Kloostermop

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
R Meischke verplaatst een kloostermop (Friesland, 1979)
Kloostermoppen uit de 13de eeuw, afkomstig van de Tempelhof, Zaamslag

Kloostermoppen, ook wel kloosterstenen of monniksstenen genoemd, zijn middeleeuwse bakstenen. Ze waren veel groter dan de huidige bakstenen en werden vooral gebruikt in kloosters, kerken en kastelen. Ofschoon het niet met zekerheid vastgesteld kan worden, is de heersende opvatting dat kloosterorden aan de bakermat van de baksteenfabricage stonden, hetgeen blijkt uit de naam; ook bakstenen die niet door monniken gebakken waren, werden in de volksmond zo genoemd. Sommige huizen werden ook uit kloostermoppen opgetrokken, maar, omdat deze erg duur waren, werden de meeste huizen in die tijd meestal van hout gebouwd.

Geschiedenis van kloostermoppen in Nederland[bewerken]

Nadat de Romeinen begin van de 5e eeuw verdwenen uit de Nederlanden, verdween daarmee ook de baksteennijverheid. In de eeuwen hierna was er minder behoefte aan steen als bouwmateriaal en werd vooral hout, leem, riet en zoden gebruikt. In de loop van de Middeleeuwen ontstond meer behoefte aan hardere materialen. De voorheen uit het buitenland aangevoerde natuursteen kon niet meer aan de eis voldoen. De Friese kloosterorden, die contact hadden met het verre Italië waar de baksteentechniek bewaard was gebleven, herintroduceerden de technologie begin 12e eeuw. De zeeklei die in Friesland gebruikt werd als grondstof, vereiste echter een ander bakprocedé. Naar waarschijnlijkheid hebben de Friese monniken dat procedé zelf ontwikkeld (Gast, 1996). Van hieruit zou het tot de 13e eeuw duren voordat de techniek zich over Nederland verspreidde.

Afmetingen[bewerken]

Als vuistregel geldt: hoe dikker de mop, hoe ouder. De oudste stenen hadden hetzelfde formaat als de tufstenen die uit de Eifel geïmporteerd werden. De afmetingen verschillen van ca. 30-38 x 14-18 x 8-12 cm (l x b x h). Later ontstond een min of meer standaardformaat van 28,5 x 13,5 x 8,5 cm.