Pijporgel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een portatief in het orgelmuseum te Borgentreich

Het pijporgel (ook wel kerkorgel, of kortweg orgel) is in essentie een aerofoon die met een klavier bespeeld wordt. De bespeler noemt men organist.

Inleiding[bewerken]

Orgel van de Jacobikerk in Utrecht

Het pijporgel heeft een lange geschiedenis achter de rug. Het is een van de weinige 'antieke' instrumenten die nog frequent worden bespeeld, je ziet pijporgels vooral in oude kerken.

Het pijporgel heeft (zoals zoveel instrumenten) hoofdzakelijk in Europa een grote bloeiperiode gekend, vooral om religieuze redenen. Maar ook in de rijkere burgermilieus was een positief als begeleidingsinstrument eeuwenlang geen zeldzaam verschijnsel. Het is dus een luxe-instrument dat vroeger high–tech was, maar juist omwille van zijn vrij complexe maar logische bouw is het een duurzaam instrument. Elk orgel is verschillend van klank omdat orgels doorgaans niet in serie worden vervaardigd. Bovendien worden orgels aangepast aan de ruimte waarvoor ze bestemd zijn en aan de functie die deze ruimte heeft.

Geschiedenis[bewerken]

Positief dat bespeeld wordt en een calacante die twee handblaasbalgen bedient

Oudheid[bewerken]

Een echte geboortedatum voor het orgel is niet bekend. De oudste bronvermelding dateert uit ongeveer 246 voor Christus. Rond deze datum construeerde de Griek Ktesibios van Alexandrië een muzikaal speelgoed dat mechanisch door pompen wordt bediend. Hij noemde zijn instrument hydraulis (ὕδραυλις, van de Griekse woorden ὕδωρ (hydoor) voor water en αυλός (aulos) voor pijp). Dit apparaat bezat wel de vaste delen van wat wij nu een orgel noemen, maar de druk werd geregeld door water, zoals de naam aangeeft. Het was een eenvoudig instrument met slepen die men met de hand bediende. Tot zeker in de vierde eeuw na Christus was de hydraulis nog in gebruik als populair luxe-instrument. De oudste orgelresten, uit 228 na Christus, zijn gevonden in Aquincum en gerestaureerd.[1]

De eerste grote verandering bestond erin om de luchtdruk te stabiliseren in een blaasbalg, vermeld door Julius Pollux (2de eeuw na Christus). Dit apparaat werd organum pneumaticum genoemd (Grieks: ὕδραυλικὸν ὄργανον, hydraulikon organon, letterlijk waterbuiswerktuig; zie Athenaeus van Naucratis (Ath. 4174C).

Aanvankelijk was het orgel klein en verplaatsbaar: het zogenaamde portatief (van het Latijnse portare, dragen). De tweede grote evolutie was die naar het zogenaamde kistorgel of positief (van ponere, neerzetten). Men kon dit orgel ergens vast neerzetten. In de Kerk werd het orgel gebruikt voor de begeleiding van gezangen. Thomas van Aquino (1225-1274) omschreef het orgel als een instrument dat 'de ziel verheft'.

Middeleeuwen[bewerken]

In de Middeleeuwen werd het orgel geïntroduceerd in talloze kerken. Daarnaast zou het er kwalitatief op vooruitgaan en werd er al aan basbegeleiding gedacht. Het oudste bespeelbare orgel ter wereld bevindt zich in een kerk te Sion in Zwitserland. Het dateert van 1388 of 1435. Het is een zogenaamd "zwaluwnestorgel", met andere woorden, het hangt aan de muur. Dit middeleeuwse orgel is nog in zeer goede staat en origineel wat de intonatie betreft.

De middeleeuwse orgels hadden een zeer eigen karakter, zij kenden geen registers zoals later het geval is. Voor de 15e eeuw kende men enkel het bestaan van het blokwerk: er stonden wel verschillende rijen pijpen in, maar deze konden niet apart bespeeld worden.

Met de uitvinding van het 'wellenbord' werd ook de mechaniek verbeterd; de tractuur werd een ware doolhof van latjes en kleppen, waardoor een meerstemmig spel mogelijk wordt en de melodie sierlijker kan worden uitgevoerd.

In de laatste decennia van de Middeleeuwen werd het pedaal in Italië ingevoerd. Langzaam verspreidde dit extra klavier voor de voeten zich naar de rest van Europa en op het einde van de 14de eeuw kwam er hier en daar een pedaal voor van 12 noten met een zelfstandige registratuur.

Franse en Duitse orgelbouw tot 1800[bewerken]

De eeuwwisseling 1500-1600 bracht zowel op technisch als op muzikaal gebied vernieuwingen. Het blokwerk, dat niet de mogelijkheid had om begeleid solowerk uit te voeren, kreeg een vervangend systeem, nl. de springlade. De springlade gaf de organist de mogelijkheid de aparte registers te gebruiken. Dit bracht met zich mee dat kort na 1500 het orgel meer kleur en effecten kreeg. Elk land ontwikkelde zijn eigen typische smaken, met de daaraan vasthangende nieuwe registers, zoals de "flûtes" de "quintadena" en de "rohrflöte". Ook het regaal, dat oorspronkelijk een apart instrument was, deed zijn intrede.

orgel van de Abdij van Weingarten
gravure: François Bédos de Celles, L'art du Facteur d'Orgues, 1766

In de 17de eeuw beleefde Frankrijk zijn gouden eeuw. De macht van de koning is op dat moment bijna even groot als die van de Paus in Rome. Lodewijk XIV laat zich een groot lustslot bouwen te Versailles en uiteraard is er een kapel met een orgel. Daarnaast wordt er ook een orgel gebouwd voor de Dauphin met als doel de 'niet-religieuze' muziek. Het Franse klassieke orgel kende een waar hoogtepunt in het midden van de 17de eeuw. Een zeer verfijnde registratie kwam tot stand. Voor het eerst in de geschiedenis resulteerde de orgelbouw in een pracht van kleur, effecten en samenspel. Dat deze Franse school wellicht heel de Europese orgelbouw heeft beïnvloed, zal niemand betwijfelen. Ook de orgelliteratuur in Frankrijk is zeer karakteristiek. De belangrijkste componisten staan in dienst van de Zonnekoning.

Het orgel kan ingedeeld worden in het 'Grand Orgue', 'Positif' en het 'Récit'. Er zijn nog een paar Franse orgels die overblijven zoals het Grand Orgue gebouwd door Dom François Bédos de Celles (1709 – 1779) te Bordeaux.

Gottfried Silbermann was één van die orgelbouwers, die in Parijs vol bewondering de Franse school proefde. Later, toen hij terugkeerde naar Duitsland, zou hij onder invloed van het Parijse orgel de Duitse orgelbouw laten uitgroeien. Naast Silberman moet men de componist en organist Johann Sebastian Bach vermelden, daar zijn werken furore maakten op de orgels van Silbermann. Dit wordt wel algemeen aangenomen maar het is waarschijnlijk niet het geval, Bach moest niets hebben van de 1/5 kommastemming van Silbermann en had meer waardering voor het werk van Hildebrand.

De invloed van Frankrijk op Duitsland was echter niet zo verregaand dat de Duitse orgelbouw een imitatie van de Franse zou zijn. Bach had grondige kritiek op de Franse orgelbouw: de cimbels en de mixturen waren volgens hem niet scherp en hoog genoeg. Vandaar dat het Duitse orgel een zeer scherpe en doordringende klank mee kreeg. Het bijzondere van een Duits orgel, en meer bepaald van een Silbermann-orgel, lag in de eenheid van het instrument, zonder dat het afbreuk deed aan de polyfone schrijfwijze van Bachs composities.

Romantiek[bewerken]

Op het einde van de 18e-eeuw is het orgel volledig klaar voor de Romantiek en dit onder andere dankzij Dom Bédos die een compleet werk schreef: L'art du Facteur d'Orgues (1766) dat nog jaren zal dienen al basis voor restauraties en nieuwbouw. Het bouwen van orgels is een grote kunst geworden.

Alle evolutie die had geleid tot de pracht en de praal van het Franse hof, zou later zeker nog van pas komen zelfs al kwam er een politieke aardverschuiving op 14 juli 1789. De Franse Revolutie breekt uit en sleept geheel Europa mee. De eeuwige macht van de kerk wordt ter discussie gesteld en kunst is nu een zaak van iedereen. De Franse kunstwereld zal pas opbloeien met het keizerrijk dat Napoleon Bonaparte uitroept. Parijs blijft de stad van het licht en de kunst. In deze prille nieuwe maatschappij worden de grote namen uit de romantiek geboren. Deze periode, die in de Sturm und Drang-mentaliteit zijn wortels heeft, bloeit gedurende de 19de eeuw in geheel Europa. De romantiek betekende voor de orgelmuziek het uitbouwen van crescendo's en decrescendo's. Dit bracht enkele nieuwe technische veranderingen met zich mee. Een eerste vernieuwing was het fortissimo-pedaal. Dit was een pedaal waarmee men in één klap een aantal registers kon aan- of afzetten. Een tweede vernieuwing bestond reeds in de Spaanse orgelbouw, maar werd in de Romantiek verder uitgebouwd: de ontwikkeling van een zwelkast. Dit was een gesloten kast met een aparte windlade die in een zeer snel tempo kon geopend worden, zodat een crescendo-effect werd bereikt.

Het orgel evolueert mee met de symfonische muziek en groeit uit tot het 'Orgue Monumental'. Orgelkasten verdwenen en in de plaats daarvan kwamen pijpvlakken in een vrije opstelling. Deze enorme projecten konden niet meer voorzien worden van een mechanische tractuur, zodat we terecht kwamen bij de pneumatiek. Dit was wellicht de grootste uitvinding van de orgelbouwers in de late 19de eeuw . Elke bouwmeester ging er prat op een eigen systeem te ontwikkelen met de daaraan verbonden documenten van het octrooibureau.

De klank wordt veranderd door systematisch meer en meer aliquoten weg te laten of te vervangen door vulwerken. De gehele registratie bestaat dus voornamelijk uit 2-4-8-16-32voeters die een stabiele klank geven. De tongwerken worden verbeterd en worden talrijker. Er worden orgels gebouwd met alle stijlen door elkaar, het chamadewerk dat zo typerend is voor een Spaans orgel, wordt nu geïntroduceerd in het Franse orgel. Het klavier groeit verder uit zodat het resultaat meer iets weg heeft van een symfonisch orkest dan een solo instrument.

20e en 21e eeuw[bewerken]

Het controversiële karakter van de 20e eeuw had ook zijn gevolgen in de orgelbouw. Men kan twee richtingen onderscheiden. Een eerste richting geloofde steevast in de grote vernieuwingen van de pneumatische en de elektrische tractuur. Deze technieken brachten op alle gebied enorm veel mogelijkheden met zich mee. Na een dertigtal jaren echter bleken deze systemen niet de ideale vondst te zijn. Zij gingen niet lang mee en men kreeg al snel een tweede groep bouwers die terugkeerde naar de oudere systemen.

Het orgel is nu een volwassen instrument dat zijn eigen taal en leefwereld heeft ontwikkeld, het doet zijn naam van koningin der instrumenten alle eer aan. De tijd van de wiskundige muziek à la Bach is voorbij, maar niet vergeten. De muziek wint veel aan kracht en gevoeligheid. Veel componisten schrijven ook neer wat ze voelen, ook al valt dit niet altijd in goede aarde. De kunst is vanaf dan een vrij medium zodat iedereen er zijn eigen visie kan vertolken. Om aan al die expressiviteit te voldoen volstaan instrumenten als een klavecimbel en een viola da gamba niet meer. Er is nu ook vaak contact tussen de bouwer van het instrument en de muzikant.

Ook componisten onderling groeperen zich zodat ze eenzelfde richting uitvaren. Het publiek verbreedt zich ook zodat een bredere waaier van klassen aan cultuur doet. Vaak wordt er door de componisten ook naar het publiek toegewerkt. Ze zijn volledig onafhankelijk, zo zijn bestellingen geen prioriteit meer. De artiesten krijgen kans om zich te vervolmaken, ze evolueren en sommigen worden virtuoos.

Bouw van een orgel[bewerken]

Windvoorziening (conflatorium)[bewerken]

Om lucht door de orgelpijpen te kunnen blazen wordt een balg opgepompt - dit wordt de windkast genoemd. Vroeger kwamen er blaasbalgen aan te pas (veelal handmatig bediend, of met de voeten, de zogenaamde calcant), maar tegenwoordig wordt in dat windwerk steeds meer elektrisch voorzien door het toepassen van een speciale ventilator (windmachine). Door het niet meer toepassen van de windkast moeten balgen in kleinere afmeting nog steeds worden toegepast om lokaal in een orgel de winddruk te stabiliseren. De meeste speeltafels hebben twee rijen toetsen (klavieren of manualen), maar er zijn ook orgels met wel 5 klavieren.

doorsnede van een windlade

Oude orgels bedienden met manualen alle kleppen via een mechanisch stangenstelsel, de zogenaamde tractuur. Dit kon er toe leiden dat deze orgels zwaar te bespelen waren (tot wel 2 kg per toets). Eind 19e eeuw werd de pneumatische tractuur uitgevonden waarbij de mechanische bediening van registers en de verbinding tussen toets en pijp door middel van luchtdruk tot stand kwam. Nadeel hiervan was dat zo'n orgel soms trager (lui) reageerde. Nog recenter werd de elektro-pneumatische tractuur ontwikkeld waarbij de toetsen van de klavieren voorzien zijn van schakelaars en waarbij hiermee ingeschakelde elektromagneten de kleppen in de windladen bedienen.

Voordelen van elektromagnetische tractuur zijn bijvoorbeeld:

  • De speeltafel kan mobiel zijn opgesteld en kan zelfs op grote afstand van het orgel worden geplaatst.
  • De toepassing van elektrotechniek maakt het mogelijk vaste registercombinaties in bijvoorbeeld verschillende klankgroepen en klanksterkten toe te passen.

Tegenwoordig wordt echter bij nieuwbouw van orgels veelal teruggegrepen naar de aloude mechanische tractuur. Het voordeel hiervan is immers dat de organist echt "voeling" heeft met het instrument. Een goed ontworpen mechanische toetstractuur hoeft in het geheel niet zwaar te bespelen te zijn. Bij grote symfonische orgels wordt gebruikgemaakt van zogenaamde barkermachines. Deze bevorderen een lichte speelaard, daar zij de mechanische toetsbeweging via kleine balgjes versterkt doorgeven aan grote, zwaarder bewegende ventielen.

Manualen en pedaal[bewerken]

orgelklavieren en registerknoppen, Averbode orgel

Een pijporgel heeft doorgaans een of meer manualen en een pedaal, dat met de voeten bespeeld wordt. Het aantal manualen kan oplopen tot zeven bij zeer grote orgels. Met registerknoppen kunnen series pijpen gekoppeld worden aan (een deel van) de manualen of het pedaal. Een organist leest doorgaans van bladmuziek die in twee tot vier balken genoteerd wordt van boven naar beneden: beide handen (en pedaal).

Registratuur en pijpwerk[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie register (orgel) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Dit is het derde grote deel van het orgel en tegelijk het belangrijkste, want hier ontstaat de klank. Net zoals bij alle andere klavierinstrumenten is er voor elke toets één klank, die vastligt (uitgezonderd de aliquoten). Een orgel haalt zijn klank uit de pijpen, waardoor lucht stroomt. Hetzelfde principe als bij de fluit–familie, alleen kan een speler van een fluit zelf de toon bepalen door al dan niet de gaatjes af te dekken, waardoor de lengte van de resonantieruime (= buis) vergroot wordt. Omdat men niet de mogelijkheid heeft om de lengte van de pijp te laten variëren is men dus genoodzaakt om per noot één pijp te bouwen. Let wel: dat betekent niet dat er per toets ook één pijp klinkt; dat is afhankelijk van welke registers ingeschakeld zijn.

Speelhulpen[bewerken]

Het bespelen van een orgel is een lichamelijke activiteit. Alle ledematen worden ingeschakeld om het beste van jezelf te geven. In het aanvangstadium was er maar één eenvoudig manuaal dat als begeleiding diende. Door de eeuwen heen werd het instrument een erkend solo-instrument.

Koppelingen[bewerken]

Bij een orgel met verschillende manualen en pedaal, kan men door middel van een koppeling vanaf één manuaal de andere manualen automatisch laten meespelen. Afhankelijk van de mechaniek en manualen spreekt men van schuifkoppeling, manuaalkoppeling, pedaalkoppeling. Sinds de 19de eeuw bouwt men orgels met octaafkoppelingen (subkoppels) zodat het octaafbereik zich nog vergroot.

Bijvoorbeeld: is het hoofdwerk (I) gekoppeld aan het zwelwerk (II ) met een octaafkoppeling 16', dan zal op het andere klavier dezelfde noot een octaaf lager meespelen. Een organist kan dus van een 4' een 8' maken en van een 8' een 16', of van een 16' een 32'. Er bestaat ook een octaafkoppeling 4'. Deze koppelt een octaaf hoger.

Tremulant[bewerken]

Een pijporgel maakt in principe gebruik van lucht onder constante druk, maar niets weerhoudt de bouwers ervan om daar ook mee te experimenteren. De tremulant is dan ook op meerdere orgels in gebruik: in de 18e-eeuwse instrumenten als inliggende tremulant, op romantische orgels met zwelwerk als opliggende tremulant.

Het woord komt van tremulare, wat trillen betekent. Door de luchttoevoer met twee tot acht trillingen per seconde te variëren voordat deze hij de pijp bereikt ontstaat een klank in schokjes. De inliggende tremulant: in een horizontaal lopend windkanaal wordt een schuinliggend kaderwerkje geplaatst waarop een klep rust. Op de klep bevindt zich een metalen veer met op het uiteinde een loden gewicht. Met behulp van een metalen staaf kan de klep omhoog worden gezet zodat de wind ongehinderd door het kanaal kan stromen. Wordt de klep losgelaten dan ligt ze op het kaderwerk en zal door de aanstromende wind worden omhooggedrukt. De veer met gewicht zorgt voor tegendruk zodat een slaande beweging ontstaat waardoor de luchtstroom "tremuleert". De opliggende tremulant: de bouwer bouwt op een verticaal lopend windkanaal een extra balgje dat beheerst wordt door een veer en een gewicht. Door het register (of pedaal) te selecteren, loopt dat extra balgje vol met lucht en de veer stoot het balgje terug leeg in de vertakking. De lucht komt dus in schokjes terecht bij de pijpen (zoals bij de bloedsomloop), zodat de klank ook in schokjes ontstaat. Door de veer te reguleren kan men de frequentie bepalen van het aantal 'trillingen'. Op grote orgels vindt men soms een "Tremblant Fort"(= opliggende tremulant) en "Tremblant Doux" (inliggende tremulant).

Appel aux anches[bewerken]

Orgelbouwers bouwden ook extra pedalen zodat er meer mogelijkheden bestonden om het spel te laten variëren, terwijl de organist eenvoudig kon doorspelen. Zo bestaan er treden die een bepaalde register-familie kunnen 'oproepen'. Dit geldt bijvoorbeeld voor de tongwerken ('Anches' in het Frans). Deze werden vaak als allerlaatste ingeschakeld zodat de klank op het einde het luidste klonk.

Plenum[bewerken]

Wanneer van de registers alle labialen zijn ingeschakeld, spreekt men van het (Klein) Plenum (vol). Soms wordt met het (Klein) Plenum alleen het zogenaamde Prestanten-koor bedoeld. Als alle registers 'zijn getrokken' (= aan staan), wordt dat 'Tutti' genoemd (of Groot Plenum). Het orgel speelt dan met zo groot mogelijk volume. In het Frans wordt dit aangeduid met respectievelijk "Plein Jeu" (het volle werk zonder tongwerken) en "Grand Jeu" (inclusief de tongwerken). Overigens wordt in de Franse barokke orgelliteratuur onder Plein Jeu alléén het prestantenplenum verstaan, prestanten en bourdons met mixturen en cymbalen, en onder Grand Jeu het tongenplenum, zijnde prestanten, bourdons, cornetten en trompetten, evenwel zónder mixturen en cymbalen. In de Franse Barok werd nóóit het tutti van het orgel gebruikt.

Zweltrede en zwelkast[bewerken]

In de 19de eeuw ging het orgel veel gelijkenissen vertonen met een symfonieorkest, er waren allerlei soorten klankkleuren en speelhulpen. Maar toch wilden bouwers al eeuwen een orgel vervaardigen dat van fortissimo (zonder grote 'schokken') naar pianissimo zou kunnen gaan en omgekeerd. De grote vooruitgang om dit te bereiken bestond er in om een 'werk' in te bouwen in een geïsoleerde kast die langs de voorzijde dankzij jaloezieën open of gesloten kon worden. Het resultaat was zeer effectief zodat dit een onmisbaar gedeelte van de orgelbouwkunst werd. Later zouden nog meer pogingen in die zin ondernomen worden zodat het Recit Expressif als zelfstandig instrument zou doorgroeien tot een nieuw instrument; het Orgue Expressif, beter bekend als het harmonium.

Stemming en onderhoud[bewerken]

orgel RK kerk te Schijndel
Stellwagen-orgel in de Marienkirche in Stralsund (Duitsland) in de steigers
orgel in de Kathedraal van Helsinki
orgel in de Kathedraal van Brussel, gebouwd 2000 met chamadewerk
Frans Barok Orgel, Basilique de Notre-Dame-des-Victoires in Parijs
Orgel van het Koninklijke Klooster van Huelgas, Valladolid (Spanje)
klavier, Mighty Wurlitzer theater orgel, Paramount Northwest Theater, Seattle, Washington (USA)
Deens orgel, Domkerk te Ribbe (Denemarken)

De intoneur zorgt ervoor dat alle registers een mooie kleur, uitspraak en karakter krijgen. Om de pijp tot op juiste frequentie te stemmen moet men de lengte minutieus kunnen veranderen. Een goed orgel moet minstens twee keer per jaar aan een grondige stembeurt onderworpen worden, waarbij elke pijp wordt gestemd. Door de variaties in de luchtvochtigheid en temperatuur gaat het metaal uitzetten of krimpen, waardoor de corpuslengte verandert. Dit is een van de redenen waarom een kerk zeer langzaam wordt opgewarmd. Ontstemming wordt daarnaast in belangrijke mate bepaald door de temperatuur en consistentie van de lucht in de pijp. Warme lucht is dunner dan koude en geeft daardoor een hogere toon. Het stemmen gebeurt afhankelijk van het register door middel van een systeem eigen aan de pijp: de stemrand, stemkrul, stemhoed, stemring of stemlap een beetje te verplaatsen.

Bij de gedekte pijpen kan men stemmen door de hoed of de stop te verhogen of te verlagen, bij de praestanten en strijkers en zwevingen door de stemkrul af of op te rollen.

Een tongwerk (bijvoorbeeld fagot 8') wordt gestemd door de stemkruk die op de tong zit naar boven of beneden te verschuiven. De tongwerken gaan door hun bouw van de stemkruk niet zo snel onderhevig zijn aan uitzetten van het metaal, de toonhoogte blijft iets constanter terwijl de labialen gezamenlijk een beetje zakken of stijgen. De tongwerken moeten dus frequenter worden bijgestemd.

Een orgel stemmen is een hele klus die vaak niet door één persoon alleen uit te voeren is. Iemand moet het klavier bespelen terwijl een ander stemt. Bij kleinere orgels is het echter wel mogelijk een loodje op een toets te leggen om vervolgens naar de pijpen te lopen. Hoe meer registers, hoe langer het stemwerk duurt - soms dagenlang. Natuurlijk is het goedkoper om een orgel goed te onderhouden, zodat grote problemen kunnen worden vermeden.
Men begint praktisch gezien altijd het stemmen van een 8' en 4' vanaf de zijkant met een frequentiemeter, de rest gebeurt vaak op het gehoor. Als laatste komen de lingualen aan de beurt. Het materiaal om te stemmen hangt af van het register. Elk soort pijp heeft ander stemmateriaal nodig. In principe wordt altijd voor de zomer gestemd omwille van de temperatuur.

Bij het stemmen mag een pijp nooit met de hand aangeraakt worden omdat de lichaamswarmte dan wordt doorgegeven waardoor het metaal uitzet, en de pijp verkeerd gestemd wordt.

Experimentele orgelbouw[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Bambuso sonoro voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In afwijking van de traditionele orgelbouw ontwierp de Nederlandse beeldend kunstenaar Hans van Koolwijk een bamboe-orgel met meer dan honderd fluiten, die hij de naam Bambuso sonoro gaf. Het is waarschijnlijk geïnspireerd door het 19e-eeuwse bamboe-orgel in Las Piñas in de Filipijnen.

Bekende orgelcomponisten[bewerken]

Talloze componisten hebben orgelwerken geschreven waaronder Johann Sebastian Bach als meest prominente. Zie Lijst van orgelcomponisten.

Bekende orgels[bewerken]

Hieronder enige orgels die vermeldenswaardig zijn omwille van klankkleur, bouwer, dispositie, historie, locatie of architectuur.

België[bewerken]

Nederland[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Voor Nederlandse orgels, zie de Lijst van Nederlandse Orgels.

Buiten Nederland en België[bewerken]

  • Orgel in de Mariendom te Riga, Letland
  • Orgel van de Katedra Wniebowziecia in Polen
  • Orgel in de Basiliek van St. Bernard te Lezajsk, Polen
  • Orgel in de Basiliek Sedembolestnej Panny Márie te Sastin, Polen
  • Orgel in de Kathedraal van Orvieto, Italië
  • Orgel in de Hofkirche St. Leodegar te Luzern, Zwitserland
  • Orgel in de St. Marienkirche te Stralsund, Duitsland
  • Epistelorgel in de Kathedraal van Mexico-stad
  • Het orgel van de Atlantic City Convention Hall, VS, dat het grootste orgel ter wereld is: 7 klavieren, 33.114 pijpen, 337 registers, waaronder een 64’ en zeven 32’ (gebouwd door Midmer-Losh, 1932)
  • Het orgel in de Basiliek de Valére te Sion, Zwitserland, dat het oudste functionerende orgel ter wereld is. Het is gebouwd omstreeks 1435, maar sommige onderdelen zijn nog ouder. De bouwer is onbekend.

Noten[bewerken]

  1. Jean Perrot, The Organ. From its invention in the Hellenistic period to the end of the thirteenth century, vertaald uit het Frans door Norma Deane, Oxford University Press, 1971.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]