Orgelkast

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
In de orgelkast van het majestueuze hoofdorgel van de Grote of Sint-Bavokerk in Haarlem is een duidelijke opbouw te zien. Aan weerszijden de pedaaltorens en van onder naar boven het rugwerk, het hoofdwerk en het bovenwerk.
Ontwerp voor een orgelkas van de Duitse beeldhouwer Johann Georg Dirr (1723-1779)
Loze orgelkas, in feite een "schijnorgel", in de kerk van Opwierde. De "orgelpijpen" zijn van hout.
Orgelkas in jaren zestig-stijl van het Flentrop-koororgel in de Westerkerk (Amsterdam)

Een orgelkas(t), soms ook orgelbuffet genoemd, is de houten kast waarin zich het pijpwerk van een pijporgel bevindt.[1][2]

Het orgelfront (de voorkant van de orgelkas die men vanuit de kerk of concertzaal ziet) bestaat uit frontpijpen. Vaak is de kast versierd met houtsnijwerk. In deze versieringen zijn soms ook Bijbelse voorstellingen te zien. Soms staan er beelden op en zijn er wapens van de stad of gemeente in verwerkt.

Doorgaans werd of wordt de orgelkas ontworpen en vervaardigd door de orgelbouwer zelf. Hij moet dus niet alleen veel kennis hebben van muziek, mechaniek en klank, maar ook als timmerman en schrijnwerker zijn vak verstaan. De vormgeving van de orgelkas weerspiegelt vaak de stijl van de architectuur van de betrokken kerk of zaal, of van de tijd waarin het instrument gebouwd is. In vroeger eeuwen kwam het soms voor dat een gespecialiseerde kunstenaar werd aangetrokken voor het ontwerp of het houtsnijwerk.

In sommige kerken staat of hangt een lege orgelkas met loze pijpen ter completering en verfraaiing van het kerkinterieur, zoals in de kerk van Opwierde en de kerk van Kiel-Windeweer, of in afwachting van de inbouw van nieuw binnenwerk bij een oud orgel, zoals het "Bolswarder orgel" in de Der Aa-kerk te Groningen.

Bij moderne orgels is de orgelkas vaak weggelaten, zodat het volle zicht op het pijpwerk geboden wordt.