Graafschap Holland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Holland
graafschap in het Heilige Roomse Rijk, later gewest in de Republiek
1101 — 1795
Counts of Holland Arms.svg
(Details)
Het graafschap Holland rond 1350.
Het graafschap Holland rond 1350.
Algemene gegevens
Hoofdstad Officieel geen, de facto Den Haag 1230-1795
Politieke gegevens
Vergadering Staten van Holland

Beluister

(info)

Het graafschap Holland was een graafschap binnen het Rooms-Duitse Rijk, waarvan het gebied uiteindelijk ongeveer overeenkwam met de provincies Noord- en Zuid-Holland zonder de Zuid-Hollandse eilanden en met de eilanden Terschelling, Vlieland, Urk en Schokland, die later zijn overgeheveld naar andere provincies. Datzelfde geldt voor het Land van Heusden en Altena dat vanaf 1813 behoort bij de provincie Noord-Brabant.

Van een 'graaf van Holland' is voor het eerst sprake als graaf Floris II van Holland zich in 1101 bij oorkonde graaf van Holland noemt. Met de dood van Jan I in 1299 stierf diens dynastie: het "Hollandse Huis" uit en sindsdien waren de graven van Holland steeds afkomstig van buiten het graafschap: achtereenvolgens het huis Avesnes (Henegouwen), het huis Wittelsbach (Beieren), het huis Valois (Bourgondië) en het Habsburgse huis.

In de 16e eeuw verwierf Holland zijn dominante positie in de noordelijke Nederlanden. Dit kwam door zijn economische overwicht en door zijn samenwerking met de Habsburgse landheren bij het pacificeren van Friesland en Gelre. De Staten van Holland bekostigden de legers die de achtereenvolgende stadhouders hiervoor inzetten, maar weigerden om mee te betalen aan een betere verdediging van de zuidelijke provincies tegen de Fransen.[1]

In 1581 zwoeren de Staten-Generaal van de Nederlanden de toenmalige graaf Filips III (koning Filips II van Spanje) af en was er in de praktijk geen graaf meer. De grafelijke rechten berustten bij de Staten van Holland en West-Friesland.

Het gewest Holland had binnen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een dominante positie, zowel politiek als economisch. Met de komst van de Fransen werden in 1795 alle feodale rechten formeel afgeschaft. In 1798 werden de Nederlanden in departementen verdeeld, die niet de historische grenzen van de gewesten volgden. Holland werd (ongeveer) verdeeld in vier departementen: het departement van Texel, het departement van de Amstel, het departement van de Delf en het departement van de Schelde en Maas.

Ontstaansgeschiedenis[bewerken]

Karolingische tijd[bewerken]

Lotharingen[bewerken]

Onder Karel de Grote beheerste het Frankische rijk rond 800 een groot deel van Europa. Het Karolingische rijk was onderverdeeld in gouwen, ook pagus genoemd. Sommige groepen pagi werden comitatus genoemd, hoewel dit ook wel gebeurde voor afzonderlijke gouwen. Deze werden bestuurd door leenmannen (vassus) die aan hem verantwoording schuldig waren. Een comes of gouwgraaf bestuurde één of meerdere gouwen. Door de geringe handel, de negatieve handelsbalans met het Byzantijnse Rijk en de moslims en het verdwijnen van de gouden muntslag was de economie echter min of meer veranderd in een ruileconomie. De leenmannen konden alleen beloond worden door hen gronden (beneficium, vanaf de tiende eeuw feodum) en het vruchtgebruik daarvan te geven. Hieruit ontwikkelde het systeem zich tot het feodalisme. De leenmannen streefden naar erfelijkheid, wat steeds meer regel werd en in 877 gelegaliseerd door het Capitulare van Quierzy. Hiermee werd het onmogelijk nog een groot rijk te vormen, terwijl de graven op hun beurt probeerden meerdere gouwen te verkrijgen.

Duitse Adelaar met hartschild van het graafschap Holland (Ridderzaal den Haag)

Daarnaast hadden de Karolingen geen abstract staatsbegrip, zoals de Romeinen eerder al hadden gekend, maar beschouwden land als een persoonlijk bezit. Zoals elk bezit werd dit na het overlijden dan ook onder de zonen verdeeld. Deze rijksdelingen hadden vaak een onderlinge strijd ten gevolg die een centraal gezag problematisch maakte, wat nog verergerd werd door Vikingaanvallen. Met het Verdrag van Ribemont van 880 kwam een einde aan de rijksdelingen. Het hertogdom Lotharingen - waar de Lage Landen deel van uitmaakten - kwam bij het Oost-Frankische rijk waarin men het probeerde te integreren. Er was echter geen sprake van een enkel stamverband als in de vier stamhertogdommen van dit rijk -Franken, Saksen, Beieren en Zwaben - en Lotharingen nam een aparte positie in met grote mate van zelfbeschikking. Dit bleek wel toen in 911 Lodewijk het Kind overleed, de laatste Karolinger in Oost-Francië. In tegenstelling tot de stamhertogdommen die zich onder Koenraad, de hertog van Franken, schaarden, koos men in Lotharingen voor de Karolingse West-Frankische koning Karel de Eenvoudige.

Karel de Eenvoudige werd in 922 uit Lotharingen verdreven door de Duitse koning Hendrik de Vogelaar waarna de Lotharingse edelen uiteindelijk voor Hendrik kozen in 925. Diens macht was echter beperkt onder zijn naar zo veel mogelijk zelfstandigheid strevende vazal Giselbert II, de hertog van Lotharingen, die op zijn beurt alleen werkelijke macht uitoefende in zijn eigen graafschappen.

De periode tussen ongeveer 850 en 950 wordt wel de ijzeren eeuw genoemd, vanwege de chaos die ontstond door het verbrokkelen van de macht. Veel gewesten kregen weer hun oude naam en versterkten hun eigen identiteit. In de Lage Landen ging dit niet op, aangezien de namen Austrasië en Neustrië in onbruik waren geraakt en er nog geen duidelijk omlijnde gebieden waren.

Frisia[bewerken]

Aan het einde van de regering van Lodewijk de Vrome, zoon van Karel de Grote, was de koninklijke macht verzwakt door de stormvloed van 838, maar vooral door de twisten met zijn zoons. Na de dood van Lodewijk beleende zijn zoon Lotharius I de Deense broers Rorik en Harald met Frisia - het huidige Friesland en Holland - in een poging de aanvallen van de Vikingen te weren. De gouwgraven zien hun macht daardoor afnemen. Ze gingen samenwerken met de Denen, maar in 885 kwam aan de Deense overheersing een einde door de moord op Godfried de Noorman en zijn metgezellen in Herispich, het huidige Spijk, door Everhard Saxo en Hendrik van Babenberg, waarbij Gerolf, comes Fresonum, een aandeel had. Hij ontving als beloning van de Oost-Frankische koning Arnulf op 4 augustus 889 een aantal goederen in vol eigendom. Het betrof een gebied buiten zijn graafschap, in Teisterbant, bestaande uit een aantal boerderijen en huizen in onder andere Tiel, Aalburg en Asch. Daarnaast betrof het een gebied binnen zijn graafschap. Dit laatste goed, bestaande uit een bos en een bouwakker, lag ergens tussen de monding van de Oude Rijn en (vermoedelijk) Bennebroek, Suithardeshaga.

In 922 schonk koning Karel de Eenvoudige de kerk van Egmond met alle daarbij behorende goederen aan Dirk I als dank voor zijn steun bij een opstand van zijn vazallen. Egmond lag ten noorden van de bezittingen die hij van Gerolf had gekregen en sloot daar dus uitstekend op aan. Kort hierna stichtte hij er de Abdij van Egmond, de oudste abdij van Holland.

Feodale periode[bewerken]

De status van het Hollandse huis bleek gestegen toen in 938 Dirk II op achtjarige leeftijd werd verloofd met de net geboren Hildegard, de dochter van Arnulf I van Vlaanderen. De graaf was in deze periode meer een militaire gezaghebber die de aanvallen van de Vikingen moest weerstaan en daarbij onder de bisschop van Utrecht viel.

In 985 gaf koning Otto III, op verzoek van zijn moeder Theophanu een aantal gebieden in eigendom (proprium) aan graaf Dirk II die hij eerder in leen (beneficium) had gekregen. Dit was het gebied tussen de rivieren Liora (Lee (De Lier)) en Hisla (Hollandse IJssel) - Masaland -, villa Sunnimeri, het gebied tussen de rivieren Medemelaka en Chinnelosara gemerchi - Kinheim - en Texla.

In 993 kwam graaf Arnulf om het leven bij een poging zijn opstandige onderdanen tot gehoorzaamheid te dwingen. Dit gevecht vond plaats bij Winkel en wordt gezien als een eerste teken van de libertas van de Friezen, maar op dat moment was er nog geen sprake van scheiding tussen West-Friesland en Kennemerland. Dirk III was nog te jong om het bestuur op zich te nemen, waarop zijn moeder Lutgardis van Luxemburg deze taken waarnam. In 1005 was Dirk oud genoeg om zelfstandig het graafschap te besturen, maar maakte hij nog steeds dankbaar gebruik van de goede connecties van zijn moeder. Volgens Thietmar van Merseburg kwam het tot een verzoening met de Friezen door toedoen van haar zwager, koning Hendrik II. De koning vertrok vanuit Utrecht per schip met een leger om de Friese opstand te onderdrukken.

Om de promessa in te lossen die hij had gedaan naar aanleiding van de Friese aanvallen, ging Dirk III daarna op bedevaart naar Jeruzalem. Bij zijn terugkeer bleek het noorden nog dusdanig onveilig dat hij naar het zuiden trok en rond Vlaardingen, dat buiten zijn leen lag, grond begon te verpachten om het in cultuur te laten brengen. Bovendien bouwde hij een burcht bij Silva Meriwido, het latere Vlaardingen. Vanuit die burcht dwong hij de kooplieden die in hun schepen langsvoeren, onderweg van Tiel naar Engeland en vice versa, om tol te betalen. Op de rijksdag van Nijmegen van 1018 werd naar aanleiding van Tielse klachten besloten hier tegen op te treden. Een leger onder leiding van hertog Godfried I van Lotharingen bestaand uit een vloot met troepen uit Utrecht, Keulen en Luik werd echter in de Slag bij Vlaardingen verslagen door Dirk III. Om diens positie tegenover eventuele aanvallen van Vikingen niet te verzwakken, besloot de Rooms-Duitse keizer Hendrik II het hierbij te laten, maar wel de positie van de bisschop van Utrecht, de leenheer van Dirk, te versterken. Dirk wist desondanks zijn gebied uit te breiden richting het oosten, ten koste van Utrecht. Na het overlijden van Hendrik II in 1024 steunde Dirk III de kandidatuur van Koenraad II waarmee hij poogde zich te verzoenen met het rijksgezag en zijn verworven gebieden te behouden en zelfs uit te breiden.

Tijdens het bewind van bisschop Bernold stierf keizer Koenraad II gedurende een verblijf in Utrecht in 1039, waarop zijn ingewanden in de Domkerk werden bijgezet. De zoon en opvolger van Koenraad, Hendrik III, overlaadde het Utrechtse bisdom sindsdien met gunsten; zo werd in 1040 het Oversticht aan de bisschop toegewezen. Nu de banden hernieuwd waren, werd besloten om de graaf alsnog te bedwingen. In 1046 dwong de keizer Dirk IV afstand te doen van het door hem veroverde gebied. De keizer kon zich echter niet handhaven en moest zich terugtrekken, waarna Dirk de bisdommen Utrecht en Luik begon te plunderen. Bovendien sloot hij een verbond met Godfried met de Baard, de hertog van Opper-Lotharingen en de graven van Vlaanderen en Henegouwen. Hierop volgde in 1047 een tweede strafexpeditie waarbij de keizer Vlaardingen en de grafelijke burcht te Rijnsburg veroverde. De burcht werd geheel verwoest. Tijdens de terugtocht leed de keizer echter grote verliezen, waardoor Dirks bondgenoten nu ook openlijk tegen de keizer in opstand kwamen. In 1049 werd Dirk IV door de bisschoppen van Metz, Luik en Utrecht in de val gelokt en gedood. Dirk was nog jong, ongehuwd en kinderloos. Hij werd opgevolgd door zijn broer Floris I.

Floris I wist zijn gebied in het noorden uit te breiden met een klein gebied in Rijnland, Holdland. Waarschijnlijk ging deze naam al snel over op het gehele gebied van Floris. Floris kwam 1061 in oorlog, waarbij niet duidelijk is of dit tegen Brabant, het Sticht of Luik was, waarbij hij verrast en gedood werd. Zijn zoon Dirk V was nog minderjarig, waarop zijn moeder Geertruida van Saksen regentes werd. In 1063 hertrouwde Geertruide met Robrecht I van Vlaanderen, die hierna de Fries werd genoemd en als regent voor Dirk V optrad. Koning Hendrik IV schonk in 1064 de gebieden van Dirk, namelijk die 'ten westen van het Vlie en rond de oevers van de Rijn' (Westflinge et circa horas Reni) aan bisschop Willem I van Utrecht, op wiens steun hij wel kon rekenen. Dirk mocht slechts Maasland behouden. Willem wist met de hulp van hertog Godfried III met de Bult van Neder-Lotharingen met veldslagen in 1071 en 1072 de gebieden ook daadwerkelijk te veroveren. Na de dood van Godfried en Willem in 1076 belegerden Robrecht en zijn stiefzoon Dirk V IJsselmonde en wisten de nieuwe bisschop Koenraad gevangen te nemen en te dwingen de gebieden van Dirk V terug te geven.

Ontginningen[bewerken]

Rond 950 begonnen op kleine schaal ontginningen in de enorme veengebieden in Holland en rond Utrecht, waarschijnlijk van de kleinere heren uit, buiten de graaf of bisschop om. In de elfde eeuw begon echter de Grote Ontginning die veel meer onder de controle stond van de graven van Holland en de bisschoppen van Utrecht. Tot de dertiende eeuw werd het gebied tussen het IJ in het noorden, de duinen in het westen, de Lek en de Waal in het zuiden en de Oude Rijn in het oosten ontgonnen.

Voor de Grote Ontginning waren de grenzen tussen het machtsgebied van de graven van Holland en de bisschoppen van Utrecht niet duidelijk te tekenen en bestond er tussen beide een feitelijk niemandsland. Gedurende de ontginningen wisten de graven van Holland echter hun invloed uit te breiden ten koste van Sticht Utrecht.

Naamgeving[bewerken]

De oudste bronnen refereren aan het niet duidelijk gedefinieerde graafschap als West-Frisia ten westen van het Vlie. Tot 1101 hebben de bronnen het over Friese graven, maar in dat jaar krijgt Floris II een toevoeging; hij wordt genoemd als Florentius comes de Hollant, graaf van Holland. De graven hierna hielden het bij deze ene titel, totdat Floris V in 1291 besloot zich graaf van Holland en Zeeland en heer van Friesland te noemen. Dit was ook het gebruik na de vereniging middels personele unies met Henegouwen, Beieren-Straubing, Bourgondië en Habsburg, hoewel de titels langzaam naar onderen schoven in belang, zodat dezen bij de laatste graaf, Filips II, pas halverwege zijn lijst van titels werden genoemd.

Gewest Holland[bewerken]

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog speelde het gewest Holland een belangrijke rol in het verzet tegen de Spaanse koning. Na de Unie van Utrecht werd het gewest Holland het leidende gewest van de Republiek, zie verder Holland.

Territorium[bewerken]

Kaart van het Graafschap Holland in de 17e eeuw door Willem Blaeu

Het gebied van het graafschap Holland bestond uit grofweg de huidige provincies Noord- en Zuid-Holland maar ook de noordelijkste delen van de provincie Brabant. Het graafschap was door de graaf van Holland vanaf 1236 opgedeeld in verschillende baljuwschappen om het gebied makkelijker te beheersen. Dit waren bestuurlijke gebieden waar de Baljuw als de vertegenwoordiger van de Graaf optrad. Naast de baljuwschappen bestonden er de heerlijkheden. De heerlijkheden waren gebieden door de graaf in leen gegeven aan zijn leenheren. De heerlijkheden bestonden al voor het instellen van het baljuwschap. De heerlijkheden waren verbonden aan verschillende heerlijke rechten zodat de heren hier inkomsten uit konden halen. Daarnaast was er ook nog het heerlijkheid West-Friesland, dat in 1297 door Floris V van Holland onderworpen werd en min of meer onafhankelijk van Holland bleef functioneren. In de loop der eeuwen verwaterde dit en werd West-Friesland als onderdeel van het Graafschap Holland gezien. Hieronder de baljuwschappen waaruit het graafschap Holland bestond:

Naam: Ontstaan Opmerking
Delftland 1273 Afgesplitst van het baljuwschap Rijnland.
Schieland 1273 Afgesplits van het baljuwschap Rijnland.
Rijnland 1236 Meerder malen verkleind.
Kennemerland 1236
Zuid-Holland 1236 Door de Sint Elisabeths-vloed in van 1421 werd het gebied versnipperd.
Amstelland 1236
Waterland 1281 Werd tussen 1281 en 1283 door Floris V aangekocht.

Hieronder een lijst met verschillende (hoge) heerlijkheden in het graafschap Holland:

Naam: Uitgiftejaar Plaats Dynastie Opmerking
Abdij van Rijnsburg Rijnsburg Abdis van Rijnsburg Vrije Hoge heerlijkheid
Land van Voorne Oostvoorne Heren van Voorne Vrije Hoge heerlijkheid
Heerlijkheid Egmont Egmond Heren van Egmont Vrije hoge heerlijkheid; vanaf 1486 Graafschap.
Heerlijkheid Putten Putten Heren van Putten Vrije Hoge heerlijkheid, samen met Strijen
Heerlijkheid Strijen Strijen Heren van Strijen Vrije Hoge heerlijkheid, samen met Putten
Heerlijkheid Vianen Vianen Heren van Vianen Vrije hoge heerlijkheid. Vianen wist een verregaande zelfstandigheid te bewaren en was defacto zelfstandig van het Graafschap Holland.
Baronie IJsselstein IJsselstein Heren van IJsselstein Vrije Hoge heerlijkheid
Heerlijkheid Heenvliet Heenvliet Heren van Heenvliet Vrije Hoge heerlijkheid
Heerlijkheid Hoogmade Hoogmade Heren van Hoogmade Vrije Hoge heerlijkheid
Heerlijkheid Papendrecht Papendrecht Heren van Papendrecht Vrije Hoge heerlijkheid
Heerlijkheid Wijngaarden en Ruigbroek Wijngaarden
Heerlijkheid Callantsoog Callantsoog Heren van Callantsoog Heerlijkheid, rond 1250 in het bezit van het huis Brederode.
Heerlijkheid Warmenhuizen Warmenhuizen Heren van Warmenhuizen Heerlijkheid, rond 1250 in het bezit van het huis Egmont.
Heerlijkheid Haringkarspel Harenkarspel Heren van Haringkarspel Heerlijkheid in het bezit van het huis Egmont.
Heerlijkheid Petten Petten Heren van Petten Ook wel bekend als Heerlijkheid Petten en Nolmerban.
Heerlijkheid Oudkarspel Oudkarspel Heren van Oudkarspel Voor 1423 in het bezit van het Huis Egmont.
Heerlijkheid Bakkum Bakkum Heren van Bakkum Tot 1613 onderdeel van het Graafschap Egmont.
Heerlijkheid Huisduinen Huisduinen Heren van Huisduinen Een bezit van het huis Egmont.
Hoge Heerlijkheid Wassenaar en Zuidwijk 1400 Wassenaar Filips van Wassenaar (1400)
Heren van Wassenaar
Heerlijkheid Polanen Monster Heren van Polanen
Heerlijkheid Oegstgeest Oegstgeest Heren van Oegstgeest
Hoge heerlijkheid van Purmerend, Purmerland en Ilpendam Purmerend Heren van Pumerend, Purmerland en Ilpendam Vanaf 1410 een Vrije Hoge heerlijkheid en kwam in 1483 in het bezit van het huis Egmont.
Heerlijkheid Linschoten Linschoten
Heerlijkheid Hekendorp Hekendorp
Hoge Heerlijkheid Hazerswoude 1428 aug. 4 Hazerswoude Jan van Monfoort (1428)
Lodewijk van Montfoort, ridder
Heerlijkheid Oosthuizen Oosthuizen
Heerlijkheid Nieuwkoop Nieuwkoop
Heerlijkheid Loenen Loenen
Heerlijkheid Hoogwoud Hoogwoud Ook bekend als heerlijkheid Hoog- en Aartswoude
Heerlijkheid Abbenbroek Abbenbroek
Hoge Heerlijkheid Naaldwijk 1418 Naaldwijk Hendrik van Naaldwijk (1418)
Heerlijkheid Brederode Brederode Heren van Brederode
Hoge Heerlijkheid Bergen (kennemerland) 1428 aug. 17 Bergen Floris van Haamstede (1428)
Wolfert van de Maalstede (1445)
In het bezit van het huis Brederode.
Hoge Heerlijkheid Benthuizen 1399 Benthuizen Jan van Heemstede (1399)
Gerard van Heemstede (1445)
Hoge Heerlijkheid Schagen 1427 juni 29
1430
Schagen Willem (bastaard) van Beieren (1427) en (1430)
Heren van Schagen
Hoge Heerlijkheid Warmond/Woude 1402 Warmond Jan van den Woude (1402)
Jacob van den Woude (1445)
Hoge Heerlijkheid Assendelft 1400 Assendelft Bartaud van Assendelft (1400)
Gerard van Assendelft (1445)
Hoge Heerlijkheid Noordwijkerhout en Noordwijk 1418 dec. 25 Noordwijk Jan van de Boekhorst (1445)
Hoge Heerlijkheid Opmeer Opmeer Jan van Zwieten (1445)
Heerlijkheid Spanbroek Spanbroek
Heerlijkheid Obdam Obdam ontstaan in 1544
Heerlijkheid Ter Leede Leerdam Later heerlijkheid/graafschap Leerdam
Heerlijkheid Jaarsveld Jaarsveld
Land van Arkel Arkel
Land van Heusden Heusden
Land van Altena Almkerk
Heerlijkheid Klundert Klundert Ook wel Heerlijkheid Niervaart genoemd.
Heerlijkheid Zwaluwe Hooge Zwaluwe Ook wel Heerlijkheid Hoge en Lage Zwaluwe genoemd.
Heerlijkheid Geertruidenberg Geertruidenberg
Heerlijkheid Ridderkerk Ridderkerk Als onderdeel van het Hoge Heerlijkheid van de Lek
Heerlijkheid Lekkerkerk Lekkerkerk Als onderdeel van het Hoge Heerlijkheid van de Lek
Heerlijkheid Krimpen aan den IJssel Krimpen aan den IJssel Als onderdeel van het Hoge Heerlijkheid van de Lek
Heerlijkheid Krimpen aan de Lek Krimpen aan de Lek Als onderdeel van het Hoge Heerlijkheid van de Lek
Heerlijkheid Ouderkerk Ouderkerk aan den IJssel Als onderdeel van het Hoge Heerlijkheid van de Lek
Baronie van Liesveld Gelkenes
Heerlijkheid Zevenbergen Zevenbergen

Zie ook[bewerken]