Orgelpijp (orgel)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een orgelpijp is het onderdeel van een pijporgel dat de klank verwekt. Orgelpijpen worden ambachtelijk gemaakt door orgelbouwers of door pijpenmakers, wanneer de orgelbouwer ze niet zelf vervaardigt. De pijpen, ook wel het pijpwerk genoemd, zijn onder te verdelen in labialen of labiaalpijpen en lingualen of tongpijpen. Het aantal orgelpijpen in een pijporgel kan variëren van enkele tientallen, bij de kleinste orgels, de portatieven, tot honderdtallen in de kleinere kerkorgels van dorpskerken, tot zelfs duizendtallen bij de grote kathedraal- en concertorgels.

Materiaal en vervaardiging[bewerken]

Orgelpijpen worden hoofdzakelijk gemaakt uit twee soorten materiaal: uit metaal of hout. Het orgelmetaal, is meestal een legering van lood en tin. Idealiter maakt de orgelbouwer zelf zijn orgelpijpen.

Metalen orgelpijpen[bewerken]

Metalen orgelpijpen worden vervaardigd van tin, lood, koper en ook wel zink. Het meest gebruikte materiaal is een legering van tin en lood, dat het zogenaamde 'orgelmetaal' wordt genoemd. Een hoog tingehalte veroorzaakt een zilverachtige glans, en zal men daarom veelal voor de frontpijpen gebruiken. In Vlaanderen is een hoog loodhoudende 'orgelstoffe' zeer gebruikelijk in de periode van barok, rococo en post-rococo.

De vervaardiging gebeurt veelal op historisch ambachtelijke wijze. De metalen worden gesmolten in een grote gietijzeren ketel, de smeltkroes. Na het bovendrijvend vuil afgeschept te hebben, giet men het vloeibare orgelmetaal in een gietlade, een trechtervormige bak met een spleet onderaan. De gietlade wordt in een aan snelheid afnemend tempo getrokken over de giettafel: een tafel bespannen met linnen doek (nomex 3) of een zandbed. Tegenwoordig giet men ook op zeer stevig glas. Na afkoeling is de plaat orgelmetaal klaar voor verdere bewerking. Indien de plaat van hoog loodgehalte is, wordt ze omwille van stevigheid gehamerd. Daarna wordt de plaat op dikte geschaafd en/of gewalst. De plaat wordt uiteindelijk bestreken met een bolusverf, waarop kan getekend worden. De onderdelen van de pijp worden uitgetekend en uitgesneden op de plaat. De verschillende onderdelen van de pijp worden aan elkaar gesoldeerd (soldeer materiaal = 63% SN en 37% Pb) . Waar de soldeernaad komt, wordt de bolusverf weggeschraapt en met stearine ingestreken. Nadien wordt de bolusverf ( = 2 delen arabische gom, 1 1/2 deel dextrine, 1 deel rode bolus of engels rood en 8 delen krijt) van de pijp met warm water afgewassen.

Houten orgelpijpen[bewerken]

Naast metalen pijpen worden ook houten orgelpijpen gemaakt. Het hout geeft een warmere, donkere klank, met meer grondtonen. Ze worden veelal gebruikt voor de gedekte pijpen en fluitstemmen. Houten pijpen worden gemaakt van eiken-, mahonie- en soms ook van kwalitatief grenenhout.

Soorten[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie register (orgel) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Orgelpijpen worden ingedeeld in twee pijpsoorten: de labialen of labiaalpijpen en de lingualen of tongpijpen.

Labiaalpijpen[bewerken]

Labiaalpijpen zijn genoemd naar hun labium, een latijns woord dat 'lip' betekent. De bouw ervan is eigenlijk verwant aan de blokfluit: een luchtkolom wordt in trilling gebracht door een windstroom die het labium treft. Labiaalpijpen kunnen open, gedekt of halfgedekt zijn. De open pijpen zijn aan de bovenkant niet afgesloten. bij metalen pijpen hebben de gedekte pijpen een 'hoed', bij houten gedekten een 'stop'. Halfgedekte pijpen zijn niet helemaal gesloten en hebben op hun hoed nog een opening, zoals bij het register van de roerfluit, met een klein buisje op de hoed.

Tongpijpen[bewerken]

Tongpijpen of linguaalpijpen hebben een tongetje dat de luchtkolom tot trilling brengt in een 'keel' of 'lepel', die zich in de 'voet' of 'stevel' van de pijp bevindt. Bovenop de voet van de tongpijp staat de schalbeker die de toon versterkt. Diverse bekervormen brengen diverse klankkleuren voort. Registerbenamingen die we hier aantreffen zijn o.a. 'Trompet', 'Clairon', 'Hobo', 'Kromhoorn', etc.

Zie ook[bewerken]