versieringen voorzien. Ook op de stenen gewelven werden nieuwe beschilderingen aangebracht.[1]

Gebruik[bewerken]

Tot aan de Beeldenstorm in 1566 was de kerk alleen in gebruik voor de katholieke liturgie. Nadat in Nederland de reformatie plaastvind gaat het bezit van de Sint-Jacobskerk over op de Nederduitse Gereformeerde Kerk (later Nederlandse Hervormde Kerk). Na 1574 wordt de kerk dan ook uitsluitend gebruikt voor protestantse diensten, al doet de preekstoel nog terugdenken aan de katholieke periode. Sinds 1982 wordt de kerk niet meer voor wekelijkse erediensten gebruikt. Tegenwoordig wordt het gebouw hoofdzakelijk gebruikt voor culturele evenementen, zoals orgelconcerten, beurzen en tentoonstellingen.

Koninklijk Huis[bewerken]

De Oranjes gebruiken het gebouw nog voor doopplechtigheden en huwelijken. Zo traden koningin Wilhelmina en prins Hendrik (1901), prinses Juliana en prins Bernhard (1937), prinses Margriet en Pieter van Vollenhoven (1967) hier in het huwelijk, werd Prins Willem Alexander hier gedoopt op 2 september 1967 en lieten Prins Constantijn en Prinses Laurentien (2001) er hun huwelijk bevestigen. Prinses Catharina-Amalia werd in 2004 in deze kerk gedoopt.

Haagse toren[bewerken]

De toren die de westkant van de kerk vormt staat ook wel bekend als de "Haagse toren". De kerktoren werd tussen 1420 en 1424 gebouwd met steun van hertog Jan van Beieren, waarschijnlijk als losse zeskantige wachttoren (een in Nederland zeldzame vorm) naast een kleine kerk, vergelijkbaar met de belforten van België en Noord-Frankrijk. De toren was waarschijnlijk al vanaf het begin voorzien van een uurwerk en klokken.[14]

Er wordt wel gesteld dat de achtkantige toren van de abdijkerk in Middelburg als voorbeeld zou hebben gediend, maar dat is nooit bewezen.[bron?]

De toren brandde in 1539 voor het eerst gedeeltelijk af door blikseminslag. Het uurwerk en de klokken gingen ten onder. Ook 40 huizen rondom de kerk werden door de brand verwoest. In 1542 was de wederopbouw voltooid. De afgebrande houten gotische lantaarn (spits) was vervangen door een renaissancistische.

Constantijn Huygens volgde in 1665 vanaf de toren de zeeslag die het begin werd van de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog. In 1702 sloeg de bliksem nogmaals in. De burger Abraham Streng beklom de brandende toren, 321 treden hoog, om het vuur te doven met zijn nachthemd.

De lantaarn werd in 1861 vervangen voor een veel zwaardere gietijzeren neogotische spits, die in de volksmond 'De slaapmuts' werd genoemd. Door het gewicht van deze spits begonnen de zware bakstenen muren van de toren scheuren te vertonen. In 1957 werd de met koper beklede houten renaissancistische lantaarn gereconstrueerd, zij het wat groter om het inmiddels uitgebreide carillon te herbergen. Bij deze restauratie werden ook betonnen tussenverdiepingen gemaakt die de wanden weer in verband trokken.

De toren is gesloten voor het publiek, wel wordt hij als doorgang gebruikt naar de kerk.

Door de hoogte, en de vorm van de lantaarn, is de toren gemakkelijk te herkennen in de skyline van Den Haag, ook als silhouet.

De luidklokken[bewerken]

Luiden van de grote klok
Vista-kmixdocked.png
(download·info)
Zicht op de luidzolder

De grootste vier luidklokken hangen in een klokkenstoel op de luidzolder, een paar etages onder de lantaarn. Hier hangen onder meer de G0 Jhezus gegoten in 1541 door Jasper en Jan Moer, die werkzaam waren in 's-Hertogenbosch, de Bes0 die naamloos is, gegoten in 1647 door Coenraet Wegewaert. Deze is waarschijnlijk gemaakt als uurslagklok en had de toon B0, maar omdat de Jacob, gegoten in 1570 door Hendrick van Trier, deze toon ook had werd ze een halve toon lager gestemd. Verder hangt er de C1, gegoten in 1956 door Koninklijke Eijsbouts. Deze klokken doen dienst als luidklok en daarnaast wanneer ze stil hangen als basklok in het pedaal van het handspel van het carillon. Voor dit doel werden ze in 1956 door Eijsbouts herstemd en raakten ze hierdoor de klank die bedoeld was door hun maker kwijt. De klokken werden in gekrukte luidbalken gehangen waardoor het timbre bij het luiden ook anders klinkt dan vroeger. Klokken werden voorheen altijd aan rechte assen opgehangen zodat het vliegende-klepeleffect ontstond. Bij gekrukte luidbalken wordt van een vallende klepel gesproken.

Geschiedenis van de luidklokken[bewerken]

Na de torenbrand van 1539 droeg Keizer Karel V bij aan de herbouw van de toren en schonk de bijna 6000 kilo wegende bourdon, de grootste luidklok in een toren, met de naam Jhesus. Op de flank van deze klok is het eerst bekende voorbeeld van een ooievaar als het wapen van Den Haag te zien. Later is de ooievaar ook als windwijzer op de toren aangebracht.

De klok Maria uit 1543 werd waarschijnlijk al in 1575 uit de toren genomen om tot kanonnen te worden omgesmolten. Er zijn geen bronnen die dit bevestigen.

De bourdon is in de Tweede Wereldoorlog verstopt onder in de toren om deze uit de handen van de Duitsers te houden. Hij was te groot om door de monumentale deuren naar buiten te gaan. De deuren waren op het laatste moment smaller gemaakt met oude balken om de Duitsers te misleiden. In de nacht van 4 op 5 mei 1945 is de Jhezus weer op zijn plaats gehesen zodat hij tot grote verbazing van het Haagse volk samen met de nog aanwezige Fis1 de bevrijding kon inluiden. De Wegewaert-klok werd na de oorlog in Duitsland teruggevonden. Het schip dat de Jacob naar Duitsland had moeten brengen is onderweg door sabotage gezonken in het IJsselmeer bij Urk, maar na de oorlog kwam Jacob ongeschonden boven water. De kleinste luidklok in die tijd was de Salvator fis1 uit 1547 gegoten door Jan Moer. Het was voor 1956 een luidklok die diende als werkklok. Deze is de hele oorlog op zijn plaats gebleven als signaalklok. Sinds 1956 dient Salvator alleen als speelklok in het carillon. Het historische carillon was van vordering gevrijwaard door de bezetter.

Ten minste twee keer in de geschiedenis viel er een klepel uit een klok tijdens het luiden: op 4 mei 1987 die van de Jhesus, en op Kerstavond 2002 die van de C1 van Eijsbouts.

Het carillon[bewerken]

Het carillon zoals dat sinds 1956 in de nieuwe lantaarn hangt.

Het carillon van de Haagse toren bestaat sinds 1956 uit 51 klokken van verschillende gieters. De reeks omvat G0 -bes0 -b0 -c1 -d1 -chromatisch-c5 De klokken zijn gestemd in de evenredig zwevende stemming en zijn op het klavier aangesloten volgens hun werkelijke toonhoogte. Naast de eerder genoemde klokkengieters zijn er de Es1 uit 1692 door Claude Fremy, 15 klokken van Melchior De Haze en 31 klokken uit 1956 van Koninklijke Eijsbouts uit Asten.

Geschiedenis van het carillon[bewerken]

Torenuurwerk met speeltrommel van Heynrick Vabrie, afkomstig uit de Haagse toren en sinds enkele jaren in het Museum Speelklok te Utrecht

De geschiedenis van het Haagse carillon begint bij het voltooien van de toren in 1424 met een voorslag die vermoedelijk uit zo'n 8 tot 10 klokjes bestond en automatisch de klokken liet spelen door middel van een torenuurwerk met speeltrommel om de aankomende uurslagen te verwittigen. Dit was in de 16e eeuw gebruikelijk in veel steden van de Lage landen. Het is niet bekend wie dit uurwerk en deze klokjes gegoten heeft; wel weten we dat de voorslag verloren is gegaan bij de torenbrand van 29 december 1539. Bij de herbouw van de toren werd in 1541/42 een uurwerk met speeltrommel geleverd door de in Leuven werkzame uurwerkmaker Heynrick Vabrie van Breda. Deze speeltrommel bestaat nog en is na omzwervingen te bewonderen in museum Speelklok in Utrecht. Of deze Vabrie ook de klokken maakte is niet bekend; vermoedelijk bestelde hij die bij een klokgieter uit die tijd. Mogelijk werden ze ook gemaakt door Jasper en Jan Moer, die ook de bourdon gegoten hebben in dezelfde periode.

De voorslag werd uitgebreid door diverse gieters onder meer in de 17e eeuw ook vijf klokjes van François Hemony, maar uiteindelijk was men niet tevreden over dit uit met verschillende klokken samengestelde klokkenspel. De onvrede ontstond mogelijk ook doordat de gebroeders Hemony, met hulp van jonkheer Jacob van Eyck, het klokkenstemmen hadden uitgevonden. Eerdere klokkengieters waren niet in staat geweest hun klokken zuiver af te stemmen. Onder andere in het nabijgelegen Delft was te horen hoe een zuiver gestemd Hemony-klokkenspel klinkt. Den Haag wilde misschien daardoor ook zuiver gestemde klokken in de toren, maar toen de stad ook zo'n fraai klokkenspel aan wilde kopen, was de laatste klokkengieter van de familie Hemony reeds overleden. Daarom wendde men zich in 1682 tot dezelfde Amsterdamse klokkengieterij waar Mammes Fremy, een achterneef van de Hemony's, als hun opvolger werkzaam was. Den Haag gaf hem de opdracht tot het maken van een spel van 27 klokken. Het werk bleef echter liggen en de heren uit Den Haag kregen na ontvangst van niet zulke vleiende berichten over deze gieter, argwaan waarop ze de levering van dit spel annuleerden.

In 1686 wendde Den Haag zich tot Melchior de Haze in Antwerpen. De Haze leverde een beiaard van 37 klokken op basis E1 (± 1150 kg). De opdracht was dat deze de kwaliteit van de Hemony-klokken op het Amsterdamse stadhuis (nu Paleis op de Dam) zou moeten evenaren. Hoewel De Haze uitstekend een klokkenreeks kon stemmen (mogelijk had hij dit geleerd bij Pieter Hemony toen deze in Gent werkte) waren de keurmeesters toch niet tevreden omdat het Hemony-spel op het stadhuis van Amsterdam veel beter van klank was dan wat De Haze in Den Haag had geleverd. Vooral de kleine klokjes van De Haze staan bekend om hun korte uitklinktijd. Er werd opdracht gegeven aan Claude Fremy, een broer van Mammes, om een ander klokkenspel te gieten, maar deze kwam niet verder dan het gieten van een nieuwe basisklok voor het carillon, die nog steeds aanwezig is. Het Haagse stadsbestuur heeft dit contract laten verlopen, waardoor de klokken van Melchior de Haze voor een deel nog steeds bestaan, zij het in gewijzigde vorm.

Restauraties[bewerken]

Klok in de lantaarn

Onder toezicht van beiaardier Johannes de Zwaan werd in 1931 de beiaard aan een restauratie onderworpen. Geheel naar de geest van zijn tijd had De Haze zijn klokkenspel in middentoonstemming geleverd. Omdat de klokken in die 17e eeuwse stemming stonden dacht men dat ze vals waren. Pas in de vijftiger jaren ontdekte André Lehr dat het om middentoonstemming ging. De klokken van De Haze werden daarom door Taylor (Engelstalige link) uit Loughborough in Engeland herstemd in de evenredig zwevende stemming. Dit zou vandaag de dag niet meer mogen. Dat dit gedaan werd valt achteraf bezien te betreuren maar is helaas niet meer te herstellen. Taylor stemde het hele klokkenspel hierbij ook nog eens een halve toon omlaag wat de klankschoonheid ook al niet ten goede kwam. Verder werden er kleine klokken aan het spel toegevoegd door deze Engelse gieter, deels ter vervanging van de doffe De Haze klokken en een aantal als uitbreiding. In 1956 werd het spel door Koninklijke Eijsbouts uit Asten opnieuw gerestaureerd en waarbij alle Taylor klokken werden vervangen. Hierbij werd het spel daarnaast aanzienlijk verzwaard, door de luidklokken die op de lager gelegen torenzolder aanwezig waren, aan het carillon toe te voegen samen met enkele nieuwe basklokken. De middeleeuwse luidklokken werden hiervoor enigszins bij-gestemd en ook de door Taylor in 1931 al herstemde De Haze klokken werden door Eijsbouts nog een keer gecorrigeerd van stemming. Den Haag verwierf aldus een zware beiaard die op 80 meter hoogte een van de hoogst geplaatste carillons in Nederland is. 47 klokken hangen van buiten zichtbaar in de vensters van- en binnenin de lantaarn van de toren; de overige 4 op de luidklokkenzolder.

Groot onderhoud 2015/2016[bewerken]

Tijdens een inspectie van de toren werd ontdekt dat de ophanging van de klokken door roestvorming een gevaar begon op te leveren en dat de balken aan vervanging toe waren. In de winter van 2015/16 zijn gelijk met groot onderhoud aan de lantaarn, de klokken opnieuw opgehangen in een nieuw frame en is de bedrading geheel opnieuw geïnstalleerd met nieuwe klepels. Het spel is op 20 mei 2016 weer in gebruik genomen met een concert waarbij de luisteraar verzoeknummers kon laten spelen. [15]

Gebruik van het carillon[bewerken]

De (na het grote onderhoud weer) dagelijks in gebruik zijnde speeltrommel is door de Haagse smid Libertus van der Burgh gemaakt in 1689 in zijn werkplaats in het Spuikwartier bij de Nieuwe Kerk. Oorspronkelijk gaf deze het hele etmaal met zijn melodieën de tijd aan. Tegenwoordig van 's morgens 8.15 tot 's avonds 21.00 uur. Er wordt ieder kwartier een andere melodie gespeeld door deze speeltrommel die door het uurwerk in werking wordt gezet. Een speeltrommel heeft verplaatsbare pinnen (de nootjes) die de hamers buiten op de klokken oplichten en laten afvallen op het juiste moment in de melodielijn. Van de vier melodieën is die voor de uur-slag de langste melodie; op het halve uur iets korter waarna de halfuur slag op een lichtere klok en op de kwartieren klinkt alleen een kort motief. Ieder kwartier in het uur heeft zijn eigen melodie om de tijd te kunnen herkennen zonder op de wijzers te kijken. Steeds in januari, mei en september worden er andere melodieën "verstoken" door het leeghalen en opnieuw plaatsen van de nootjes in de 14000 gaten tellende speeltrommel. Dit is naast het bespelen van de klokken, een taak van de stadsbeiaardier m/v in dienst van de gemeente. Hij/zij arrangeert ook van tevoren de melodieën die worden verstoken.

In een vertrek tussen de luidzolder en het klokkenplat van de lantaarn is de kamer waar het stokkenklavier staat opgesteld dat verbonden is met de klepels in de klokken, zowel in de lantaarn als de klokken op de luidzolder. Het carillon wordt hier met de hand (en voet) bespeeld. Er wordt zo al eeuwenlang levende muziek gemaakt door een stadsbeiaardier in dienst van de gemeente. De klokken worden van 12.00 tot 13.00u bespeeld op de van oorsprong Haagse marktdagen: maandag en vrijdag. Sinds 1956 speelt de beiaardier (m/v) ook op woensdag. Ook is er een kleine concertserie in de zomer. Het gehele jaar door is er een luisterplaats in de Nutstuin, onderdeel van het Nutshuis, ingang Jan Hendrikstraat.

De beiaardiers[bewerken]

Lijst van beiaardiers sinds de 16e eeuw:

  • Jacob Janszoon Kelder: ... - 1590
  • Jan Jacobszoon: 1590 - 1625
  • Jacob Blankenburgh: 1625 - 1633
  • Pieter Alewijszoon de Vois: 1633 - 1653
  • Stephanus van Eyck: 1653 - 1673
  • Hermanus van Eyck: 1673 - 1678
  • Pieter Pater: 1678 - 1682
  • Stephanus Cousijns: 1682 - 1697
  • Casparus Cousijns: 1697 - 1717
  • Aeneas Egbertus Veltkamp: 1718 - 1741
  • Albertus Freese: 1741 - 1742
  • Albertus Groneman: 1742 - 1778
  • Hendrik Krayenbrink: 1778 - 1824
  • Johan George Berger: 1824 - 1856
  • Gerrit Pieter Koning: 1856 - 1874
  • Jean Antoine Henri van Hartorp: 1874 - 1885
  • Johannes Andries de Zwaan: 1885 - 1927
  • Johannes de Zwaan: 1927 - 1956
  • Hendrik Christiaan Herzog: 1956 - 1975
  • Helena Barendina (Heleen) van der Weel: 1975 - 2011
  • Gijsbert Kok: sinds 2012

Orgels[bewerken]

Hoofdorgel[bewerken]

Orgel uit 1971, gemaakt door Fa Metzler & Söhne

Het huidige hoofdorgel staat sinds 1971 in de Grote kerk. In 1882 werd voor de Grote Kerk een orgel gemaakt door Johan Frederik Witte en tegen de toren aan de westzijde geplaatst. Dat orgel werd in aanloop naar 7 februari 1901 zwaar beschadigd, doordat de verwarming van de kerk voor de huwelijksinzegening van Wilhelmina der Nederlanden en Hendrik van Mecklenburg-Schwerin te hoog werd gezet. Hierop was in 1932 Adriaan Engels tot organist benoemd; hij bespeelde het Witte-orgel tot 1971. Daarna werd het Witte-instrument gesloopt en vervangen door een nieuw groot orgel wat gebouwd werd door de fa. Metzler & Sohn uit Dietikon-Zürich in Zwitserland.

Dispositie van het Metzlerorgel[bewerken]

Rugwerk
Quintade 16'
Principal 8′
Hohlflöte 8′
Quintade 8'
Octave 4′
Rohrflöte 4'
Superoctave 2'
Waldflöte 2'
Nasard 1 1/2'
Scharf V-VI
Sesquialter II
Krummhorn 8′
Hoofdwerk
Principal 16'
Octave 8'
Gedackt 8'
Grossquinte 8'
Octave 4'
Spitzflöte 4'
Quinte 3'
Octave 2'
Mixtur IV-VI
Cimbel IV
Cornett V
Trompete 16'
Trompete 8'
Chamade 8'
Chamade 4'
Borstwerk
Holzgedackt 8
Praestant 4
Gedackt 4'
Spitzquinte 4'
Octave 2'
Gemshorn 2'
Terz 1 3/5'
Sifflöte 1'
Cimbel III
Rankett 16'
Vox Humana 8′
Pedaal
Principal 32'
Octavbass 16'
Subbas 16'
Octave 8'
Bourdon 8'
Octave 4'
Nachthorn 2
Mixtur VI
Fagott 32'
Posaune 16'
Trompete 8'
Trompete 4'
  • Koppelingen: Hw.-Rw., Hw.-Bw., Ped.-Hw., Ped.-Rw.
  • Het orgel heeft een volledig mechanische toets, en registertractuur.
  • Omvang manualen: C-f3, Omvang pedaal: C-f
  • Stemming: evenredig zwevende temperatuur.
  • Toonhoogte a' = 440 Hz bij 18 graden Celsius

Kabinetorgel op het hoogkoor[bewerken]

Kabinetorgel uit 1755 gebouwd door Christian Müller in Amsterdam. Foto genomen in de Assendelftkapel

In de Grote kerk staat een kabinetorgel uit 1755 wat gebouwd werd door Christian Müller in Amsterdam voor een particulier. Rond 1854 kwam dit orgel in de Ned. Herv. kerk in Budel te staan, waar het in 1939 werd vervangen door een harmonium. Volgens de werklijst uit 1973 van de Fa. van Vulpen uit Utrecht, werd het rond 1953 in Den Haag in de Ned Herv. kerk 'de Morgenster' geplaatst van waar het in 1973 werd overgeplaatst naar de Assendelftkapel. Hierbij werd de Flageolet 1 vervangen door een Mixtuur. In 2005 volgt dan de plaatsing op het hoogkoor nadat het werd gerestaureerd door fa. Henk van Eeken te Herwijnen.[16]

Dispositie van het Müllerorgel op het hoogkoor[bewerken]

Manuaal C-c'
Holpijp 8'
Prestant 8'D.
Fluit 4' B/D.
Quintfluit 3' B/D.'
Octaaf 2' D.
Gemshoorn 2'
Terts 1 3/5' D
Mixtuur II-III
  • Mechanische toets- en registertractuur.
  • Geen pedaal
  • Stemming: evenredige zwevende temperatuur.
  • Toonhoogte a' = 440 Hz bij 18 graden Celsius

In 1982 verloren deze orgels hun kerkelijke functie en worden ze alleen voor concerten gebruikt. Organist van de Grote Kerk is Ben van Oosten.

Concerten[bewerken]

's Zomers organiseert de Stichting Orgelconcerten Grote kerk Den Haag, in samenwerking met het Haags Orgel Kontakt (HOK), het Internationaal Orgelfestival Grote Kerk. Met jaarlijks, als regel in de maand augustus, vijf orgelconcerten op het Metzler-orgel, verzorgd door organisten uit binnen- en buitenland.

Graven[bewerken]

Praalgraf van admiraal van Wassenaer van Obdam
Grafsteen van Gherard van Randenrode

Vanaf de stichting van de kerk tot 1681 was rondom de kerk een kerkhof in gebruik. Het is bekend dat in ieder geval vanaf de zestiende eeuw de grenzen van het kerkhof werden gemarkeerd met muren, hekken en bomen. In de middeleeuwen strekte de begraafplaats zich verder uit, vanaf het Kerkplein naar het noordoosten toe tot onder de uit 1733 daterende uitbreiding van het oude stadhuis aan de Groenmarkt. In de jaren zestig van de twintigste eeuw werden tijdens een restauratie skeletdelen gevonden onder het westelijk deel van het stadhuis. Uit aangetroffen grafresten blijkt dat ten noorden van de kerk nog vele graven deels intact aanwezig zijn. De gegevens over de begraafplaats aan de zuidkant van de kerk (Rondom de Grote Kerk) zijn veel beperkter. Het kerkhof had heel lang een dubbele functie, naast begraafplaats dienend als stallingsruimte tijdens de veemarkt.[17]

Een graf in de kerk zelf had de voorkeur, maar was aanzienlijk duurder. Vele aanzienlijke families zijn daar begraven. De adellijke familie Van Assendelft liet zich vanaf eind vijftiende eeuw begraven in een eigen kapel, die tegen de kerk werd aangebouwd. Andere voorname families zouden in de kerk een eigen grafkelder laten aanleggen. De gegevens over begravingen in de kerk vóór de Hervorming zijn slechts beperkt bewaard gebleven, maar ook over de periode erna is de informatie niet compleet. In de achttiende eeuw kwam een discussie op gang naar aanleiding van de onhygiënische situatie die het begraven in de kerk opleverde. De stank van de graven en het gevaar van verspreiding van besmettelijke ziekten, leidden echter niet tot adequate maatregelen. Pas in 1795 werd tijdens de Bataafse Republiek een verbod op begravingen in de kerk opgelegd. Dit verbod zou door de Nederlandse overheid pas worden geïmplementeerd in 1830.[17]

Bibliografie[bewerken]

  • Jansen, W.P.H., Het klokkenspel van den Haagschen St. Jacobs-toren. 's-Gravenhage, 1895
  • Programmaboekje uit 1956 bij de bespelingen tussen 18 en 22 september bij de ingebruikneming van het gerestaureerde en uitgebreide carillon op de Haagse toren
  • Rinus de Jong, André Lehr & Romke de Waard, De zingende torens van Nederland - Losbladige uitgave der Nederlandse Klokkenspel Vereniging. Beschrijving van deze toren werd uitgegeven in februari 1966
  • Wely, Bob van, Het uurwerk en het klokkenspel van de Kapelkerk te Alkmaar. Artikel in boek over restauratie van de Alkmaarse Kapelkerk blz. 299. Met info over Melchior De Haze.
  • Lehr, André, Van paardebel tot speelklok. uitg. Europese bibliotheek Zaltbommel
  • Lehr, André, Historische en muzikale aspecten van Hemony-beiaarden (Amsterdam 1960)
  • Lehr, André, De klokkengieters François en Pierre Hemony. Asten 1959. Waarin ook de Haagse toren op p. 85-94 ter sprake komt.
  • Loosjes Mr A., De Torenmuziek in de Nederlanden. Amsterdam, Scheltema & Holkema, 1916
  • Weel, Heleen van der, Klokkenspel. Het carillon en zijn bespelers tot 1800, Uitgeverij Verloren Hilversum 2008, ISBN 978-90-8704-061-1
  • Weel, Heleen van der, 'Luiden voor kerk en wereld. Het gemeentelijke luidklokkenproject'. In: Jaarboek 2015 Geschiedkundige Vereniging Die Haghe, p. 41-72.